Ik stuitte op een interview met Paul Auster (1949-2024) waarin hij zegt dat de essentie van een schrijver is ’to make a maximum effort all the time’. Dat een kunstenaar nooit achterover kan leunen, ‘you can’t be a writer, or a painter, or a musician unless you make maximum effect.’ Je elke dag op te sluiten in je kamer om tot een werk te komen. Auster zegt, ‘Which is a very strange way to live, alone in a room every day, putting words on pieces of paper.’ Dat hij na een hele dag in zijn werkkamer te hebben gezeten er uiteindelijk een zin op papier komt die kan blijven staan. Dat het verfrommelen van beschreven vellen papier ook schrijven is.
Toen Frida Vogels acht jaar was sprong ze van de duikplank in het diepe. Ze beschrijft de aanloop naar die sprong in een kleine scène in haar laatste boek, In den vreemde. In die scène is de essentie, de eigenheid van een persoon te lezen die tekenend is voor haar verdere leven. Ze schrijft ‘er gebeurde op een dag iets dat ik me nu nog herinner’. Ze was alleen naar het zwembad gegaan, lag bij het ondiepe bad vanwaar ze een groep jongens en meisjes op de hoge duikplank zag staan. ‘Wat deden ze daar dan?’, vroeg ze zich af. Ze sprong op en liep naar de hoge duikplank en klom naar boven. ‘Ik liep tussen de luidruchtige jongens door, die bij het zien van mij stilvielen van verbazing, bereikte het einde van de duikplank en sprong eraf.’ Dat je van een eenmaal ingeslagen weg niet omkeert.
Als ze vanuit de diepte weer boven komt, werkt ze zich ‘Hijgend en puffend, mezelf zo goed mogelijk helpend met mijn armen en benen’, naar de rand van het zwembad en klampt zich vast aan de ijzeren railing, ‘duwde me toen op aan de tegels, stapte uit en keerde terug naar mijn plek op het zand. Ik wist nog steeds niet hoe ik zwemmen moest.’ Dat zij het zich herinnert als iets dat ‘gebeurde’, alsof het haar overkwam, er omstandigheden waren die ertoe bijdroegen dat ze zo onbevangen van die duikplank sprong.
Schrijvers als Paul Auster en Frida Vogels hebben mijn grote bewondering. Dat het allemaal in hun werkkamer gebeurde, al dat schrijven, de boeken die daaruit voortkwamen.
Ik blijf bij de kamer van Vogels. Waar zij zit als Ennio thuiskomt met Tagliavini, kenner van orgels en klavecimbels. Hij roept, ‘“Frida!” en ik antwoordde “Ja’, maar zonder van mijn plaats te komen. Natuurlijk had ik Tagliavini moeten gaan begroeten. Daar heb ik nu de pest over in.’ Dat onbeweeglijke, dat starre, die werkkamer als bastion.
Ennio maakte van het bouwen van een virginaal, klavecimbel en als laatste een orgel zijn levensinvulling. Zoals Frida haar boek De harde kern voor Ennio schreef, en hij voor haar die instrumenten. ‘Zonder mij zou hij nooit dat klavecimbel hebben gebouwd (…) en ik zou Kanker en De naakte waarheid niet hebben geschreven’. Ze schrijft, ‘het klavecimbel is wat er goed tussen ons is.’
Iemand zei me eens, ‘Wat een leuke man heb jij! Weet je dat wel?’ Natuurlijk wist ik dat, hij was immers mijn man. Maar om eerlijk te zijn, er werd op dat moment iets in werking gezet. Want sindsdien overkomt het me dat als de man slapend naast me ligt, koffiedrinkend aan de keukentafel zit, of op de trap zijn wandelschoenen aantrekt, ik denk, ‘Ja, wat een leuke man.’ Dat de dingen me gezegd moeten worden, pas dan zie ik het ook.
Als Han (Voskuil) tegen haar zegt ‘Wat Ennio doet, is goed. Als je jullie samen ziet kun je dat volledig accepteren.’ Ontroert haar dat.
Op 2 maart 2017 zit Frida aan Ennio’s sterfbed. ‘Ik streelde hem zachtjes over zijn wangen. Hij scheen dat prettig te vinden. Misschien. Ik dacht het wel en ik vond het ook prettig om het te doen, maar ik wist het niet zeker.’ Hoe dat mij ontroert.
‘The essence of being an artist is to confront the things you are trying to do, to tackle it head on, and if it is good, it will have its own beauty – an unpredictable beauty.’, zei Auster in dat interview.
Dat de gedachte aan de rollen papier die ik vol schreef, me soms aanvliegt. Dat daar iets mee moet. En dat ik denk met deze persoonlijke verhalen, brieven en bekentenissen tot de kern van Frida Vogels gekomen te zijn. Haar werk geeft dat uitzonderlijke gevoel getuige te zijn van een zelfontleding die je nergens anders tegenkomt. Dat ze schrijft om te weten wie je bent. Het is van een grootse veelheid, al die duizenden bladzijden van Frida Vogels, maar mag het nog een ietsje meer zijn?
In den vreemde, Kronieken / Frida Vogels / 538 blz. / Van Oorschot (2024)
Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.





























































































































































































































































































