Toen de Rotterdams kunstenaar Benjamin Li jurylid Gordon beledigend aan een Chinese deelnemer van het programma ‘Holland’s Got Talent’ hoorde vragen ‘Ga je nu nummer 39 zingen?’ kreeg hij een idee. Hij ging de gerechten met nummer 39 op veertig verschillende menukaarten van Chinese restaurants fotograferen. Daarmee wilde hij laten zien hoe divers de Chinese keuken is (het werk Forty Nr. 39 is te zien in Fenix in Rotterdam).
Hoofdredacteur Melani Reumers van Tirade 502 liet zich voor haar bijdrage aan het jongste nummer ook leiden door getallen. Ze leverde drie gedichten die waren samengesteld uit bestaande versregels van anderen. De regels van elk van die drie gedichten hebben gemeen dat ze te vinden zijn op vaste plekken in even zoveel bundels uit haar boekenkast. Die uit het eerste gedicht bijvoorbeeld komen steeds uit regel 13 op pagina 18.
Het is verleidelijk om de methodes van Benjamin Li en Melani Reumers als methodiek gelijk te stellen. Toch is er een groot verschil. Reumers laat zich leiden door de contraintes (beperkingen aan de vrije omgang met vorm en taal) waarin de kring schrijvers van OuLiPo (vertaald: ‘werkplaats voor mogelijke literatuur’) zich uitleefde (en uitleeft, want OuLiPo bestaat nog altijd). De bekendste vertegenwoordigers zijn Raymond Queneau en Georges Perec. Kunstenaar Li liet zich geen contrainte opleggen in die betekenis.
Artistiek onderzoek
Wat het wezenlijke verschil is wordt mooi duidelijk in het stuk van Miriam Rasch in Tirade 502. Zij probeert daarin (zonder het voorbeeld van Li te noemen) de vraag te beantwoorden wat ‘artistiek onderzoek’ is. Na een uitleg over wat de begrippen ‘onderzoek’ en ‘artistiek’ eigenlijk betekenen, komt ze uit bij OuLipO. Ze concludeert onder andere dat je via een vraag die niet te beantwoorden is, en een methode die niet te herhalen is, kennis ontdekt die niet te begrijpen is. De lezer van het resultaat ervaart die kennis, meer dan dat dat hij er wijsheid aan opdoet. Terugkerend naar Li: die vond een manier om de diversiteit van de Chinese keuken te tonen aan de hand van een vast nummer op de menukaart. Hij wilde die kennis op een begrijpelijke (en verrassende) manier overbrengen. Reumers wilde geen mooi gedicht maken, maar vroeg zich af wat er aan ongezochts zou ontstaan als ze zich hield aan een vergaande contrainte en laat zo de lezer die ontdekking ervaren.
Vormdwang als redding
Tirade 502 is een heerlijk en fris eerbetoon aan de werkwijze van OuLiPo door te laten zien hoe springlevend die is. Er staan liefst zeventien bijdragen in waaronder een essay van Manet van Montfrans met de fraaie titel ‘Vormdwang als spel en redding’ over Parc Sauvage van wiskundige en dichter Jacques Roubaud (1932-2024). Dit korte verhaal uit 2008 is opgebouwd volgens een regelmatige vijfhoek (‘eodermdrome’) waarvan de hoeken met elkaar zijn verbonden via de omtrekken en de diagonalen. Die lijnen krijgen elk een letter waardoor op een ingenieuze wijze een tekst ontstaat als de lijnen in een voorgeschreven richting door de vijfhoek worden gelezen. Die figuur komt erg dicht bij een grafische voorstelling van wat een Oulipiaan volgens Van Montfrans is: ‘een rat die het labyrint bouwt waaruit hij wil ontsnappen’.
De meeste bijdragen zijn proeven van bekwaamheid in het oulipaanse spel met vorm en taal. David Omar Cohen schrijft over een man die een regelmatige bezoeker is van een oudheidkundigenborrel maar weigert woorden te gebruiken die uit het Latijn of Grieks komen. Dat doet in de verte denken aan de recente roman van Eva Meijer, Een woord voor, waarin steeds meer woorden uit de taal wegvallen. Daardoor kan Meijer ze ook zelf in haar roman niet meer gebruiken.
Monovocalen
Roelof ten Apel herschreef Marsmans ‘Herinnering aan Holland’ door alleen woorden te gebruiken uit willekeurige bladzijden van andere boeken, zoals de pagina’s 26 en 27 van Aan gene zijde van het lustprincipe van Freud.
Obe Alkema is er met anagrammatische woorden en zinnen op basis van de titel ‘Een kromme ladder’ (van Mahmoud Darwish).
Jeroen van Rooij heeft een bijdrage waarin een dialoog is opgebouwd uit zinnen die beginnen met ‘Ik herinner me…’, zoals Perec in Je me souviens, die op zijn beurt voortbouwde op I remember van Jou Brainard (Brainards versie is in het Nederlands vertaald; Die van Perec nog niet).
En zo is er nog een aantal boeiende bijdragen.
Guido van de Wiel, de vertaler van Perecs ’t Manco en De wedergekeerden (in het eerste komt de letter E niet voor en in het tweede is ze de enige klinker) heeft twee korte monovocale stukken van Perec vertaald voor Tirade 502: What a Man!en Morton’s Ob. Bovendien vertaalde hij voor dit nummer van Tirade een reliëfportret van Perec door Étienne Lécroart, dat is opgebouwd uit woorden en feiten uit Perecs leven en werk. Striptekenaar Lécroart (geboren in 1960) is op zijn beurt een vertegenwoordiger van een zusje van OuLiPo, OuBaPo, waarin de letters Ba staande voor Ba(nde dessinée) ofwel stripverhaal. Van de Wiel levert bij zijn vertaling weer aantekeningen die via een QR-code zijn te downloaden.
Tirade 502 is een heerlijke speeltuin waarnaar je de volgende dag het liefst weer meteen terug wilt.











Geef een reactie