Inge Meijer
Column

Enig respijt

Als je er maar geen spijt hebt, zei de schrijver die ik sprak over het uitblijven van zijn interview. Hij bedoelde de verhuizing. Ik dacht, dat moest er ook nog bijkomen, dat alles een grote vergissing bleek.

Ik belde de schrijver en zei, het is de kat. Denk aan een huilbaby waarbij je krampachtig je eigen gang probeert te gaan als het geliefde mormel slaapt. Dat mijn hoofd een zeef is waar elk voornemen doorheen druppelt. En dat er niet zoveel geslapen wordt. Toen zei hij, als je maar geen spijt hebt van de verhuizing. Dat het dat dus niet was.

De kat een klagend, luid, soms miepend, maar onophoudelijk mauwend schepsel. Als ze (geaaid, gevoed, gedronken, bak bezocht) eindelijk op haar schapenvacht in slaap valt, ga ik op kousenvoeten naar mijn werkhoek (we verkleinen hier niks in dit kleine appartement). Klik de computer aan (geluidloos, alsjeblieft geluidloos), open een bestand, probeer te begrijpen waar ik mee aan het schrijven was. Een interview dat al maanden geleden is afgenomen. Daarna gingen we verhuizen, alles in dozen gepakt, gestapeld, uit het zicht. Hoe ongemakkelijk alles werd, ik de weg kwijtraakte in eigen spullen. Ik zelf ook wel wilde verdwijnen.

Het enige dat nog een mate van ontspanning biedt, zijn de dagboekaantekeningen van Mensje van Keulen. Omgeslagen dagen, Dagboek 1983 – 1987, de jaren dat ze werkte aan het kinderboek Tommie Station en de roman Engelbert. Ondertussen voedt ze haar zoontje Aldo op. Bezoekt elke zomer het gezin van haar zus in Spanje met haar moeder en zoontje. ‘Bijna een jaar heb ik Anneke [de zus] niet gezien en, op het groeien van de kinderen na, is er niets veranderd. Ze staat de halve dag in de keuken, valt uit naar knokkende kinderen, moppert en lacht.’

Waar het leven niet verder reikt dan, ‘Wat eten we vandaag/ / Wat eten we morgen? (…) / Gaan we vanavond nog kaarten? / Die vrouw is een puta / Callate! / die rode wijn is koud lekkerder / Dat spel met copas en bastos? / Moeten de kinderen niet eens naar bed? / Callate!’ (21 juli 1984). Dat ze, net als ik, begrijpelijkerwijs wel wat anders had te doen.

Als haar kind op school lastig gedrag vertoont, vraagt ze zich af of zij iets verkeerds doet. ‘Hoe kom ik er achter of dat zo is? Ik zal meer met hem spelen, iets wat ik niet altijd opbreng.’ Altijd het voornemen het beter te doen, niet te ergeren, liefdevol en aandachtig te zijn, en dat dan niet op kunnen brengen. Tot zover reikt mijn menselijkheid.

Van Keulen schrijft oprecht over haar tekortkomingen, het ‘willen en niet kunnen’, de onmacht in alles. Terwijl er alleen maar geschreven moet worden. ‘De dagen verliepen rustig, niks aan de hand, behalve dat ik het werk mis. Iedere zin die in me opwelt, die een beginzin of een idee of detail voor een verhaal kan zijn, en die ik dan achter in een schrift noteer, doet me tegelijkertijd verkrampen omdat ik niet verder durf te gaan.’ (27 december, 1984)

Dat het gedoe van een ander altijd vermakelijker en makkelijker te vergeven is dan dat van jezelf. Maar ondertussen.

Sommigen zeggen dat de kat dementerend, getraumatiseerd, last van verlatingsangst heeft. Ik zie haar als een losgeraakt projectiel dat de juiste baan niet vinden kan.

Er is een moment waarop je weet hoe je wilt schrijven, er geschreven moet worden. Vanuit welke hoek, de eerste zin en alles wat dan komt. Hoe ik het opschrijf, een antwoord van de schrijver dat er beslist in moet, maar er gebeurt niets. Want de kat is wakker geworden, mauwt zich een weg naar me toe. Ik noem haar sukkeltje, geërgerd.

Mensje van Keulen schrijft over niet tot schrijven kunnen komen als ze aan haar vierde roman Engelbert werkt. Afleiding door  kind, kat, de vriend omdat er altijd eerst dit is, en dan dat. ‘ Soms zit ik boven mijn schrift alleen maar wat te mijmeren over Engelbert alsof ik het boek al heb geschreven.’ (4 maart 1986). Alles in het hoofd, vertel mij wat.

Dan begint het mauwen weer. Dat je wilt slaan, het stevig vast wilt pakken, neerdrukt op dat schapenvachtje, stil, stil, stil. Hoe die ronde kattenogen je verschrikt aankijken, onderdanig ook. En dat je direct spijt voelt, ocharme, er is niets verandert.

Ik lees Van Keulens notities over opera- en toneel bezoek. ‘Wim T. Schippers’ Kutzwagers: me bovenste best vermaakt. Lermontovs Maskerade liet me koud, zo beroerd gespeeld. Don Giovanni: Weergaloos. Verfilming van Pinters Betrayal stelde teleur. Wil eigenlijk naar bed, maar de avond is nog vrowg, het bier smaakt niet, en ik lees Cannerey Row. Hoop dat de R. wel niet komt.’ (27 december 1984).
Over het Boekenbal, (23 maart 1984) schrijft ze, ‘Het Boekenbal in Carré was nogal gênant. Optredende schrijvers met Van Dis, die de bühne bepaald niet schuwt, als stalmeester. Het dieptepunt was de sketch van Doeschka Meijsing en haar broers. Het duurde geen minuut of het publiek begon ze uit te lachen en boe te roepen.’ Hoe braaf steekt alles in deze tijd af met toen, met het Boekenbal van toen.

De kat ligt in de zon op het bed. Zie hoe het slaapt, de lieverd. Maar dan, zo gauw ik begin te schrijven, begint het mauwen weer. Dat er geen respijt is.

 

Omgeslagen dagen, Dagboek 1983 – 1987 / Mensje van Keulen / Atlas Contact


Inge Meijer schrijft over de boeken die ze leest.