• Het intellectuele streven krijgt nederig tintje

    Het intellectuele streven krijgt nederig tintje

    Reeds voorbij het midden van zijn leven voelde T.S. Eliot een sterke behoefte met iets troostrijks voor de dag te komen. Zoals het Beethoven met zijn late strijkwartetten was gelukt: iets te creëren wat vreugde brengt en rechtvaardiging voor het bestaan. Met dát in zijn achterhoofd componeerde Eliot zijn beroemde Four quartets, die door Paul Claes voor uitgeverij Koppernik zijn vertaald als Vier kwartetten. Met deze vier, als muziekstukken opgezette, langere gedichten won de tot Brits onderdaan genaturaliseerde Amerikaanse dichter-essayist in 1948 de Nobelprijs voor literatuur. Zelf rekende Eliot ze ook tot hoogtepunt van zijn dichterlijk oeuvre dat met onder meer Prufrock and Other Observations (1917) en The Waste Land (1923) beroemde modernistische klassiekers bevatte. Dichtwerken ook die de nodige bagage bij het lezerspubliek veronderstellen. 

    Sinds zijn bekering tot de Anglicaanse Kerk in 1927 zette Eliot niet langer exclusief in op de ondergang van de moderne cultuur en zocht hij niet langer verlossing in het culturele verleden. Wat Eliot met zijn Vier kwartetten voor ogen stond was de mogelijkheden te onderzoeken om door middel van kunst en spiritualiteit troost te bieden. De in zijn vroegere, modernistische werk toegepaste pastiche en formele experimenten maakten plaats voor filosofie en logica met een bijbehorend nieuw taalbewustzijn dat klanken en de zinnelijkheid van taal benut om muzikale, dramatische vormen te creëren. De lezer van de Vier Kwartetten wordt als het ware uitgenodigd zich in de beelden te herkennen. Om eleganter uit te pakken heeft Eliot gezocht naar een balans tussen het intellectuele, esthetische en het emotionele. Zijn pogingen hiertoe worden hier en daar door hem zelf becommentarieerd. Het intellectuele streven krijgt zodoende een nederig tintje en tegelijkertijd accentueert het de stem van de dichter. Ofschoon tussen 1935 en 1942 geschreven en aanvankelijk afzonderlijk gepubliceerd, zijn de vier gedichten in 1943 voor het eerst gezamenlijk als Four Quartets in boekvorm uitgegeven. 

    Meditaties over tijd

    Het begrip ‘tijd’ komt in deze gedichten, zo berekende Paul Claes, zo’n keer of vijfenzeventig voor. In ieder kwartet wordt het begrip echter op een andere wijze aangevlogen. Ze kunnen als vier meditaties over de tijd worden beschouwd. Aan ieder kwartet ligt een andere herinnering of ervaring ten grondslag. Centraal in de Vier kwartetten staat het conflict tussen individuele sterfelijkheid en het eindeloze komen en gaan van het menselijk bestaan. Om de spanning tussen beide voelbaar te maken, concentreert elk kwartet zich op een specifieke locatie met een onderscheidende betekenis voor zowel Eliots leven, als voor de hele menselijke geschiedenis. De titels zijn vernoemingen naar de vier plaatsen: Burnt Norton, East Coker, The Dry Salvages en Little Gidding. Vanuit iedere locatie wordt een reeks ideeën over spiritualiteit en betekenisvolle ervaringen gelanceerd, op een zodanig objectieve wijze dat de lezer zich erin kan herkennen.

    Gedurende de tijd dat Eliot zijn Vier kwartetten schreef, brak de Tweede Wereldoorlog uit en die eiste zijn plaats op in dit werk. Claes biedt in zijn commentaar achterin een mis-niks-route die de controlfreak langs ieder literair-filosofisch, cultureel-historisch detail van de vier kwartetten leidt. Terecht is deze toelichting gescheiden gehouden van het poëem zelf. Want die is zonder ook goed genietbaar. Waarmee niet gezegd is dat al die verwijzingen en toespelingen slechts een laagje vernis zouden vormen, integendeel: de traditie van waaruit Eliot heeft gepikt, zit als een vloerverwarming onder het gedicht. De lezer voelt er de warmte van, maar hoeft de leidingen niet te zien. 

    Citeerbare zinnen

    Eliot ontleent zijn inspiratie aan de Bijbel, Augustinus, Dante, Johannes van het Kruis, Milton, Keats, Mallarmé, Baudelaire en Yeats. Zijn poëzie staat voor helderheid en nauwkeurigheid van uitdrukking en kent een uitgebalanceerde technische opbouw van het gedicht in zijn totaliteit. Behalve rijk aan traditie zijn de gedichten ook rijk aan aforismen. De beroemdste daarvan is ongetwijfeld de eerste gecombineerd met de laatste regel van Burnt Norton: ‘In my beginning is my end’ respectievelijk, ‘In my end is my beginning’. Uiterst citeerbare zinnen uit deze kwartetten zijn onder andere: ‘Home is where one starts from’ (‘Thuis is de plek van waaruit we vertrekken’). ‘Only through time time is conquered’ (‘Enkel door toedoen van de tijd wordt de tijd overwonnen.’). Om die overwinning is het de Vier kwartetten uiteindelijk te doen. Prachtig hoe deze beide citaten in het laatste kwartet Little Gidding weer opgepakt worden: 

    ‘Wat wij het begin noemen is vaak het einde
     En een einde maken is een begin maken.
     Het einde is ons vertrekpunt. En elke uitspraak
     En elke zin die juist klinkt (waarin elk woord zich thuis voelt,
     Zijn plaats inneemt om de andere woorden te ondersteunen,
     Een woord dat niet bedeesd en niet opdringerig is,
     Een ongedwongen omgang tussen oud en nieuw,
    (…)
    En aan het eind van onze zoektocht
    Komen we aan waar we zijn vertrokken
    En zien de plek voor het eerst.’

    Universele beleving

    De structuur van herhalende terugkeer van thema’s en frases, en termen als ‘einde’ en ‘begin’ in minieme variaties doorontwikkeld – zo kenmerkend voor dit gedicht én voor een strijkkwartet – dat alles krijgt de cadans van de circulaire tijd. Zo min als verleden, heden en toekomst gescheiden kunnen worden, kunnen de woorden dat die gebruikt worden om die begrippen te beschrijven. Zonder zijn toevlucht te nemen tot excentrieke, vervreemdende woordcombinaties, kiest Eliot voor de onopgesmukte ernst van termen als ‘verleden’ en ‘heden’ om zijn punt te maken. Uiteindelijk bereikt hij ermee dat zijn gedicht de individuele herinnering ontstijgt, en een meer universele beleving wordt, een herinnering van een gehele cultuur.

    Paul Claes presenteert de lezer een vertaling die recht doet aan het ritme en de diverse, gevarieerde rijmschema’s, dat geeft een Nederlands equivalent van Four Quartets. Het erkent de verdiepende kracht die ritme en melodie uitoefenen op de betekenis van een zin. Zijn vertaling maakt je bewust van de structuren van rijm en ritme die onder dit gedicht liggen. Het origineel is ernaast afgedrukt en niet enkel om te negeren. Ook heeft hij een knappe prestatie geleverd met zijn verklarende toelichtingen achterin waarmee hij de zoekende lezer houvast geeft.

    Een doorlopend verhaal met een kop en een staart krijgt de lezer van Eliot niet gepresenteerd, noch de conclusie van een afgeronde boodschap. Verontrustende wanhoop gaat over in berustende hoop: ‘Wij sterven met de stervenden; / Zie hoe zij heengaan en wij met hen. / Wij worden met de doden geboren; / Zie hoe zij terugkeren en ons meevoeren.’ De sprankjes hoop komen vanzelf bij esthetisch bevredigende zinnen als: ‘Wij zijn alleen nog niet verslagen / Omdat wij zijn blijven proberen.’
    De Vier kwartetten zullen keer op keer gelezen moeten worden om het gedicht uiteindelijk een ervaring van waarheid en schoonheid te laten worden. De lezer die aan het einde gekomen, terugkeert naar het begin van het gedicht, zal het opnieuw kunnen ervaren als was het de eerste keer.     

     

     

  • Spotprenten van een erudiet dichter

    Spotprenten van een erudiet dichter

    Normaal gesproken zouden we geen belangstelling hebben voor schunnige gedichten van een zeventienjarige. Wel als het Arthur Rimbaud (1854 – 1891) betreft. De tweeëntwintig gedichten die in de tweetalige bundel Perverse verzen zijn opgenomen schreef hij van half oktober tot half november 1871, kort nadat hij op uitnodiging van Paul Verlaine in Parijs was komen wonen. Verlaine had hem geïntroduceerd bij de ‘Cercle zutique’, een gezelschap jonge dichters dat zich verzette tegen de gevestigde orde. ‘Zut’ is een eufemisme van ‘merde’ en betekent zoiets als ‘shit’.

    Gelegenheidsgedichten

    De gedichten van de Zutistes zijn minder bekend, omdat het gelegenheidsgedichten waren, bedoeld voor vermaak tijdens alcoholische avonden, die buiten het officiële werk bleven. Ze werden genoteerd in een soort gastenboek dat waarschijnlijk in de Tweede Wereldoorlog verloren is gegaan. Omdat de in pornografie gespecialiseerde schrijver Pascal Pia er foto’s van had gemaakt, zijn ze bewaard gebleven. In 1991 verschenen negen van Rimbauds zutistische verzen in de bundel Obscene gedichten, ter gelegenheid van zijn honderdste sterfdag, in vertaling van Judith Mok. Nu is er een compleet overzicht, vertaald en van een uitgebreide inleiding en toelichting voorzien door Rimbaud-kenner en -vertaler Paul Claes.

    Zowel de inleiding als de toelichting is onontbeerlijk om de gedichten te kunnen plaatsen en begrijpen. De tumultueuze liefdesrelatie tussen Rimbaud en Verlaine is algemeen bekend, net als Rimbauds status van poète maudit. Het eerste verklaart het homoseksuele karakter van veel van de gedichten. Maar de ‘Cercle zutique’ en de tijd waarin zij hun gedichten schreven moeten geduid worden, alsmede het slang dat Rimbaud hanteerde. Claes doet dat op een zeer verhelderende manier.

    Spotprenten in classicistische vorm

    De Zutistes sympathiseerden met de revolutionaire Commune van Parijs, die eerder in 1871 na het einde van de Frans-Duitse oorlog was uitgeroepen en die daarna met steun van Pruisen door regeringstroepen omver werd geworpen. Rimbaud bespot in zijn gedichten de oude machthebbers, onder wie keizer Napoleon III, en de dichters die tot het establishment behoorden en gekant waren tegen de Commune. Namen als Armand Silvestre, Léon Dierx, Louis Ratibonne en François Coppée, die – in tegenstelling tot Rimbaud en Verlaine – in de vergetelheid zijn geraakt. Het meest gebeten was Rimbaud op Coppée, die, na eerst de kant van de revolutionairen te hebben gekozen, nu pleitte voor verzoening van de partijen. Aan hem wijdde hij zeven van de gedichten, waarin hij het sentimentele karakter en de zoetsappige stijl van diens poëzie hekelde. 

    Het geestige is dat Rimbaud voor zijn spotverzen de classicistische vorm van de gehate ‘Parnassiens’ handhaafde. Zo bevat Perverse verzen sonnetten en dizijnen (gedichten van tien versregels) bestaande uit alexandrijnen en met over het algemeen ijzeren eindrijm. Wel schreef hij enkele sonnetten met ultrakorte versregels, zoals in de ‘Conneries I’ (‘Lulkoek I’):
    Jonge slokop // ‘Meneer / Trekt met /Zijn pet / Van leer. // Paul zet / Zich neer / Voor meer / Buffet. // Hij plet / Vol pret / Een peer: / In ’t net / Toilet / Valt beer.’

    Vertaling volgt origineel op de voet

    Het handhaven van de vorm was voor de vertaler een uitdaging. Claes schrijft in zijn inleiding dat hij ook het poëtische van de gedichten recht heeft proberen te doen. Hij volgt Rimbaud zo precies mogelijk. Zo laat hij bijvoorbeeld de regels met de rijmwoorden ‘gauche-sacoche’ ook onzuiver rijmen: ‘Seine’ – schrijnen’ en hij handhaaft in ‘De onthullingen van de oude gek’ de prozaïsch klinkende alexandrijnen waarmee Rimbaud de stijl van Coppée belachelijk maakt. Een andere opdracht was om de dubbelzinnigheden waar deze gedichten om draaien adequaat weer te geven. Volgens Claes was dit alleen mogelijk dankzij het erotisch woordenboek van Alfred Delvau uit 1864 en recente analyses van diverse commentatoren. Rimbaud heeft zich in obsceniteiten uitgeleefd. Het meest beruchte gedicht is het ‘Sonnet van de reet’ (‘Sonnet du trou du cul’), waarmee de reeks opent. Verlaine schreef hiervan de kwatrijnen en Rimbaud de terzinen:

    ‘Mijn Droom is door dit tochtgat meer dan eens verleid;
    Mijn ziel, die het lichamelijk genot benijdt,
    Heeft snikken voor dit rossige vat en nest vergoten.

    O hijgende olijf en fluit vol lieflijkheid;
    O buis waardoor de hemelse praline glijdt;
    Vrouwelijk Kanaän in klammigheid besloten!’

    Erudiet dichter kende zijn vijanden

    Verder valt Rimbauds enorme eruditie op. Hij kende zijn vijanden goed en verwijst regelmatig naar hun werk. In zijn gedicht ‘Lelies’ persifleert hij de voorliefde van contemporaine dichters voor lelies, zoals in de volgende regels van Armand Silvestre (1837 – 1901):

    ‘In de lucht vol zijden draden
    Rezen sidderend de lelies,
    De lelies die de dag ontplooit.’

    Rimbaud heeft een totaal andere associatie:

    ‘O klokkenspel! O lelies! Zilveren klysmaspuiten!
    Werken en honger lijden zijn niet jullie stijl!
    Het ochtendgloren laat je liefdessap ontspruiten!
    De hemellust maakt je meeldraden botergeil!’

    Betekenissen van de leliebloem

    Behalve naar mannelijke voortplantingsorganen is de lelie ook een verwijzing naar het Franse koningshuis dat de leliebloem in zijn wapenschild voert en waar men niet werkt of zich om het hongerlijdende volk bekommert. De tweede regel is een zinspeling op een passage uit de Bergrede, Mattheüs 6:28: ’Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld; zij werken niet, en ze weven niet’ (Nieuwe Bijbelvertaling).

    Ook de kerk krijgt ervan langs.  In het gedicht ‘‘k Zat in een derdeklaswagon’ (slang voor een goedkope hoer, maar hier – heel geestig – juist letterlijk bedoeld) bedelt een priester in een trein om een seksuele gunst: ‘De paap trotseerde de schimpscheuten welgezind, / Keerde zich naar me om en vroeg op een al even / Ferme als droeve toon of ik een pruim kon geven’.
    Rimbauds ‘Vers zutiques’ vormen een ludiek literair-historisch document. Perverse verzen is een vermakelijk boekje, waarin Paul Claes deze weinig bekende gedichten tot leven weet te wekken. Het is ook nog eens mooi vormgegeven. En dat alles voor een tientje. 

     

  • Verstaat u vertaals?

    Verstaat u vertaals?

    Stel dat een vertaler zou doen wat de meeste mensen denken dat een vertaler doet… Stel dat een vertaler altijd letterlijk zou vertalen wat er staat… De literatuur zou er een stuk minder leesbaar door worden. Wie te dicht bij de bron blijft, loopt het risico een vertaling vol kreupele zinnen af te leveren die waarschijnlijk ook nog eens wemelt van de woorden die hun herkomst verraden en niet naadloos passen in de taal waarin ze beland zijn.
    Volgens Paul Claes zijn het vooral beginnelingen die (te) krampachtig vasthouden aan het origineel, maar hij geeft in Gouden vertaalregels: tips voor beginnende [en andere] vertalers grif toe dat het onbewust ook de beste vertalers overkomt: het nauwgezet kopiëren van woordenschat, woordvolgorde en zinsbouw uit de brontaal. ‘Vertaals’, zo noemt Claes de taal tussen bron en doel.

    Hoewel het de lezer misschien vreemd in de oren klinkt: vertalen wat er staat is zelden de bedoeling. Echte vertalers weten dat. Die weten dat ze soms alles op alles moeten zetten om een Nederlandse tekst af te leveren die net zo klinkt als het Braziliaans-Portugees van Raduan Nassar of Clarice Lispector of het Russisch van Aleksandr Poesjkin. Die durven die eerbiedwaardige teksten los te laten, maken er iets anders van en doen een schrijver met hun vertaling toch recht. Als het goed is, weten zij precies wat een schrijver te vertellen heeft en hoe ze dat in het Nederlands moeten zeggen.

    Verzinnen wat er staat, dat is volgens Harrie Lemmens de kern van het werk dat hij inmiddels al een jaar of dertig doet. Sommige schrijvers kent hij inmiddels zo goed dat hij tijdens het lezen al precies hoe de zin die komt, gaat lopen. In het hoofd van een schrijver kunnen kruipen helpt, maar het eigen gevoel laten spreken ook. Meer dan het beheersen van (een) techniek is vertalen volgens Harrie Lemmens namelijk een kwestie van gevoel.
    Collega-vertaler Hans Boland houdt het op instinct, en een strategie heeft hij niet. Wel een manier van werken. Voordat Hans Boland een tekst vertaalt, maakt hij omtrekkende bewegingen. Hij verkent een tekst – de vorm en de inhoud – uitputtend. Dan pas begint hij te vertalen: ‘Als je alles wat er niet staat eenmaal hebt, ben je er al bijna’.

    Hans Boland, Harrie Lemmens, Paul Claes  en vele collega’s met hen weten dat de schrijvers die zij vertalen alleen tot de verbeelding van lezers zullen spreken als het Nederlands van hun vertalers onberispelijk is.
    Om te voorkomen dat er ‘vertaals’ in hun translaties sluipt, moeten zij het origineel af en toe laten voor wat het is. Dat voelt niet altijd goed. Mariolein Sabarte Belacortu – ook haar hoorde ik recent vertellen over haar vak – kwam in gewetensnood toen ze tijdens het vertalen van een tekst van de Mexicaanse dichter Dolores Dorantes geen gehoor kon geven aan een voorschrift van de dichter. Met enige schaamte gaf ze toe Dolores Dorantes niet op de hoogte te hebben gesteld van de uiteindelijk door haar gekozen oplossing.
    Vertalen is en blijft een kwestie van meerzijdige partijdigheid.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

     

  • Lezen zonder last en ruggespraak

    Lezen zonder last en ruggespraak

    Het kan geen kwaad als ik af en toe duidelijke leesafspraken met mezelf maak. Doe ik dat niet, dan loopt een boek dat onverdeelde aandacht verdient het risico dat het gezelschap van verwante titels moet dulden. Voor de duidelijkheid: ik ben geen lezer die meer dan één boek tegelijk leest. Ik kan alleen de verleiding moeilijk weerstaan als het ene boek het andere uit de kast lokt.
    Omdat ik de bui al zag hangen, sprak ik mezelf streng toe voordat ik in De haas en de regenboog van Paul Claes begon. Onder het mom van ‘deze roman moet voor zich spreken’ verbood ik mezelf ook maar één boek van of over Arthur Rimbaud uit de kast trekken.

    De haas en de regenboog gaat over de Londense periode van de dichters Arthur Rimbaud (de regenboog) en Paul Verlaine (de haas). Zij onderhielden een vriendschap met homo-erotische trekken die met een knal eindigde. Verlaine schoot Rimbaud in zijn arm, werd veroordeeld (niet vanwege het schieten, maar vanwege de tegennatuurlijke aard van zijn omgang met de minderjarige Rimbaud) en belandde in de gevangenis. Het kwam tussen de twee nooit meer helemaal goed.
    De feiten zijn mij bekend sinds ik in 2004 op de tentoonstelling Arthur Rimbaud (1854-1891). Een seizoen in de hel in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel de processtukken inzag. Ik zou me tijdens het lezen tot die feiten en wat weetjes beperken en voor de rest vertrouwen op wat literatuur zoal vermag.

    Ik weet niet meer precies vanaf welke bladzijde ik excuses begon te verzinnen om op mijn voornemen terug te kunnen komen, maar na verloop van tijd wilde ik toch weten waar in deze historische roman de werkelijkheid ophoudt en de verbeelding begint. (Het viel vervolgens helemaal niet mee de betreffende periode in Arthur Rimbaud, de biografie van Enid Starkie, te traceren).
    Door al die strofen die Paul Claes citeert, kreeg ik bovendien heel veel zin in Rimbaud zelf, en zo zat ik nog voordat ik De haas en de regenboog goed en wel uit had al met Een seizoen in de hel – het prozagedicht dat bij verschijnen een experiment heette te zijn, maar tegenwoordig een meesterwerk gevonden wordt – op schoot.

    Paul Claes heeft Een seizoen in de hel vertaald en met veel kennis van zaken geannoteerd, maar wel zo gedetailleerd dat het nog maar voor één uitleg vatbaar lijkt. Die aantekeningen sloeg ik over. Ondanks De haas en de regenboog hoopte ik Een seizoen in de hel redelijk blanco te kunnen herlezen.
    Dat lukt natuurlijk niet, want de roman van Paul Claes leest als één lange voetnoot bij het prozagedicht van Rimbaud. Nu ik net heb gezien en gehoord dat Arthur Rimbaud en Paul Verlaine in Londen allesbehalve liefdevol samenleefden, en gelezen hoe radicaal Rimbaud brak met literaire conventies en in Een seizoen in de hel alles op alles zette, kan ik onmogelijk doen alsof dit boek niets te maken heeft met het leven van de negentienjarige die het schreef. Ik is niet altijd een ander.

     

     

  • Twaalf lofliederen op lichamelijke schoonheid

    Voor iemand die zichzelf als ‘de ongelukkige minnaar’ omschreef had het  voor de hand gelegen de vrouw van zijn dromen in een rijdende trein aan zich voorbij te zien snellen. De Franse dichter, prozaïst en kunstcriticus Guillaume Apollinaire (1880-1918) had op 2 januari 1915 in Zuid-Frankrijk echter het geluk aan zijn zijde toen hij in de trein de 22-jarige Madeleine Pagès ontmoette. Hij ging terug naar het front., zij keerde na een vakantie huiswaarts naar Algerije. Er werden adressen uitgewisseld. En weldra kwam een correspondentie op gang gedurende welke de dichter haar, zonder elkaar een tweede maal ontmoet te hebben, om haar hand vroeg. Bijna een jaar na hun eerste ontmoeting zocht hij haar in haar woonplaats Orhan, Algerije op. Toen Apollinaire in maart 1916 een hoofdwond opliep door een granaatscherf, bekoelde zijn liefde voor haar. Uiteindelijk zou hij in hetzelfde jaar als waarin hij aan de Spaanse griep zou sterven met een andere vrouw trouwen.

    Relatie in brieven
    Al met al hebben Apollinaire en Madeleine elkaar anderhalf jaar lang intensief bestookt met brieven. Zij werd zijn muze aan het front waarvoor Apollinaire zich vrijwillig had aangemeld. Als kind van een Pools-Russische moeder en een Italiaanse vader had hij zelf geen vaderland om voor te sterven. In de brieven ging het er zo vurig aan toe dat zelfs in Frankrijk, dat zich graag mag laten voorstaan op zijn rijke libertijnse traditie, deze pas in 2005 en in ongecensureerde vorm, het licht mochten zien. In die briefwisseling zaten de twaalf Geheime Gedichten ( Poèmes secrets), die geschreven zijn tussen september en december 1915 en die Paul Claes – een eeuw later – voor het eerst integraal in het Nederlands heeft vertaald.

    Voordat Apollinaire bekendheid verwierf als dichter had hij zich – onder een schuilnaam – aan erotische lectuur gewaagd: de satire Elf duizend roeden uit 1907 en het sprookje De liederlijke avonturen van een jonge Don Juan 1911, waarin het onmogelijke mogelijk wordt. Zijn eigen liefdesleven viel er bij in het niet, want dat was niet arm aan mislukte affaires, gefnuikte verlangens en bijbehorende afwijzingen. Maar in de wereld van de kunst en schone letteren stond hij z’n mannetje. Hij had zich opgeworpen als steunbetuiger van moderne kunststromingen als het fauvisme en kubisme. In zijn korte leven wist hij zich omringd door kunstenaars (o.a. Picasso, Braque, Matisse en De Vlaminck) en vakbroeders die het niet aan eeuwige roem zou gaan ontbreken.

    Taal en verf
    Een tikkeltje afgunstig schreef hij naar aanleiding van Picasso’s schilderij Demoisselles d’Avignon uit 1907 dat hij zich als dichter gebonden wist aan de taal, waarin woorden vastgeketend lagen aan hun betekenissen. Terwijl een schilder als Picasso zich een nieuwe vormentaal kon kiezen. Zowel qua vorm als door zijn beeldspraak lukte het Apollinaire wel degelijk de poëzie te vernieuwen. In zijn debuut Alcools uit 1913 is de interpunctie afgezworen en in het beroemde gedicht Zone ademt de geest van de moderne tijd met al zijn uitvindingen en nieuwigheden door de metaforen en symbolen heen. Er komen al overlopende regels met zich vermengende beelden voor, veelal ontleend aan de moderne wereld van auto’s, vliegtuigen en affiches. Ongebruikelijke vergelijkingen en kosmische metaforen en alles opgediend in diverse stijlen. Maar daarnaast stuit men ook op beduidend traditionelere versvormen en conventionelere symboliek. Apollinaire is dan ook nooit avant-gardist pur sang geweest, hij sneed de banden met het verleden nooit definitief door. Maar de vernieuwingsdrang zette zich in de bundel Calligrammes (1918) verder door. Daarin werden typografische experimenten ingezet om tot synthese van verschillende kunstvormen te komen.

    Dichterlijk vrijmoedigheid
    De Geheime gedichten betreffen twaalf lofliederen op de lichamelijke schoonheid van de geliefde. Het put uit de traditie van de ‘blasonpoëzie’, waarin het vrouwelijk lichaam van kop tot teen wordt bezongen. De rijkdom aan beeldspraak heeft het gemeen met het Bijbelse Hooglied, waarin de schrijver zich onuitputtelijk heeft getoond in beeldspraak om zijn geliefde in woorden te vangen. Apollinaires ongebreidelde verbeelding gaat in deze geheime gedichten all the way. Hij kan met zijn geliefde tot kosmische proporties ophemelen:

    ‘Jij bent de vrouwelijke gedaante van het levende heelal met andere / woorden jij bent alle bekoring alle schoonheid van de wereld’. Hij kan, aardser, regels lang een vagina omschrijven om tot de slotsom te komen: ‘Ja, woud vol hunkering dat voortdurend kloven doet groeien dieper dan het paradijs’.

    Madeleines tanden:

    ‘die vlucht meeuwen o tanden op de geurende Middellandse Zee van je mond’. Ook de wenkbrauwen komen aan bod: ‘Grasperken waarin de liefde hangt als maneschijn’ en ‘riethalmen gespiegeld in het heldere waterdiep van haar blikken’. Intussen zijn de rollen wel duidelijk verdeeld. De ik is heer en meester, de geliefde zijn slavin: ‘En mijn mond is ook het Bevel dat jou tot mijn slavin maakt / En mij jouw mond geeft Madeleine / Ik neem jouw mond Madeleine’

    Deze bundeling geheime gedichten is niet bepaald illustratief voor het vernieuwendste wat Apollinaire in dichtvorm te bieden had. De interpunctie mag zo goed als afwezig ogen, typografisch is het conventioneel en met figuren als Pan, Tovenaar Merlijn en Memnon is de symboliek voornamelijk in de Oude Wereld geworteld, niettegenstaande een enkel modern beeld als: ‘En onze monden worden twee batterijen die elkaar beantwoorden’. Maar wat treft is de dichterlijke vrijmoedigheid om met de meest uiteenlopende beelden, van ‘panter’ tot ‘Pan’, zijn geliefde te bejubelen. In deze gedichten is alle macht aan de verbeelding. De oorlog kiert zo nu en dan prozaïsch door de regels heen: ‘Hoor de zang o zwijmelende Madeleine / Hoor de zang en de keerzang / Van de verscholen nachtegaal  / De kou komt terug de gruwelijke kou / Onder tentzeilen / En ik schrijf je mijn gedicht dat ik onder het schrijven zing / En ik schrijf het terwijl ik lig op de grond / De kou komt terug, de kou zonder vuur / Want wij hebben geen hout’.

    Fraai verzorgd
    Het laatste gedicht is ‘een symfonische liefdeszang’ die ‘ruist in de schelp van Venus’. In deze symfonie rijmen de ‘liefdeskreten van door goden verkrachte mensenvrouwen’ met ‘het gedonder en geschut dat in de obscene vorm van kanonnen de verschrikkelijke liefde tussen de volkeren voltrekt’. Liefde in tijden van oorlog, en geliefde als een veroverde oorlogsbuit. In het wonderlijke beeldenarsenaal van Apollinaire heeft alles zo zijn eigen logica. Als een dirigent heerst de dichter in zijn eigen symfonie die in prachtige poëzie zijn finale krijgt:

    Er is de kreet van de Sabijnse Maagden als ze worden geschaakt
    De bruidszang van de Sulammitische
    Ik ben mooi maar ik ben zwart
    En het kostbare gehuil van Jason
    Toen hij het vlies vond
    En de sterfelijke zang van de zwaan toen zijn dons tussen de blauwige dijen van Leda drong
    Er is de zang van alle liefde ter wereld
    Er is tussen jouw aanbeden dijen
    Madeleine
    Het gerucht van alle liefde wanneer de gewijde zang van de zee overal in de schelp ruist

    De bundel is fraai en verzorgd uitgegeven. Met een kort woord vooraf van vertaler Paul Claes. Meer heb je als lezer ook niet nodig om je over te geven aan de bruisende verbeelding van Apollinaire die iedere zin als een golfslag over de lezer heen laat spoelen.

     

     

     

  • Poète maudit plaatst zich buiten de samenleving

    Poète maudit plaatst zich buiten de samenleving

    De reputatie van de Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867) heeft zich losgezongen van het alledaagse. Baudelaire is helemaal een ‘figuur’ geworden, een symbool, het prototype van de ‘gedoemde dichter’, de poète maudit. Het begrip ‘poète maudit’ werd gemunt in 1884 toen Paul Verlaine een bloemlezing uitbracht van het werk van gedoemde dichters die – toevallig of niet – min of meer gelijktijdig naar voren traden in Frankrijk in de 19de eeuw. Behalve Baudelaire betrof het onder meer Arthur Rimbaud, Tristan Corbière, Gérard de Nerval, Stéphane Mallarmé en Comte de Lautréamont. De poète maudit plaatste zich buiten de samenleving, spotte met normen en waarden van de burgerij, schopte heilige huisjes omver, ging zich te buiten aan seksuele uitspattingen, brak met vertrouwde, literaire technieken, gebruikte verdovende middelen, richtte zich kortom te gronde – en overleed jong.

    Baudelaire voldoet helemaal aan dit profiel. Zijn persoonlijke geschiedenis werd bepaald door drugsgebruik, grote armoede en schulden, onstuimig liefdesleven, ziekte (m.n. syfilis) – maar als literair figuur werd Baudelaire bekend en geroemd om zijn opzienbarende en vernieuwende werk. Met de scandaleuze publicatie Les Fleurs du Mal (1857) luidde hij een nieuwe fase in van de poëzie.

    De genese van de bundel Les Fleurs du Mal is een geschiedenis op zich. Enkele gedichten uit de eerste versie werden als onzedelijk verboden – een verbod dat in het libertijnse Frankrijk pas in 1949 werd opgeheven. Zijn hele korte leven lang werkte Baudelaire aan de bundel die zozeer met zijn dichterschap samenviel. De definitieve versie van Les Fleurs du Mal omvatte uiteindelijk 151 gedichten. Zonder specifieke aanleiding (?) verschijnt bij Athenaeum-Polak & Van Gennep een eenvoudig uitgevoerd boekje met daarin vijftig gedichten uit Les Fleurs du Mal van Baudelaire in het Frans, met daarbij de vertalingen van de hand van Paul Claes, onder de titel Zwarte Venus. Een verwijzing naar de ‘mulattin’ Jeanne Duval, met wie Baudelaire ca. 20 jaar een weinig stabiele relatie onderhield. Paul Claes is dichter en schrijver, maar vooral bekend en gelauwerd om zijn vertaalwerk uit het Frans, Engels, Duits en Latijn, van berucht ‘moeilijke’ auteurs als Rimbaud en Joyce. Ook vertaalde hij werk van Nederlandstalige dichters in het Engels van bijvoorbeeld J.A. dèr Mouw en Guido Gezelle. Claes is een toegewijd en nauwkeurig lezer, die van zijn leesavonturen op gedegen wijze verslag doet, zoals ook nu in Zwarte Venus van Baudelaire.

    Zwarte Venus bevat een korte inleiding, een beknopt chronologisch overzicht van de belangrijkste feiten uit Baudelaires leven en een literatuuropgave, inclusief een overzicht van eerder verschenen Nederlandse vertalingen. Bovendien levert Claes per gedicht gedetailleerd commentaar, waarin hij ingaat op de geschiedenis en achtergronden van de gedichten. Het is, om kort te gaan, een uitstekend uitgangspunt voor een (hernieuwde) kennismaking met het werk van de gedoemde dichter Baudelaire. Voorbehoud daarbij is het feit, dat poëzie vertalen de moeilijkste aller kunsten is, zoals J.C. Bloem heeft gezegd. De vertaler blijft dicht bij het origineel en kan dan evidente gewrongenheid niet vermijden. Of de dichter vertaalt ‘vrij’, en maakt – geïnspireerd door het werk van een ander – eigenlijk nieuw werk. Van dit laatste zijn tal van vertalingen van Jean Pierre Rawie een goed voorbeeld.

    Nu dan naar de Zwarte Venus van Claes / Baudelaire. Uit de vertalingen en commentaar spreekt de grote deskundigheid van Paul Claes, evenals zijn zorgvuldigheid en toewijding. En de vertalingen zijn zonder meer knap – maar ‘tot leven’ komen de gedichten in het Nederlands niet. Als voorbeeld dient het gedicht ‘Spleen’, echt een Baudelaire-woord, een moeilijk vertaalbaar begrip dat Wikipedia niet onaardig omschrijft als zich ‘lekker droevig’ voelen, en waarvan de Duitse variant ‘Weltschmerz’ duidelijker is (en dus bekender werd).

    Spleen

    Wanneer de lage lucht haar deksel zwaar laat wegen
    Op onze geest die zucht in zijn neerslachtigheid,
    En op de omtrek van de horizon gezegen
    Een donker daglicht droever dan de nacht verspreidt,

    Wanneer de aarde kil verandert in een kerker
    Waarbinnen als een vleermuis onze Hunkering
    Tegen de wanden fladdert met verschrikte vlerken
    En met haar kop botst op de klamme zoldering,

    Wanneer de regen eindeloze vlagen laat beginnen
    En zo tralies nabootst van een weids gevang,
    En als een stille drom van walgelijke spinnen
    Zijn webben weeft binnen onze gedachtegang,

    Ontsteken klokken in een plotselinge toorn
    En richten naar de lucht hun dolle razernij
    Als zwervers die ver van hun land de weg verloren
    En losbarsten in onophoudelijk geschrei.

    – Een lange lijkstoet zonder trommen of trompetten
    Trekt langzaam door mijn ziel; na de genadeslag
    Weent de Hoop, en de wrede Angst, die mij verplette,
    Plant op mijn neergebogen hoofd zijn zwarte vlag.

    Ziedaar een programmatisch gedicht. Het is geen slecht Nederlands en zelfs, meelezend met het – gelukkig ernaast afgedrukte Frans – geen slechte vertaling, hier en daar zelfs mooi maar echt tot leven komt het niet. Juist de poëtische vonk, die als het goed is gedichten elektriseert en betovert, is in de vertaling verloren geraakt. En dat is jammer – maar misschien onvermijdelijk. Niettemin dient dit boekje uitstekend als leidraad tot het lezen van Baudelaires beroemde gedichten in het Frans, wat deze poëzie zeker verdient. De toegewijde dichter Paul Claes is daarbij – om zijn kennis van het Frans en van het werk van de gedoemde dichters – een leidsman zoals men zich geen betere wensen kan.

     

     

  • Treurnissen – Marcel Proust

    Staalkaart van de Franse prozapoëzie

    Recensie door Maarten Buser

    Even een stukje terug in de tijd: in 1842 verscheen Gaspard de la Nuit – Fantaisies à la manière de Rembrandt et de Callot van de Franse dichter Aloysius Bertrand, een verzameling van vaak buitenissige, korte vertellingen. Ze hadden het lyrische en gecomprimeerde van gedichten, maar waren in prozavorm geschreven. Waarmee het prozagedicht was geboren. In 1869 verscheen postuum Le Spleen de Paris – Petits poèmes en prose van Charles Baudelaire, met een voorwoord waarin Baudelaire zijn bewondering voor Gaspard de la Nuit uitsprak. Vier jaar later werd Le Spleen de Paris door Arthur Rimbaud onthaald als het grote voorbeeld voor zijn eigen prozagedichten; hij vond dat Baudelaire eindelijk een moderne vorm voor een moderne inhoud had gevonden. Une Saison en Enfer (1873) en Illuminations (1886) bleken later op hun beurt de voorvaderen te zijn op de prozagedichten van de surrealisten.

    In 1896 debuteerde de jonge schrijver Marcel Proust met Les Plaisirs et les Jours, een verzameling verhalen en gedichten. Een van de secties van het boek is Les regrets – Rêveries couleur du temps, dat uit prozagedichten bestaat. Deze vorm was inmiddels al een halve eeuw oud en populair onder fin de siècle-dichters als Jules Laforgue. Les regrets is inmiddels ook in het Nederlands verschenen, onder de titel Treurnissen. Proust zou overigens later een van de belangrijkste romanciers van zijn tijd worden, maar dat is een terzijde. Treurnissen bevat namelijk (nog) niet het werk van een genie, wat je misschien op basis van Prousts reputatie zou verwachten, maar desondanks zeker de moeite van het lezen waard.

    Vanwaar het korte geschiedenislesje aan het begin van deze bespreking? Treurnissen leest als een staalkaart van de verscheidene verschijningsvormen van het negentiende-eeuwse Franse prozagedicht. De meeste richtingen die de vorm eind negentiende eeuw opging zijn wel in de bundel vertegenwoordigd. Sommige van de gedichten neigen naar een kort verhaal omdat ze een duidelijke verhaalontwikkeling hebben, anderen zijn ronduit lyrische beschrijvingen. Er zit impressionistisch werk tussen, maar er zijn ook duidelijk allegorische stukken. Prousts gedichten bevinden zich bovendien vaak ergens tussen droom en werkelijkheid, tussen sprookjesachtig en realistisch. Ze herinneren er dan ook geregeld aan dat het surrealisme een Franse uitvinding is en de Franse (proza)poëzie uit de negentiende eeuw daar een uitstekende voedingsbodem voor was. Om de diversiteit te illustreren: vergelijk de volgende twee fragmenten eens met elkaar:

    Evenals de natuur kent de menselijke geest zijn schouwspelen. Hoe vaak een zonsopgang, hoe vaak een maannacht me ook tot tranen heeft vervoerd, nooit wekte die in mij een heftiger ontroering dan de grootse gloed vol weemoed die bij een wandeling tegen het einde van de dag niet minder golven in ons gemoed doet oplichten dan de ondergaande zon op het zeeoppervlakte doet schitteren.‘ (Uit ‘Innerlijke zonsondergang’.)

    Dominique zat bij het uitgedoofde haardvuur op zijn gasten te wachten. Elke avond nodigde hij een of andere hoge heer uit om in het gezelschap van spitse geesten te komen souperen, en daar hijzelf van goede huize, gefortuneerd en innemend was, hoefde hij nooit een avond alleen door te brengen.‘ (Uit het overigens opvallend Oscar Wildeësque eindigende ‘De vreemdeling’.)

    Op zijn best is Proust als hij de grenzen tussen droom en werkelijkheid opzoekt. Een gedicht kan zo a-lyrisch verhalend beginnen, en ergens tegen het einde een vervreemdende richting inslaan. ‘Relikwieën’, een van de uitschieters in de bundel, begint bijvoorbeeld zo: ‘Ik heb alles gekocht wat te koop was van de vrouw die ik ooit als vriendin wilde, maar die zich niet eens verwaardigde even met me te keuvelen.‘ Daarna begint de verteller enthousiast over al die spullen die hij van haar kocht en wordt hij steeds lyrischer, met personificaties aan toe: ‘Speelkaarten, u die zij in gezelschap van haar intieme vrienden elke avond door haar vingers liet glijden, u zag hoe ze zich verveelde of lachte‘. Het slot zet het al het voorgaande vervolgens op losse schroeven: ‘Zij heeft haar leven geleefd, of misschien heb ik het alleen gedroomd.’

    De stilistische diversiteit van Treurnissen is, hoe cliché het ook klinkt, tegelijkertijd de zwakte en de kracht van de bundel. Om met dat laatste te beginnen: in één handzame bundel krijg je een goed overzicht wat er rond die tijd aan soorten prozagedichten verscheen. Ofschoon er een niet al te geringe selectie Franse prozagedichten in het Nederlands verschenen is, zijn die vaak alleen nog tweedehands beschikbaar. Het verschijnen van Treurnissen scheelt toch weer het afzoeken van tweedehands boekwinkels. De zwakte van de bundel is echter dat voor elk van de richtingen die Proust inslaat, wel een dichter te bedenken is die daar beter in is, en wiens werk in het Nederlands beschikbaar is (vaak tweedehands, maar toch). Bertrand, Baudelaire en Rimbaud (zijn werk is overigens beschikbaar in de Perpetuareeks), en ook Stéphane Mallarmé en Jules Laforgue zijn gewoon beter met deze vorm, of eigenlijk ook gewoon betere dichters. Prousts zwakte ligt er voor een groot deel aan dat nooit echt duidelijk wordt waarom deze gedichten nu per se door Proust geschreven zijn; een duidelijke eigen smoel mist nog.

    Hoewel het zeker niet gek is als je van iemand van het formaat Proust meer verwacht, is Treurnissen gewoon een prima bundel, met een aantal fraaie uitschieters. De sterkste momenten maken de publicatie, en natuurlijk de aanschaf al de moeite waard. Treurnissen is daardoor een fraaie aanvulling op de in het Nederlands verschenen (proza)poëzie van Franse dichters uit die tijd.

     

    Treurnissen

    Marcel Proust
    Vertaling: Paul Claes en Chris van de Poel
    Blz.: 66
    Prijs: € 19,50
    Uitgegeven bij Poëziecentrum