• Een rijkdom

    De eerste zeven jaar van dit millennium woonden we in midden-Portugal. Voor we de stap zetten, las ik alles wat ik kon vinden (wat niet zoveel was) over dat land waarvan ik enkel wist dat het zo onversneden was, de mensen, het landschap, de cultuur.  Portugal, van J. Rentes de Carvalho, was een dankbare leidraad. Het eerste wat ik erin opzocht was iets over de Portugese taal. Hij schrijft dat die verre van makkelijk is om te leren (dat dacht ik al). Rentes raadt de reiziger aan bij gebrek aan kennis van de taal, hoffelijk te zijn, vooral te glimlachen (waar we goed in waren). Over ‘Armoede’ schreef hij, ‘Doe zoals alle goedhartige Portugezen en zorg ervoor dat u altijd wat los kleingeld op zak heeft. Geef telkens één muntstuk. …al is de persoon achter de uitgestrekte hand blind, zie hem altijd recht in de ogen, kijk niet langs hem heen of op hem neer. Met die blik en niet met het geld doet u de ware liefdadigheid voelen.’ 

    In Licht op Lissabon schrijft Harrie Lemmens, ‘Zoals in alle grote steden kent ook Lissabon zijn wegwerpmensen, degenen die om wat voor reden dan ook zelf zijn afgehaakt of door de samenleving werden opgegeven.Overdag dolen ze rond (..) dirigeren auto’s naar vrije plaatsen, raffelen halfluid litanieën af, tikken blind met stokken, tonen stompjes en uitstulpingen (…). Op zoek naar een helpende hand, een opbeurend woord, wat geld of een shot.’

    In Portugal bewoonden we als gezin met twee kleine kinderen, drie kleine kamers. Het merendeel van onze  huisraad bleef in Nederland. Ik miste al snel mijn boeken en (vergeef me) de HEMA. Toen begon ik Portugese boeken te kopen, als we op onze vrije dagen in Lissabon waren. Het eerste boek was Exortação aos Crocodilos (Preek tot de krokodillen) van António Lobo Antunes. Elke zondagmorgen las ik het nauwgezet (als las ik de bijbel) aan de keukentafel, woordenboek ernaast. Het was of ik de raadselen des levens moest zien op te lossen, het was stuwend, krachtig proza. Twee jaar later lag het boek in de Nederlandse boekhandel. 

    Het lezen van de vertaling door Harrie Lemmens was net zo krachtig en stuwend als het origineel. Lemmens is een Lobo Antunes adept, zijn liefde voor hoe deze man schrijft, komt onverbloemd tot uiting in zijn Lissabonboek. Midden jaren tachtig, toen hij met zijn vrouw Ana Carvalho in Lissabon woonde, ontdekte hij António Lobo Antunes. ‘Uit een brief: “Ik besteed mijn tijd voor een groot deel aan het lezen van een schitterend boek van een even schitterende Portugese schrijver, een boek dat in een heleboel talen is vertaald maar nog niet in het Nederlands en – je snapt het natuurlijk al, dat hoop ik dus te doen. (…) een boek zo rijk (een rijkdom die ik niet volledig kan verslinden omdat ik een aantal woorden niet ken, maar waarvan ik de stroom niet wil tegenhouden door het openslaan van woordenboeken)’.
    Licht op Lissabon leest net zo fragmentarisch en boeiend als het Boek der rusteloosheid (Pessoa), een rijkdom aan culturele, literaire informatie, zo groot dat het onuitputtelijk lijkt. Daartussendoor die brieffragmenten, gericht aan vrienden. Die geven een intrigerend persoonlijke toon aan het boek. Zo’n boek had ik nu graag gelezen toen ik naar Portugal verhuisde.

     

     

    Licht op Lissabon / Harrie Lemmens / Geïllustreerd met foto’s van Ana Carvalho / 406 blz. / Uitgeverij De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt vaak verliefd op een goed verhaal, een stijl, een woord (keukentafel), leest boeken helemaal uit.

     

  • Hazegras

    Met vertraging viel Aan dezelfde zee. Oostende in de Nederlandse literatuur in de bus. Tweedehands. Op het titelblad een gestempelde naam. Als ik door het boek blader zie ik dat de vorige eigenaar bij sommige auteurs in potlood streepjes uitroeptekens en een enkele keer ‘niet waar’ in de kantlijn heeft geschreven, met een onvast oude-mannenhandschrift. Vooral de bijdrage van Marnix Gijsen (1899 – 1984) is nauwgezet gelezen. Over een jongensvriendschap in de wijk het Hazegras. Een jeugdherinnering. Er staan kruisjes bij ‘hij was een nudist in de dop’ en ‘onze enige troost was dat we naakt in mekaars armen konden liggen en zo inslapen’, en ‘Daarna kropen we weer in bed en Theo zei dat ik een huid had zo zacht als die van een meisje’. 

    Zo val je als tweede lezer in het intieme gesprek dat je voorganger met het boek voerde. Je zit dicht op zijn huid. Je raadt gedachten, verborgen interesses, een persoonlijke geschiedenis. Alsof je, zonder erop uit te zijn, iemand een geheim ontfutselt dat hij normaal gesproken niet zou vertellen. Met schroom volg ik zijn aantekeningen en denk aan de uitspraak van Jaap van Praag, één van de grondleggers van het Humanistisch Verbond, over het gesprek tussen geestelijk begeleider en cliënt: ‘Doe uw schoenen van uw voeten, u staat op heilige grond.’ Heilige grond. Ook hier.
    Google vindt de gestempelde naam in een rouwadvertentie. Ik zie zijn portret. Een man op leeftijd, een man alleen. Oud-docent. Geen kinderen. Begin dit jaar overleden. In zijn ogen raad ik felle jeugdjaren. In een andere rouwadvertentie is er na een rits familienamen dan toch sprake van ‘zijn vriend’, maar dat kan van alles betekenen. Was hij fysiek al te zwak om met auto, bus of trein naar Oostende te gaan? Oedeem in de benen, hartfalen? Verzuchtend, kon ik nog één keer? De rest van de dag dreef in alles wat ik dacht en zei een dun laagje droef zoals ik dat ook kan hebben na een vage, maar toch beklemmende droom. 

    Dan reis ik in de eerste zon van augustus naar Oostende. QR-code in mijn IPhone. Boek onder mijn arm. Ik spreek de vorige eigenaar aan met ‘beste’ en ‘u’. Ik wijs hem de Neogotische Sint-Petrus-en-Pauluskerk, die hem minder interesseert. Hij is erbij in boekhandel Corman waar ze boeken kaften in plaats van inpakken. Hij staat naast me voor het bijna Reviaanse Nationaal Monument voor de Zeelieden met op de sokkel de matroos die, zijn billen gespannen, tegen de wind staat. Meeuwen schreeuwen en cirkelen boven het strand. Na een lunch van Brusselse wafels en broodjes besmeerd met mayonaise stel ik voor om naar het Hazegras te gaan, de oude wijk van neringdoeners, zeelui, drank en hoeren. Eindelijk, zegt hij. In zijn stem klinkt ongeduld. U weet dat de wijk in de oorlog is gebombardeerd, dat het niets meer heeft van de oude sfeer?
    Ga nu maar.
    En dat…
    Een wijsvinger tegen de lippen.
    Ga.
    We lopen terug naar de jachthaven, richting het Hazegras. Dat was toch het minste wat ik hem kon bieden. 

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekenen.

  • Moeilijke boeken

    Vorige week fietste ik naar een boekpresentatie aan de Prinsengracht. Eerst fietste ik zes kilometer naar station Dieren, een van de mooiste stations die ik ken. Vandaar met de trein naar Amsterdam. Onderweg las ik verder in het boek dat gepresenteerd zou worden. De openingszin, ‘Het besturen van een trekker is een daad van soevereiniteit.’, is een geweldige zin. Een indrukwekkende oppermacht doemt voor me op als ik over deze trekker lees. ‘Hij komt over het kavelpad aanrijden en draait dan het veld op, klaar om het land overhoop te halen. (…) Grommend komen de schoepen in beweging, ze happen grond, werken in één gang rogge, onkruid en mest onder.’ 

    Ik moest op Prinsengracht 119 zijn. Ik was mooi op tijd. Uit het pand kwam een oudere man naar buiten. Ik vroeg hem naar de uitgeverij op dit adres. De man, die ik herkende als de dichter die ooit debuteerde met de bundel, Mijn broertje kende nog geen kroos, een waarlijk onheilspellende titel, keek me peinzend aan. Hij legde een vinger tegen zijn lippen, zei ‘Maar, dat is verder. Veel verder, op nummer 1119!’ Ik zette een tandje bij, ontweek net behendig genoeg andere straatgebruikers. Een jong vijgenboompje, bestemd voor de schrijver, slingerde heen en weer in een papieren tas aan het stuur. Op nummer 1119 zat geen uitgeverij. Toen dacht ik aan het archiefkaartje in mijn tas, waar ik het adres had opgeschreven. Ik las, Prinsengracht 911. Hoofdschuddend trapte ik de weg terug, over losliggende klinkers, door niet te vermijden kuilen. Tot de bodem van het papieren tasje scheurde, zwarte aarde spatte op straat. Met het boompje in mijn arm geklemd kwam ik net op tijd aan voor de afsluitende woorden van een toespraak. Het boek was er, de schrijver straalde. Er was wijn, er werd over het boek gesproken.

    Iemand zei het een moeilijker boek te vinden dan haar eerste. Ik zei zomaar dat moeilijke boeken de beste zijn. Dat zogenaamde pageturners zo lekker weglezen omdat er niets nieuws in staat, voelen als een aangenaam briesje op een warme zomeravond. Dat boeken die een duidelijke taal spreken, maar waar je desondanks niet alles van begrijpt, je uit de denkvorm trekken. Dat de schrijver zo’n boek geschreven heeft. Een wordingsverhaal over wie we ooit waren, nooit geworden zijn en wie we wel geworden zijn. Verteld door Elke, ik-figuur in deze wonderlijk mooie, intrigerende roman. Als een refrein in het verhaal komt ‘de vrouw die ze nooit werd’ steeds naar voren. Naast het mythische verhaal over de oorsprong van man, vrouw, landbouw, overlevering, kringloop van de natuur is er de veredeling van groenterassen. De zoektocht van bioloog Elke naar de weg terug van veredeling, door middel van het terugbrengen van een erwtenras naar zijn oervorm. Daartussen de relativerende opmerkingen van de vrouw die ze nooit werd: ‘Kunnen we nu eindelijk naar huis, klaagt de vrouw die ik nooit werd.’ Of, ‘Erg wollig allemaal – ja, ik ben er nog, sist de vrouw die ik nooit werd.’ Wormmaan, is een geweldige roman die aan veel raakt waarmee we nu leven en worstelen. En ja, niet alles is direct te doorgronden, maar dat, beste mensen, zet ons in beweging, maakt het ongekend boeiend. Lees dit boek!

     

     

    Wormmaan / Mariken Heitman / 259 blz. / AtlasContact


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt vaak verliefd op een goed verhaal, leest boeken helemaal uit.

     

     

  • Amechtig

    Dan is het opeens vakantie, is er tijd tekort voor alles dat nog gedaan moet worden. Zoals een nieuw badpak halen, (dat zwemmen in ondergoed moet maar eens afgelopen zijn). We gaan deze zomer naar Terschelling. De kinderen met hun kinderen, met vriend, vriendin, ze komen allemaal langs. Vorig zomer konden we vanwege de pandemie nergens heen, toen dacht ik: Terschelling. Elke ochtend een duik in zee, lange wandelingen, friettent om de hoek. Hoewel, er was één minpuntje, er is geen echte boekhandel. Wel een soort tijdschriften, schriften, schoolspullen. Maar goed, verder niks te klagen. Het strand zo wijds dat je er niemand tegenkomt. Dit jaar gingen we op de fiets. Banden werden opgepompt, lampen nagekeken, bagagedragers verstevigd en inpakken maar. Toen het begon te regenen moesten er laarzen mee, regenkleding, truien. Toen ging het ook nog waaien, de weersvoorspellingen waren niet best. Ik zag ons voorovergebogen over het stuur, zwoegend tegen de wind, samengeknepen ogen tegen de regen. Amechtig trappend kwamen we met moeite vooruit. Nee, de plannen moesten herzien worden.

    Ondertussen appten we elkaar hoe het inpakken vorderde, de een vroeg wie de grootste pan mee zou nemen. De ander dat de surfplanken op het dak van de auto bevestigd waren. Toen het bleef regenen appte ik dat ik hoopte dat het weer de komende dagen beter zou worden. Daarna appte ik dat we met het eendje zouden gaan. Het eendje, waar de bepakking van wel drie fietsen in mee kon. Er was opeens plaats voor twee makkelijke tuinstoelen, een tafeltje, meer boeken, de grootste pan. Mijn dochter appte dat ze haar twee jongens had voorgesteld een vakantieboek te gaan kopen. ‘Neeuh, geen zin’ hadden de jongens, die net aan hun tweede week vakantie begonnen waren, gezucht vanaf de bank. ’s Avonds legde ze ’toevallig’ een oude van Sylvia Witteman bij de oudste, die net lagere school af was. hij herinnerde zich dat hij er vorig jaar zo om had moeten lachen. Mijn dochter zei dat ze een nieuwe van Witteman konden halen, bij Paagman, of dat wat was. Ja, dat was wat. Dat ze dus morgen nog naar de boekhandel gingen.

    Vorig jaar op Terschelling maakte de oudste voor het eerst kennis met Sylvia Witteman, iemand had Pekingeend bij nacht meegebracht. Hij confisqueerde het, las te pas en te onpas stukjes voor, over de kinderen van Witteman. ‘Vloeibaar van lamlendigheid hangen ze tegen de sofa gekleefd als skeletloze diepzeewezens op een koraalrif, deinend op golven van verveling, met als enig teken van leven de gestage inname van voorbij zwevend plankton.’ Hele stukken las hij sputterend van het lachen, de benen opgetrokken tegen de lachkrampen in zijn buik. Ach, en dan blijkt weer eens hoe relatief alles is, dat verveling met verveling bestreden moet worden, waar vakantie dan weer goed voor is. En dat jongeren niet willen lezen? Ook dat is relatief.  Stop ze gewoon in een tent met een boek van Sylvia Witteman en alles komt goed.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft wakker voor een goed verhaal, leest in de tent.

  • Vanwege te hard lachen

    Op mijn bureau staat een beeldje van de kleine Nicolaas. Grijs jasje, rode stropdas, tas, grote glimlach, hollend naar school. ‘Juf is altijd hartstikke aardig behalve als ze boos op ons is!!’ zegt Nicolaas in een tekstballon op het omslag van het eerste deel. Ik kreeg het als tienjarige van een tante die pertinent geen stripboeken cadeau wilde geven. ‘Dit is de enige tekstballon in het hele boek,’ zei ze, en liet als bewijsvoering de bladzijden langs haar duim gaan. Toen had ik er de pest over in, nu ben ik haar dankbaar, want ‘de alledaagse belevenissen van een schooljongetje’, zoals de ondertitel luidt, bleken zo humoristisch onalledaags dat mijn moeder me geregeld vroeg: wat lees je, wat is er zo grappig aan?

    Le petit Nicolas is in Frankrijk een icoon. In de jaren zestig van de vorige eeuw verzonnen René Goscinny (Asterix) en illustrator Sempé, twee grootheden als het om humor gaat, tientallen verhalen rondom Nicolaas en zijn klasgenoten. In deze eeuw zijn er van Nicolaas ook twee speelfilms gemaakt, maar net als de Asterixfilms missen ze de kwaliteit van de boeken. Ik lach als ik Nicolaas lees en ik blijf wat zuur kijken bij Nicolaas in de bioscoop.  

    Jan Brokken wijdt in De wil en de weg een hoofdstuk aan humor in de literatuur. ‘Niets is zo moeilijk te bereiken op papier als humor’ schrijft hij. ‘Het is moeilijker dan spanning, moeilijker dan sensualiteit, en het is in ieder geval nog heel veel moeilijker dan drama.’ Hij leest in het vliegtuig de avonturen van de kleine Nicolaas en krijgt een reprimande van de stewardess, lach niet zo hard, alstublieft. Eenmaal thuis stelt Brokken zichzelf de vraag waarom hij zoveel plezier beleefde aan het verhaal van de schoolinspecteur en de klas van Nicolaas, en concludeert: ‘Het hilarische moet zowel uit de situatie zelf voortkomen als uit de beschrijving van de situatie.’ Daarom gniffel ik bij Reve, vanwege de taal, maar lach ik hardop bij Voskuil of de kleine Nicolaas, omdat naast de taal, de situaties mijn verbeelding activeren. 

    In mijn debuutroman De wensvader ondernam ik zelf een poging. De les van Brokken indachtig, beschreef ik de inseminatiepogingen van twee homomannen en een vriendin. De eerste keuze die ik maakte: de inseminatie vindt thuis plaats. Een kliniek als decor zou misschien één aardige scene opleveren. Thuisinseminatie daarentegen biedt door al het praktische ongemak meer mogelijkheden, inseminatie lukt zelden de eerste keer. De twee mannen vertrekken naar de slaapkamer en de vriendin wacht in de woonkamer tot het wonder is geschied om zich vervolgens, alleen op de slaapkamer, te insemineren met het zaad van één van de twee mannen. Telkens voorafgaand aan de inseminatie eten de hoofdpersonen met elkaar kip Tandoori uit een pakje – tot vervelens toe. De maandelijks terugkerende inseminaties worden naarmate de tijd vordert een martelgang. Het hadden ook dramatische scenes kunnen worden, van pijn en uitstel en gemis. Maar bij het schrijven keek ik naar de kleine Nicolaas op mijn bureau en dacht: hou het licht, denk aan de les van Brokken, de zwaarte bedenkt de lezer zelf wel.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

  • Om de hoek

    De geschiedenis ligt om de hoek, al loop ik altijd net even te snel om die te achterhalen. Nu kun je ook niet bij alles stilstaan, alleen die straatnaambordjes al. Lees ik de ‘Goemans Borgesiusstraat’ in een dorp op de Veluwe, dan blijven mijn gedachten hangen bij die uit het Nederlands en Italiaans samengestelde naam, denk aan de familiegeschiedenis van de persoon waarnaar de straat vernoemd werd. In Den Haag ken ik de Gerrit Kasteinstraat (1910-1943), daar staat de school van de kinderen van mijn dochter. Al lange tijd vraag ik me af, ‘wat was dat voor een man, die Gerrit Kastein.’ Ik vermoedt dat hij een strijdlustige arbeider was, opgepakt tijdens het verzet in de oorlog, gezien het sterfjaar. Ik wil het opzoeken, maar daar komt het niet van. Tot ik vorige week in de krant de ‘Aarsman Collectie’ van Hans Aarsman las, met hem meekeek naar het nu en het verleden.

    Het beeld van een beklinkerde straat waar een man in onderbroek en sokken, handen op de rug (geboeid, maar dat zie je op het eerste oog niet) wordt natgespoten. Op ongeveer drie meter afstand richt een brandweerman de brandspuit op de bleke rug van de man. De straal is hard, je ziet hoe de straal water de drie meter tot de naakte rug van de man overbrugt, daar tegenaan knalt, een waas van spetters om de man heen verspreidt. De man staat rechtop, de schouders iets naar voren, ietsje maar. Het visgraatmotief van de straat glanst, alsof het geregend heeft. Het lijkt of de man zijn verdiende loon ondergaat. Misschien was het een weddenschap die hij verloren heeft: wie verliest wacht de brandspuit. Dat hij zich daarvoor eerst heeft uitgekleed, dat mocht. Maar de drie brandweerlieden, zes politiemensen, rechts van de man gepositioneerd, doen die impressie kantelen. Links een eenzame toeschouwer, die gelaten, het hoofd iets scheef, het schouwspel beziet. Er straalt medelijden.

    Het geheugen is een vergaarbak, soms komen dingen bij elkaar, wordt er iets gecompleteerd, opgelost. Gezien de stokrozen op de foto, schrijft Aarsman, moet het wel de zuidkant van de Ridderzaal zijn, gefotografeerd vanuit een raam. Aarsman is een fotodetective, online vindt hij een andere foto van het tafereel, genomen vanuit de hoekkamer. Daar huisde tijdens de Tweede Wereldoorlog de Duitse Sicherheitsdienst weet hij. ‘Verzetsman Gerrit Kastein sprong op 19 februari 1943 uit datzelfde raam zijn dood tegemoet. Hij voorzag dat hij gemarteld zou worden en wilde zijn kameraden niet verraden.’ De edelmoedigheid van deze Kastein is van een andere tijd. De geboeide man deed een poging tot zelfverbranding, waarom was niet duidelijk, niet omdat hij bang was iemand te verraden. Ik zocht online verder naar Gerrit Kastein. Hij  was arts, verhuisde naar Den Haag, waar hij vanaf het begin van de oorlog actief was in het verzet. En hij  werd in 1910 in Zutphen geboren, dat ligt hier dan weer praktisch om de hoek.

     

    Aarsman Collectie / Volkskrant 15 juli 2021, / Fotograaf Freek van den Bergh


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft wakker voor een goed verhaal, een overtuigend relaas.

     

  • Uiteengespatte verbeelding

    Mijn fantasie gaat regelmatig met mij op de loop. We beginnen in een pittig drafje, dat gaandeweg overgaat in een stevige galop, waarna ik al snel de teugels kwijtraak en we op hol slaan, om na een dolle rit abrupt tot stilstand te komen voor een blinde muur in het doodlopend steegje van de realiteit. Mijn fantasie komt zelden of nooit overeen met de werkelijkheid. Als kind had ik er al last van. Illustraties in mijn lievelingsboeken kraste ik altijd door, omdat ze het niet haalden bij mijn eigen voorstelling van het verhaal. Elke op handen zijnde gebeurtenis was later in het echt nooit zo mooi als wat ik er van tevoren over verzonnen had. De jurk die mijn moeder voor me gemaakt had, was prachtig, echt, maar hij kon me niet veranderen in de prinses die ik me al weken voor de spiegel gedroomd had. De knapste jongen van de middelbare school, die ik uit de verte zwijmelend aanbad en alle eigenschappen van een sprookjesprins had toebedacht, bleek bij het eerste afspraakje een hork te zijn. 

    Alles was altijd mooier in mijn gedachten. Wat dat betreft leek ik op een van de zoontjes van Anton Coolen in zijn beminnelijke boekje Uit het kleine rijk, waarin hij beschrijft hoe zijn vier kinderen opgroeien. Op de ochtend van het Sinterklaasfeest zegt het jongetje, terwijl hij zijn uitgepakte cadeautjes beziet: ‘Hoor eens vader, ik vind alles zo leuk, maar toen ik het nog niet gezien had, vond ik het nog veel leuker.’ Coolen zelf moest daarbij denken aan de aanplakker uit Strindbergs Droomspel, ‘als die eindelijk zijn hevig begeerd schepnet heeft: ‘Het is wel goed, maar niet zoals ik het mij had voorgesteld, wel groen, zoals het moest, maar niet dat groen.’
    Als mijn fantasie zich weer eens te pletter heeft gelopen, dan zit er voor mij niets anders op dan de scherven van mijn uiteengespatte verbeelding op te rapen en proberen ze samen te voegen tot een mengvorm waarin weliswaar de werkelijkheid weerspiegeld wordt, maar die toch nog een vleugje droom bevat, ongeveer zoals Joke van Leeuwen dat doet:

    Lijmen

    Ik had drie beestjes,
    drie beestjes van steen.
    Een vogeltje,
    Een veulentje,
    Een varkentje.

    Ze zijn gevallen.
    Ze braken stuk.
    Ik heb ze gelijmd.
    ’t is bijna gelukt.

    Ik heb drie beestjes,
    drie beestjes van steen.
    Een volentje,
    Een veukentje,
    Een vargeltje.

    Toch geef ik de hoop  niet op dat op een dag mijn fantasie naadloos met de realiteit zal samenvallen. Zoals iemand die maand in maand uit een loterijbriefje koopt, in het volste vertrouwen dat eens de hoofdprijs op zijn lot zal vallen, de zoveelste teleurstelling schouderophalend afdoet met de gedachte dat er volgende maand weer een kans op een miljoen is. In mijn fantasie wacht het grote wonder altijd net om de volgende hoek op me. Ik kan me al heel goed voorstellen hoe het eruit zal zien.

     

    Gedicht komt uit de bundel: Ozo heppie / Joke van Leeuwen / Querido (2017


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Agnes in Deventer

    Ik was vijf dagen in Deventer, de stad die boeken ademt. Ik woonde er tot begin jaren negentig. Nu ik er terug was, beleefde ik opnieuw de uitnodigende stilte van de stad bij het ochtendgloren. De stad waar ik als vijftienjarige dweepte met Toergenjev, Marnix Gijsen, waarvan de romantiek van dood door tuberculose me in Klaaglied om Agnes enorm aantrok. Waar ik op een achterkamertje in de Papenstraat alles van Simone de Beauvoir las. Het waren jaren ‘des onderscheids’. Kocht de (dag)boeken van de gebroeders Goncourt, Italo Svevo, Natalia Ginzburg, Prima Levi, las er het eerste boek van Connie Palmen. Deze week, toen hevige regenval enkel het zuiden van het land teisterde, liep ik door de oudste wijk van de stad. Via de Stromarkt door de Graven, (dacht aan roesachtige dagen), links naar de Noordenbergstraat (waar een alcoholistische vriend woonde), over het Muggeplein (de buurtfeesten) de Molenstraat in, een gangpad door naar de Stenenwal. Bij een gevel begroeid met stokrozen hing een boekenkastje.

    Er was een verheugd weerzien met Agnes, een creatie van Peter van Straaten, verscheen vanaf 1986 in Vrij NederlandVanaf de eerste afleveringen was ik verslaafd aan het levens van Agnes, een voorbeeld van onvoorbereid door het leven gaan. Elke vrijdagmiddag haalde ik Vrij Nederland bij de boekhandel, toen nog een krant. Later werd het een tijdschrift. Hoewel Agnes meer thuishoorde op krantenpapier dan op de gladde witte bladzijden van een magazine, was mij niets gevraagd. Agnes was een zelfstandige vrouw, begin veertig, met een puberzoon. Het feuilleton was een tijdsbeeld van de laatste twee decennia van de twintigste eeuw. Roken en alcohol waren net zo gewoon als een kadetje met kaas. Liefde was ingewikkeld, dat wel. Wie de Beauvoir en Sartre las, schuwde vaste verbintenissen. Er werd gefilosofeerd, gerommeld, er was gedoe, niks lag vast.  

    Van Straaten tekende Agnes met haar halflange krullen, zittend aan tafel. Een smeulende sigaret op de rand van de asbak voor zich (overal asbakken toen). Met haar linkerhand duwt ze haar krullen achter haar linkeroor, rechterarm op tafel. Het leven was voor Agnes niet eenduidig, dat zie je zo. Op de achtergrond een fles wijn. Ze kijkt ietwat blasé, toch is ze een evenwichtige mengeling van ‘mij krijg je er niet onder’, en, ‘Your wish is my comment’. Ze is een ster in het te lang blijven zitten, of het nu bij vrienden thuis is, of in het café, ze is bodemloos als er drank in het spel is. Als ze met een vriend te lang in het cafe zit, zegt deze, ‘Zeg, halvegare, weet je dat we ongemerkt allebei dronken zitten te worden?’
    ‘Verdomd,’ zegt Agnes, ‘nu je het zegt… ik liep al zo raar toen ik net naar de wc ging. Ik dacht dat ik misschien koorts had.’ Daardoor kreeg ik opeens een ongelofelijke trek in een drankje, aan oeverloze gesprekken in een café waar tijd vloeibaar is. Ach, dat waren nog eens tijden.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, houdt van een goed verhaal, een overtuigend relaas.

  • Nicolien

    De vrouw van de boekhandelaar leest voor de derde keer Het Bureau van J.J. Voskuil. Ze zit aan de eettafel in de gemeenschappelijke woonkamer van het verpleeghuis. Uitzicht op kantoren en een doorgaande weg. Naast haar placemat, het vierde deel uit de reeks, Het A.P. Beerta-instituut, meer dan negenhonderd pagina’s dik. Samen met enkele andere bewoners doodt zij zwijgend de tijd in afwachting van de lunch die over anderhalf uur komt.
    ‘Kent u het?’ vraagt ze?
    ‘Natuurlijk!’ antwoord ik.
    Ik haakte laat aan bij de hype, kocht meteen de eerste vier delen. Toentertijd werkte ik bij een educatieve uitgeverij en mocht boeken met boekhandelskorting – doorgaans 40% –  aanschaffen. De pakketten met bestelde boeken kwamen binnen op het bureau van een collega tegenover mij. Geregeld vond ik haar te traag met uitpakken. Zij vond dat ik te vaak boeken bestelde: ‘Voor mij is dat telkens extra werk.’ 

    Zo verwierf ik relatief goedkoop de complete Voskuil, maar ook de complete Paustovskij uit Privé-Domein. Boeken waarop ik zuinig was, maar die beide slachtoffer werden van wat de tijd met boeken kan doen: verbleken door zonlicht (Voskuil) en beschadigd raken door de vraatzucht van zilvervisjes (Paustovskij).
    ‘Ik vind de ruzies tussen Maarten en Nicolien erg vermakelijk,’ zegt de vrouw
    We nemen de lift naar beneden.
    ‘Ik heb een zwak voor Nicolien,’ antwoord ik.

    De dynamiek van geliefdes. In gesprekken met andere Bureauliefhebbers had je mensen die haar gedrag verfoeiden of loofden – een tussenweg was er niet. Ik hoorde tot de laatste categorie. Mocht ik met een vrouw het leven delen, dan moest ze het karakter van een Nicolien hebben. Compromisloos, gevoelig voor onrecht, principieel en confronterend. Neem nu deze passage uit het vierde deel. Een telefoongesprek tussen Maarten, vanuit het A.P. Beerta-instituut, en Nicolien, gewoon thuis,  over collega Ad en zijn vrouw Heidi die niet meer op de poes willen passen. Nicolien neemt de zaak direct persoonlijk op:
    ‘Je bedoelt dat het mijn schuld is!’
    ‘Nee, dat bedoel ik niet.’
    ‘Het leek anders wel zo!’
    ‘Jij bent op Heidi afgegaan, dus jij kon het niet voorzien.’
    ‘Nee, dat zou ik ook zeggen!’
    Meteen weer vermakelijk. Vanzelf lees ik door, want dat is de kracht van Het Bureau, een dikke pil die gemakkelijk wegleest. 

    Ach ja, Nicolien. Ze werkt niet, blijft thuis bij de katten, en houdt ondertussen Maarten – en de lezer – een spiegel voor. Scherp ziet ze de zotheid van mensen in instituties. Ik kreeg er last van in mijn dagelijks werk. Werd er met bombarie een nieuwe missie gelanceerd met staafdiagrammen en ronkende woorden, dan keek ik om me heen of ik de enige was die er cabaret in zag. Meestal wel. Het Bureau ondermijnde mijn werklust, ik voerde steeds minder uit. Overal bleef ik de Ads, de Wigbolds, de Balks, de Beerta’s, de Elshouts, de Dé Haans en zo veel andere personages zien en horen. In tegenstelling tot Maarten vertrok ik wel, ternauwernood.
    De liftdeur gaat open, we stappen de hal in. De beperkende coronamaatregelen zijn voorbij, bewoners en familie zitten in de binnentuin, uit de kapsalon komt de warme geur van droogkappen. ‘Het is een feest om Het Bureau te herlezen,’ zeg ik, en denk: doe het alleen niet te vaak.   

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn tweewekelijkse columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Zelfs de dood

    Gewenning is het tegenovergestelde van vitaal leven. Maak niets tot gewoonte, laat je niet in slaap sussen, wees weerbaar. Daar denk ik aan als ik De kliniek van de Marokkaanse schrijver Ahmed Bouanani lees. In 1967 was hij negenentwintig jaar en leed aan tuberculose. Hij werd opgenomen in een ziekenhuis in Rabat waar hij een half jaar zou verblijven. In een brief aan zijn vrouw schreef hij:

    ‘Het wordt steeds moeilijker voor me om aan
     de buitenwereld te denken. Zwaar. Wat zou ik
     graag een sprong in de tijd maken. Ver van jou,
     ver van Touda, ver van al mijn hoop ben ik niet
     meer dan een trekpop. Een slaapwandelaar. Ik
     zoek mijn heil in dromen, ‘s nachts. En overdag
     in het absolute niks. De dagelijkse routine is
     macaber. De zon van het ziekenhuis is ontstellend
     treurig. Triest, die vergelijkingen. Pijnlijk. Ik
     moet slapen, maar kan de slaap niet vatten.
     Deze zaterdagmiddag is erger dan de dood. De
     verveling heeft lange, lange benen en een zure,
     ijzige kop. Zelfs foto’s zijn vreselijk om te
     zien. Wanneer keer ik terug naar de wereld?
     Misschien… misschien’

    Tweeëntwintig jaar later, in 1989 schreef Bouanani een kleine roman gebaseerd op zijn verblijf daar. Een ongewone vertelling over een kliniek waar niemand naar de patiënten omkijkt, niemand geneest, mannen in het verborgene leven. De ik-figuur maakt kennis met een oude bewoner van de kliniek, proefkonijn van de artsen, de Ruft genaamd. Deze zegt, ‘We hebben hier geen naam of zelfs voornaam. We zijn allemaal gelijk, verschrompelde kadavers waar zelfs de maden niet blij van worden. Jij bent geen analfabeet, misschien lukt het je ooit een boek te vervaardigen over ons, onze teelballen en de heerlijke strontzooi waar we tot onze oren in zitten!’ Dat boek schreef hij, ligt hier voor me, ontregelt en bekoort me. Er spreekt compassie uit de woorden van de schrijver, uit wat hij vertelt. De kleine hoofdstukken zijn als brieven, de eerste zin schetst steeds een actueel beeld  van de omgeving, de toestand waarin hij zich bevindt. ‘Afgezien van een tweedejaars medicijnenstudent voor wie de microben ogenschijnlijk geen genade hebben gehad, zijn al mijn medepatiënten analfabeet.’

    Het achtste hoofdstuk begint, ‘Nog steeds ben ik niet aan een beschrijving van de kliniek toegekomen.’ Het daarop volgende hoofdstuk begint hij, ‘Ik zak diep weg in mijn bed, alsof het een kleverige trog is.’ Of een  beschrijving van zomaar een ochtend, ‘Vanochtend regent het vuil afwaswater. Het terrein is een grote modderpoel waar je doorheen moet baggeren om van het ene bij het andere paviljoen te komen.’

    Als iets vaak gebeurt, wordt het gewoon, zelfs de dood. Bouanani schrijft, ‘Ik kom momenteel dagelijks in contact met de dood en ben er daardoor niet meer bang voor. Ik zie hem in de ogen van mijn metgezellen’. Deze kleine roman leest als vertrouwelijke informatie, in stilte gericht (zo stel ik me voor) aan zijn vrouw, zijn dochters. Een boek als een pamflet tegen verlies van eigenheid, waardigheid en genegenheid. Maar dat de dood, ja zelfs de dood went wanneer je er maar vaak genoeg mee in aanraking komt, is van een diepe treurigheid.

     

     

    Ahmed Bouanani / De kliniek / vertaling en nawoord Hester Tollenaar / Uitgeverij Jurgen Maas



    Inge Meijer is een pseudoniem, houdt van een goed verhaal, een overtuigend relaas.

     

  • Roesachtige gedachte

    In de twee jaar dat ik op deze plek een column schreef, heb ik maar een enkele keer over het schrijven zelf geschreven. Raar, als je bedenkt dat het een onderwerp is dat mij bovenmatig interesseert. Misschien wilde ik het vuur binnen houden, zodat het feller brandde. Misschien geneerde ik me gewoon. Dat laatste lijkt me, mezelf kennende, niet onaannemelijk. Maar nu kan ik niet meer. Ik wacht op reactie van de persklaarmaker – mijn roman is zo goed als af – en zoek naar middelen om de stroperige leegte te vullen. Ik zal u iets bekennen: het liefst praat ik de hele dag over dat boek. Of het maakproces, maakt niet uit. Zoals wanneer je verliefd bent en het liefst voortdurend praat over die ander, hoe je de zinnen, gebaren en blikken zult interpreteren, de pieken, de dalen. Ieder detail heb je onthouden en wordt tegen het licht gehouden als een uiterst kostbare diamant. En omdat je geen vijftien meer bent en ook weleens de luisterende partij bent geweest, weet je hoe oervervelend dat voor de ander is. Bovendien kan geen enkele reactie de honger stillen. Ik houd het daarom vaak voor mezelf, dat tomeloze. De energie zoekt niettemin een weg. 

    Ik lees en het zal geen toeval zijn, dat het boeken zijn van schrijvers over hun jeugd, één die zich aan het begin van de vorige eeuw afspeelt. Het eerste is De behouden tong van Elias Canetti, het tweede is Jeugd van Tove Ditlevsen (tweede deel uit de Kopenhagen trilogie). De (sociaaleconomische) verschillen tussen de twee zijn groot. Toch zijn het de overeenkomsten die zoveel krachtiger zijn. Beiden weten al jong dat ze schrijver willen zijn. Canetti wellicht aangestoken door zijn moeder en haar liefde voor schrijvers en het theater. Ditlevsen, een meisje uit een arbeidersmilieu, zonder geldige reden, zou ik haast zeggen. In heldere zinnen schetst ze haar bonkige, Deense jeugd. Tweemaal ontmoet ze een man die vaag iets in haar ziet. De eerste overlijdt, de tweede verdwijnt. Natuurlijk is ze bij de derde, een redacteur, bang dat hem ook iets zal overkomen. Dit alles weerhoudt haar niet. De onbegrijpelijke betovering die uitgaat van sommige woorden of zinnen stuwt haar voort. 

    Dat weerbarstige willen van een individu, het uitgroeien boven iedere verwachting, dat is wat me raakt. Ik word verliefd op deze mensen, op Canetti om zijn eerzucht, zijn plotselinge jongenswoede en zijn vermogen om van zijn jeugd niet minder dan een mythe te maken. Op Ditlevsen om de haarfijne beschrijvingen, haar geworstel met het burgerlijke en haar koppige opstaan na vallen. Om hun beider eenzaamheid, die ze met lezen of schrijven op afstand houden. Omdat ze mij laten geloven dat dit hun leven was.
    Ik schrijf niet graag over schrijven omdat het een liefde is die zich moeilijk laat vangen. Je kan hem hoogstens benaderen door iets anders, de contouren ervan, te beschrijven. Daarom vul ik de leegte met de roesachtige gedachte aan het volgende boek dat geschreven wil worden.

     

     


    Dit is de laatste column van schrijfster Mariken Heitman, twee jaar lang schreef zij voor Literair Nederland maandelijks een column. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact, haar tweede roman laat niet lang meer op zich wachten.

     

  • Keti Koti

    Soms freewheel ik blind mijn dagen door, doorzie de dingen des levens en weet hoe we ons moeten verhouden tot elkaar. Tot zich iets voordoet waardoor mijn (wankel) evenwicht verstoord wordt. Een gesprek op de radio bijvoorbeeld, over Keti Koti, een van oorsprong Surinaams feest waarop de afschaffing van de slavernij gevierd wordt. Om van deze dag een nationale herdenkingsdag te maken stuit nogal op wat weerstand. In het programma kwamen een voor- en een tegenstander aan het woord. ‘Kijk’, zei de tegenstander, ‘Als je ziet hoe gepolariseerd het debat wordt gevoerd. Zo’n feestdag is bedoeld om ons te verenigen en dat is met dit onderwerp niet het geval.’

    ‘Polarisatie’, zei de voorstander,’ is een woord dat gebruikt wordt zodra men geen argumenten heeft om tegen bepaalde activiteiten te zijn. Vorig jaar zei Minister President Rutte over excuses aangaande het slavernijverleden, bang te zijn dat er polarisatie in de samenleving zou plaatsvinden. Maar toen koning Willem Alexander zijn excuses aanbood aan Indonesië vanwege het geweld tijdens de onafhankelijkheidstrijd, heeft niemand een link gelegd met polarisatie. Waarom zou zich hier ineens een kwestie van polarisatie voordoen?’

    ‘Nouhou’, hapte de tegenstander. ‘Misschien is een goed voorbeeld dat toen ik vorige week zei dat Keti Koti geen nationale feestdag moet worden, ik een enorme bak drek over me heen kreeg met de teneur: Jij bent een “blanke” Nederlander, dus jij weet niet waarover jij het hebt.’ ‘Kijk’, slachtofferde de tegenstander verder, ‘alleen al het feit dat ik niet op basis van mijn boodschap wordt beoordeeld maar op basis van mijn huidskleur, dat geeft wel aan hoe gepolariseerd dit debat is.’ 

    Voorstander, (verbijsterende lach, die ik met hem deelde): ‘U moet eens weten wat ik allemaal naar het hoofd geslingerd kreeg toen ik het over zwarte Piet als racistisch fenomeen had. Wanneer je met elkaar in gesprek gaat zal er een proces ontstaan waarbij we tegenover elkaar komen te staan, hard tegen hard, maar uiteindelijk zullen we elkaar bereiken, zal er resultaat bereikt worden.’

    Ik begreep de houding van de tegenstander niet. Een nationale herdenkingsdag zal toch meer begrip voor het verleden van onze zwarte medemens teweeg brengen, acceptatie bewerkstelligen? Ik pakte opnieuw Hallo witte mensen, uit de kast. Ik was nooit verder dan de inleiding gekomen, er was geen urgentie. Ik had toch geen probleem met gekleurde mensen? Ik hoefde er niet over na te denken, ik wist het wel. Tijdens het lezen liepen mijn goedbedoelde gedachten te hoop tegen het begrip ‘wit privilege’. Dat ik nooit ben aangesproken op mijn wit zijn, werd inzichtelijk gemaakt door een eenvoudige vraag. ‘Wat was de eerste keer dat je besefte dat je wit bent?’ overviel me. Nooit heb ik me iets over mijn huidskleur afgevraagd. Er zijn nooit sancties of conclusies aan mijn wit zijn verbonden. Het kwam binnen dat huidskleur een criterium is, er draaide zich piep-schurend iets in me om. Anousha Nzume schreef, ‘Als de gemiddelde witte Nederlander niet weet wat wit privilege is, zal de machtsverhouding die er in Nederland bestaat nooit worden rechtgetrokken.’ Wat een ware woorden.

     

     

    Hallo witte mensen / Anousha Nzume / AUP (2017)
    Radiogesprek tussen VVD’er Frank de Graaf en oud politicus D66 en mensenrechtenactiviste Barryl Biekman.


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt enthousiast van een goed verhaal, van een overtuigend relaas.