Een expliciet beschreven taboe

Recensie door: Helena van Dijk

Met Gewone Hollandse jongens van de Roemeense Mira Feticu (1973) lijk je qua formaat een Boekenweekgeschenk in handen te hebben, en dat is niet eens heel ver naast de waarheid. Voor het geschenk van 2025 organiseerde de CPNB namelijk een wedstrijd rondom het thema ‘je moerstaal’, waarbij de inzendingen blind gejureerd werden. Van de 149 inzendingen won Gerwin van de Werf met De krater en belandde Gewone Hollandse jongens op de shortlist. Mira Feticu ontving een lovende brief van de jury. Haar werk, dat taboes rond huidhonger bij weduwen aankaart, werd ‘uniek en verrassend’ genoemd door de jury. Later belandde de novelle ook nog op de longlist voor de Libris Literatuurprijs.

Uniek en verrassend is Gewone Hollandse jongens zeker. Je leest het boek via een ik-perspectief van een naamloze weduwe van ongeveer middelbare leeftijd, afkomstig uit Roemenië. Ze richt zich in een lang stuk tekst dat op een brief lijkt tot haar Nederlandse zwager, de (veel) jongere broer van haar overleden echtgenoot en maakt hem deelgenoot van al haar gevoelens, belevenissen en fantasieën. Tijdens het leven van haar echtgenoot hadden zij en haar echtgenoot vrijwel geen contact met deze Benjamin (ook wel Benji of BJ). De ik heeft zich sowieso vanwege haar Roemeense achtergrond altijd een buitenstaander gevoeld in haar schoonfamilie, maar spreekt zich vol waardering uit over ‘Hollandse jongens’ in het algemeen en over haar overleden echtgenoot en diens broer in het bijzonder. In tegenstelling tot de jongens met wie ze opgroeide, voor wie liefde pesten was, zijn Hollandse jongens ontzettend lief. Om die reden is ze dus bij voorbaat al dol op de jongere broer van haar echtgenoot, ook al heeft ze daar nauwelijks ooit contact mee gehad.

Unieke beschrijving van rouw

De vrouw beschrijft haar belangstelling voor Benjamin uitvoerig en betreurt het zelfs dat ze niet behoort bij een stam waarin de weduwe naar de overgebleven broer gaat. ‘Kun je van twee broers houden? Of is het van de ene met je hele leven houden, met al je kracht en alles wat je bent, en voor de tweede lust voelen? (…) Als ik niet slapen kan, denk ik aan wat ik zou willen doen met jouw haren. Een echt dilemma voor een weduwe die nog steeds een lichaam liefheeft, het lichaam van een jongere man, nota bene de broer, de jongere broer van haar overleden man. Op alle fronten taboe, maar de huid kent geen taboe.’

De beschrijving van huidhonger na een overlijden maakt het boek inderdaad uniek. Die fysieke kant van rouw komt weinig aan bod in de literatuur. Mira Feticu heeft er met haar hoofdpersonage duidelijk aandacht aan willen besteden en is ervaringsdeskundige. Ook haar geliefde overleed een aantal jaar geleden.

Het gebrek aan lichaamscontact zorgt voor een enorme eenzaamheid bij de ik, op alle momenten van de dag. Het gemis is continu aanwezig, bijvoorbeeld wanneer ze naar haar werk gaat, maar ook wanneer ze alleen in huis porno kijkt. De vrouw fantaseert over wat ze allemaal met de broer van haar echtgenoot zou willen doen. Aanvankelijk roept haar leven mededogen op bij de lezer, maar na verloop van tijd neemt de huidhonger steeds extremere vormen aan. Er komen almaar explicietere scènes en gedachten voorbij die ervoor zorgen dat het medelijden bij de lezer regelmatig plaatsmaakt voor een gevoel van ongemakkelijkheid, weerzin en plaatsvervangende gêne. Soms levert het boek ook verwarring op, bijvoorbeeld wanneer de ik jaren na haar laatste menstruatie plotseling weer bloed verliest alsof ze een jongere versie van zichzelf is geworden. Al met al zorgt het ik-perspectief voor een leeservaring die in toenemende mate benauwend aanvoelt.

Jaloersmakend

Daar staat tegenover dat de stijl van Gewone Hollandse jongens in een woord prachtig is. Het is jaloersmakend hoe mooi Feticu kan schrijven in een taal die niet haar moedertaal is. Op vrijwel iedere pagina staat wel een zin die het verdient om herlezen te worden. ‘Benji, leen me een stukje huid. Het lichaam van je broer is in kosmos gepulveriseerd, mijn lichaam hangt aan mijn pijn en weegt een ton. Ik kan het nog niet cremeren, er hangt nog een ziel aan. Benji, leen me een stukje huid.’

Alhoewel de literatuur bij uitstek een plek is om taboes te doorbreken, wil dat niet zeggen dat iedere lezer zit te wachten op het lezen over allerlei seksuele handelingen. Gaandeweg het verhaal ontdek je dat de omgeving van de vrouw zich (ook) zorgen over haar maakt en pas helemaal aan het eind wordt duidelijk (inderdaad heel verrassend) waarom dat meer dan terecht was.

Op de achterkant van het boek wordt het gekwalificeerd met de woorden poëtisch, provocerend en hartverscheurend. Die woorden vatten het boek goed samen, zeker in het middendeel, waarin je je afvraagt welke kant het verhaal op zal gaan en je alleen maar kunt afgaan op de alsmaar voortdenderende woordenstroom van de ik. Je wordt er soms bijna moe van. Het is begrijpelijk dat de CPNB er niet voor heeft gekozen om Gewone Hollandse jongens uit te geven als Boekenweekgeschenk, omdat het boek vanwege de expliciete scènes en het ongekuiste taalgebruik waarschijnlijk slechts bij een select lezerspubliek waardering had kunnen vinden. Voor wie de thematiek van Gewone Hollandse jongens te gedurfd vindt, is het goed om te weten dat het andere werk van Mira Feticu wat dat betreft toegankelijker is.

 

Gewone Hollandse jongens

Gewone Hollandse jongens

Mira Feticu

Uitgever: De Geus (2025)

ISBN 9789044551556

112 pagina’s

Prijs: € 14,99

Kopen bij Libris