Zender en ontvanger

Ik las ‘To be an artist, you need to exist in a world of silence’, van Louise Bourgeois. En dacht, ‘enkel in stilte kan ik bestaan’, jawel. Dat je deuren en ramen wilt sluiten voor elke indringer in welke vorm dan ook. Gister nog riep je dat je terugverlangt naar de huistelefoon, dat je weer brieven wilt schrijven in plaats van appjes lezen en beantwoorden (of niet). Denk een envelop op de deurmat, in handschrift (waaraan je de afzender al herkent) geadresseerd. Eerst maak je koffie, dan open je de brief. De stilte die daarbij hoort. En dat je een paar dagen later, als de inhoud van de brief in zijn geheel, (fietsend naar de super, ui snijdend, zien van een film, nachtje slapen), aan je ontsloten is, pak je pen en papier. Schrijf je terug.

Dat ik het liefst in bed schrijf, weet enkel degene die (het is nog vroeg) net uit bed is gestapt. Het moment waarop er geen input is en de verbeelding zijn werk kan doen. Laptop op schoot, notities ernaast, wifi uit.

Jan Hanlo had geen tafel. Dat weet ik uit een brief die hij schreef aan zijn uitgever Geert van Oorschot waarin het gaat over wespen en plastic lappen die moeilijk schoon te maken zijn. ‘Men zou ze plat op een grote tafel moeten leggen en afsponsen. Maar ik heb geen tafel….’. Ik zie Hanlo op de rand van zijn bed, (geen tafel, dan ook geen stoel) met pen en papier zijn notities maken.

Wie schrijft is de zender, wie leest de ontvanger in wiens verbeelding een verhaal ontstaat. Beelden gevormd door dingen die je weet of denkt te weten.

Ik las een boek waarin je kunt wonen, er is een huis, een kust, een groep vrienden. Daarin verandert het beeld van de persoon op het moment dat je de beschrijving leest. ‘Ze droeg een schort zonder bovenstuk. Aan het einde van de avond zat er niet één spatje op haar blouse, wat ik mateloos in haar bewonderde.’ Eerst zie ik een schort met band langs de nek, dan een schort tot haar middel. Wat haar een ander, completer persoon maakt dan ik me eerst verbeeldde. Beelden waarmee de schrijver speelt. En dat het er zo geschreven staat zoals het moet zijn.

Ik zou het een gelaagd boek noemen als ik niet zo’n hekel aan de uitdrukking had. Een schrijversboek is het. Er worden aanzetten gegeven tot het schrijven van twee romans. Over onderwerpen waarover al door verteller Anna, een schrijfdocent die op zoek is naar de juiste weergave, werd geschreven. Ze wil recht doen aan het onderwerp, waar meerdere boeken voor nodig zijn. Steeds zoekend naar de juiste woorden, een constructie waarbinnen het zijn vorm vindt. Er zijn twee verhaallijnen. Het eerste speelt zich af in 2018, de tweede begint in 1996. Anna is beginnend schrijfdocent. Ze geeft een master schrijven aan vier twintigers, net als zij zelf. Ze worden vrienden, maar niet voor het leven, zoals je graag zou willen. Anna vindt een vriendin in de Amerikaanse Emily (die je weer doet denken aan Emily Dickinson, de schrijfster die geen vrienden had, haar omgeving was haar genoeg). Zo ook deze Emily, die relaties laat lopen, Anna teleurgesteld achterlatend. 

Ik lees de notities die ik, op alweer zo’n vroege ochtend, maakte over het boek.
‘Om 5.45 uur wakker. G. ook. Ik ga thee zetten, hij maakt koffie. Om 6.30 uur zitten we rechtop in bed, thee en koffie bij de hand. We lezen. Hij in ‘Moeder doen van F. Starik, ik in Tot het glinstert van Kathy Mathys. Een geweldig goed schrijfster. Haar boek houdt me vast. Zie er een structuur in die ik zou willen gebruiken. Ook daarvoor lees ik. Om structuren te ontdekken.’
Het is een groots verhaal dat hier verteld wordt. Een verhaal om in weg te kruipen, in mee te bewegen.

 

Tot het glinstert / Kathy Mathys / 327 blz. / Ambo Anthos


Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Inge Meijer: