Ik stond op een vol perron, de zon scheen. Er was sprake van veelbelovendheid. Een groep lagere schoolkinderen begon aan elkaar te trekken en te duwen toen de trein in zicht kwam, het perron langsreed, stopte. Twee juffen riepen met overslaande stemmen, ‘rustig, laat dat, niet doen’ toen de kinderen, hun rolkoffers (waar zijn de rugzakken?) achter zich aan slepend naar de trein renden.
Eerder die ochtend las ik over een ‘charmant’ appartement te huur in Antwerpen. Er was sprake van mooie lichtinval. De huurprijs was te doen. Ik overwoog naar Antwerpen te verhuizen, maar eerst naar de tandarts.
Ik had een dichtbundel bij me waarin een vermoeden was van een egeltje dat zijn moeder zocht. De regels, ‘als je moeder verdwenen is / – platgereden waarschijnlijk -’ zette alles waar ik gewoonlijk niet aan denk in beweging.
Een verweesd egeltje krijgt toegang tot de bibliotheek, ‘waar je mag knabbelen aan de ruggen van de boeken / en aan het behang’. En waar:
‘er een mens met lang haar is om onder
weg te kruipen en een warme hand die je aait
– net als de brandnetel prik je niet
als die maar met de haren meestrijkt –
en altijd om wereldvrede vragen
je hobby’s zijn slakken zoeken en wroeten
bij missverkiezingen altijd om wereldvrede vragen
daar scoor je punten mee, ook als egel’
Bij dat ‘ook als egel’ ontroerd raken. Er iets doorbreekt. Dat overkomt me meerdere keren bij het lezen van de bundel ’laat mijn egel met rust’ van Katelijne Brouwer. Haar poëzie is trefzeker, getuigt van een inlevend observeren. Geeft aan waar het steekt, en dat het daar raakt.
Het uit twee delen bestaande gedicht ‘klein kroost’ is een prachtig wedervaren van twee zwanen en hun acht jonge zwanen.
‘ze waren weggefietst, acht kleine zwanen
met ingebouwde trappelmechaniekjes
wiebelige waterfietsjes, fietsie foetsie
(…)
terwijlhet kleine grut zich oefent in
koppeltje duikelen, handstand onder water
radslag overslag, met propellerpootjes
vooruit, kapseizen, tuimelen
en omkieperen naar het dagnest
van omgetrapt riet waarop
serieus wordt gedommeld
tot het water weer roept’
Dat ik daar, lezend in de wachtkamer bij de tandarts, blij van word. Ik zei het al. Er breekt iets door, iets lichts. En dat er iets eenvoudigs te doen is, als mens. En dat ik nu geen zwaan meer kan zien, zonder aan fietsen te denken.
De tandarts schudde me de hand, zei (met Spaans accent) ‘Leuk je weer te zien’. Hij droeg een bandana in zijn zwarte haren. Als er iets charmants in het spel is, kan ik zomaar verliefd worden. Op een appartement in Antwerpen, op de tandarts. En dan die gedichten die ik in de trein, in de wachtkamer las. Poëzie die zich een plek verwierf in deze ochtend, in mijn hoofd en hart.
In Brouwers gedichten spreekt een tuin, die zegt: ‘(…) laat me met rust / laat mijn egel met rust en laat mijn bladeren liggen’ En dat ik ook daar opnieuw door geraakt word. IJsberen krijgen een stem in ‘wij ijsberen eisen ijs’. Ze trekken een lange witte protestlijn in negen coupletten. Hoe geweldig dat klinkt en waarvan hier het laatste couplet.
‘(…)
geef ons ons pakijs terug, wij houden van ijs en sneeuw
wij willen geen brood, wij willen geen stroop
wij eisen ijzig bevroren zeeen, ringelrobben willen we
walvisblubber en walrussenspek
ijs! ijs! ijs!’
Zo dus. En denk niet dat je ermee wegkomt door te denken, het zijn dieren, die hebben niets te eisen. Maar luister, vertaal hun gedrag zoals Brouwer dat doet en waardoor alles eenvoudig wordt. Lees deze heerlijke gedichten!
laat mijn egel met rust / Katelijne Brouwer / 38 blz. / De Harmonie
Inge Meijer schrijft over de dingen die ze leest.










