De Antwerpse auteur Paul Verrept heeft zo ondertussen een patent op zeer gestileerde verhalen. Dat heeft vermoedelijk ook te maken met zijn achtergrond als illustrator en grafisch ontwerper. Zijn verhalen zijn strak, weinig uitbundig, niets teveel of tekort, maar vaak over nostalgische en diepe thema’s. Hij houdt ervan om te spelen met de tijd en de grenzen tussen heden en verleden, zoals in zijn prentenboek Mist (2006) of zijn jeugdboek De bank (2014). In zijn nieuwste boek Het jaagpad is dat niet anders.
Het jaagpad is een zeer conceptueel boek. Zelf gebruikte Verrept het beeld van op elkaar liggende filmprojecties om zijn boek te omschrijven. Hij vertelt twee verhalen tegelijkertijd, alsof je twee films over elkaar projecteert en dan zelf verbanden ziet of legt. De lezer volgt het hoofdpersonage Lucas, een vereenzaamde zestiger die in de grote stad woont. Hij neemt de trein naar zijn geboortedorp om nostalgisch te mijmeren over zijn geboortehuis. Hij observeert zijn huis vanachter het raam van het dorpscafé dat ertegenover ligt. Verrept maakt een sprong in de tijd en de achttienjarige Claus verlaat zijn ouderlijk huis in het kleine dorp, neemt afscheid van zijn ouders en trekt naar de grote stad om op kamers te gaan en te studeren. Lucas raakt geobsedeerd door deze jonge student en blijft hem achtervolgen. Als Claus om zich heen kijkt, ziet hij niemand. Op zijn beurt raakt Claus geobsedeerd door een zekere Maria, een meisje op de trein, en blijft haar achtervolgen tot haar huis.
‘Alles is overal en altijd’
Hoewel het verhaal van Lucas zich afspeelt in 2024 en dat van Claus in 1981, blijken de twee elkaar toch te kunnen achtervolgen. Dit magisch realistisch tintje is bedoeld en ook het feit dat de namen anagrammen zijn, is geen toeval. Verrept diept de personages niet ten gronde uit, maar met een paar rake schetsen kan de lezer zich toch een beeld vormen van de twee mannen, die misschien wel een en dezelfde zijn. De donkere en beklemmende sfeer tijdens de achtervolgingen dragen ook bij aan de emoties die de auteur wil losmaken bij de lezer. De twee hoofdfiguren bestaan eerder, dan dat ze zich bewust zijn van zichzelf. Verrept wil de noodlottigheid en onvrijheid waarin mensen hun spoor volgen door het leven weergeven, de voorbestemdheid van het leven. Zo lijken de twee echt door elkaar geweven. Hij beschrijft het zelf kort en krachtig als ‘Alles is overal en altijd’. Eenzaamheid en isolement voeren de boventoon. Lucas en Claus zijn daar de exponenten van. Ze hunkeren naar aanraking. Hun dromen en verlangens worden uitvergroot, maar blijven onbeantwoord, evenals hun niet aflatende seksuele begeerte. Het elkaar begluren, het niet vertrouwen van elkaar, alles heeft zijn diepere wortels.
En daar raakt Verrept de kern van zijn verhaal. De mens is kwetsbaar en het verleden kan een diepe invloed hebben op het heden. In de laatste bladzijden toont hij de oorsprong van de extreme eenzaamheid en het isolement, verklaart hij waarom de mannen zo moeilijk contact kunnen leggen. Pas aan het eind laat hij zien hoe de littekens van het verleden zich vasthechten aan de persoonlijkheid en de mannen tot levenslang veroordelen. De zeer gestileerde taal, met weinig versieringen, het bijna zakelijke, het sec vermelden van wat hij ziet, nauwgezette observaties van het gebeuren, zorgen voor een klinische weergave die daardoor een ietwat ongemakkelijk gevoel heeft. Ook de lezer zit gewrongen en voelt de eenzaamheid en kwetsbaarheid, en tegelijkertijd de ongrijpbaarheid der dingen. Een zwaar thema dat Paul Verrept op bijzondere wijze naar boven weet te brengen en nog even doet nazinderen in het hoofd van de lezer.











