• Nog even geduld

    Nog even geduld

    In 2010 realiseerde de Rotterdamse kunstenaarsgroep Observatorium het project ‘Warten auf den Fluss’. Dit vond plaats in het Ruhrgebied bij de rivier de Emscher, te Essen. Deze rivier was gekanaliseerd en sterk vervuild door zware industrie, maar sinds 2010 is er veel verbeterd door de bouw van waterzuiveringsinstallaties. Bovendien moest een natuurherstelproject de meanderende vorm van de rivier in originele staat herstellen. De strook grond tussen de Emscher en het er evenwijdig aan lopende Rijn-Hernekanaal werd veranderd in een natuurlijk aandoend gebied met ooibos en andere oevervegetatie.

    In het kader van deze ‘Emscherkunst’ heeft Observatorium een zigzaglopende brug gebouwd van achtendertig meter lang. Deze bestaat uit drie paviljoenen met loopbruggetjes ertussenin. Deze brug dient als een plek voor ‘productief wachten’, totdat de nieuwe rivier haar natuurlijke loop zal hernemen. De gehele installatie heet ‘Warten auf den Fluss’.

    In 2016 was de Duitse dichteres Barbara Köhler (1959-2021) een van die gasten die wachtten op het stromen van de rivier. Het uitzicht op de omgeving, de rust van het wachten en de omgang met internationale gasten brachten haar tot het schrijven van 42 gedichten als even zo vele vensters op de wereld. Deze gedichten zijn gebundeld onder de titel 42 vensters op Warten auf den Fluss en werden vertaald door Ton Naaijkens.

    Alle gedichten zijn geschreven in gelijke rechthoekige blokken van negen versregels met 62 tekens, alle van dezelfde breedte. Door deze experimentele vorm lopen de gedichten uitgelijnd van de linker- naar de rechtermarge van de bladzijde en ze symboliseren daardoor de brug die de rivier moet overspannen. De strenge beperking die de dichter hiermee zichzelf oplegt, dwingt tot reflectie, tot het terugschroeven van taal tot haar meest samengebalde zeggingskracht. De bundel is rustgevend, zoals wachten kan zijn. De gedichten zijn helder, meditatief in hun overpeinzingen en associaties. Köhler laat hier als waarachtig dichter zien wat taal vermag.

    Brug – overzetten – übersetzen – vertalen – versprechen – beloven – loven

    Voor de vertaler moet het een gigantisch werk geweest zijn. Dit ligt uiteraard aan de vorm, omdat het gedicht in het Nederlands niet altijd op dezelfde manier uitgelijnd kan worden, maar ook aan de verschillende talen die samenkomen: welke buitenlandse woorden vertaal je, welke laat je staan? Welke betekenis geef je aan een woord dat meerdere betekenissen kent, of in een andere taal iets geheel anders inhoudt? Köhler geeft aan dat het woord ‘hier’ in het Frans en het Nederlands een geheel andere betekenis heeft, en accentueert het woord ‘wacht’ dat zowel imperatief als zelfstandig naamwoord kan zijn. Ook speelt ze met ‘warten’ en ‘Gegenwart’ en het begrip ‘present’, dat tijd, aanwezigheid en geschenk kan betekenen:

    WIR HABEN GEWARTET, we hebben gewacht. We hebben ons herinnerd
    & we hadden de tijd. We hebben samen gegeten, gedronken, feest
    gevierd, gepraat, gezwegen; we zijn gaan slapen & gaan dromen.
    ’s Morgens werden we wakker & waren op ‘n andere plaats, in de
    tijd. En de tijd was vrij en we waren wakker, wach, we waakten
    & wachten – dat was een zonder-woord-gevoel: tegenwoordigheid,
    GEGENWART, in gesprek ook, met je tegenover: ’n tegengeschenk,
    tegenwoord, tegenwoordig. Present, geschenk & gift. Er was een
    woord voor, een bed voor een tijd en voor een rivier: gemaakt.
    
    

    Zelfs zonder kennis te hebben genomen van het origineel kan de lezer slechts concluderen dat Naaijkens op voortreffelijke wijze een titanenwerk volbracht heeft.

    Vloeiend stromen, vloeiend spreken, vloeiend sterven

    Köhler doet bespiegelingen over heden en verleden, de naderende dood en taal. Hiertoe laat zij zich inspireren door de brug, het natuurschoon eromheen en de stilte. Zoals de brug de oevers van de rivier verbindt, slaan de gedichten een brug tussen mensen en hun verschillende talen. Köhler zoekt nauwkeurig naar verbanden, overeenkomsten en verschillen in vooral het Duits, Nederlands, Engels en soms Frans. Ze onderzoekt de zogenoemde ‘Valse vrienden’, woorden die in twee talen dezelfde uitspraak en schrijfwijze hebben, maar van betekenis verschillen. Köhler maakt bezwaar tegen het begrip ‘vals’ met betrekking tot deze woorden, omdat ze juist een nieuw perspectief bieden op wat bekend en vertrouwd, of vreemd en afstandelijk is:

    DOOD is een echte Valse Vriend, wijst ook in het Nederlands op
    een grens in de tijd, in de ruimte, bis hierher: tot hier dus,
    as far as this & auf Wiedersehen: tot ziens, adieu, de mazzel,
    tot morgen: und bis morgen. So long, hoe zit ‘t, hoe lang nog?
    het eindigt en verandert, anders wordt het en wordt anders, ‘t
    kan veranderd worden, kan worden en weer worden – wat dood was
    of dood verklaard, aangeduid werd, tot morgen of overmorgen en
    onder andere: onder meer, among (but not under) others, elders
    en met anderen, (in of onder water?) ander leven: zonder meer?
    
    

    De dood, die ‘echte Valse Vriend’ vormt met het leven een paradox. Leven is namelijk een beetje sterven en andersom. De bundel is opgedragen aan haar vader, die in 2016 stierf. Eén aan hem gewijd gedicht fungeert als venster in de bundel. De dood wordt ook gekoppeld aan de Emscher, die eerst dood was en door het wachtende project herleeft. Rivieren zijn ‘grenzen die we als rivier waarnemen’, aldus Köhler. Rivieren lopen naar het dodenrijk, maar kunnen worden overgestoken door bruggen. Ze noemt hierbij specifiek de zigzagbruggen in Japan, die bedoeld zijn ‘om demonen te verwarren’. Bovendien liet de dichter al doorschemeren dat het leven een wachten op de dood is.

    Poëzie is pauzeren

    De gedichten filosoferen over taal, leven en dood. Het eerste en het laatste gedicht zijn in dezelfde bewoordingen geschreven en maken daarmee de cyclus compleet. De verschillen in beide gedichten zijn aan te wijzen in een verschuiving van verleden tijd naar tegenwoordige tijd en omgekeerd. Bovendien zijn de in het eerste vers uitgesproken verwachtingen uiteindelijk werkelijkheid geworden:

    WE HEBBEN GEWACHT: wir haben gewartet. Müde und wach en wakker
    en moe. We hebben tijd samen doorgebracht, waarheen? Wohin? Où
    or where to? Op ’n rivier, op ’n plek, in twee, nee drie talen
    speelden we het Waiting Game, ein Geduldspiel, speldden we uit
    wat zou kunnen zijn, worden, wat was. Wat wachten inhoudt, wat
    wat het was. Wie wij was, wie wachtte. Men wachtte op ons, wij
    werden onthaald, men had geduld met ons & had met ons opgeteld
    Geduld. En verloren we het geduld toen, aan wie en wanneer? En
    wat hadden we aan al dat wachten? En komt ons toe wat nu komt?
    
    

    Wachten en geduld hebben. Het zou een handleiding kunnen zijn voor het lezen van poëzie, voor de gedichten van Barbara Köhler: lezen, wachten en geduld hebben, tot haar taal bezinkt en verbinding maakt tussen wat je al wist en wat zij je laat zien.

     

     

  • Oogst week 2 – 2020

    Vanuit het duister stralend licht

    De oogst van dit nieuwe jaar bevat twee titels uit het oude jaar, waaronder een literair tijdschrift, een nieuwe uitgave van de duizend-en-één-nacht vertellingen en de deze week verschenen roman over David Livingstone.

    Toen de Schotse ontdekkingsreiziger David Livingstone in 1873 in een klein gehucht in West-Afrika overleed, besloten zijn rouwende bedienden zijn lichaam naar de dichtsbijzijnde havenstad te brengen om hem te verschepen naar zijn thuisland voor een waardige begrafenis. Een tocht van tweeënhalf duizend kilometer wordt te voet afgelegd, het ontzielde lichaam van Livingstone op schouders gedragen. Met dit gegeven, en na veel onderzoek naar de feiten, schreef de in Zambia geboren schrijfster en advocate Petina Gappah de roman Vanuit het duister stralend licht. Ze heeft voor deze roman meer dan tien jaar historisch onderzoek gedaan, maar benadrukt dat het een roman is. In de proloog wordt op de geschiedenis vooruit gelopen: ‘Tijdens de lange, gevaarlijke tocht om hem naar huis te brengen, verloren tien leden van ons gezelschap het leven.’ Het verhaal van de tocht wordt verteld vanuit twee perspectieven, de mondige Halima en de diepgelovige Jacob.

    Vanuit het duister stralend licht
    Auteur: Petina Gappah
    Uitgeverij: AtlasContact

    De vertellingen van duizen-en-één-nacht

    De verhalen uit Duizenden-en-een-nacht zijn zo oud als de mensheid. Aanvankelijk dacht men dat de verhalen oorspronkelijk Perzisch waren. Later ontdekte men dat deze verhalen afkomstig zijn uit verschillende Arabische landen, deels van het Indiase subcontinent en uit Afrika. Het verhaal gaat dat het meisje Sjarazaad zich vrijwillig aanmeldt als een van de meisjes die koning Shahriaar elke nacht uit het volk kiest om met haar te slapen, de volgende ochtend wordt het meisje van die nacht omgebracht. Dit, omdat de koning eens bedrogen werd door zijn vrouw, wat hem niet weer zal gebeuren als hij ze steeds ombrengt. Maar Sjarazaads vertelt hem elke nacht zo’n mooi verhaal dat hij hongert naar meer. Ze houdt dit 1001 nachten vol, waarna de koning zoveel van haar houdt dat hij haar tot zijn definitieve vrouw maakt. Wat een mooi sprookje, en al haar verhalen zijn over de hele wereld heen vertaald. Richard van Leeuwen vertaalde al in de jaren negentig deze erotische sprookjes. Voor deze uitgave koos Van Leeuwen de mooiste passages die Floris Tilanus met prachtige pentekeningen illustreerde.

    De vertellingen van duizend- en-één-nacht zijn veelal liefdesverhalen, erotische passages, (imaginaire) reisverhalen en zelfs schelmenromans.

    De vertellingen van duizen-en-één-nacht
    Auteur: Gekozen en vertaald door Richard van Leeuwen
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Terras

    Het halfjaarlijkse literaire tijdschrift Terras bevat net zoveel pagina’s als waarin een goede roman verteld wordt. Deze zeventiende editie draagt het thema ‘Theater’. De redactie onderzocht wat er met een tekst gebeurt als je hem in het theater brengt. En wat je moet doen met een tekst om er theater van te maken. En vervolgens: wat gebeurt er als een toneeltekst in een literair tijdschrift verschijnt? Van Terras is bekend dat het de literaire grenzen opzoekt, eroverheen gaat, zo ook met het thema ‘Theater’. Met een niet eerder vertaalde theatertekst van schrijver Roland Barthes, De kracht van de klassieke tragedie, in vertaling van Walter van der Star. Een stuk uit 1968 van de Italiaanse auteur en filmmaker Pier Paolo Pasolini, Manifest voor een nieuw theater, vertaald door Piet Joostens, is gericht aan ‘De lezers’ en begint zo:
    ‘ 1) Het theater waar jullie op zitten te wachten zal, ook al is het volkomen nieuw, nooit het theater kunnen zijn waar jullie op zitten te wachten. Immers, als jullie op een nieuw theater zitten te wachten, dan doen jullie dat onvermijdelijk in de context van de ideeën die jullie al hebben, meer nog, iets waar jullie op zitten te wachten is iets wat op een bepaalde manier al bestaat.’ Wat een meesterlijke gedachte is en waarmee de redactie van Terras voortschrijdend uit de voeten kan; niets is volgens de verwachting in dit tijdschrift, maar des te prikkelender als je je erin verdiept. En wie verdieping zoekt, komt terecht bij Terras.

    Verder bevat dit nummer onder meer bijdragen van de Cubaan Carlos A. Aguilera, de Noor Johan Harstad, de Zwitser Jürg Federspiel en de Oostenrijkse Kathrin Röggla. Binnen het Nederlands taalgebied haalden ze toneelauteurs Bruno Mistiaen en Dounia Mahammed uit de literaire schaduw.

     

    Terras
    Auteur: Onder redactie van Kim Andringa, Tommy van Avermaete, Herman van Bostelen, e.a.
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Oogst week 23 – 2019

    Eiland in de nevel

    Alleen de intense ervaringen die wandelaar Pieter Kikkert ervoer tijdens zijn kilometerslange wandeling in 1791 kunnen wandelaars van nu misschien herkennen, maar niet het landschap. Dat zag er in 1791 heel anders uit dan tegenwoordig. Kikkert wandelde in die zomer over Texel, met een dichtbundel onder de arm, net nadat het had gestormd en er hele stukken land in zee waren verdwenen. Hij schreef er een verslag over dat Texelaar en auteur Lodewijk Dros (1964) twee jaar geleden bij toeval vond. Dros ontdekte wat een veelzijdig man Pieter Kikkert is geweest en gebruikte diens verslag voor Eiland in de nevel
    Eiland in de nevel geeft volgens uitgeverij Boom ‘een caleidoscopisch beeld van het leven op een eiland rond 1800’.

    Lodewijk Dros (Texel, 1964) werkt sinds 2000 bij dagblad Trouw, momenteel als chef van Letter & Geest. Hij studeerde theologie en was predikant in Amsterdam.

    Het originele manuscript van Pieter Kikkert is online te lezen.

    Eiland in de nevel
    Auteur: Lodewijk Dros
    Uitgeverij: Boom (2019)

    Met mijn smoel in mijn handen

    De Poolse schrijver Witold Gombrowicz (1904 – 1969) is een van de vertegenwoordigers van de Poolse avantgarde. Zijn werk wordt vergeleken met dat van Kafka, Ionesco en Beckett. Zijn belangrijkste romans zijn Ferdydurke, Kosmos, Pornografie, en Het huwelijk

    Paul Beers die bijna het gehele oeuvre van Gombrowicz vertaalde vond het Dagboek het hoogtepunt in diens werk en zeer relevant voor het begrip van zijn romans. Gombrowicz schreef het Dagboek bewust om het te laten publiceren, en formuleert daarin zijn gedachten over ‘hoe ons door anderen een vorm wordt opgedrongen, over waarom het onrijpe en lage machtiger zijn dan de rijpheid, over wat schijn is in de juist zo persoonlijk geachte beleving van kunstzinnige uitingen, waar de grenzen liggen van onze moraal op een aardbol waar het probleem van het explosieve bewonersaantal onmogelijk kan worden genegeerd.’

    Huub Beurskens maakte een selectie uit het Dagboek zoals dat in de integrale Nederlandse vertaling door Paul Beers in 1986 verscheen. Volgens uitgeverij Koppernik is Met mijn smoel in mijn handen ‘nog actueler en urgenter […] dan toen Gombrowicz het schreef’.

     

    Met mijn smoel in mijn handen
    Auteur: Witold Gombrowicz
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    De fantastische meneer Willughby

    In de wereld van ornitologen werd John Ray jarenlang als een van de eerste en meest toonaangevende wetenschappers gezien. Hij publiceerde in 1676 samen met Francis Willuhhby een standaardwerk de Ornithologiae. Op het moment van verschijnen was deze Willuhhby echter al overleden en de roem ging bijna volledig naar Ray.
    Totdat Tim Birkhead (1950), hoogleraar gedragsbiologie en wetenschapsgeschiedenis aan de universiteit van Sheffield , in contact kwam met een verre nazaat van Willuhhby en gewezen werd op diens werkelijke betekenis.
    Dit was voor Birkhead aanleiding om op onderzoek uit te gaan, gelden te verzamelen en vervolgens Willuhhby de eer te geven die hem toekwam. In het voorwoord schrijft Birkhead: ‘Dit is het verhaal van de man die de grondslag legde van het wetenschappelijk onderzoek van vogels.’

    De fantastische meneer Willughby
    Auteur: Tim Birkhead
    Uitgeverij: Atlas Contact(2019)

    In het hart van het hart van de schrijn

    Het nieuwe nummer van Terras, nummer 16 heeft als thema ‘Over de grens’ en biedt nieuwe poëzie van alle continenten.
    Over de grens is het grote internationale poëzienummer waarvoor in 2017 dichters, redacteuren, vertalers en conservatoren van poëziebibliotheken samenkwamen om over een nieuwe bloemlezing van poëzie van de hele wereld te spreken.
    Deze editie wordt voor abonnees vergezeld door de dichtbundel In het hart van het hart van de schrijn van Anne Kawala, uit het Frans vertaald door Kim Andringa.

    Terras #16 verschijnt aan de vooravond van de 50ste editie van Poetry International maar presenteert een eigen en onafhankelijke selectie dichters. Het nummer brengt lectuur uit Argentinië, Ierland, Italië, Oostenrijk, Zuid-Afrika, Frankrijk, Rusland, Duitsland, Cuba, Spanje, Engeland, Mexico, de VS, Hongarije, China en Schotland.

     

    Voor meer informatie: Https://tijdschriftterras.nl/hart-hart-schrijn/

     

    In het hart van het hart van de schrijn
    Auteur: Anne Kawaba
    Uitgeverij: Perdu – Terras Poeziëcentrum
  • Laatste edities literaire tijdschriften 2017 – Parelduiker, Tirade en Terras

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer

    Niets zo goed voor de literatuur als ingesneeuwd te zijn of door andere ‘maatschappijontwrichtende’ weersomstandigheden het huis niet uit te kunnen. De droom wellicht van menig lezer, om dan eindelijk eens de boekenkast te inspecteren op ongelezen exemplaren, of, voor wie wil weten wat er zoal speelt op het literaire podium, de literaire bladen van a tot z te gaan lezen. Oh, heerlijke winterse dagen waarbij de wind om het huis giert en alleen de leeslamp verlichting brengt. En dat met de laatste edities uit 2017 van De Parelduiker, Tirade en Terras.


    Neerlandicus Johannes van Der Sluis (1981) schreef voor De Parelduiker een mooi stuk over de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone (1914-1951). Mooi vooral omdat hij zijn enthousiasme over deze schrijver zo aanstekelijk onder woorden brengt. Van der Sluis is een Crone liefhebber en verschanste zich met zeven dozen nalatenschap van de schrijver die hem, net als Nescio, nooit meer heeft losgelaten. Dat er een C.C.S. Croneprijs bestaat, die in het leven is geroepen om het literair klimaat in de stad en de regio Utrecht tot bloei te brengen, moge bekend zijn.

    Dat het toekennen van literaire prijzen kan verworden tot een precaire aangelegenheid, lezen we in een bijdrage van letterkundige H.U. Jessurun d’Oliveira (1933). Vooral in tijden van een veranderende seksuele moraal zoals in de jaren zestig. Toenmalig jurylid van de Prozaprijs Amsterdam Jesserun d’Oliveira, droeg in 1967 Ik Jan Cremer Tweede deel voor als een van de kanshebbers. Deze nominatie bracht literair Nederland volop in beroering en er ontstond al snel een kamp voor en tegen.

    Vijftig jaar na dato doet d’Oliveira uit de doeken waar de vertegenwoordigers van de tegenpartij zich op beriepen en hoe aan Jan Cremer uiteindelijk toch die prijs werd toegekend. Het artikel is met aantrekkelijke documenten geïllustreerd, waaronder de afdruk van een brief waarmee een burger uit Almelo de burgemeester van Amsterdam oproept de prijs niet uit te reiken:

    U zoudt mij een bizonder genoegen doen indien U weigert een dergelijk sadistisch figuur een prijs uit te reiken, laat staan een hand te geven. 99,9% van de bevolking zal U daar dankbaar voor zijn!!

    Ook de ‘bekende schrijfster Maps Valk’, zo schrijft d’Oliveira, schreef een brief en keerde zich tegen Jan Cremer. Ondanks de protesten kreeg Cremer de prijs. Hoewel het bedrag van 4000 gulden linea recta naar de belasting ging, waar de schrijver nog een schuld had openstaan.

    Voor wie Maps Valk niet kent, kijk eens op dbnl.org waar enkele zeer lezenswaardige verhalen van haar staan, die tegelijk laten zien waarom zij het boek van Jan Cremer de prijs niet waardig vond. Evenwel een leuke bijvangst bij de grote namen die er in deze Parelduiker staan.

    Opvallend is dat Carmiggelt in verschillende bijdragen opduikt. In een van de dozen van C.C. Crone ontdekte Van der Sluis een ansicht van Carmiggelt aan de weduwe van Crone. In een stuk over Peter van Straten, wordt een tekening van Carmiggelts hoofd (2009) afgebeeld. En dan is er een bijdrage van Wim Hazeu over de ongemakkelijke verhouding die Carmiggelt onderhield met Lucebert; ‘Krokodillentranen van Carmiggelt, Of hoe hij Lucebert uitdaagde’. Zo kom je nog eens wat te weten.

    Jack van der Weide schreef een nieuwsgierig makend stuk over een vergeten schrijfster die bevriend was met de schilder Jan Veth en Lodewijk van Deyssel. Christine Boxman (1857-1924) publiceerde twee romans. Mede dankzij Clare Lennart die in 1934 haar eerste roman Stille wegen las, en haar bewondering daarover uitsprak, werd zij niet geheel vergeten.

    Ja mensen, lees, lees, lees De Parelduiker om je nieuwsgierigheid naar ons literair verleden te onderhouden.

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer
    Auteur: Hein Aalders
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Tirade

    Tirade omhelst de vorm en zet de vent buiten de deur. Waarmee maar gezegd wordt dat er naar het werk gekeken wordt en niet naar de man/vrouw erachter, dit naar aanleiding van alle discussies in de media over hoe een romanfiguur beoordeeld mag worden. Veel vertaalde poëzie, o.a. enkele gedichten uit de bundel Crow van Ted Hughes en vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Het blad opent met vier tienregelige gedichten met een verleidelijk binnenrijm van Emma Crebolder. Eenvoudige poëzie die een wereld aan handelingen, geuren en kleuren verraadt. En dat in steeds tien regels van hooguit zes woorden.

    Femke Baljet maakt haar debuut in de literatuur met het verhaal ‘Moederdag’. Een ijselijk sterk verhaal over een man die zich een leven verzint. Zich een zoon wenst, zo niet van zichzelf dan toch van een ander. Zeer onderkoeld geschreven en in veelzeggende zinnen: “Ik loop nu achter hem. Af en toe kijkt hij om zich heen maar nooit achterom, zijn magere benen houterig als de benen van Pinoccio.  Het begint koud te worden, hij heeft te weinig kleren aan.” Een verhaal waarin een onvermijdbare spanning schuilt.

    Verder verhalen van onder andere Jan van Mersbergen, Pieter Kranenborg en Oscar Spaans.
    Carel Peeters neemt in zijn ‘Kroniek van een roman’, Rob van Essens Winter in Amerika onder handen. Hij vindt het een levenloze roman: ‘(…) met een door niets verantwoord cynisme geschreven. Freewheelend.’ Boude uitspraken die evengoed er toe aanzetten deze roman te gaan lezen. Wat een mooi resultaat is van een interessante kroniek.

    Ted van Lieshout laat zich in de rubriek ‘De tirade van… ‘ uit over het afschaffen van kinderliteratuurprijzen. Gedurfd en eerlijk toont hij aan waar het ontbreken van onderscheidingen in de jeugdliteratuur toe leiden kan. “Wanneer er onder de kinderboekenschrijvers geen competitie meer bestaat zullen we veel van hetzelfde krijgen voorspelt Van Lieshout, en stomen we onze jeugdige lezers nooit klaar voor de ‘echte’ literatuur. Want: “… zo holt de leesvaardigheid van kinderen – en automatisch de volwassenen van de toekomst – achteruit.
    Ja, dan denk je wel verdorie, daar moet iets aan gedaan worden!

    Tirade
    Auteur: Onder redactie van Daan van Doesborgh, Anja Sicking en Marko van der Wal
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    TERRAS #13 China

    Chinese literatuur is een van de oudste literaire tradities ter wereld en gaat duizenden jaren terug. Het is nog maar sinds kort dat Chinees proza en poëzie steeds meer binnen het bereik van de Nederlandse lezers komt. Deels heeft dit mogelijk te maken met het feit dat de gebruiken en omgangsvormen in China volkomen vreemd zijn voor de westerse lezer. En natuurlijk speelde de Chinese censuur een grote rol, daardoor werd er maar weinig vertaald. Gelukkig zijn er op dit moment veel vertalers uit het Chinees, zo laat Sylvia Marijnissen – zelf vertaalster uit het Chinees en recensent van Chinese literatuur – in deze editie zien. Veel proza, poëzie en essays uit China, Hongkong, Taiwan en de VS.
    Marijnissen nodigde enkele vertalers uit om hun favoriete passages uit de Chinese literatuur te vertalen. Dat levert een boeiende verzameling literatuur op die een mooi zicht geeft op het China van nu. Met onder meer een vertaling door Daan Bronkhorst van enkele gedichten van Liu Xia, (weduwe van Liu Xiaobo, de mensenrechtenactivist en winnaar Nobelprijs voor de Vrede, in 2017 in gevangenschap overleden). Liu Xia schrijft toegankelijke poëzie, hier en daar teder en licht, hoewel haar omstandigheden benauwend zijn. Zoals in het gedicht: ‘Ingesloten – voor Xiaobo’.

    Zodra je op de trein stapte / ging ik zitten wachten bij de telefoon, / vol angst. Er zijn dingen / waaraan ik niet ontkom / je verdween plotseling / en liet me je schaduw die / bleef hangen.

    Verder in het nummer: Drie door Laurens Vancrevel vertaalde gedichten van Breyten Breytenbach en een essay van schrijver en vertaler Piet Meeuse, ‘Over het nut van fictie – Twee theorieën over het vertellen van verhalen’. Een boeiend stuk waarin Meeuse stelt dat fictie ons helpt te overleven: ‘Fictie komt tegemoet aan (…) het zoeken naar oplossingen voor ingewikkelde problemen. Daardoor wordt ons gedrag flexibeler en zijn we beter in staat toekomstige problemen op te lossen.’

    Terras lezen is als reizen over de wereld, naar ongekende gebieden waarbij je de verassingen van andere culturen ervaart. En dat alles vanonder de schemerlamp.

    Wie meer wil lezen over vertaalde Chinese literatuur: kijk eens op de website van Sylvia Marijnissen.

    TERRAS #13 China
    Auteur: Onder gastredactie van Silvia Marijnissen
    Uitgeverij: Stichting iwosyg
  • Terras 04 – Berlijn

    Het gaat goed met Duitsland. Praten we in Nederland over weinig anders meer dan crisis, bezuinigingen en werkloosheid, in Duitsland lijkt het alleen maar goed te gaan. U gelooft me niet? Neem dan eens een willekeurig literair tijdschrift en bespreek het zonder de woorden ‘bezuinigingen’, ‘voortbestaan’ en ‘subsidie’ te gebruiken. Als het u lukt neem ik mijn spreekwoordelijke hoed voor u af.

    Het vierde nummer van het literaire tijdschrift Terras is gewijd aan de Duitse hoofdstad Berlijn. En misschien is het daarom dat men bij de bespreking ervan niet de minste behoefte voelt woorden als ‘bezuiniging’ of ‘crisis’ te gebruiken. Misschien komt het omdat Terras herrezen is uit de as van het tijdschrift Raster dat in 2008 ophield te bestaan. Wie de dood heeft overleeft is nergens meer bang voor. Terras ademt in elk geval leven en rijkdom, kwaliteit en behaaglijke uitbundigheid.

    Berlijn wordt door Terras gepresenteerd als een centrum van een mondiale poëtische kracht. Oost, West, binnen- en buitenland, oud en nieuw worden hier moeiteloos verenigd. Dit nummer bevat meer dan 200 bladzijden vol met voornamelijk poëzie, maar ook proza en essays, al moet gezegd worden dat zowel proza en essays erg poëtisch aandoen. De opgenomen schrijvers komen uit Oost en West, heden en verleden, en binnen- en buitenland. Alle schrijvers wonen of woonden in Berlijn. Dit nummer bevat behalve veel uit het Duits vertaalde teksten ook gedichten van de Canadees Ken Babstock, de Amerikaan Peter Gizzi en de Française Michèle Métail.

    Het nummer is prachtig verzorgd en leest als een bloemlezing moderne poëzie. Aan geruststellende inleidingen ontbreekt het niet want bijna iedere dichter wordt voorgesteld met een wervend stuk van de vertaler. Geruststellen is hier en daar wel op zijn plaats want Terras heeft een duidelijke voorkeur voor het experiment.

    ‘Experimenteel’ impliceert voor sommigen wellicht ontoegankelijkheid als het om poëzie gaat, maar ontoegankelijkheid ontstaat pas na de soms bijna onverwoestbare aanname dat een gedicht geanalyseerd en begrepen moet worden. Wie moeite heeft deze aanname los te laten doet er goed aan om Ilja Leonard Pfeiffers essay De mythe van de verstaanbaarheid (2000) eens te lezen.

    ‘Je moet afleren je zorgen te maken over de oplossing van het cryptogram. (…) Je moet je analytische hoofd, dat wil snappen hoe het zit, afschroeven.’

    Deze woorden van Pfeiffer lijken hier goed op zijn plaats. De Berlijnse dichteres Monica Rinck lijkt Pfeiffers poëtica te delen als ze zegt ‘Ik wil ook niet alles begrijpen. Dit gaat zover dat ik bijvoorbeeld in sommige gedichten van Ezra Pound woorden die ik niet begrijp opzettelijk niet opzoek…’

    Vertaalster Miek Zwamborn die Rincks poëzie hier inleidt, geeft ook toe dat ze er in eerste instantie ‘geen touw aan vast kon knopen.’ Ze vergelijkt Rincks teksten met de nesten van prieelvogels waarin allerlei kleurige objecten verzameld zijn. Dat is een aardige vergelijking waarbij aangetekend moet worden dat ook in tweede en derde instantie wij nog weinig aanknopingspunten voor een touw kunnen vinden. Maar mooi is het wel:

    Horen jullie dat? Zo honen honingprotocollen, roodgouden, fraai, pasteus:
    kleverigheden. Pluis. Wat de honing bindt: protocollen.
    Bevlokte unies op grijs- tot grijsblauwe tricotstof. Mensen.
    Zullen. Hangen. Blijven. Net als zaden en pollen. Zoetheid van de lucht.

    De opvallendste dichter in dit nummer, is Ulf Stolterfoht. ‘Nederland kan een injectie Stolterfoht goed gebruiken,’ meent Terras-samensteller Erik Lindler en inderdaad onderga je deze poëzie als het effect van het onderhuids inspuiten van het één of ander. Maar wat is het in vredesnaam dat in de bloedbaan terecht komt? Na het lezen van zijn gedichten heb ik geen enkel idee maar de woorden ‘roezeboom en sijsjesheid’ nemen ze me niet meer af.

    Stolterfoht gebruikt zogenaamde Fachsprache als basis van zijn poëzie. Vaktaal, jargon ergens opgepikt en opgeknipt, verdraaid en verwrongen. Een klein voorbeeld uit het gedicht ‘para-vel beziet de huid’ waarin Stolterfohts omgang met leerlooiers is verwerkt.

    ten geleide: toen ik ongeveer twintig jaar geleden in ’t instituut
    de analyse overnam stond men semantisch tegen de muur. dit beslist
    ook als bedoeld in: niets betekende meer iets. grotendeels
    lusteloos villen. dat dachten we althans. de laatste
    oorlog deed de rest. volledig in ’t lab doorgebracht. afgestapt.

    Terras’ goed verzorgde website biedt zelfs een voorlezende Stolterfoht in beeld en geluid.

    Een andere interessante bijdrage in dit nummer is een poëtisch essay van nobel- prijswinnaar Herta Müller. ‘Altijd dezelfde sneeuw en altijd dezelfde oom’ gaat heel toepasselijk over wat anderen al gauw de ontoereikendheid van de taal zouden noemen. Maar die kort-door-de-bocht formulering is Müller duidelijk te makkelijk. Zij geeft aan de taal niet te vertrouwen en worstelt met formuleringen van belangrijke ervaringen. ‘Wanneer je precies wilt zijn in je beschrijving, dan moet je in de zin iets vinden dat heel anders is, pas dan kun je precies zijn.’

    Het is een prachtig essay dat juist hier tussen alle poëzie goed op zijn plaats is. De boodschap is glashelder en legt precies de vinger op de poëtisch gevoelige plek. Alleen voor dit essay zou je dit nummer al aanschaffen.

    Er is veel te beleven in dit nummer, teveel om hier uitvoerig te beschrijven. Wie kritisch wil zijn kan opmerken dat het wel erg serieus is allemaal. Al kun je om Rinck heel af en toe wel lachen en ook Stolterfoht probeert met lichte toetsen zijn materie wat minder zwaar te maken maar de algehele indruk is toch die van poëzie met een hoog soortelijk gewicht. De kwaliteit van veel van deze gedichten laat zich dan ook bijna in grammen uitdrukken. Stolterfoht weegt daarbij het zwaarst, gevolgd door Rink.

    Een welkome uitzondering tussen de zwaargewichten is Tilman Rammstedt die vrolijk drie pagina’s vol schrijft met een fantasie over een te houden feest. Twee van de drie pagina’s zijn erg goed en het voorlezen waard. Dit zijn de openingszinnen:

    Nu is het zover. Nu moet het gevierd worden. Het moet nu eindelijk gevierd worden. Nu moet je haar goed zitten. Nu moeten de gasten komen. Nu moet de muziek inzetten. Het buffet is geopend.

    Het moet nu eindelijk gevierd worden. Er is een aanleiding. Neem buitenspullen mee. Neem zwemspullen mee. Je wordt thuis gebracht. Dat spreekt vanzelf.

    En voort gaat het in een al feest vierende opsomming van plezier, maar helaas weet Rammstedt de vreugde net niet tot het einde toe door te zetten. Het feest gaat als een dovend peertje uit.

    Echt zwaar, maar dan in negatieve zin, wordt het tijdens het lezen van ‘Sociale Poëtica’ van Guido Graf, gevuld met beschouwingen over Erb, Rinck, Popp en Stolterfoht (die, op Popp na, allen in dit nummer vertegenwoordigd zijn). Graf produceert zinnen als ‘Voorzetselprefixen schrappen in samenstellingen is een daad tegen de tijd, tegen de duur die het gebruik van een woord, van een zin, van een wending in beslag neemt.’ Ben je in het begin nog geneigd dit essay als een voortzetting van het poëtisch experiment op te vatten, na anderhalve bladzijde wordt het tijd om door te bladeren. Maar, zoals gezegd, er is veel te beleven in dit nummer en het essay van Graf is dan ook gauw vergeten.

    Dit nummer van Terras is in meerdere opzichten geslaagd. De afzonderlijke teksten vormen een sterk geheel en veel auteurs zullen voor Nederlandse lezers onbekend zijn. De redactie van Terras rantsoeneert de pagina’s bepaald niet; auteurs krijgen flink de ruimte. Zo krijgt dichteres Marion Poschmann elf bladzijden voor haar gedichten. Collega Lutz Seiler mag het met maar liefst veertien doen. Op deze manier leer je tenminste nieuwe dichters kennen.