Conservatoriumstudent Joost uit de bandagist van Marente de Moor heeft sinds de coronacrisis zijn Gibsongitaar aan de wilgen gehangen en verdient nu de kost met het verbinden van oudemensenbenen. Hij komt bij mensen thuis als compressietherapeut, bandagist zoals hij zelf liever zegt vanwege de mooie muzikale bijklank van het woord. Schrijfster De Moor verbindt werelden van oude en jonge mensen, van boomers en oudere jongeren die voor hen op de knieën gaan, van boeken en lezers.
Zoals de huizen van de welgestelde bejaarde grachtenbewoners uit Amsterdam uitpuilen van de boeken, zo puilt de roman uit van literaire verwijzingen en intertekstualiteit. Dat begint al op de eerste pagina’s als Joost mevrouw Van Loons been behandelt terwijl zij hem voorleest uit Het Been van Elsschot. In Elsschots roman hebben de hoofdpersonen-schurken mevrouw Lauwereyssen met het houten been misleid en zich gewetenloos gedragen. Joost voert bewust een inadequate behandeling uit bij het been van mevrouw Van Loon – waarover hij zich naderhand schuldig voelt – en ontwikkelt zich later bij bijna al zijn patiënten tot dief. Maar van zijn geweten heeft hij steeds minder last: hij heeft zijn principes al ver voor corona achter zich gelaten. ‘Vrouwen hebben een geweten en maken daarmee het leven onnodig ingewikkeld’, vindt hij, maar zijn gewetenloosheid is wel een belangrijk motief in de roman.
Minder expliciet maar niet minder prangend aanwezig is de associatie met Hubert Lampo’s magisch realistische roman over de mysterieuze Joachim Stiller. Er gebeuren zonderlinge zaken, ‘er klopt van alles niet’ en dat Joost een vriend heeft die Freek heet, zoals de journalist in Lampo’s roman, kan geen toeval zijn. Black Beauty en Arendsoog komen langs, Turks Fruit en Tielemans beroemde filmfluitje, Bertus Aafjes’ Voetreis naar Rome en vele, vele grote internationale namen als Poe, Nabokov, Flaubert en Gogol.
De roman opent met een motto uit Dostojewski’s Aantekeningen uit het ondergrondse en blijkt in de verhaallijn bijna een spin-off van zijn Misdaad en straf waarin een arme student een oude woekeraarster van haar leven en geld berooft voor een betere toekomst voor zijn vriendin en hemzelf, zoals Joost in deze roman de oude mevrouw Swarovski misleidt voor zijn vriendin Umay en hemzelf. Geld geeft Joosts beste cliënt mevrouw Swarovski uit zichzelf al gul aan hem, wat hij van haar en anderen steelt zijn materiële zaken. Meestal gaat het hem om kleine kostbaarheden, maar van mevrouw Swarovski pikt hij stiekem en illegaal een deel van haar huis in om daar samen met zijn vriendin Umay te gaan wonen.
Lezen en literatuur
Huizen met boekenkasten verschillen wezenlijk van die zonder boekenkasten, constateert Joost als hij over de grachten van Amsterdam fietst. In boekenkasthuizen hangen kroonluchters aan geornamenteerde plafonds en er hangt kunst aan de muur. De huizen zonder boekenkasten ogen onpersoonlijk. De roman is ondanks alle ironie over belezen boomers één groot pleidooi voor hun leven vol lezen en literatuur. ‘We moeten niet reizen, maar lezen’, zegt de ik-verteller, die ook de hoop uitspreekt dat mensen zullen blijven lezen. In een huis zonder boeken, is de bewoner niet te kennen, want als je niet kunt zien wat iemand leest, kun je hem ook niet lezen. Oudere mensen hebben kennis en context, zegt Freek en hun belezenheid en de waarde van boeken staat in schril contrast met de wereld van de jongere generatie die ‘zich alleen nog met een smartphone verstaat’, daarop quotes van het wereldwijde net plukt en draadloos het overzicht kwijtraakt. Veelbetekenend is het feit dat Joost en zijn vriendin Umay in hun gekraakte (deel)woning tussen heel veel boeken geen wifi kunnen vangen. Joost verliest zich uiteindelijk volledig in de literatuur. Hij heeft, zoals zijn vriendin zegt, een ‘literaire vorm van Tourette’, springt van verwijzing naar citaat en kan geen normaal gesprek meer voeren.
Als het boek begint is hiervan nog geen sprake. Een ik-persoon die de lezer rechtstreeks aanspreekt (‘Luister, en ik zal het u allemaal uit de doeken doen’), vertelt zoals later blijkt als ‘aantekeningen uit het ondergrondse’ hoe het allemaal begon, namelijk bij mevrouw Van Loon die Joost voorleest uit Het Been. ‘Niets is toeval’, waarschuwt de verteller, die ook waarschuwt voor vieze kwalen als fibrose, necrose en verrotting die hij behandelt. Joost verliest zijn tijdelijke woonruimte en geeft eindeloos af op oude, rijke mensen die in veel te grote, dure huizen wonen. Zijn moeder noemt Joost een ‘uitvreter’. Dat is hij misschien niet, maar duidelijk is wel dat hij van wijntje naar spacecake naar pilletje leeft. Hij ‘kraakt’ een illegale woonplek voor zichzelf en zijn vriendin maar als zij hem verlaat vanwege zijn verregaand gewetenloos gedrag draait ie door.
Hij eindigt opgesloten in een souterrain tussen de boeken, waar hij overleeft op wijn ‘bijgezet in het ondergrondse van de verbeelding’. Lezen is dromen onder begeleiding denkt Joost op een moment, maar hij is zelf stiekem in een nachtmerrie beland. De voortekenen waren niet te missen. Joosts eerdere huisgenoot en vriend is Dante die in de roman – overigens kansloos – Amsterdam ontvlucht en op wereldreis gaat. Een Amsterdamse gracht spiegelt als de Lethe, een rivier uit de onderwereld, en als Joost de lezer toespreekt heeft hij het onder andere over een ‘echoput’. Voor het goede einde dat hij de lezer beloofd heeft, is een kunstgreep nodig in de vorm van een epiloog, waarin ober Dorian het woord neemt.
Celebrations
de bandagist is mooi geschreven in een overweldigend beeldende stijl. Over tegen hem aan kletsende ouderen zegt Joost dat ‘de vallende brokstukken van hun geheugen’ zijn herinneringen als ruimtepuin kapotslaan. Een oude cliënt klaagt: ‘Ze laten ons verrotten. Als de palen waarop deze stad gebouwd is.’ Joost verzorgt stinkende wonden in rottende open benen, dan weer korstig en glazig, dan weer gezwollen, schurftig of met zwarte gaten die keer op keer uitgebreid worden genoemd. De generatiestrijd wordt veelzijdig en met humor en ironie beschreven. Is er sprake van een dementie-epidemie en zo ja, is die mede veroorzaakt door de coronavaccinaties? Of zijn ouderen profeten, sjamanen, orakels die niet in verzorgingshuizen horen, maar naar wie moet worden geluisterd?
‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt’, citeert de schrijfster Johan Cruijff en dat geldt beslist voor deze roman, waarin veel te ‘zien’ is aan maatschappijkritiek, bijvoorbeeld op het gebrek aan betaalbare woonruimte voor jongeren en scheefwonen, aan literaire verwijzingen en parallellen en in een opbouw en vertelwijze die op z’n zachtst gezegd ingewikkeld is. Joost loopt tegen allerlei mysteries aan. Hij vraagt zichzelf enigszins paranoïde af of er wellicht een geheim netwerk is van patiënten die met elkaar in verbinding staan. De echte identiteit van ober Dorian, werkzaam in het café naast het huis van mevrouw Swarovski waar Joost vaak komt, is hem en de lezer een raadsel. Joost vraagt zich ook af wie verantwoordelijk is voor fictie: de schrijver of de lezer. Wat is waarheid en wat verzinsel?
Alle oude mensen bij wie Joost thuiskomt, hebben wel ergens in huis het rode doosje Celebrations staan, hoewel er noch voor hen, noch voor Joost en zijn vriendin veel te vieren valt. Voor de lezer gelukkig wel: schrijfstijl, intertekstualiteit en gelaagdheid maken de bandagist een boeiende roman die aan het denken zet, vragen oproept en grimlachjes veroorzaakt.












Geef een reactie