Voorbij het cliché

Recensie door: Els van Swol

De vijfde roman van Cobi van Baars, Vacht!, begint met een cliché. In één woord heet het: ‘Knotje’. Hoe vaak wordt een bibliothecaresse of archivaris niet voorgesteld met een knotje? Denk aan juffrouw Bits van Annie M.G. Schmidt (zelf bibliothecaresse) en Wim Bijmoer of aan de film 8 Femmes. Sommige collegae van hoofdpersoon Eline hebben haar weinig origineel zo gedoopt: ‘Knotje’. Maar Cobi van Baars gaat voorbij aan dit cliché.

Eline werkt als archivaris in het archief van een voormalig klooster. Ze maakt plaatsingslijsten van het archief van de Liefdezusters van het Kostbaar bloed. Medewerkers van een bibliotheek of archief kunnen veel herkennen in de gebruiken binnen zo’n instelling die Van Baars beschrijft: als je een doos of map uit een kast licht, plaats je een rode flap terug. Je leest het als was je de cavia op kantoor in de boeken van Paulien Cornelisse, die alles van een afstandje bekijkt. Eline is natuurlijk ook vrijgezel, al wordt door een misverstand haar buurman Jaap aangezien voor haar vriend.

Een kudde schapen en collegae

Buiten het klooster kijkt Eline geregeld naar een kudde op de dijk grazende schapen. Ze is jaloers op de herder. Hij heeft géén collegae ‘die hij het hoofd moet bieden, geen bezoekers die hij uitnodigend, nee, wérvend moet bejegenen’. Nee, hij heeft een kudde ‘die hem omringt en beschermt’. Het tegenovergestelde van haar laatdunkende collegae – met uitzondering van Camiel, die digitaliseert – waartegen ze zich verschanst met stapels bananendozen die als vesting dienen. In de archiefdozen die Eline behandelt zitten ook foto’s die door Camiel in de beeldbank dienen te worden opgenomen.

Er zijn ook vergelijkingen te maken tussen de schapen en Eline, met name tussen één ooi en haarzelf: ze laten het allebei maar gebeuren. Dat de herder de vacht van de ooi liefdevol kroelt staat haaks op collega Machteld die gevoelens van Eline in negatieve zin openkrabt met vragen als ‘Zullen we even bijpraten?’ of wanneer ze roept: ‘Wat een beeldig vest!’ Waarop Eveline denkt: ‘Vacht!’. Een vacht beschermt je immers. Ze heeft behalve die gedachte ook een reflex of tic ontwikkeld door op moeilijke momenten tegen haar knotje te tikken.

Baars gaat hiermee psychologisch dieper dan het cliché aan het begin van het boek zou doen vermoeden; dat knotje heeft ze nodig als kapstok voor haar zich geweldig ontwikkelende verhaal over intermenselijke, alledaagse relaties. Op het werk en thuis, met buurman Jaap. En over de omgang met de schapen, waarin Eline trekjes van haar collegae ontwaart, zoals de opdringerige 72123 die haar doet denken aan Machteld. Een nummer en geen kwetsende bijnaam als ‘Knotje’.

Verlangens, beelden en gevoelens

Zo eendimensionaal is het echter allemaal niet. Eline kan wel degelijk genieten van haar moestuin, een glas witte wijn, de laatste zonnestralen, kijken naar sterren en de wassende maan. Ze voelt zich er prettig bij. Om erbij te horen gaat Eline mee in de roddels van haar collegae over haar en buurman Jaap. Dat ze een petunia van hem kreeg voor haar verjaardag, want Jaap houdt van petunia’s. Ze ‘wrijft met twee handen teder door die roze-purperen bloemetjes alsof het een krullenbol is, die, die …’. Je ziet Eline door de vacht van de kop van een ooi gaan terwijl ze zegt: ‘Je moet je niet zo opzij laten drukken’. Tegen de ooi én tegen zichzelf. Je voelt haar verlangen dat iemand háár eens aait.

Zo grijpen alle beelden en gevoelens knap in elkaar, hoewel Eline zelf niet in staat is in beelden te denken. Collega Pim, die zijn achtjarige hond Basta aait, wil maar niet op haar netvlies blijven staan. Eline doet graag de deur van haar werkkamer dicht om de collegae en haar baas buiten te sluiten. Ze moet aldoor alert zijn op mogelijk pestgedrag en door de stress uit ze onwillekeurig kreten die daar het gevolg van zijn. Kreten die klinken ‘als een dier, een lam in nood’, wat misschien weer net even te nadrukkelijk beschreven is door Van Baars.

Symboliek

Het draait allemaal om afstoten en aantrekken, om een net dat soms gaten heeft of zich soms weer steeds strakker sluit. Het feit dat het verhaal in en om een voormalig klooster is gesitueerd, speelt daarbij een rol. Op een dag krijgt Eline een schoenendoos te verwerken waarin twaalf kleine katoenen zakjes met boetegesels zitten. Hiermee sloegen kloosterzusters zichzelf terwijl ze ‘Ave Maris Stella’ baden (Wees gegroet, ster van de zee). Een gebruik dat tot in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw werd volgehouden. Het was de bedoeling dat zusters zo voelden wat Christus aan het kruis moet hebben gevoeld, zoals Eline misschien mag hopen dat mensen zich in haar kunnen verplaatsen?

Wat Machteld ook daadwerkelijk probeert. Van Baars geeft haar zo een gelaagd en méér dan een eendimensionaal karakter. Overigens wordt de symboliek van het lam bij Van Baars minder nadrukkelijk in christelijke richting uitgewerkt dan bijvoorbeeld Jannie Regnerus doet in haar roman Het lam. Ook in Van Baars’ boek De onbedoelden speelt het rooms-katholicisme geen al te grote rol van betekenis.

Niemand merkt dat Eline van het paradijs (de eerste jaren in het archief) inmiddels in de hel terecht is gekomen, al heeft Machteld daar wel een vermoeden van. De vraag is hoe Eline daar weer uit komt. Zal Machteld haar redden, zoals ze eens een ooi redde die vastzat in het prikkeldraad? Of Jaap? Of Camiel? Of wordt ze zelf assertiever? Het antwoord op deze vraag, de ontknoping, zit razendknap in elkaar en laat je als lezer verbluft achter. Met andere woorden: Vacht! Is een boek dat flink nazindert.

Recent