Altijd interessant, wanneer een (poëzie)recensent zelf weer met een bundel komt. Na Vlinderslag (2013), waarin Gerbrandy proza en poëzie elkaar al liet afwisselen, beloven in dit nieuwe lange gedicht werkelijk alle registers los te gaan: ‘van tastende vertelling tot lyrische uitbarsting, van bittere satire tot nuchter commentaar,’ aldus de begeleidende tekst op de website van uitgeverij Atlas Contact, die vervolgt met: ‘Misschien wordt hier de poëzie opgeblazen. Dat moet dan maar.’
De bezwerende toon wordt al in het openingshoofdstuk, Open, gezet:
Het gaat om een man.
Wij noemen hem O voorlopig.
Om wat?
Omdat hij open staat naar elementen. Omdat zijn oog de spil is van orkanen. Omdat O kwam en ging. Er was. Verdween.
Onderaan de pagina, in een ander lettertype, staat: Het geldt als beleefd eerst goden de woorden te laten. Een dergelijke werkwijze doet denken aan Coetzees Dagboek van een slecht jaar en maakt gelijk nieuwsgierig naar meer.




