Walvistij, de debuutroman van de Engelse auteur Elizabeth O’Conner, speelt zich af in 1938. Manod is een slimme, jonge vrouw die met haar vader en zusje op een eilandje voor de kust van Zuid-Wales woont. Ze heeft op school meer opgestoken dan de meeste andere eilanders. Als één van de weinigen spreekt ze Engels en fantaseert ze over een studie op het vasteland. Een droom waarin weinigen haar steunen. Zelfs haar vader niet.
Manod is achttien jaar en net van school af als ze er alleen voorstaat en niet zo goed weet hoe het verder moet. ‘Ik wist dat de meeste meisjes aan hun moeder vroegen wat ze moesten gaan doen als ze van school af waren, wat ze met mannen moesten doen, maar ik had geen moeder om dat aan te vragen. Bij elke beslissing die ik nam had ik het gevoel dat ik een vis probeerde te vangen die pas bestond als ik hem gevangen had.’
Als twee antropologen van het vasteland het eiland aandoen om de plaatselijke gebruiken te onderzoeken, lijkt het tij te keren. Manod gaat voor ze werken. Ze vertaalt liedjes, tolkt bij gesprekken en geeft uitleg over de gebruiken en legendes van het eiland. Als de vriendschap tussen Manod en Joan en Edward lijkt te groeien, denkt en praat ze er steeds openlijker over om het eiland te verlaten en te gaan studeren. Maar net als de walvissen uit een oude eilandlegende lijkt ook haar hoop op een ander leven sneller dan snel uit beeld te verdwijnen.
Walvislegendes en botsende waarden
In de oude eilandlegendes verbeelden walvissen verdronken dochters die voor even zijn teruggekeerd, verloren dochters ‘die soms aan de oppervlakte kwamen, maar altijd weer in de diepte verdwenen’. Dus toen er een walvis aanspoelde op het eiland was dat tegelijkertijd de thuiskomst van een vertrouwd familielid én een nakend verlies. Een verlies dat de walvis ook Manod zou laten voelen, alhoewel het bij haar niet het verlies van een dochter betrof, maar van haar moeder.
Voordat dat verlies zich echter aandient schetst O’Conner een schril contrast tussen botsende waarden. Een contrast dat teruggaat op de werkelijkheid. Want alhoewel Walvistij zich op een fictief eiland afspeelt, zijn de gebeurtenissen die O’Conner beschrijft gebaseerd op de recente geschiedenis van kleine Brits-Ierse eilanden, waar leegloop regel was en waar vastelanders veelal karikaturaal over dachten.
Zo ook Joan en Edward. Ondanks hun gewichtig aandoend onderzoek, vinden zij het eiland vooral amusant en charmant. Het gaat hun niet zozeer om hoe het echte eilandleven is, maar om hun eigen idee erover. Zo vragen ze een visser bijvoorbeeld om het water in te gaan terwijl geen eilander dat ooit zou doen. Niemand op het eiland kan immers zwemmen. Het is één van de vele beelden die verraden dat de antropologen en bewoners een totaal verschillende blik op het leven op het eiland hebben. Manod realiseert zich dat ook ‘met een steek in haar borst’ als ze de studie-aantekeningen leest. Ze herkent de eilanders niet waarover Joan schrijft.
Gestrande walvis
Het verschil tussen het Engelse en het eiland-denken komt het meest pregnant naar voren in de omgang met de gestrande walvis. Waar eilanders de walvis bij de eerste tekenen van verrotting als een overleden familielid met bloemen sieren en vereren, hebben vastelanders het vooral over de gebruikswaarde. En terwijl de Engelsen olie en blubber van de rottende walvis als brandstof afvoeren, en organen en huid als hondenvoer en kunstmest, ontfermen de eilanders zich liefdevol over het achtergelaten skelet. Die stoffelijke resten van de walvis bieden de eilanders troost. Zo ook Manod, die terwijl haar hart bloedt, in de schedel van de walvis een herinnering aan vroeger vindt. En er vertrouwen uit put voor de toekomst.
Walvistij is een knap gestileerd boek over een zoekende maar zelfbewuste jonge vrouw. De beknopte stijl verraadt O’Conner’s ervaring met het korte verhaal, waar ze er al vele van schreef. Ze won er in 2020 de White Review Short Story Prize mee. Walvistij is haar debuutroman, waarmee ze laat zien ook het langere verhaal aan te kunnen. Een verhaal waarin Manod weliswaar de hoofdpersoon is, maar de hoofdrol is voorbehouden aan het eiland zelf. Een eiland dat, als alle mensen als walvissen in de diepte zijn verdwenen, pas volledig zichzelf zal zijn, ‘als een lichtflits op het water’.









