Onvoltooid zelfportret

Door: Juul Martin Williams

Opgeslagen locaties opent met een dichtregel van Apollinaire: ‘een beeld dat komt en gaat maar altijd bij je blijft’. Zelden deed een motto meer recht aan de inhoud dan dit citaat, want over beelden gaat het in de nieuwe bundel van Maarten Buser. En hoe! Al valt er over de aard van die beelden wel het een en ander te zeggen. Uiteraard zijn geen twee dichters hetzelfde en zijn er voor wie dat beeldende aspect er niet zoveel, of in ieder geval minder toe doet. Dichters die werken met en vanuit het talige: rijm en ritmiek, de cadans van klemtonen en lettergrepen, de muzikaliteit van zinnen, liefst hardop voorgedragen.

Voor zover er ritmiek is in deze bundel, betreft die vooral de structuur, de herkenbare opbouw van strofen van twee of drie regels. Zoals ook de bundel als geheel helder is opgebouwd. Vijf blokken van nagenoeg dezelfde lengte: Ruwe wereld – Kijkgeschiedenis – Ruim – Generator – Eindeloos scrollen. Voorafgegaan door een enkel gedicht Bol (1). De andere gedichten met die titel zijn losjes over de blokken verdeeld. Samen vertellen ze een verhaal dat zich maar moeilijk laat ontcijferen en verstaan. Het meest nog lijken ze op flarden van een koortsdroom waaruit de lezer kan opmaken dat er een klasgenoot was die er nu niet meer is, iets met een auto, een crash, een lantaarnpaal en naderhand een leeg bed.

‘Bol (2)
Ik hield het bijna vol / tot het einde van de film / Als ik in slaap val // hoor ik woorden in talen / die ik niet versta / Jij, meer toespeling dan man, // was een auto, op weg naar / een crash
tegen een lantaarnpaal, / maar werd vloeibaar, // olie, en glibberde eromheen / Ontbreken is pluizig, / herinneren ‘s nachts rijden’

De meeste gedichten in deze bundel zijn niet eenvoudig te duiden. Toch lijkt het woord hermetisch, in de zin van ontoegankelijk, ondoordringbaar, hier niet helemaal op zijn plaats. Het is niet zozeer dat de gedichten niet open gaan, het lijkt er eerder op dat de dichter niet alle puzzelstukjes in de doos heeft gedaan. De woordenreeksen, soms als losse stenen opgestapeld, soms in staccato afgevuurd, zorgen voor een gebrekkig zinsverband. Niet alleen syntactisch, maar ook in de zin dat de lezer per saldo maar weinig betekenis kan halen uit hetgeen er wordt verteld, omdat er in die doos met losse puzzelstukjes nogal wat ontbreekt. Zozeer dat je je met enige ergernis kunt afvragen of het eigenlijk wel de bedoeling van de schrijver is dat wij dit lezen.

Snapshots, kiekjes & losse scènes

Waar sommige dichters hun beelden tonen als in een film en de lezer gaandeweg een coherent verhaal te zien krijgt, leest Opgeslagen locaties eerder als een verzameling snapshots. Polaroids van mensen op een feestje dat al geruime tijd aan de gang is. Warrige, onscherpe plaatjes, geschoten door weer andere mensen die al net zo beneveld zijn als de geportretteerden. Wel reeksen van beelden dus, maar geen complete film met een duidelijk verhaal. Al wordt in enkele gedichten wel expliciet naar het monteren van beelden verwezen.

‘Montage
 De menigte is een beeldenpark, / ogen, armen, barsten, graffiti
Laat me toch de dag uit en in / elkaar schroeven, zoals ik dat wil
Welke andere machine accepteert / bij elkaar geraapte tandwielen?
De menigte wordt een statische vacht / Passeren knettert. Ik volg
opstijgende vonken. Bevries / Grove wolken laten hun voegen zien’

Voor een coherent verhaal zijn de beelden te fragmentarisch en te willekeurig gerangschikt. Behalve de eerder genoemde klasgenoten komen er veel jeugdherinneringen voorbij, reizen door de tijd, per bus, auto of trein. Als er een beeld is, dan is het er hooguit voor een paar seconden. Dan beweegt het beeld weer en is het weg en twijfel je of het wel echt was. Niets beklijft, zo lijkt het. Zelfs wat anderen betekenen in jouw leven, of wat jij betekent in het leven van de ander is niet zeker. Zijn we wel echt, of zijn we enkel reflecties van voorbijgaande aard?

‘Ik dacht dat ik wist wie je was / ‘s Nachts zwermen de neonbeelden / en -woorden ergerlijk gul over straat, // tot in mijn slaap die de dag opnieuw / monteert, aangevuld met vergeten
vrienden, // bijnazekerwetens, tochniethelemaals’

Bewegende beelden

Bovendien zijn veel van die beelden indirect, spiegelbeelden, reflecties in ramen van voertuigen, al dan niet bewegend, en is helemaal niet zo duidelijk – ook voor de dichter zelf niet – wie hij precies ziet in die reflecties: een ander of zichzelf? Daarmee rijst allengs de vraag hoe dat nu eigenlijk zit met die identiteit van ons. Hoe vast of hoe fluïde is die?

‘Daar
Muziek lijmt scènes aan elkaar / Tegen elektrisch ochtendlicht / zitten parallelle forenzen // in hun filmrol. Je snapt nooit welke / coupé als eerste begint te rijden / Avondlichten verdwijnen,
// behalve de straal over je schouder, / tegen het doek. Daardoor / begrijpen mensen anderen // Daarop is haar trui wollig, / blauw dat doorloopt / in de spiegelende nooddeur’

Hier valt de fragmentarische opbouw en stijl van schrijven samen met de inhoud. Juist als je denkt dat je binnen bent en iets waarneemt, zie je vanuit je ooghoek de trein verder rijden, en besef je dat je alleen maar een glimp hebt opgevangen. Het gedicht waarin je – eindelijk – zelf bent binnen geraakt, is een lege huls van woorden omdat een deel van de inhoud alweer is vertrokken is. En de lezer, de waarnemer blijft met die lege huls achter.

Zelfbeeld

In die fragmentarische beelden wordt, zo blijkt meer en meer, vooral het eigen spiegelbeeld gezocht, als om te checken of het er nog wel is, alsof elke interactie met de buitenwereld het gevaar in zich bergt dat het ‘ik’ wordt vervormd. Zodanig zelfs dat het na inmenging van externe krachten niet meer als ‘ik’ herkenbaar is, misschien zelfs wel helemaal verdwenen.

Uit de dichtregels, ‘Als ik op wil gaan in een groep / raak ik uit mijn vorm,’ en ‘Door liftspiegels vergeet je dat de ruimte / begrensd is. Hoe weet je waar je // blijft als die begint te bewegen?’ wordt duidelijk dat de dichter zich over die identiteit voortdurend zorgen maakt.

Is de mens wel echt iemand, of enkel de optelsom van impressies, gedragingen en kortstondige ontmoetingen? Een verzameling data: waar we waren, waar we instapten en uitstapten. Wat we doen op ons werk. Vandaar de titel Opgeslagen locaties, alsof enkel daarmee bewezen kan worden dat we wel degelijk bestaan, omdát we ergens hebben ingecheckt, gewerkt, gewinkeld; zijn geflitst, gezien, gefotografeerd. En dan nog. Zelfs al is bewezen dat we bestaan, zijn we zelf dan wel iemand, los van de dingen die we doen, maken, afleveren? Gewoon écht bestaan, los van nut of prestatie of connectie.

In de manier waarop Buser zichzelf en wat hij waarneemt beschrijft, lijkt hij object en subject tegelijk. Het geeft de gedichten al met al een hermetisch en ook wel egocentrisch karakter. Alsof de dichter, de ik-figuur, zijn eigen buitenstaander is die zichzelf waarneemt, en de lezer hooguit getuige mag zijn van de onmogelijkheid van interactie tussen binnen en buiten, tussen ik en de ander.

‘Verdwijnpunt
Hoe kon ik weten dat op mijn route opeens / een camera, pratende hoofden, geen stop, / opnieuw? Ik mag er niet aan denken // dat ze scènes in een andere volgorde / draaien, want dan valt
het verhaal uit elkaar / Ik kan drie seconden montagerest zijn, // of een halve op je scherm: een lichaam / geknoeid tussen maatbekers / Dan hoor ik even bij avonden, woonkamers, //
betekenissen, behang. Maar wat als iemand / denkt wacht eens even, dezelfde / schoenen, me strak tegemoet staart’

 

 

Opengeslagen locaties

Opengeslagen locaties

Maarten Buser

Uitgever: Uitgeverij Vleugels

ISBN 9789493350328

64 pagina’s

Prijs: € 23,95

Kopen bij Libris

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *