De dichter Hans Sleutelaar doet zijn naam eer aan. Hij blijft aan zijn oeuvre âsleutelenâ tot er bijna niets van overblijft. âhet schrompelt als een kriks ineenâ, zou men vrij naar âDe blauwbilgorgelâ van C. Buddinghâ kunnen zeggen. In het jaar dat Sleutelaar tachtig werd, 2015, verscheen zijn bundel Wollt ihr die totale Poesie? Die âtotale poĂ«zieâ omvat in dit geval nog geen 100 bladzijden, waarvan er slechts ruim 70 daadwerkelijk gedichten bevatten, âkorte en zeer korteâ, zoals de ondertitel van de bundel al aankondigt. Een poĂ«tische oogst van een bescheiden, beslist dichterschap dat meer dan zestig jaar omvat.
Hans Sleutelaar komt voort uit de groep dichters rondom het tijdschrift Gard sivik, waartoe ook Armando behoorde, evenals C.B. Vaandrager en Hans Verhagen. Sleutelaar liet zich in de jaren zestig in met artistiek-weerbarstige stromingen als de Nul-beweging en âDe nieuwe stijlâ. Veel weerstand riep Sleutelaar op met zijn boek De SS-ers (1967). Hierin bundelde hij interviews (samen met Armando) met Nederlanders die in de oorlog âfoutâ waren geweest, om ook hun geluid in het na-oorlogse Nederland te laten horen. Het riep een storm van verontwaardiging en protest op. Later was Sleutelaar als adjunct-hoofdredacteur verbonden aan het opinieweekblad Haagse Post en publiceerde hij met Eelke de Jong in kloek formaat uitgegeven een aantrekkelijk geĂŻllustreerde verzamelingen Nederlandse sprookjes uit de Lage Landen (3 delen).
Sleutelaars poëzie laat zich bij oppervlakkige kennismaking aanzien als nuchter. Het zeer fraaie, zakelijk en grijzig vormgegeven uiterlijk van dit bescheiden bundeltje draagt aan die verwachting bij. De zorgvuldige lezer echter wordt voortdurend getroffen door geloofwaardig sentiment. Overduidelijk aanwezig is bijvoorbeeld het effect van de oorlog op de Rotterdammer Sleutelaar.
Willemsbrug mei â40
Smeulend puin. Een graflucht. Meeuwen krijsen.
Maar ik ben achter vaders rug niet bang. Hij wijst.
– De jongenslijken die de Willemsbrug bevolken.
Nog zie ik het zwarte water om de pijlers kolken.
In de âLof van de poĂ«zieâ wijst de dichter niet zozeer op de kracht van de tekst, maar op het mirakel van de werkelijkheid die de inspiratie tot een gedicht verwekt.
Wat is poëzie? Wat zijn woorden?
Wat niet? Een echo van een echo
is het woord. Maar menigeen
die geen vermoeden heeft van poëzie,
ziet soms de wereld in haar wonder licht.
Dit bundeltje bestaat uit vijf afdelingen, getiteld âSchaars lichtâ, âVermiste stad. Rotterdamse kwatrijnenâ, âVerspreide gedichtenâ, âVroege verzenâ en âVertalingenâ, plus een opstel uit 2005 met de titel âKan rijm nog?â. Ook relevant zijn de âAantekeningenâ waaruit blijkt dat sommige gedichten zijn opgedragen aan vrienden en bekenden. Meermalen duikt daarbij de naam op van C.B. Vaandrager, voor wie Sleutelaar het volgende grafschrift schreef.
De dichter, in het stugge woord bedreven,
die zijn gesloten hart nors openstelde,
sleet hier zijn barre, boze dichtersleven.
De stad bestaat in wat hij haar vertelde.
Naast de hier aangehaalde korte gedichten staan er in deze bundel nog kortere maar ook langere. Het motto bij dit alles is van Martialis, een Romeins schrijver uit de 1ste eeuw na Chr.: âJe kunt niet strenger zijn voor mijn nietige verzen dan ik zelf ben geweest.â Sleutelaar zelf zegt al, in zijn kwatrijn âNieuw Rotterdamâ, âHier is geen plek voor nietigheid.â Deze bescheiden verzameling stroeve maar volwaardige gedichten verdient volkomen mededogend en welwillend te worden tegemoet getreden.











