Column

Golfbeweging

Geschiedenis voltrekt zich in golven. Een idee groeit uit tot een stroming, die aanzwelt tot de branding, oprijst tot een hoogtepunt en langzaam weer afneemt. Tot het getijde weer opnieuw begint.

Ik kreeg een ansichtkaart uit het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, met de iconische foto van Dolle Mina’s die hun trui omhoogtrekken om de tekst op hun lijf te laten zien: Baas In Eigen Buik. De kaart bracht me weer terug in de jaren zeventig.

Destijds zeilde ik mee op de tweede golf van het feminisme, toen vrouwen een gelijkwaardige positie eisten, zowel thuis als op het werk en in de politiek. Aanvankelijk met succes: abortus verdween uit het strafrecht, de pil deed zijn intrede, na het huwelijk volgde geen ontslag meer op het werk. Ik las Simone de Beauvoir, Betty Friedan, Doris Lessing, Joke Kool-Smit, Germaine Greer. We waren er nog lang niet, maar we bleven strijden voor maatschappelijke bewustwording en het recht voor vrouwen om je leven in te richten naar eigen wensen en mogelijkheden. Zonder tegenwerking van de ongeschreven wetten van de samenleving.

De dichter Vasalis, die geen feministe was, maar een bestaan als fulltime huisvrouw ook niet ambieerde, beschrijft in haar gedichtencyclus Fragmenten hoe zij op het strand een vrouw ziet liggen, ‘groot als een godenbeeld’. Wat zij in het gedicht de vrouw laat zeggen, zouden toen ook de woorden van veel vrouwen kunnen zijn geweest:

‘[…]
O laat mij vrij, fluisterde zij naar boven,
o laat mij vrij, desnoods om kwaad te doen.
Laat mij luid spreken, ook al zou ik liegen,
geef mij te eten, drinken, ook al zou ik spugen,
liefhebben, zelfs al zou ik ontrouw zijn.
Ik vast te lang en haat de geur der heiligheid,
ik ben op slot en haat de veiligheid.
Ik lig als Gulliver gebonden
door duizend levende, niet zichtbare en taaie draden.
Maar mogen deze grote voeten niet meer waden
en mijn plat uitgestrekte, open handen
nooit weer iets grijpen, strelen? Dode landen.
Laat mij weer vrij. Ik wil weer rechtop staan
en ga opzij. Dan doe ik minder kwaad,
dan als ik lig gebonden, met de diepe haat
der machtelozen, die alleen maar ogen zijn,
gladde, geruisloze, opalen kannibalen.
[…]’

Maar nu is zelfs de derde feministische golf stilletjes weggeëbd en een tegenbeweging komt opzetten: jonge mannen en, onbegrijpelijk, ook vrouwen die de traditionele rolpatronen van het patriarchaat willen herstellen en alle hard bevochten verworvenheden van vrouwen weer willen inperken tot ‘Kinder, Küche, Kirche’. Vrouwen dienen volgens hen gehoorzaam te zijn aan hun man, thuis te blijven en hun leven door hem te laten bepalen. Deze mannen worden ondersteund door zogenaamde ’trad wives’, die geen andere levensvervulling schijnen te willen dan zich te onderwerpen aan de wensen van hun man: mooi zijn, ja knikken, je mond houden en het eten op tijd klaar hebben. Al is het jammer van hun onbegrensde mogelijkheden die niet verkend worden en van onvervulde potentie tot zelfontwikkeling, zolang een vrouw zelf bewust kiest voor deze rol, is daar niets tegenin te brengen. Iedereen mag leven zoals hij, zij of hen wil.

Het tij zal zich mettertijd vanzelf weer keren. Een vierde golf is al in volle gang.

 

Uit: Vergezichten en gezichten (Van Oorschot 1954)


Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column.