In de Laatste man van Marc Reugebrink wordt geen moment duidelijk waar de schrijver precies naartoe wil. Het boek blijft te dicht op de hoofdpersoon Martin Oonk, wiens leven in hoge mate getekend wordt door een medisch probleem in de schaamstreek waarvoor hij in zijn kinderjaren veelvuldig naar een ziekenhuis in Rotterdam moet, ver weg van zijn ouderlijk huis in het oosten van het land. Hij houdt er niet alleen een levenslange, traumatische angst aan over voor alles wat met urologie te maken heeft, maar ook een vermeende impotentie. Tot zover is duidelijk dat hij dus de ‘laatste man’ zal zijn in de stamboom van zijn familie.
De titel slaat bovendien ook op zijn positie op het voetbalveld ooit, een plek waar hij voor zichzelf de nodige status aan ontleende. Martin is ook de ‘last man standing’ van zijn gezin, na het overlijden van achtereenvolgens zijn vader, zijn zus en zijn moeder. Met alle drie had hij een moeizame verstandhouding, vol onbegrip en schuldgevoel. En metaforisch slaat de boektitel op Martins taak als beschermer van zijn dochter Esther (dus inderdaad een ‘vermeende’ impotentie, maar daarom lange tijd niet minder een nijpende realiteit).
Misleidende opmaat
De achterflap vermeldt dat het boek de vraag stelt ‘naar de mogelijkheid om werkelijk vrij te zijn, los van wat de tijdgeest ons, vaak zonder dat we het weten, oplegt’. Zo’n zin kan een lezer behoorlijk op de zenuwen werken, net als het vervolg: ‘En als de vrijheid niet mogelijk is, kun je dan schuldig zijn aan wat de omstandigheden je ingeven?’
De uitgever had die existentiële opmaat beter weg kunnen laten en in plaats daarvan eenvoudig kunnen zeggen dat Laatste man een boeiend, behoorlijk goed geschreven verhaal is, zonder de pretentie urgente, algemene waarheden te onderzoeken, want daarvoor blijft het boek te dicht bij de hoofdpersoon Martin Oonk.
Alles draait om de ik-figuur Martin Oonk. Niet echt een personage om veel sympathie voor te voelen. Martin is eigenwijs, weinig empathisch en niet echt betrouwbaar. Ook heeft hij een redelijk hoge dunk van zichzelf. Wie zit er op te wachten dat een ik-figuur herhaaldelijk hoog opgeeft over de uiterlijke kwaliteiten van zijn vriendinnen en vrouwen, aangezien hij daarmee impliciet ook pocht op zichzelf. Soms neemt de verteller zélf afstand van zijn hoofdpersoon, als hij van de ik-vorm plotseling overschakelt naar de derde persoon; een wonderlijke literaire ingreep, waarvan de bedoeling niet altijd duidelijk is.
Het sterkste deel van Laatste man is het eerste hoofdstuk ‘Rotterdam’, over de regelmatige opnames in het Rotterdamse ziekenhuis. Het jochie van rond de tien is nog niet de zelfingenomen hoofdfiguur van de volgende hoofdstukken en tussen ‘de bal lag beneden’ op bladzijde 19 en ‘daar lag hij nu’ op bladzijde 58 staat een mooi tijdsbeeld van de medische wereld van begin jaren zestig en de belevenissen van een groep baldadige patiëntjes. Inclusief een mooie cameo van de legendarische Feyenoord-linksbuiten Coen Moulijn.
Alles draait om Martin Oonk
De roman blijft niet zo pakkend. In het hoofdstuk ‘Los Angeles’ gaat het twee volle bladzijden lang over de tv-reclames van een lokale autoverkoper. Verderop wordt uitvoerig uitgeweid over de voetbaltrainingen van vroeger. Ronduit vervelend wordt het als de ik-figuur tijdens een feestje halfdronken uitgebreid en nauwelijks te volgen filosofeert over zijn vakgebied geschiedenis: ‘”Voor ons gaat de relativiteit van welke waarheid dan ook aan de ervaring van die waarheid vooraf.” (…) En ik wist niet meer wat ik wilde zeggen, alleen dat ik niet had gezegd wat ik bedoelde: dat geboorte, opvoeding en milieu ons definiëren, dat ook ons vrijheidsidee erdoor gedefinieerd is, een product is, zo men wil, van onze tijd.’ Het is niet alleen voor de lezer gaap verwekkend, maar ook voor Martins vriendin, die op de plek van bovenstaand (…) moppert: ’”Wat een theoretische onzin, Martin. Wat relativeer je precies op voorhand als we neuken dan?” En dan kon ze haar blouse openknopen en haar borsten tonen. “Hier. En hier. Relativeer dit eens, als je wilt.”‘
Het is riskant om als schrijver te veronderstellen dat de lezer net zo geïnteresseerd is in zijn ik-verteller als de ik-verteller dat zelf is. Waarom moet er bijvoorbeeld vermeld worden dat een onregelmatigheid in Martins blaas volgens de dokter geen litteken is, maar ‘een bedje van poliepachtige letsels ter hoogte van het trigonum, en rechts op de basis van de blaas een exofytisch groeiende laesie van het urotheel’? Hoe dan ook, de cirkel is rond, we zijn terug in het ziekenhuis.
Schrijven kán Reugebrink, daarover laat dit boek geen twijfel bestaan. Het is dat zijn zelfzuchtige, egocentrische, breedsprakige hoofdpersoon hem parten speelt. Wat de Laatste man, samen met de flaptekst, de onnodige en onjuiste schijn geeft van een ideeënroman met diepere betekenislagen. Terwijl er aan de oppervlakte genoeg te beleven valt.











