Begin jaren tachtig, Amsterdam, krakers en underground. Bennie Roeters (1952), schrijver van romans, theaterstukken en scenario’s en schrijfdocent, schrijft erover in Transformer alsof hij er zelf bij was. En misschien was dat ook wel zo. Zijn hoofdpersoon, de jonge Kimmert Westerveld, ontvlucht zijn ouderlijk huis in Paterswolde en komt in Amsterdam aan, zonder plan, zonder studie, zonder huis. Hij vindt een kamer in kraakpand Kras B op de wallen, een pakhuis van Krasnapolsky. De Vrije Kunst Academie lijkt hem wel wat. Hier is de Underground zo’n beetje uitgevonden, dacht hij.
‘Hij wilde meteen binnen zijn. Dat had hij zich voorgenomen. Weggaan is niet een beetje blijven, maar echt weg. Niet terugkomen. Dat hamerde door zijn kop.’ Dat meteen ‘binnen’ zijn lukt hem ook, hij wordt gespot om zijn grappige loopje (hoe hij daaraan komt lezen we later), hij krijgt een eerste rolletje en acteert in experimentele kunstfilms die bij de underground horen. Later gaat hij zelf films maken, zonder veel succes. Uiteindelijk schrijft hij speeches, teksten voor spandoeken en het kraakkrantje Paf! Hij wordt vrienden met krakers, homo’s, travestiet Andy, Amerikaan Mike, kunstenaars en brave studenten. Allemaal vage figuren die hevig op zoek zijn naar zichzelf in de wereld.
Kim beweegt door de scene en observeert, zegt weinig, maar genoeg om door iedereen geliefd te worden. Alleen krijg je als lezer weinig mee over zijn karakter. Hij komt ongemerkt uit de kast, pas veel later begrijpen we dat hij gelabeld wordt als een echte homo, wanneer zelfs een tramconducteur pesterige en racistische opmerkingen tegen hem maakt. Wat dat met hem doet blijft ongezegd. Kim wandelt het van zich af en accepteert zijn lot.
Zijn grote liefde is Julius Delveaux, een Belg uit Verviers, ongrijpbaar, actief in de krakersbeweging. Hij komt op voor de minderbedeelden en vecht tegen de woningspeculatie en dus tegen de politie die de panden moet beschermen. ‘Juul kwam en ging wanneer hij wilde. Soms verscheen hij, even daarna verdween hij, of hij bleef lang en verdween dan alsnog.’ Niemand weet een band met hem op te bouwen. Als Kim denkt wezenlijk contact met hem te hebben, verdwijnt hij als kwikzilver weer uit zijn leven.
Chagrijnige bejaarde
Vijfendertig jaar later maken we Kim als oudere man mee in korte stukjes met de titel Tegenwoordige tijd. ‘Kims werkzame leven zit erop, speeches schrijven doet hij niet meer, hij heeft er geen woorden meer voor.’ Hij woont in de Plantagebuurt; in het complex Plantania bezit hij een luxe appartement, waar we uit opmaken dat hij geslaagd is in het leven. Hij vult zijn dagen met uitzien over de gracht en vrijwilligerswerk. De stukken die zich in de tegenwoordige tijd afspelen gaan over zijn relatie met mevrouw Batavier, een chagrijnige bejaarde van 92 in een rolstoel. Wekelijks wandelt hij met haar door de buurt, hij doet wanhopige pogingen contact met haar te maken. Hoe de lezer deze korte stukjes moet interpreteren blijft (ook weer) vaag. Vervult mevrouw Batavier een moederrol, aangezien de relatie met zijn eigen moeder vooral afwezig was? Of zijn de stukjes bedoeld om hem naar zijn oude kraakpand te leiden, waar hij vlakbij woont, zodat hij naar zijn herinneringen ten tijde van de krakerstijd kan worden getransporteerd. Deze herinneringen worden aangeduid met Verleden tijd.
Kim is een slachtoffer van zijn tijd, zijn geaardheid, de keuzes die hij maakt en niet maakt, hij beweegt mee, zijn leven overkomt hem. Hij lijkt weinig ruggengraat te hebben, er zijn hoogtepunten noch dieptepunten. Dat wil zeggen, ze zijn er wel, zoals vrienden die aan aids sterven, worden vermoord of opgesloten in een inrichting, maar Kims gevoelens daarover komen niet echt uit de verf. Hij reageert vlak, ja hij gaat wandelen om tot rust te komen. Transformer had een mooie coming-of-age roman kunnen zijn maar Roeters laat zijn personage zich nauwelijks ontwikkelen. Een diepere inkijk in zijn ware gevoelens is er ook niet, of is juist de afwezigheid daarvan de bedoeling? Kim is geliefd bij zijn vrienden, maar sympathie van de lezers weet hij niet echt op te wekken. De toon blijft door het hele boek heen gelijkmatig zonder een spanningsboog. Er lijkt een dimensie te ontbreken, namelijk het wezenlijke contact tussen de personages. Maar misschien is dat inherent aan de underground.
Die underground staat model voor deze roman, zoals de titel van het boek een ode aan het album van Lou Reed is, Transformer uit 1972. Ieder hoofdstuk heeft de titel van een van de nummers van het album, zoals van bekende hits als Walk on the Wild Side en Perfect Day.
Transformer leest prettig. Bennie Roeters verstaat zijn vak. De counterculture is herkenbaar, als je iets weet van de krakerstijd in Amsterdam, of van de generatie van Roeters bent. Toch komen zijn fictieve underground en de kraakbeweging, de zogezegde scene, helaas niet echt uit de verf.












Geef een reactie