Vannacht werd je wakker van de kou en een razend kloppend hart. Je bleef stil liggen, heel stil. Alsof er een muis in de kamer was die, als jij maar stil bleef, vanzelf zou verdwijnen. Ondertussen overwoog ik mijn mogelijkheden, koos niet voor paniek. Verbazing mocht, want lang had het hart zich aan de regels gehouden. Je schoof naar de rand van het bed. Nam een boek van het tafeltje, ging blootsvoets de trap af. In de gangkast zocht je naar een doosje tabletten. Er is gebrek aan zuurstof. Rustig blijven is een optie, adem in adem uit. Voel het onrustige hart in snel tempo van tadangtadangtadang gaan. Laat het gaan, geen paniek. Ga zitten, leun achterover, adem in adem uit.
Leg het boek naast je neer. Breek een tablet doormidden. Neem de andere helft pas als de eerste helft niet de nodige werking had om het hart dat woelt onder de huid, trappelt tegen de ribben, (alsof de toegemeten ruimte waarmee het decennia genoegen nam, benauwd), te beteugelen. Open het boek en lees. Negeer het hart tot het weer past in zijn vorm, geruisloos kloppend, zonder ophef. Zeg tegen degene die de kamer binnen komt, wakker geworden door een lege zijde van het bed, dat het goed is. Dat het een oefening is. Zoals alles in het leven een oefening is.
Dan lees je een verhaal voor over oefeningen in het bedelen, een verhaal dat helemaal gelezen moet worden.
‘Wij trekken vuile, gescheurde kleren aan, wij trekken onze schoenen uit, wij maken ons gezicht en onze handen vuil. Wij gaan de straat op. Wij staan stil, wij wachten.
Als een Buitenlandse officier langs ons komt steken wij onze rechterarm omhoog om te groeten en houden wij onze linkerhand op. Meestal gaat de officier voorbij zonder stil te houden, zonder ons te zien, zonder naar ons te kijken.
Eindelijk blijft er een officier staan. Hij stelt ons vragen. Wij antwoorden niet, wij blijven onbeweeglijk staan, met één arm omhoog en één vooruit. Dan zoekt hij in zijn zakken, legt een muntstuk en een stuk chocolade in onze smerige handpalm en loopt hoofdschuddend verder. Wij blijven wachten. Een vrouw komt voorbij. Wij houden onze hand op.
Zij zegt: “Arme kleintjes. Ik heb niets om aan jullie te geven.” Zij streelt ons haar.
Wij zeggen: “Dank u.” Een andere vrouw geeft ons twee appels, een ander biscuits. Een vrouw komt voorbij. Wij houden onze hand op, zij staat stil, zij zegt: “Schamen jullie je niet om te bedelen? Kom bij mij thuis, daar zijn gemakkelijke werkjes voor jullie. Hout hakken, bijvoorbeeld, of het terras schrobben. Daar zijn jullie groot en sterk genoeg voor. Daarna, als jullie goed werken, geef ik jullie soep en brood.”
Wij antwoorden: “Wij hebben geen zin om voor u te werken, mevrouw. Wij hebben geen zin om uw soep te eten, of uw brood. Wij hebben geen honger.”
Zij vraagt: “Waarom bedelen jullie dan?”
“Om te weten hoe dat is en om te zien hoe de mensen reageren.”
Zij schreeuwt terwijl ze wegloopt: “Vuile schooiertjes! En nog brutaal ook!” Onderweg naar huis gooien wij de appels, de biscuits, de chocola en de muntstukken in het hoge gras langs de weg. De aai over onze bol kunnen wij niet weggooien.’
Ga dan slapen tot de eerste vogel ontwaakt.
‘Bedeloefening’ uit: Het dikke schrift / Ágota Kristóf / Van Gennep
Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje en leeft voor een goed verhaal.





























































































































































































































































































