Als de trein het kleine station Bunnik binnenrijdt, zie ik schrijver Gregor Verwijmeren van De Alpenfederatie al op het perron staan. ‘Het zou in mijn schrijfhok op de boerderij kunnen, evt gecombineerd met café Vroeg op een steenworp daarvan (hok is wel authentiek, maar het ontbreekt er nogal aan comfort)’, mailde Gregor me om tot een afspraak en locatie te komen voor dit interview. We hebben elkaar nooit ontmoet, maar wanneer ik naar buiten stap, is de herkenning wederzijds. Is dit wat social media doen? vraag ik me af. Het gevoel iemand te kennen zonder deze in het echt ooit ontmoet te hebben.
Sinds 2010 publiceert Gregor Verwijmeren essays en verhalen in onder andere De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine’. In 2018 verscheen zijn debuutroman De vorm van geluid en vorig jaar verscheen zijn tweede roman, De Alpenfederatie bij Van Oorschot. Een even intrigerende als vermakelijke toekomstroman waar hij zes jaar aan werkte.
Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies en aan het conservatorium in Utrecht. Hij werkt drie dagen per week in de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, de overige dagen is hij te vinden in zijn schrijfhok in Houten, op fietsafstand van zijn woonplaats Odijk, waar hij met vrouw en drie kinderen woont. Gregor werkt er offline. ‘Stilte is de eerste voorwaarde om te kunnen schrijven. Ik noem het het jaren negentig-gevoel.’ Voor noodgevallen heeft hij een dumbphone bij de hand.
Het schrijfhok is een afgetimmerde ruimte bovenin een grote boerenschuur. Via een houten trap en een klein plateau betreden we het domein van de schrijver. Links staat een werktafel met daarop een computerscherm, boeken, papieren, veel papieren. Rechts een boekenkast en overal waar je kijkt boeken, tot onder de tafel zijn boeken en dozen (waarin boeken vermoed worden) te vinden. Boven de werktafel is een dakraam dat een stukje van de hemel prijsgeeft. Achterin een klein keukenblok waar koffie en thee gezet kan worden.
Het idee voor een toekomstroman ontstond rond 2011. Toen de eerste ideeën werden genoteerd, kreeg Verwijmeren onverwacht last van tinnitus. Waarover in 2013 in De Gids het indringende verhaal iPeep verscheen.
‘Ik was bang dat ik nooit meer zou kunnen schrijven of zelfs lezen en dat zorgde voor paniek. Daar moest ik iets mee. Toen ben ik eerst De vorm van geluid gaan schrijven.’ Volgens een bespreking in de Groene Amsterdammer leverde zijn debuutroman een rijk boek op, ‘vol prikkelende ideeën die steeds weer hongerig maken naar meer’. Ook Verwijmerens tweede roman zit vol ideeën, uitgewerkt en vormgegeven door zijn personages.
De Alpenfederatie speelt honderd jaar van nu. Grote delen van Nederland zijn verdwenen. Er heerst een broeierig klimaat. Wie naar buiten gaat, trekt een koelvest aan en zet een masker tegen de muggen op, want daar krioelt het van. Er zijn noodkampen voor vluchtelingen uit de ondergelopen gebieden van Nederland. Wie geluk heeft, woont in een van de uit de grond gestampte hoge gebouwen. Otto, een gelauwerde maar werkloze botanicus, woont met zijn vrouw Tilly en dochter Sophia op de zestiende verdieping. Zijn oudste zoon, Iwan, heeft zich aangesloten bij een radicale groepering ETR (Eat The Rich) en is verdwenen. Sophia verplaatst zich in een rolstoel, geeft Duitse les aan kinderen in de noodkampen. Zonder medeweten van zijn vrouw en dochter solliciteert Otto naar een baan als orchideeënverzorger bij Edward en Charlotte Friend. De ultrarijke Friends zijn uit Amerika gevlucht omdat daar aanslagen op de rijken worden gepleegd. Ze strijken neer in De Alpenfederatie, een gebied dat voorheen Zwitserland en Oostenrijk besloeg, waar de elite een monsterverbond heeft gesloten met de regering.
Het gaat over de extreme kloof tussen rijk en arm, over het plegen van verzet met als doel de wereld te veranderen. Was er een bepaalde noodzaak dit boek te schrijven? Waar werd het door aangezwengeld?
‘Ik zie schrijven als fabulerend onderzoek, de roman als een laboratorium waar je mensen handelend neerzet in extreme situaties, onder invloed van historische krachten. Welke keuzes maken ze? We leven in extreme tijden die alleen maar extremer zullen worden. Het begon allemaal met een specifiek beeld dat ik had: dat van een orchideeënkas in de Alpen. In dat beeld kwamen een aantal dingen samen, klimaatverandering, de protserigheid van de rijken, privileges. Dat beeld werd een symbool van waaruit eigenlijk alles vertakte.’
Hoe was het om aan dit boek te werken?
‘Het is misschien gek, maar terwijl ik doorgaans een opgewekt persoon ben, kies ik in mijn verhalen en romans steeds voor zware onderwerpen. Maar hoe duister het onderwerp ook is, ik schrijf altijd met veel plezier. Het creëren van personages en het opzetten van scènes. Het spelen met taal. Wat ik fascinerend vind, is dat je door literatuur in iemands hoofd kunt gaan zitten. Hoe je de lezer door een verhaal naar een andere tijd en plaats kan teleporteren. Dat is een soort magie. Dat alles wil niet zeggen dat ik nooit wakker lig van de toestand in de wereld. Ik heb kinderen. Het gekke is wel dat als ik in hun nabijheid ben, die zorgen verdwijnen.’
Gregor zet thee en koffie, er is heerlijke appelcitroencake, gebakken door zijn jongste dochter. Terwijl hij koffiezet, vertelt hij over taalspel in huize Verwijmeren. ‘Mijn jongste dochter heeft een krultang en tovert daarmee het meest spectaculaire haar tevoorschijn. We zijn al een paar dagen in discussie hoe we zulk haar moeten noemen: cycloonhaar of orkaanhaar. Cycloonhaar geeft het best de beweging van het haar weer, orkaanhaar heeft een mooi binnenrijm.’, zegt hij lachend.
Hoe zijn je personages ontstaan en wist je van tevoren hoeveel en welke personages erin moesten?
‘Die ontstaan organisch. Tijdens het schrijven voel je: dit klopt, en daaraan schrijf je verder. Tot je weer een bepaalde keuze gaat maken, van dit is niet goed, dat is wel goed. Het is veel op gevoel en niet altijd te beredeneren. Je moet ook iets visionairs hebben, denk ik. Steve de Steenarend bijvoorbeeld, die was er opeens, kwam als het ware binnenvliegen.’
Maar iemand zoals Madam Smith, aanvoerder van de terroristengroep ERT, was het belangrijk dat zij van de Polynesische eilandengroep kwam?
‘Ja, ze moest afkomstig zijn uit een van de werelden die verdwenen waren. En momenteel is dat op de Polynesische eilanden gaande. Madam Smith is de derde generatie klimaatvluchteling, en dat de derde generatie het radicaalst is is een bekend verschijnsel, hoorde ik later. Maar ik wilde haar in alle opzichten extreem laten zijn, ook haar fysiek, haar verlangens.’
En Edward Friend, had je met hem een prototype voor ogen?
‘Niet echt, ik wilde hem juist niet te zwart-wit maken. Het gegeven dat hij als kind door zijn vader werd gedwongen in de mijn te werken is onttrokken aan het leven van een Amerikaanse steenkool-miljonair waarover ik ooit in een podcast hoorde. Hij was zo fanatiek met dat afgraven dat hij de fundering van het familiehuis aantastte. Friend is in wezen zelf ook een slachtoffer. Hij trekt zich ondanks zijn kapotte longen regelmatig terug in een privé-mijn waar hij hakt en graaft als een gedoemde kompel. Omdat hij niet anders kan. Hij lijkt in sommige opzichten op Otto.’
Otto is best wel een brave man die handelt vanuit de gedachte wat het beste voor zijn gezin is, maar vaak is het tegendeel waar.
‘Elke keer sust hij zichzelf ermee door te denken, ‘Ik doe het voor hen, over anderhalf jaar gaan we terug.’ Hij denkt te weten wat goed voor zijn vrouw en dochter is. Hij is echt een patriarch, irritant soms.’
Op een gegeven moment verschijnt Madam Smith aan Sophia in haar kamer. Wat gebeurt daar?
‘Sophia zit in een crisis. Ze heeft een koortsdroom waarin Madam Smith haar probeert over te halen zich net als haar broer bij de terroristen aan te sluiten. Omdat ze in zo’n mooie positie zit, tussen de elite. Ze haat de rijken maar kiest ondanks dat voor een andere weg. De scène is een knipoog naar Goethe en Doctor Faustus van Thomas Mann. Daarin wordt de componist Adrian Leverkühn bezocht door de duivel, aan wie hij zijn ziel verkoopt in ruil voor compositorische gaven.’
De rebellengroep waar Iwan in zit, is geradicaliseerd, maar je laat ook zien dat dit niet de weg is. Wat wilde je laten zien? Dat sociale ongelijkheid oproept tot actie?
‘Een wereld waarin de rijken steeds rijker worden en de armen steeds armer is in verschillende betekenissen niet duurzaam. Ik denk dat anno 2026 Marx nog heel actueel is. Er zal een opstand komen, zoals bij de Franse revolutie. Of zoals Rousseau zegt: ‘Als het volk niets te eten heeft, zal het de rijken opeten’, wat in het boek Eat the Rich is geworden. Een van de politieke ideeën die me aansprak is van Bruno Latour uit zijn boek Waar kunnen we landen? De rijken hebben het privilege te kunnen landen waar het veilig is. In mijn roman is dat in de Alpen. Die ontwikkeling is nu al bezig. Denk aan Silicon Valley-miljardairs die eilanden of stukken van Nieuw-Zeeland opkopen en zich van de mensheid afkeren. Een bunkermentaliteit, letterlijk. Overigens is er ook nog een verborgen invalsshoek aan het hele idee van rijk en arm.’
Hoe bedoel je?
‘Dat wij eigenlijk de rijken zijn. Onze klein- en achterkleinkinderen zullen de gevolgen van klimaatverandering pas aan den lijve ondervinden. Dus wat in het boek verticaal is vormgegeven in de zin van arm versus rijk zal zich horizontaal in de tijd ontwikkelen.’ Waarbij Gregor zijn onderarm rechtop houdt en kantelt tot horizontaal.
De beschrijvingen van de steden hoe die er over honderd jaar uitzien, hoe heb je dat gedaan? Heb je die plaatsen ook bezocht?
‘Een aantal jaren geleden heb ik meegedaan aan een literair festival in Boedapest. Op de terugweg trok ik door de Alpen en bezocht ik Wenen, Salzburg en Zürich. Een deel van het boek speelt zich af in Zürich en ik had het stuk waarin Tilly met Charlotte naar de stad gaat, al geschreven. In die stad ziet Tilly haar zoon, Iwan. Ik zat op dat plein voor het operahuis en zag dat ik niets aan mijn beschrijving had toe te voegen. Mijn research leerde me dat mijn research overbodig was.’
Waar begon jouw interesse in de literatuur, welke schrijvers las je graag?
‘Ik las als tiener veel Kafka en ik herlees hem nog steeds. Behalve dat dat voelt als thuiskomen, vallen me iedere keer weer nieuwe dingen op. Zoals dat Gregor (what’s in a name? Iv/dG) in De gedaanteverwisseling verandert in een kever en het eerste wat zijn vader doet als die hem ziet, is zijn vuist heffen, zo boos wordt hij. Dat is ontzettend grappig. Kafka kan de gekste situaties in gewone taal beschrijven. Maar zijn humor is weinig bekend. Als hij voorlas aan zijn vrienden, moest hij vaak lachen om zijn eigen tekst.’
‘Dus, ja. Kafka, Mann, de Russen. Later Amerikaanse schrijvers als Saul Bellow en John Updike, de Rabbit-cyclus vooral. Nabokov, Carver. Beckett, Cortázar. Een schrijver die ik nog weer later ontdekte en naar wie ik steeds terugkeer is David Foster Wallace. Dode witte mannen dus. Overigens is Patricia Highsmith de schrijver van wie ik de meeste boeken las, zo’n vijftien schat ik.’
Gregor is afgestudeerd op de journalistieke werken van Dostojevski. ‘Literatuurwetenschapper Mikhail Bakthin heeft Dostojevski geanalyseerd en ontwikkelde de theorie van de polyfonie van ideeën. Dat personages niet alleen levende wezens zijn, maar ook dragers van ideeën, belichaamde ideeën die botsen met andere ideeën. Bijvoorbeeld hoe in Misdaad en Straf Raskolnikov ergens een idee oppakt en hoe hem dat verder doet radicaliseren. Die theorie heeft me ook beïnvloed bij het schrijven van De Alpenfederatie. Het gegeven dat ideeën als virussen in de atmosfeer zweven en met mensen aan de haal gaan is trouwens nog heel actueel.’
Kun je zeggen dat je een levendige fantasie hebt?
‘Mm, ik spreek liever van verbeelding, fantasie heeft iets grilligs. Maar het klopt dat Menno (Hartman, Gregors uitgever, Iv/dG) mij weleens moet afremmen. Je verbeelding vormt een parallelle wereld waarin ik graag vertoef. Er waren vroeger veel boeken in huis dus ik kwam al jong met die wereld in aanraking. En het begint natuurlijk met kinderboeken, de eerste teksten waarin je verdwijnt. De boeken van Tonke Dragt bijvoorbeeld hebben veel indruk op me gemaakt. Dingen uit een Brief van de koning zitten misschien ook wel in De Alpenfederatie, bedenk ik me nu. Het avontuurlijke, het trekken. In De vorm van geluid beschrijf ik hoe de hoofdpersoon als tiener Kafka’s Het slot leest. Het sneeuwt en hij zit met zijn rug tegen de verwarming terwijl landmeter K. aankomt bij het slot waar het ook sneeuwt. Daar ontstaan parallelle werelden die heel verschillend zijn, maar elkaar raken. De hoofdpersoon hoort vrienden aanbellen maar hij verkiest liever dat boek. Oftewel de verbeelding.’
In 2010 werd je eerste verhaal gepubliceerd in De Gids, had je toen al meer verhalen geschreven?
‘Ik ben behoorlijk perfectionistisch en vond heel lang nooit goed wat ik schreef. Eigenlijk heb ik pas na de komst van ons tweede kind serieus doorgepakt met schrijven. Dus toen het bijna onmogelijk was qua tijd. Er was kennelijk een barrière nodig. Dit is natuurlijk voer voor psychologen.’
Het boek eindigt met een scène waarin Sophia met haar Duitse vriendin, Sabina aan de keukentafel zit. Ze zegt: Komm meine liebe, bauen wir eine neue Welt. Wat de vraag oproept naar een vervolg. Komt dat er?
‘Die kans is groot. Maar waar ik als volgende deel eerst mee verder wil gaan, speelt over tien jaar vanaf nu. Het is deels een uitwerking van de op blz. 90 genoemde Oeral-anekdote. De overgrootvader van Otto was klimaatwetenschapper en dat zet Sophia in De Alpenfederatie af tegen de lafheid van haar vader. Ik kan verklappen dat er een populist aan het roer is. Het wordt hopelijk een minder omvangrijk boek dat minder lang op zich zal laten wachten.’
Auteursfoto: Bob Bronshoff












