Er zijn nog steeds mensen die denken dat een vrouw van zich af kan slaan als zij wordt verkracht. Ze hebben nooit van verstijven gehoord. Er zijn ook mensen wie de naam Gisèle Pelicot niets zegt. Mannen, wel te verstaan. Onder anderen voor hen is het boek Ode aan het leven bedoeld. Onder anderen.
Pelicot schreef het samen met Judith Perrignon. Het heeft de rake ondertitel Schaamte moet van kant wisselen. Niet een verkrachte, aangerande, fysiek of verbaal mishandelde vrouw moet zich schamen omdat ze er wel op een of andere manier aanleiding toe zal hebben gegeven, maar de dader die alle grenzen te buiten ging.
Perrignon hielp eerder mensen met het vertellen van hun levensgeschiedenis, zoals Marceline Loridan-Ivens, de weduwe van documentairemaker Joris Ivens. Nu dus Pelicot, die tien jaar lang door haar man Dominique is gedrogeerd en niet alleen door hem maar ook nog eens vijftig vreemde mannen werd misbruikt. Ze werden allemaal berecht en Gisèle trad al tijdens het proces in de openbaarheid en nu met dit schokkende verhaal waarmee ze andere slachtoffers van seksueel geweld een hart onder de riem wil steken. Dat ze dit zeker doet, bleek bij de grote opkomst voor de uitreiking van de Freedoms Awards in Middelburg dit jaar (Pelicot ontving de Freedom from Fear Award) en bij een uitverkocht interview met haar in Spui25 in Amsterdam.
Gedrogeerd en zonder herinneringen
Pelicot heeft het niet over bevriezen, want ze was gedrogeerd, maar haar brein blokkeerde toen ze op het politiebureau door een alerte politieman met de feiten werd geconfronteerd. Ze geloofde het niet. Ze had er immers geen herinneringen aan.
Het boek springt aan het begin per hoofdstuk tussen toen en de aanklacht. Later is het chronologisch opgebouwd. Haar hoofd is leeg. Ze wil vergeten. Ook de signalen, de absences die ze had en die haar kinderen ongerust maakten maar die ze niet kon duiden. Het bleken gevolgen te zijn van de tranquillizer Temesta, een medicijn dat haar man, die ze op haar negentiende had leren kennen, haar toediende om haar te drogeren.
Toen ze negen jaar was overleed haar moeder, die ‘zowel de bron van haar kracht als haar verdriet werd’. Haar kon niets ergers gebeuren, dacht ze. ‘Niets zou meer pijn kunnen doen dan haar verliezen, niets zou mij nog kunnen breken.’ Ze wil glimlachen zoals haar moeder dat deed. Ook op de foto van het boekomslag en de persfoto’s uit Middelburg doet ze dat. Met de lichtheid van niet alleen haar moeder, maar ook van een vriendin, Pascale, die haar ‘Pelic’ noemt en met wie ze al lang geen contact meer had. Op verzoek van de politie herstelt ze de band met Pascale om zo ‘de draad van de tijd’ terug te volgen. Het boek is er ook om te proberen te begrijpen. Terwijl haar kinderen steeds maar roepen: ’Open je ogen, mama! Zie dan wat hij je heeft aangedaan.’
Een gezin gaat kapot
Ze ziet hoezeer de daden van Dominique ook haar (klein)kinderen pijn doen en haar zonen uit elkaar drijft omdat ze elkaar verwijten dingen voor zichzelf te houden. Zelf dissociëert ze zich van haar verkrachte lichaam, waarmee ze zichzelf redt en stappen kan zetten in wat als een rouwproces wordt omschreven. Hierbij laat ze een deel van zichzelf meevoeren op de muziek van Mozart. Dat deel ‘dat ze niet aan anderen laat zien’. Het is opmerkelijk dat ze dit boek onder haar mans naam publiceert en niet onder haar meisjesnaam, Gisèle Guillou. Ze wil niet dat haar kinderen en kleinkinderen zich schamen. Als zij de naam Pelicot kan dragen, kunnen de kinderen dat ook.
Toch is Dominique niet langer de man met wie Gisèle is getrouwd. Letterlijk niet (ze zijn gescheiden) en figuurlijk ook niet; hij is de man geworden die haar ‘beetje bij beetje vermoordt’. En – bleek in oktober 2022 – ook hoofdverdachte is van een poging tot verkrachting en een moord.
Daar staat tegenover dat Gisèle verliefd wordt op Jean-Loup, die haar horizon verbreedt. En voor haar kinderen ‘de leegte aan de zijde van hun moeder vulde (…). Hij wiste hun vader nog iets meer uit’. Want met hem willen ze niets meer te maken hebben.
Het verhaal komt in de pers
In die tijd komt het verhaal over de verkrachtingen steeds uitvoeriger in de pers. Het is het andere deel van haar waarvan verslag wordt gedaan. Het moment waarop Gisèle vindt dat het tijd is ‘dat de schaamte van kant’ wisselt is tijdens de voorbereiding van het proces. Ze realiseert zich dat er vijftig verkrachters plus één (Dominique) in de rechtszaal als een muur voor haar zullen zitten. Ze opteert eerst voor een zitting achter gesloten deuren, maar verandert van mening. Iedereen moet die eenenvijftig mannen kunnen zien. Zíj moeten hun hoofd buigen, niet Gisèle. Zelf kan ze na twee weken de zittingen niet meer bijwonen en ze laat het woord over aan haar advocaten. Het licht van de schijnwerpers zal dan op ‘die smeerlappen vallen’. Maar de verdachten slaan hun ogen niet neer, pleiten onschuldig en ‘voelden zich gesterkt door mannelijke kameraadschap (…) en brute kracht’. Een psychiater schetst tijdens de rechtszaak ‘het beeld van een gespleten man’. Maar hij geeft er een vreemde draai aan: ‘Je splitst als het ware mee met de gespleten persoonlijkheid.’
Alle mannen worden veroordeeld.
In het laatste hoofdstuk van dit indrukwekkende, door Alexander van Kesteren helder vertaalde en ingehouden geschreven boek, stelt Gisèle dat ze iedereen in de rechtbank het hoofd bood. Niet gebroken en gereduceerd tot een gemarteld lichaam. Ze gaat door. Uit de as herrezen. Niet meer bang om alleen en in het donker te zijn.
Ze beschrijft zichzelf als een vrouw met een missie, die anderen kracht wil geven om weer op te staan. Dat dit zo moge zijn.











