Vroeg of laat kom ik toch altijd weer terug bij Voskuil. Wat is hij toch een geweldenaar. In mijn bespreking van de eerste twee delen van zijn Dagboek op deze site was ik niet bepaald scheutig met loftuitingen. Ik miste de samenhang van Het Bureau en ik vond het allemaal wat sikkeneurig en hakkerig, maar inmiddels herzie ik mijn oordeel. Vanaf deel 4 en verder, die de jaren zeventig beslaan, ben ik helemaal om. De sfeer van de romanserie keert helemaal terug. Inclusief de eindeloze gesprekken over onbetekenende akkefietjes op zijn werk. En mét de volledig uitgeschreven ruzies tussen Voskuil en zijn vrouw Loes. En ook de rake beschrijvingen van de wandelingen en fietstochten die hij onderneemt ontbreken niet.
Waarschijnlijk is er geen groter verschil in de omgang met mensen dan tussen Voskuil en mij. Voskuil haat sociale contacten, hij voelt zich altijd onzeker en onveilig in gezelschap, neemt zichzelf achteraf kwalijk dat hij iets wel of juist niet gezegd heeft of dat hij zich stuntelig heeft gedragen. Alle sociale contacten zijn voor hem reden tot wanhoop. Hij heeft om dat oude woord maar eens te gebruiken ‘mishagen’ aan zichzelf.
Zelf geniet ik er juist van. Een bezoek aan de plaatselijke supermarkt loopt bij mij altijd uit de hand. Mijn vrouw vraagt zich niet meer af wanneer ik terugkom maar of ik nog terugkom: ‘Je kwam zeker weer een oude bekende tegen?’ Dat hoeft niet eens een bekende te zijn. Het kan ook een volstrekt vreemde oude of jonge man of vrouw zijn. Geen winkelbezoeker is voor mij veilig. Mijn kinderen waren eraan gewend, al stoorden ze zich er zich mateloos aan, dat ik bleef kleven op het schoolplein bij deze of gene, waardoor zij eindeloos op mij moesten wachtten: ‘Papa wanneer gaan we nou!?’
Signeren na afloop van een lezing is ook een mooi sociaal moment. Ik geniet van de rij wachtenden op een handtekening in het zojuist door hen aangeschafte boek. Het signeren van een boek is op zichzelf een eenvoudige handeling. Je slaat het boek open, zoekt de bladzijde met het meeste wit op en plaatst bovenaan die bladzijde de datum. En daaronder zet je een handtekening. Maar wat doe ik? Ik kijk de lezer aan en vraag hem of haar, naar naam en woonplaats. ‘Komt u uit de buurt?’ of ‘Hoe kwam u erbij de lezing te bezoeken?’ Dan ontspint zich al snel een gesprek. De rij wordt langer en langer. Alles wordt aan je toevertrouwd. Iemand is verdrietig over de overwinning van de PVV in het dorp dat vroeger aan heel veel Joden onderduik gaf. Een vrouw is helemaal blij als ik de naam van haar geliefde in het boek schrijf. Iemand vraagt me of ik de naam van haar opa in het boek wil schrijven. ‘Hoe oud is hij,’ vraag ik onder het schrijven. Hij is vorig jaar overleden zegt ze, en wendt haar gezicht af. Hij vertelde haar vaak over zijn oorlogservaringen.
Ik geniet van die mensen.
Voskuil niet. Die ervaart andere mensen als gedoe. En zo’n man werkt uitgerekend op een kantoor waar hij de hele dag tussen de mensen zit, collega’s voor wie hij weinig respect op kan brengen. Pietepeuterige collega’s die hem af en toe tot razernij brengen. Na afloop van één zo’n dag op kantoor schrijft hij: ‘Pas als ik in het donker in de wind en de regen door de verlichte Leidsestraat naar huis loop, ontspan ik, dankbaar dat ik mijn mond mag houden en met niemand iets te maken heb.’
De anderen zijn voor Han Voskuil de hel. Die dagelijkse inferno leidt in zijn dagboek tot prachtige beschrijvingen, waarin hij zijn volgelopen gemoed reinigt. Dagboekschrijven is voor hem een vorm van geestelijke hygiëne, waarin hij de opgekropte emoties wél de vrije hand geeft. Eindeloos reflecteert hij op de ontmoetingen die hij op het moment zelf niet aankan. Achter zijn bureau gaat hij uitvoerig het gevecht aan met zichzelf en met de anderen. Hij herbeleeft de momenten van de dag, alsof hij zichzelf dan pas rekenschap geeft van wat hij heeft meegemaakt. Hij maakt schoon schip. Niet alleen schuldbewust over zijn eigen handelingen, maar ook uitermate komisch over de mensen om zich heen. Daarom kom ik altijd weer bij hem terug.












