Vorige week heb ik alweer een boek over Jeanne d’Arc gekocht. Ze staat bovenaan mijn lijstje van heldinnen, dat ook Boudicca, Catharina de Grote en Rosa Parks bevat. En de koningsdochter uit het Lied van Heer Halewijn. Vrouwen die dingen deden die ik nooit zou durven.
Blijkbaar heeft Jeanne meer mensen gefascineerd, want als je alle boeken over haar zou willen lezen, kom je tijd van leven tekort. Jeanne, Jehanne, Joan, ze werd het onderwerp van verhalen van Mark Twain, Hugo Claus, G.B. Shaw, Schiller en Hella S. Haasse. En al die schrijvers laten steeds een andere Jeanne zien: een onwetend boerenmeisje, een gemene intrigante, een hysterica, een geesteszieke, een militair genie. Heldin, heks of heilige.
Er zijn ook schilderijen van haar gemaakt, films, toneelstukken, Leonard Cohen zong een lied over haar, Tsjaikowski schreef een opera. De meeste nadruk wordt gelegd op de stemmen die zij hoorde en op haar dood op de brandstapel. Ook dit gedicht van Ellen Deckwitz doet dat:
‘Kaarsje
De lont verkoolt in het vlamhart en ervoor
staat de wapenbroeder van Jeanne d’Arc. Hij zag
machteloos toe hoe ze terecht werd gesteld.
Iedere keer wanneer hij een licht opsteekt,
ziet hij een geblakerde, terugstaren
vanuit het vuur. Neemt waar dat hij toekijkt en
wat hij ook lijkt, het is niet voldoende.’
Maar welke aspecten van Jeanne ook belicht worden, hoeveel ik ook over haar lees, ik krijg het niet voor elkaar om een compleet beeld van haar te zien. Niemand van al deze schrijvers, schilders en componisten is in staat geweest om de echte Jeanne tot leven te wekken. Dat ligt niet aan het feit dat alles zo lang geleden gebeurde, want zelden is iemands leven beter gedocumenteerd dan dat van haar. Het ligt ook niet aan de intentie van de kunstenaars, die een poging gewaagd hebben om haar uit te beelden zoals zij dachten dat ze was. Maar Jeanne d’Arc ontsnapt aan elke poging om haar te doorgronden. Ze blijft een raadsel.
Zo veel boeken gelezen, en nog steeds weet ik niet wie de echte Jeanne is. Als ik aan haar denk, zie ik haar in een blinkend harnas (dat ze waarschijnlijk nooit gedragen heeft) op een groot wit paard zitten, met in de schacht van haar linker laars de stok waaraan haar banier wappert en in haar rechterhand het omhooggestoken zwaard dat schittert in de zon. Ze lacht, ze is vrolijk en vrijmoedig. Een nuchtere meid moet ze zijn geweest, wars van kapsones.
Met haar moed, haar humor en haar onverzettelijkheid dwong ze respect af. Met haar gevatte antwoorden tijdens haar proces zette ze alle hoogwaardigheidsbekleders in hun hemd, ze stootte valse koningen van hun troon en schaterde om opgeklopte ego’s.
Ze werd uiteindelijk veroordeeld op het feit dat ze mannenkleding droeg, omdat ze haar op iets anders niet konden betrappen. Zoals Al Capone gepakt werd op het ontduiken van belasting.
Net als bij koning Arthur vertellen de volkslegendes dat Jeanne terugkeert als het nodig is. Ik hoop dat ze nu komt om volksverlakkers te ontmaskeren, desnoods in spijkerbroek op een fatbike. Daar kan ze in ieder geval niet meer voor veroordeeld worden.
‘Kaarsje’ uit: Liter nr. 66, 2012













Geef een reactie