Dat zal Rob van Essen zo’n twintig of zelfs tien jaar terug nooit hebben gedacht: twee keer de Libris Literatuur Prijs winnen, in 2019 en 2024. Zijn eerdere boeken trokken niet bijster veel aandacht hoewel hij voor een verhalenbundel toch ook in 2015 de J.M.A. Biesheuvelprijs won.
Waarachtig een late doorbraak voor zestiger van Essen. Wat is zijn geheim, ook bij zijn nieuwste boek De grote Schoonmaak? Misschien is het zijn kundigheid om het onverklaarbare te verklaren en het onmogelijke op een geloofwaardige manier in een boek mogelijk te maken. Waar zijn vorige boeken gingen over tijdreizen, het terugverlangen naar zijn jeugd en zijn studentenjaren, gaat De grote Schoonmaak over de – vergeefse – zoektocht naar iets wat de hoofdpersonen menen te hebben gezien, maar wat simpelweg onmogelijk is. Het genre blijft ook in deze derde magisch-realistische roman ‘autobiografische science fiction’.
Van Essen schrijft veel over zijn jeugd in de provincie en de Amsterdamse jaren van zijn universitaire studie. De troosteloze en sombere jaren tachtig, en een beetje over het einde van de jaren zeventig toen hij de middelbare school bezocht, maar niet afmaakte en als vakkenvuller ging werken in een supermarkt. Maar dat is in De grote schoonmaak ‘slechts’ decor voor een werkelijk krankzinnige gebeurtenis die zich afspeelt in een wat naargeestige kleine supermarkt in een buitenwijk van Wageningen, Vendriks VéGé Voordeelmarkt. Er is een promotieactie gaande: een mansgrote fles schoonmaakmiddel demonstreert het nieuwe schoonmaakmiddel Brixo. Aan het einde van de dag scheurt het pak en loopt de fles leeg, aanschouwd door Thomas, de jonge hoofdpersoon, en de niet veel oudere winkelchef. Maar, en hoe kan dat, er zit geen mens in het flessenpak.
Een queeste
Het boek is in essentie een zoektocht, een queeste, van in eerste instantie Thomas, naar een oplossing van dit ogenschijnlijk onoplosbare raadsel. Later krijgt hij bij die tocht gezelschap van winkelchef Vendriks die op wonderbaarlijke wijze in Amsterdam het pad van Thomas kruist. De voor het verhaal essentiële ontmoeting heeft een even bizarre als onverwachte voorgeschiedenis. Of is die ontmoeting voorbestemd? Voor Thomas is het een beslissende wending in zijn leven.
Eerder heeft hij als student een fase afgesloten van een succesvol kunstenaarschap, waarin hij een Amsterdamse kruising van Keith Haring en Andy Warhol is geworden. De steeds meer traumatische gebeurtenis op de late zaterdagnamiddag in Wageningen vormt ook zijn kunstenaarschap. Hij schildert namelijk à la Warhol grote flessen Brixo met een scheur aan de zijkant. De zo bijzondere tijdgeest van de jaren tachtig helpt hem aan kortstondige roem in kleine Amsterdamse kring. De schilderijen zijn natuurlijk antikapitalistisch en -commerciëel, en een preoccupatie met schoonmaken deugt niet. De roem is van korte duur, net als zijn aanvankelijk zo mooie en rijke relatie met medeactiviste Jasmijn. Hij bekent haar zijn doel in het leven: het oplossen van het raadsel van de leeglopende fles schoonmaakmiddel bij de supermarkt, en zij moet daar niets van hebben. Weg relatie, weg studie, weg alles. Thomas verpietert op en sombere kamer in een Amsterdamse buitenwijk.
Daar verschijnt als een soort deus ex machina Vendriks, eigenlijk ook een geestverwante loser gezien zijn levensloop in de tussenliggende jaren, en met hem gaat Thomas op zoek naar de oplossing van het Brixo raadsel. Die zoektocht brengt hen naar Engeland want daar blijkt de expertise op het gebied van deze vorm van live-promotie te liggen. ’“We moeten naar Engeland,” riep Vendriks toen hij me belde. “Ik kom naar je toe.” Een paar uur later stond hij in mijn kamer, hij had iets wat ik moest zien, wacht even, kijk, hier heb ik het. Hij haalde een exemplaar van de Panorama uit zijn schoudertas, je zag meteen dat het een oud nummer was, het papier was vergeeld en had iets vettigs gekregen. Hij sloeg het blad open. Ik zag een paginagrote zwart-wit foto, donker afgedrukt, het duurde even voor ik begreep wat ik zag. Een modderige, steile helling. Bovenaan de helling, afgetekend tegen de lucht, stonden mensen, ook onderaan stond hier en daar iemand. Over de helling rolden en gleden gedaantes naar beneden, geen mensen maar grote, lompe flessen, met armpjes en beentjes.’
Het geheim onthuld
De hoofdpersonen gaan naar Engeland om deze merkwaardige wedstrijd ‘flessenrollen’ bij te wonen. Mannen in rubberen flessenpakken laten zich op de helling, rijkelijk voorzien van modder, naar beneden rollen. Dit ter ere van de enige fabriek in Engeland waar promotie-objecten worden vervaardigd en verhuurd zoals de levensgrote rubberen flessen die op straat, in cafés en winkels worden gebruikt voor de promotie van drank en schoonmaakmiddelen.
Via contacten die de antihelden opdoen belanden ze vervolgens in een non-descript Engels stadje. Ze blijven daar enkele jaren. Thomas treedt daar zelf op als manshoog bierflesje in een latex pak. Maar dat verloopt niet ongestoord. ‘Toen de vrouw haar evenwicht dreigde te verliezen en ik haar in een reflex tegen me aan duwde, braakte ze over me heen. Het was al laat en iedereen om me heen was dronken. Of in ieder geval flink aangeschoten, maar toch verraste het me. Er kwam een lauwe geur van af, eerder een walm dan een geur – de walm van een cafékelder waarin onlangs een paar vaten zijn leeggelopen en die daarna is getroffen door een vloedgolf die onderweg een wegrottende begraafplaats voor kleine huisdieren heeft meegenomen.’ Een sprekend voorbeeld van de trefzekere stijl van Rob van Essen.
Uiteindelijk hallucineren de hoofdpersonen een toekomst, een arena met een perfect nagebouwde VéGé supermarkt, die hun het geheim onthult. Echter, terug in de werkelijkheid is de droom weg en resteert hen na een verblijf van vier jaar in Engeland en een vruchteloze zoektocht niets anders dan het schrijven van een boek. ‘”Stel dat we er nooit achter komen hoe het allemaal in elkaar steekt. Zou je daarmee kunnen leven?“ vraagt Thomas. Vendriks: ’’Dat doen we toch, nu? We leven ermee, en niet eens zo slecht. Ik vind het tenminste wel wat hier.” Maar het raadsel blijft. “Ik denk niet dat de winkel in de arena een kopie was,’’ zegt hij. ”Volgens mij was dat het origineel. De winkel waar ik werkte, waar wij werkten, Vendriks VéGé Voordeelmarkt in Wageningen, dat was de kopie.’’’
Absurditeiten
En zo is de hallucinerende droom en het daarover schrijven misschien het enige antwoord op de vraag naar de verklaring van iets onverklaarbaars, of tenminste de aanvaarding daarvan. Goed voor de status van de literatuur, dat zeker. De lezer moet wel willen geloven dat alles wat de auteur op papier zet ook zo gebeurt, hoe absurd ook. Rob van Essen doet dat steeds virtuozer. Hij schrijft als een wetenschapper die door een microscoop naar de werkelijkheid kijkt en daarin absurditeiten aantreft die anderen niet zien. Zoals de patat etende agenten in het Wageningse politiebureau. Met de vaardige pen van Van Essen wordt het banale poëzie en het onverklaarbare toch verklaarbaar of op zijn minst aanvaardbaar, want het zou hebben gekund. Weergaloos knap van deze auteur.
De opbouw van het boek verspringt tussen de jaren 70, 80, 90 en nu. Het zijn fraai beschreven scènes, al is de constructie van het boek complex. Als je je eraan overgeeft is het prachtig. Een wereld van mensen in de marge van de samenleving, zoekend naar waarheid na een ontmoeting met het ongerijmde. En die waarheid is niet van het genre: dit kan niet gebeurd zijn. Mensen zoeken naar de zin van het leven maar die is nooit echt te vinden, lijkt de filosofie van Van Essen. Beter is het om uit te gaan van de premisse dat alles mogelijk is. En in het dagelijks leven: eerst zien en dan geloven.











