Willem Jan Otten – Septemberzee

De hersenschimmen van een dichter

Recensie door Johan Reijmerink

Willem Jan Otten gebruikt in zijn nieuwe bundel Septemberzee een citaat uit het essay To Poetry van de Amerikaanse dichter en essayist Edward Hirsch. ‘Ik heb je een leven lang bemind / zonder te weten wat je bent / of hoe ik – help me alsjeblieft – je vind.’ Daarmee raakt hij aan een belangrijk thema uit Septemberzee, de ambiguïteit van onze ‘zwevende’ identiteit. Otten zoekt in zijn poëzie als een fenomenoloog naar de betekenis van zijn liefde voor beminden en vrienden, maar ook naar wie hij daarin zelf is.
In ‘Nagekomen gericht gedicht’, over de poppenspeler en kluizenaar Jozef van den Berg formuleert hij die thematiek nog wat preciezer, ‘Er is in hem / en door hem heen gespeeld, / of moet je zeggen / dat hij met zich spelen liet’.
Otten beseft hoezeer de taal hem beweegt, bespeelt en overmeestert. In deze versregels is hij tegelijk de dichter die blijk geeft van het ‘beyond’. Van het boven, onder, langs en voorbij aan wat wij werkelijkheid noemen. 

Septemberzee is een verzameling van overwegend korte gedichten, alleenstaand of samengesteld en in diverse dichtvormen. Waarbij de haiku’s  verwondering oproepen. ‘Geloof je het heus – / dat ook maar één adem door / je zelf is gehaald?’ De eigentijdse ‘Rei van pas bevallen moeders’. ‘O Kerstnacht, / het is nu / het uur van / bevallen’, valt op door haar trapsgewijze notatie, op weg naar de dood en opstanding van het ‘kind’.

Creatieve proces

Als opmaat begint Otten met het vers ‘Tot een gestorven toneelregisseur’, opgedragen aan de overleden toneelregisseur Ger Thijs. Dit eerbetoon gaat zowel over de gestorvene als over de dichter die zich herkent in alles wat hij in de ander als waardevol ervaart. ‘Zeg precies wat er staat / en zoek de gaten in de zin.’ Pas dan kan wat er staat ontstaan, en kan er bij de lezer een eeuwigheidservaring worden gewekt. In het gedicht ‘Oevertekst’ komt de zee ons al tegemoet. En in ‘Vlinder van zee’ dwarrelt de vlinder, ‘vlak boven mij van ver voorbij’ als de geest over de wateren. Over het zeewater bereikt hij het droge.

‘Zelfs in de septemberzee, in dit
 onmerkbaar deinend ochtenduur,
 kon ik het niet laten, en vroeg ik
 waarom – alsof zij richting google
 dwarrelde, naar Darwins daarom,
 alsof zij niet net als geroepen kwam.’

Het toeval van de langs dwarrelende vlinder als inspiratiemoment laat zich niet verklaren. In ‘Struik’ wentelt zich de gekromde struik met zijn aan de keerzijde krijtwitte bladeren zodanig dat de ik ‘het zwijgen, / in de wemeling van twijgen’ hoorde. Binnen ‘naast haar ademend lichaam’ hoorde de ik ‘met bonzend hart ik ben / te horen en ik word.’ In de stilte van de morgen ondervindt hij deze existentiële ervaring aan de ander van het ‘er zijn’. Dit moment van beminnen roept ‘in […] [haar] schoonheid’ zinnen in hem op. 

Zijn adem een eeuwigheid

Het gedicht ‘Alt’ is het begin van een fraaie en intense reeks, gewijd aan het overlijden van de vader van de dichter, de blokfluitist Kees Otten. In de herinnering leek zijn adem een eeuwigheid te duren, alsof ‘er geen adem meer in kwam’, te vergelijken met het zwijgen waartoe de man op zijn sterfbed vervalt. De herinnering aan de klanken omarmen de ik in zijn doorleving van diens sterven. De luitenbouwer krijgt nergens het ‘niets’ te zien, alleen ‘achter de snaren, onder het rozet.’ Zo weet de dichter zwijgend zich geroepen door de stem die hem roept. Op het moment dat de vader zich niet meer kon herinneren, bemerkte hij dat ‘zijn oude dag stond aan te breken’. Het ‘zelf’ had hem tot dan toe door menig dal getrokken. 

‘Dat zijn oude dag stond aan te breken
 bemerkte hij toen hij, ontwakende,
 zich niet meer lijfelijk herinneren kon
 wie hij gehoopt had eens te zullen zijn. 

 Waar was hij heen, de beraamde wijze
 die, bij alle graflegging en krakkemik,
 gedichten richtende, door geen opwarming
 opgejaagd, nader tot u zou zijn geraakt?

 Waar was de zelf die hem vooruit zou zijn gegaan?
 Die had hem toch door menig dal gewenkt,
 pientere gelatene, met zijn volgepeinsde brein?

 Ik ben niet mijn eigen werk, weer moest hij er aan,
 Als een jongste dag brak zo de oude aan –

Ingevlochten religieuze betrokkenheid

Otten vlecht in de daaropvolgende gedichten zijn religieuze betrokkenheid steeds meer in. Nu componist en dirigent Reinbert de Leeuw er niet meer is, staat hij voor een ‘muisstil / orkest van levenslang vermisten / alle maten van de leeggeschreven partituur.’ Een voltooide missie in hoorbare stilte. Op ‘Beloken Pasen’ is de jij bedroefd na de begrafenis van een beminde, als ware het Christus zelve, ‘gissend op huis / en Galilea aan gegaan.’  Ondanks de dood van Hans Holbein blijft het meesterstuk Maria Magdalena vitaal in zijn zeggingskracht: ‘buiten bereik / de poëzie van / in het graf geen lijk.’ In ‘Overgave’ spreekt de ik zijn twijfel uit over de overgave aan ‘uw wil’: ‘Van twijfel is mijn hoop verstekeling’. 

De ik spreekt in ‘Echo van het hart’ de ‘U’, God, erop aan. Wie maakt er nu ‘zijn schepsel / tot een ontdane holte waarin niets weergalmt’. De schrik slaat hem om het hart. Nooit eerder besefte hij dat er ‘een laatste slag’ kan zijn. Het ‘faalhart’ is vastgesteld. Nu je aambeeld, je lichaam, ‘veertje onder hamer wordt, – nooit / heb jij meer de tijd gehad dan nu.’ Het euvel geeft de ik innerlijk ruimte, ‘Geef je dus mee, ga op’, nu de situatie is zoals ze is. 

De omvangrijke cyclus ‘Met zonder mij’ vormt het kloppend hart van de bundelen en bestaat uit korte, vrije verzen. Otten zet van meet af aan in met vertrouwen. Nu een ‘stent’ in de bloedbaan moet worden geplaatst, op een proces dat voor hem overeenstemt met Christus’ verlatenheid, kruisdood en verrijzenis. ‘Wij zetten in op uw verrijzen, maar boeken eerst uw dood.’ De ik weet, zonder artsen ben je nergens. Voor even zal hij ‘in het donker fluiten’, woord voor woord en ‘met zonder mij van boord’ gaan. Wat nog te doen in de toegemeten tijd? Misschien de Rozenkapel van Matisse in Vence bezoeken, gebouwd aan het eind van zijn leven toen de schilder aan kanker leed.

Tocht der verlatenheid

De operatie roept bij de ik de vraag op naar de dood van God. ‘Of kan een mens / dat pas als hij van God / (die dan bestaat) aanvaardt / dat Hij hem tot en met zijn dood in leven laat?’ Dan schiet hem Psalm 46 te binnen: ‘God is ons een toevlucht en sterkte.’  Met een beetje geluk zing je ‘te Zijner tijd’ dat God met me is, ‘vrees niet’ voor het einde. De ik die altijd ‘proestende van taal’ was, ervaart onder deze omstandigheid de moeite van het vinden van dichterlijke woorden om zijn einde, zijn oorsprong te achterhalen.

De beproeving van deze operatie herinnert aan Jezus’ verlatenheid in Getsemane. Maar waarom dit alles? God, ‘U schenkt de mensen de remedie eerst, / en daarna pas de kwaal. /[…] / Vertel mij, / Rabboeni, over de ziekte / die volgt op uw geschenk de poëzie – / is zij de pijn van niet te durven geloven in genezen?’

Dan begint de tocht der verlatenheid: ‘Morgen wordt vanuit mijn lies de beloofde reis / aanvaard dwars door het lauwe / labyrint dat door mij stroomt’. De ik vraagt zich af of God daarbij, daarin aanwezig zal zijn. ‘Daar binnen, waar naar u de bloedlijn / afgesloten wordt, ballend speenvarkenhart, / daar in de wee met zonder mij, zult u daar bestaan.’  Daags voor de ingreep hoorde de ik nog in de Nicolaaskerk de engelen ‘hemelwaarts’ zingen. Daags na de ingreep in tranen, omringd door tongen van vuur, ervoer de ik Gods bestaan. De opkijkende vrouw in de stiltecoupé die hem niet aankijkt, vertegenwoordigt ten slotte de lezer die deze verrijzenis tot zich neemt.

Otten kent in een postchristelijke samenleving een richtinggevende waarde toe aan spiritualiteit en religie. De omvangrijke cyclus ‘Met zonder mij’ getuigt daar op een intense en lofwaardige manier van. Zijn hersenschimmen rondom en gedurende zijn operatie tonen aan dat voor hem God niet dood is. Hij aanvaardt in Hem degene die in Christus de autoriteit is die aan het begin en einde van ons leven staat. Hij is de horizon waarop deze dichter zich in al zijn tegenstrijdige ervaringen subtiel maar onontkoombaar oriënteert.



Omslag Septemberzee - Willem Jan Otten
Septemberzee
Willem Jan Otten
Verschenen bij: Van Oorschot
ISBN: 9789028242135
80 pagina's
Prijs: € 20,00

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Johan Reijmerink:

Recent

Prachtig verstoorde rust
29 oktober 2025

Prachtig verstoorde rust

Over 'Opera der doden' van Autran Dourado
De complexe zoektocht van een adoptiekind
28 oktober 2025

De complexe zoektocht van een adoptiekind

Over 'Adoptica' van Emily Kocken
Wezenlijk contact via de telefoon
26 oktober 2025

Wezenlijk contact via de telefoon

Over 'Iets meer zoals een zon' van Sarah Jäger
Natte armen wijd open
23 oktober 2025

Natte armen wijd open

Over 'Neem ruim zei de zee' van Sholez Regazadeh
Postmodern meesterwerk uit Schotland
21 oktober 2025

Postmodern meesterwerk uit Schotland

Over 'Arm ding' van Alasdair Gray

Verwant

Score: 2
Score: 2