Vertalen is een vak, blijkt altijd maar weer, zeker als het op poëzie aankomt. Dit wordt met name duidelijk bij een genre als de haiku. Deze ultrakorte gedichten die vaak in een vast schema van 5-7-5 klinkers staan gaan meestal over de natuur en de veranderende seizoenen. Vertaler en Japanoloog Jos Vos heeft de dichter Matsuo Basho al in 2023 onder handen genomen, nu is er van zijn hand een bloemlezing uit het werk van haikudichter Yosa Buson getiteld: Een mandje aarde. Dit poëtische buffet is smullen voor de liefhebber. Buson blijkt een dankbare bron met een enorme variëteit aan onderwerpen en geeft regelmatig blijk van een grote complexiteit in zijn spel met de canon. Er is scherts en parodie maar hij gaat ook het experiment aan en toont een grote liefde voor compacte taal en rijke visuele beelden.
Yosa Buson (1716-1783) geldt voor velen in Japan als de dichter van de melancholie en is een wat meer alledaags alternatief voor de soms meer gekunstelde verzen die al dan niet uit literaire kringen kwamen. In zijn tijd golden ‘haikai’ al als een speels genre waar vooral op werd geoefend in kringen van mannen die kettinggedichten schreven, voortbordurend op elkaars werk als een soort literaire versie van Scrabble. De haiku was toen al een gerespecteerde kunstvorm met een geschiedenis en was de tegenhanger van de wat meer gestileerde waka, en hoewel er vaak seizoensgebonden elementen in voorkomen zijn haiku toch veel breder. Buson bedient zich van een enorm breed arsenaal aan literaire verwijzingen, van kabuki theater tot reizen van voorgangers, ukiyo-e prenten en de klassieken zoals het verhaal van Ise. Verder haalde hij inspiratie uit volksverhalen, ontmoetingen en het werk van zijn tijdgenoten. De haiku bieden snapshots van een grote keur aan verschillende milieus, daarnaast had Buson als verdienstelijk schilder een haarscherp oog voor kleuren en verhoudingen. Hij gebruikt de literaire traditie vaak als manier om ervaringen te verheffen naast alleen maar te parodiëren, ‘kunst was zijn religie’ volgens Vos.
Pruimen in bloei
Zonder de vaardige hand van Vos zou de lezer dan ook snel verloren door dit wonderlijke landschap lopen. Naast de moeite van het vertalen van het fonetische Japans geldt er natuurlijk een flinke ervaringskloof met de 18e eeuwse Japanner. Bovendien is de vorm van de haiku vaak ook een voertuig voor emoties en spontane expressies en is het decor van de natuurscène een manier om iets te zeggen over onderlinge verhoudingen of innerlijke staten, of probeerde de dichter als het ware een te worden met het landschap, zoals je bij Basho en zijn tijdgenoten veel ziet. Kennis van de canon en de klassieken werd dan voor lief genomen, de lezer moest wel zijn klassiekers kennen om sommige van die verwijzingen te begrijpen. Daarom zijn de noten van Vos hard nodig. Hij verdeelt de verzameling in in de vier seizoenen, waarbij ook nog proza, kettinggedichten en wat meer experimenteel werk wordt opgenomen.
De onderwerpen zijn veel breder en afwisselender dan alleen doorsnee zaken als nachtegalen of kersenbloesems. Het boek leest verrassend goed weg omdat Vos een stukje uitleg geeft onder de meeste gedichten, maar omdat er zoveel haiku’s zijn is het toch wel alsof je moet kiezen uit een driesterrendiner met meerdere gangen. Wat opvalt is dat Busons taalgebruik een stuk minder eerbiedig en officieel is dan dat van veel van zijn voorgangers. Zo heeft hij het over ‘snertgedichten’, ‘lekker leuteren’ en ‘maffen als een os’, wat enigszins wijst op zijn vrij ontspannen karakter. Het is vermakelijk om naast meer serieuze onderwerpen als pruimen in bloei of wegtrekkende ganzen iets aan te treffen over turen naar kikkers of kinderspelletjes. Buson is ook heel bedreven in de kunst van de allusie, dubbele betekenis, alliteratie en binnenrijm, het wemelt van de onvertaalbare woordgrappen en kinderrijmpjes. Het is voor hem naar hartenlust spelen met taal. Volgens Buson is de kunst van het haikai dichten: ‘door alledaagse woorden ons te bevrijden van de alledaagsheid.’
In vogelvlucht
Dat Buson ook een grote liefde had voor de spontane ontdekking valt goed terug te zien in zijn poëzie:
‘Doodbedroefd
besteeg ik de helling en-
wilderozenstruiken.’
In zijn onderwerpkeuze verschuift hij vaak net de focus naar een minder populair onderwerp, kersenbloesems worden bij hem beukenbloesems, chrysanten worden meer vulgaire planten als duizendknoop en boekweit. Dit lenen en parodiëren uit de poëtische traditie gaat constant door. Eigenlijk is bijna alles wat de haikudichters uit die tijd schrijven geïnformeerd door of geïnspireerd door hun voorgangers, in dit geval de Chinese verzen, de klassieke bloemlezingen als de Kokinshu en dichters als Saigyo. Buson houdt duidelijk van speelse alledaagse taferelen als spelen, dansen, schuilen voor de regen of dutjes doen. Soms is hij ook heel fijngevoelig:
‘Voorjaarsregen:
net genoeg om de schelpjes
op het strand nat te maken.’
De beweging van Buson was enerzijds terug naar de oorsprong van het haikai dichten, in zijn geval naar Basho, en anderzijds was het zuivere kunst voor hem. Het idee was om de haikai weer in ere te herstellen als serieus poëtisch genre met diepgang. Soms liep dit uit op het intellectuele spel met verwijzingen, kwinkslagen of inside jokes, maar gelukkig levert het ook meer zuiver werk op, origineel zonder afgezaagd te worden zoals je al snel krijgt binnen de beperkingen van het genre. Meestal bevatte een haiku een van de zogenaamde seizoenwoorden zoals vlietende lente en ook snijwoorden om ze op te delen.
Deze beperkingen leveren mooie snapshots op of opnames in vogelvlucht met een vogelperspectief. Bijna een soort zeer korte verhalen waarbij zoveel mogelijk betekenis in de gecomprimeerde regels wordt gelegd, iets waar Buson ook erg goed in was. Een scène schetsen met een paar woorden, waarin iets van de sfeer of stemming van het originele tafereel wordt weergegeven in geuren en kleuren. Het experiment werd ook niet geschuwd, met spreektaal, onregelmatige regellengtes of andere afwijkende woorden. Iets wat je ook in deze bundel terugziet, als Buson bijvoorbeeld heel oneerbiedig tanuki (een soort wasbeerhond uit de Japanse folklore) in Boeddha’s laat veranderen.
Vooruit, op reis!
Buson was echt een estheet en een groot liefhebber van het kabuki toneel en had onder zijn vrienden meerdere acteurs. Hij was altijd gecharmeerd van andere artiesten, of dat nu schilders of dichters waren en zodoende krijgen we ook een klein doorkijkje in het bonte artistieke milieu van die tijd. Als echte gentleman dichter was Buson natuurlijk in de eerste plaats verknocht aan de natuur, de schoonheid die hij in zoveel toonaarden bezingt. In de geest van Walt Whitman is bij Buson de oproep ook: ‘Vooruit, op reis!’ De wereld in, de lichtjes volgend van vuurvliegjes of de lampionnen in de stad waar ze ook maar heen leiden. Onderweg zien we van alles, wilde ganzen die overtrekken, mensen die ruzie maken of elkaar liefkozen, vuurwerk en bliksemschichten. Geen betere gids op dat pad dan Buson, de opvolger van Basho en goedgemutste schilder die ons maar al te goed weet te wijzen op al dat schoons. Buson lezen is beseffen dat het moment proberen vast te houden of grijpen even onwezenlijk is als het vasthouden van een vlinder:
‘Onwezenlijk,
dit vasthouden:
een vlinder.’












Geef een reactie