‘Van wie zijn onze dagen?’ Dit zou zomaar een vraag van António Lobo Antunes geweest kunnen zijn. De Portugese schrijver die in interviews liet weten dat hij geen antwoorden had, alleen maar vragen. Je kon hem beter niet naar de betekenis van zijn boeken, of naar zoiets als inspiratie vragen, waar hij dat vandaan haalde. De interviewer werd nog net niet uitgelachen.
In de film La Grazia stelt de dochter van de fictieve Italiaanse president gespeeld door Toni Servillo die vraag aan haar vader, ‘Van wie zijn onze dagen?’ En dat er geen antwoord komt, enkel die indringende, donkere blik van Servillo.
Ik schrok toen ik, wiens boeken ik nooit helemaal doorgrondde maar die een onweerstaanbare aantrekkingskracht op me hadden, zijn overlijdensbericht voorbij zag komen. Ik haalde al zijn boeken uit de kast. Elke dag keek ik er naar, die levenloze stapel, zo stil. Sloeg ik een van zijn boeken open, rook ik Lissabon, hoorde stemmen van vrouwen met schorten voor, door drank en sigaretten omfloerste mannenstemmen. Zijn boeken zijn een weerklank van hen die de Anjerrevolutie hebben meegemaakt, in koloniale oorlogen hebben gevochten. Die stemmen gaan maar door.
Gedachtestromen, herinneringen aan vroeger, als kind. António Lobo Antunes’ personages gaan onveranderlijk terug in de tijd. Altijd is er een oma, een moeder, een vader die bevraagd wordt. Terugblikken die onthullen waar de waarheid zich schuilhield. In al zijn boeken haalde hij zichzelf erbij, schreef zichzelf erin als onvermijdelijk onderdeel van een roman. Wat zijn romans, wat zijn verhalen?, hoor ik de schrijver vragen.
Vragen, geen antwoorden, dat dus. Wat ik bedoel, is dat in al zijn boeken, António Lobo Antunes zelf aanwezig is. Ik zou hier ‘Stream of consciousness’ willen schrijven, was het niet dat de schrijver ook hier niets van zou willen weten.
Antunes begon met schrijven nadat hij als arts tijdens de koloniale oorlog in Angola gelegerd was geweest. Zijn oorlogservaringen verwerkte hij in het in 1979 verschenen Memória de Elefante. Waarmee hij gelijk de toon zette voor al zijn volgende boeken.
Ik zou hier iets willen citeren uit een van zijn boeken, maar alles wat ik lees, zou ik zo over willen schrijven. Voor degenen die zijn schrijfkunst niet kennen.
Elke ochtend achter zijn werktafel gaan zitten, en schrijven, vier uur achter elkaar, dan lunchen, dan verder schrijven. Schrijven is blijven zitten met een pen in je hand. En nergens een punt zetten, want ja, alles gaat maar door.
In elk van de gestapelde boeken zit een kaartje, een stukje papier of touwtje op de plek waar ik gestopt ben, of iets wilde markeren. Preek tot de krokodillen kocht ik toen ik in Portugal woonde, het leek me toen noodzakelijk Portugeestalige literatuur te lezen.
Toen ik vertaler Harrie Lemmens interviewde, vertelde hij dat Antunes hem had aangezet om Portugees te gaan vertalen. ‘In een boekwinkel zag ik een boek van hem liggen met een soldatenhelm en speelkaarten op de omslag: Fado Alexandrino. Een lijvig epos over de jaren zeventig in Portugal en vier ex-militairen die gevochten hebben in de voormalige Portugese kolonie Mozambique. Ik ben begonnen het boek te vertalen, voor mezelf.’
Dan nu iets citeren, lees hoe Fado Alexandrino begint:
‘Slepend met zijn koffer liep hij te midden van zijn maten het verveloze gebouw van de kazerne uit, en hij ontwaarde onmiddellijk op het trottoir aan de andere kant van het traliehek een soort zeemonster van gezichten, lijven en handen dat onrustig op hen stond te wachten in de grijze maartse middag van Encarnação,’
Dat je wilt dat alles altijd blijft. Dat de groten in de literatuur onsterfelijk zijn. Dat je ze wie weet waar eens tegenkomt, een blik met ze uitwisselt, een glimlach. Omdat ze je geleerd hebben de wereld te bevragen. Wie was ik zonder de boeken van Natalia Ginzburg, Philip Roth, Josepha Mendels, António Lobo Antunes?
Een schrijver die anders was, weerbarstig, maar toch ontsluitbaar. En net als de romans van Virginia Woolf niet na te vertellen. Ga maar lezen, kom binnen en ga er niet meer weg. Ik bedoel, Antunes’ boeken blijven een uitdaging.

Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over het snijvlak waar literatuur en haar leven elkaar raken.














Geef een reactie