• Oogst week 46 – 2025

    De droom van elke cel

    Maricela Guerrero is een Mexicaanse dichteres die in 2006 debuteerde. Ze heeft inmiddels een aantal dichtbundels op haar naam staan, waarvan De droom van elke cel (2018) door Lisa Thunnissen uit het Spaans vertaald werd. In een afdeling van deze bundel is een lerares biologie aan het woord, mevrouw Olmedo genaamd, die door middel van plantkunde de relatie tussen mens en natuur verheldert. De taal staat daarbij centraal: de taal van de plantkunde met haar Latijnse namen, maar ook de vergelijking tussen plant en taal: vertakkingen, afstamming, netwerk. Sommige gedichten laten zich dan ook lezen alsof ze uit een biologieboek genomen zijn, maar de onderliggende betekenis gaat dieper. Er lopen wolven door de bundel, die saamhorigheid aanduiden en zorgzaamheid. Natuur en mens moeten verenigd en beschermd worden. Guerrero roept op tot doorbreken van het ‘imperium’, tot opstand en verzet. Vertaalster Thunnissen schreef een verhelderend nawoord.

    ‘Tonaliteiten

    Er klinkt gespin, gebries dat maant:
    Het regent harder dan verwacht en de aarde brult:
    een daad van wederopbouw:
    we dromen wordingen bladgroen
    herstel:
    adem:
    regen
    op de planten en de bomen op het braakland van hiernaast:

    tonaliteiten
    waarin de dag weerklinkt
    dat we elkaar ontmoetten
    en geliefden werden
    netwerken
    en verzoenende blikken.

    Een wolvin ligt op de loer hoog in het bos’

     

    Auteur: Maricelea Guerrero
    Uitgeverij: M10Boeken

    Ik trek mijn species aan

    Hoe vaak gebeurt het dat een dichtbundel meerdere drukken mag beleven? Ik trek mijn species aan van Sasja Janssen werd in 2014 voor het eerst gepubliceerd en mag zich dit jaar verheugen in een vierde druk. Het is Janssens derde bundel, waarin ze als dichter onderzoekt hoe je je als individu staande kunt houden te midden van alle anderen. Wat is belangrijker: het bewaken van je eigen identiteit of het gevoel bij een groep te horen? Zijn we onderling inwisselbaar of onderscheiden we ons door onze kenmerken? Zijn we als mensen vervangbaar of blijft de herinnering aan onze eigenheid bestaan? Janssen beschrijft op geheel eigen wijze hoe de wereld geschapen zou kunnen zijn, waarbij de taal een grote rol speelt. Leven en dood zijn  onlosmakelijk met elkaar verbonden en gaan naadloos in elkaar over: elk einde betekent een nieuw begin. Zowel bijtend als teder dicht Janssen over een universum dat ze zelf geschapen heeft, zoekt ze naar betekenis van zoiets vergankelijks als een mensenleven, naar manieren om te overleven en om tot de kern van jezelf te komen.

    ‘Tot vandaag alleen woorden gebruikt, maar zijn daarmee
    moeten ophouden, de ramen dampen van onze gist

    door het spartelende, het vallende, het tedere, het misselijke
    het zoete, het vleselijke, het blauwige bengelen om elkaars hals.

    We hebben ons gezongen. We hebben ons voor het eerst.

     

     

    Auteur: Sasja Janssen
    Uitgeverij: Querido

    Wat deed ik daar

    Tsead Bruinja gaf zijn bundel Wat deed ik daar de wijdlopige ondertitel ‘een voluptueus biografies visiedocument met intermezzo’s en af en toe een gedicht’ mee. De ironische toon die in in de ondertitel gezet wordt, is de opmaat voor de rest van de bundel. Of het werkelijk biografisch te noemen is, blijft in het ongewisse: weliswaar neemt Bruinja in de bundel diverse rollen op zich en vertelt hij over zijn jeugd, zijn ouders, het dorp waar hij opgroeide, maar dat hoeft niet allemaal waar te zijn. Eerder is het een zoektocht naar hoe hij in het leven staat. De gedichten zijn divers van vorm en inhoud: prozagedichten, een dialoog met ChatGPT, liefdesgedichten, zowel in het Nederlands als soms ook in het Fries. Er is een afdeling met gedichten waarin de dichter gesprekken voert met ouderen in een zorginstelling en zich daarbij zo inleeft, dat elk gedicht begint met de metamorfose van de dichter in de ondervraagde. Ontroering en humor gaan hier hand in hand.

    ‘lentige herfst winterig zonnetje

    als ik mij straks enigszins krakkemikkig zonder mijn jeugdigheid te verliezen
    langs geluk gebrek en ongemak richting een nieuwe onbekommernis begeef
    hoop ik dat het waar is wat ze zeggen en meer nog hoop ik dat het niet alleen
    een dorp vergt om een kind groot te brengen maar er evenzogoed een dorp
    voor nodig is om die laatste jaren tot een fatsoenlijk einde te laten komen
    zodat ik onderweg naar het gedroomde hiernamaals of de sublieme stilte
    bevrijd van achterdocht en argwaan ervan uit kan gaan dat ik genoeg fooi
    op de toog heb laten liggen om het er een keer op aan te laten komen’
    Deze bundel is genomineerd voor de 3- of 4 jaarlijkse Karel van de Woestijneprijs.

     

     

    Auteur: Tsead Bruinja
    Uitgeverij: Querido
  • Nest

    Nest

    In het voorjaar waren de twee kauwtjes weer begonnen met het bouwen van hun nest onder de dakpannen. Elke ochtend werd ik al heel vroeg wakker van het geklop, getimmer, gebonk en gescharrel in de dakgoot. Als ik dan de tuin in liep, lag het pad bezaaid met takken van soms wel een halve meter lang, met touw en pluis, veertjes, haren en plastic zakken. Ik kon niet anders dan me verwonderen over de jaarlijks terugkerende, blinde drift tot gehoorzaamheid aan de natuurwet van voortplanting en overleving, waar de kauw het symbool van is, omdat hij intelligent genoeg is om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden.

    Maar mijn nieuwe buurman, een jonge gast, werd helemaal gek van dat aannemersbedrijf boven zijn hoofd. Uitslapen in het weekend was er niet meer bij, zei hij. Hij wilde het nest afbreken en weggooien, en of ik de ladder wilde vasthouden? Ik protesteerde dat er misschien al wel eieren in lagen, maar hij zei dat er al genoeg kauwtjes op de wereld waren. Wie bepaalt dat, dacht ik, en mogen er daarom niet meer komen?

    Toen hij toch naar de dakgoot klom en aan de uitstekende takken van het nest begon te rukken, cirkelden de twee vogels nijdig krijsend rond zijn hoofd om hem te verjagen. Als hij geen baseballpetje had gedragen, dan hadden ze zijn hoofdhuid tot bloedens toe opengepikt. Het scheelde weinig of hij viel van de ladder af. Hij moest het opgeven en zei dat hij het nog wel eens zou proberen als de kauwen voorgoed weg zouden zijn. Ik heb maar niet gezegd dat deze vogels niet alleen trouw zijn aan elkaar, maar ook aan hun behuizing.

    ‘Hier veel kauwtjes op klapperende afspraken
    ze vliegen in patronen en twijfelen zelden, als de zon ze
    zwarter maakt, blijven ze stil, met pincetbekjes open.
    Hoe kiezen ze de liefde voor één andere kauw, hun veren
    graven hetzelfde de lucht wrakkig? Droevig maakt het
    dat denken in mensen in dierenkoppen.’

    Nu zijn de jongen uitgevlogen, het nest is leeg en verlaten. Maar volgend jaar zullen de kauwtjes er weer zijn, net als voorgaande jaren. En ik verheug me op hun komst. Omdat ze me doen hopen dat alles steeds opnieuw kan beginnen. Nu overal in de wereld van alles kapot wordt gemaakt, landen, steden, mensen, is het een geruststelling om van de kauwtjes te leren dat vernietiging en uitroeiing niet voor eeuwig door kunnen gaan. Een gebombardeerd land, een leeggeroofd nest, het maakt allemaal deel uit van hetzelfde, het verschil is er alleen in graad. Maar nestrovers en vernielers, ze zullen aan het kortste eind trekken, waar ook ter wereld. Noem me naïef, noem me sentimenteel, maar ik wil blijven geloven dat ‘De zachte krachten zullen zeker winnen/ in ’t eind’ van Henriette Roland Holst geen inhoudsloze versregel is. En dat mensenrechten overeind zullen blijven, om te leven in vrijheid en veiligheid, om een gezin te stichten, zonder enige beperking op grond van ras, gender, nationaliteit of godsdienst. Met voor ons allemaal een warm nest om in te schuilen.

     

    Uit: Sasja Janssen, Happy, 2017


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Verlangen naar ergens

    Verlangen naar ergens

    Je zou naar de eerste uitreiking van de Johan Polakprijs. Je keek ernaar uit. Sasja Janssen was met haar bundel Virgula de gelauwerde. De eerste keer dat je haar hoorde voordragen was tijdens een dichtersmiddag in een café in Amsterdam op een herfstige zondagmiddag in 2010. Je had je jongste zoon van elf meegenomen in de overtuiging dat je met de grote poëzie niet vroeg genoeg kunt beginnen. We stonden achterin bij de toiletten waar in een uitgespaard hoekje werd voorgedragen. Haar poëzie maakte indruk. Je begreep er niet veel van, maar vond het prachtig. Haar voordracht was alsof ze je deelgenoot maakte van een geheim, intiem leven. Die avond van de Johan Polakprijs uitreiking waren er treinen uitgevallen. Terug naar huis zou die nacht niet gaan. Om je verlangen naar deze prijsuitreiking te smoren, ging je vroeg naar bed met een boek. Je viel van het ene verlangen in het andere.

    In De muur voorbij begeef je je zonder moeite in de sfeer van Oost-Berlijn. In oktober 1981 vertrok Harrie Lemmens vanuit Nijmegen naar Oost-Berlijn. Er was een onbestemd verlangen naar iets. Als vertaler kon hij werken bij Vertaalbureau Intertext, waar brochures over onder meer be- en ontwapening en redevoeringen werden vertaald. Hij verblijft er met onderbrekingen zo’n vier jaar. Hij hield zijn bevindingen bij in een notitieboekje. Lemmens heeft een fijne stem van vertellen. Hij zoekt mensen op, legt contacten om literatuur te kunnen vertalen, leert er zijn latere vrouw Ana kennen. Op zijn eerste werkdag wordt hij rondgeleid door de directeur Herr H.. ‘Op de trap komen we een kleine jonge vrouw met lang kastanjebruin haar tegen.’, schrijft Lemmens. In het voorbijgaan knikken ze elkaar toe. ‘Das was Frau Tavares, unsere Portugiesin,’ zegt Herr H.. En zo, in kleine opmerkingen passeren ze elkaar in het boek. Tot Ana hem in de pauze meeneemt op haar wandelingen door de Leipziger Straße. Vanonder het kopje ‘Leipziger wandelgang’, waarvan er dertien zijn opgenomen, klinkt Ana’s stem. Mooie stukjes tekst waarin zij een vraag beantwoord, uitleg geeft of enthousiast reageert op een vertelling van Lemmens.

    In de stad zijn het theater en de kroeg druk bezochte gelegenheden. In de eerste weken bezoekt hij de voorstelling Dantons Tod door het Deutsches Theater, en is verrukt. ‘En dan te bedenken dat Georg Büchner eenentwintig was toen hij het schreef… In 1835 was dat.’, noteert Lemmens in zijn boekje. Treffend te lezen dat, ‘Het einde [van Dantons Tod] is koude-rillingen-werk: Lucille, de vrouw van de afgevaardigde Camille, roept “Vive le roi”, waarna onmiddellijk twee burgers op haar afkomen, een van de twee minzaam over haar wang strijkt en zegt: ‘Na, kommen Sie mal mit!‘ Een indringende scene, ‘omdat het zinnetje rechtstreeks verwijst naar de benaderingswijze van de politie hier’.

    Dresden is een stad die fascineert, zo dicht bij een vernietigend deel van de geschiedenis te verkeren. Hij maakt een afspraak met een vrouw die als kind het bombardement op Dresden heeft meegemaakt. Zij vertelt over haar tante die net geopereerd was toen de bommen vielen. In paniek rende ze naar buiten in de richting van de dierentuin. Waar ze onder een lage stenen bank kroop. Dan hoort ze naast zich iemand zuchten. ‘Eerst zag ze niets, het was nacht, maar in het licht van de brandende fosforbommen merkte ze plotseling dat er een leeuw naast haar lag, die verlamd van angst was.’ Hysterisch nu, vluchtte ze het park uit, zag mensen in rioolputten verdwijnen, liet zichzelf er ook in zakken. Uiteindelijk raakte ze voor twee jaar in een coma.

    Lemmens is in Oost-Berlijn als Fassbinder op zesendertigjarige leeftijd dood wordt aangetroffen in zijn woning, ’tragisch dat een kunstenaar zo jong sterft.’ Ook als Brezjnev sterft, ‘wat nu?’ Het overlijden is een dag geheim gehouden, ongetwijfeld om de nodige voorbereidingen te treffen ter beantwoording van die vraag, hoewel, de brave man was allang zo goed als dood.’ Als de vriend uit Nijmegen, die hem heeft aangezet tot dit verblijf in Oost-Berlijn, hem vraagt wat hij hier nou vooral ontdekt heeft, antwoordt Lemmens dat dat misschien wel ‘verlangen’ is. Een verlangen dat zowel uit iets positiefs als negatiefs voortkomt. Positief is dat de mensen hier nieuwsgierig zijn. Negatief is hun eeuwige zelfbeklag, ’te weten dat hun verlangen nooit bevredigd wordt’.

    De films en toneelstukken die hij bezoekt, de boeken die gelezen worden vormen een onafzienlijke lijst. Het culturele leven lijkt rijker dan ooit. Je noteert namen, Christoph Hein bijvoorbeeld, die je nu eindelijk eens lezen moet, en Irmtraud Morgner. In De muur voorbij, Berlijnse fado loop je mee met een leergierige jongeman die met vrienden drinkt en discuteert, zich laaft aan literatuur en theater. ‘Rondlopen en speuren naar beelden, vooral van vergankelijkheid, het vreten en wroeten van de tijd.’ Dat is wat de vertaler in spe bewoog. Prachtig boek, gretig gelezen.

     

     

    De muur voorbij, Berlijnse fado / Harrie Lemmens / 304 blz. / De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Sasja Janssen valt van de ene Poëzie prijs in de andere

    ‘Het duizelt me!’, liet Sasja Janssen op social media weten nadat bekend werd dat ze voor haar gehele oeuvre de A. Roland Holst Prijs werd toegekend. Niet gek als je eerst de Johan Polak Poëzieprijs wint voor Virgula (2021). Dan ben je ‘Flabbergasted’, valt alles uit zijn verband, zoals haar poëzie dat geregeld doet.

    Sasja Janssen (1968) publiceerde zes dichtbundels en twee romans bij uitgeverij Querido. Regelmatig publiceert ze met poëzie of proza in De Gids, en geeft les in poëzie aan de Schrijversvakschool Amsterdam.

    In haar poëzie tovert Janssen absurde beelden tevoorschijn en wapent de lezer tegen gemeenplaatsen. Tijdens een integrale voorlezing van haar laatste bundel Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica (2024) in Theaterzaal Luxor in Zutphen was het opmerkelijk hoe het publiek door haar bijzondere taalgebruik zeer goed bij de les bleef. Haar manier van woorden geven aan wat wordt waargenomen is consequent uniek. (‘Het heden is een lach in het donker’, of ‘Wat slapen de geraniums licht’).

    De Johan Polak Poëzieprijs is een nieuwe prijs en wordt jaarlijks uit gereikt aan de beste dichtbundel die er in de voorgaande drie jaren verschenen is. Aan de prijs is naast de eer een bedrag van  € 50.000 verbonden. De jury voor dit jaar bestond uit Janita Monna, Bertram Mourits, Mathijs Sanders, Carl De Strycker en Anne Vegter.

    De gelauwerde bundel Virgula (won in 2021 de Awater Poëzieprijs en werd genomineerd voor vier andere poëzieprijzen), verscheen dit jaar in Engeland bij uitgeverij Prototype in vertaling van Michele Hutchison, die eerder ook Ik trek mijn species aan vertaalde (Putting on my species) en werd in 2022 naar het Spaans vertaald door Micaela Muylem.

    De Johan Polak Poëzieprijs wordt dit jaar voor het eerst uitgereikt aan de beste Nederlandstalige bundel die in de afgelopen drie jaar (2021-2023) is verschenen.

    De officiële uitreiking vindt plaats op vrijdag 31 mei in ‘De Salon’ van De Balie in Amsterdam
    Aanvang: 20:00 uur

    Lees hier de recensie van haar laatste bundel: Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica

    (Foto auteur: Bianca Sistermans)

     

     

  • Wij bezitten het juiste heden 

    Wij bezitten het juiste heden 

    Sasja Janssen benadert in haar nieuwe bundel Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica, net als in haar voorlaatste bundel Virgula (2021), de telkens veranderende werkelijkheid met licht, logica en beheersing. In een schemerige atmosfeer waarin het logisch denken verder weg lijkt dan ooit, voert ze ons naar een bewustzijn van het heden in allerlei levensfasen. De bundel bestaat uit vijf afdelingen, voorafgegaan door een ‘heden’ gedicht. Verder wordt elke afdeling ermee afgesloten. In ‘Het heden is een lach in het donker’ spreekt ze zich uit, verwijzend naar de liefdesroman van Vladimir Nabokov over een jong meisje en een oudere man, over het heden dat, ‘wacht op zijn volledige openbaring / maar het houdt niet van mij en zwerft in zichzelf / prostitueert de tijd’.

    De ik ziet krampachtig verlangend uit ‘naar de judaskus die het [heden] me geeft’ dat impliceert dat je er mag zijn, voor jezelf en de anderen. Daarmee is het volledig op willen gaan in het heden een diep verlangen van de ik om los te kunnen komen van wat geweest is en komt. 

    Ontoereikendheid van taal

    Janssen werpt in ‘het beste’ uit de eerste afdeling ‘Wat slapen de geraniums licht’  fundamentele vragen op: ‘zijn wij alomtegenwoordig? Zijn wij goed?’ Uit haar antwoorden blijkt dat de ‘verzengende feitelijkheid’ ons raakt en de moraal ons op een dwaalspoor zet met dood maken tot gevolg: ‘Wij deden altijd het betere / we verlangden elkaar kapot, vraten elkaars bezit’. Onze taal blijkt ontoereikend te zijn om de alomtegenwoordige schepping en onszelf te doorgronden. Al het denken over zonde en schuld is de schuld van Bijbelse theorie. Dat laat de ik achter zich. ‘Tot niets keer ik weer’ blijft dan over. Er is enkel een hier en nu. In ‘Lichte geraniums’ verwoordt ze ‘doodgemoedereerd’ het verwerkingsproces van een overlijden van moeder: ‘bij haar wake branden ze een kaars / zodat ze niet verdwaalt in haar einde’. Het brengt de ik dichter bij het besef van de eigen vergankelijkheid ‘dat de mensen net zo snel gaan als de aarde / door de ruimte schiet’. In ‘de heimwee als meisje van zestien’ komt de ik erachter dat ‘het heden is het probleem van de kunst’, omdat je als kunstenaar in dat heden wil blijven dat achter je geraakt. In ‘Het heden is een gramarijn’ drukt het voortdurend bestellen van ‘dure kleren’ een verlangen uit om als taalkunstenaar gewetensvol om te gaan met woorden.

    Licht en duisternis, dood en leven duelleren met elkaar in de tweede afdeling ‘Het bloeiende uitroeiende’. In de bloemrijke omgeving leeft bij de ik een verlangen naar wat is geweest. In de plantenkas ervaart de ik existentieel ‘das Seiende und das Wesen’. Terugkomst in de moestuin betekent ‘op zoek naar het juiste woord’, om woorden aan herinneringen te geven aan het ouderlijk huis. De betrokkenheid op het proces in de natuur helpt om de essentie van het heden te benaderen.  In ‘Het heden is een sjibbolet’ wijst op het onderscheidend woord ‘heden’ gestalte te geven als toegang tot het leven: ‘Wij bezitten het juiste heden, enig in onze enige soort / wij zijn de logica in onszelf’. 

    Verrassende beeldwendingen

    Het heden diagnosticeert in de derde afdeling ‘De eerste bloem als een magnolia’ de wording van de ik tot een taalgevoelig dichter. In het kerngedicht ‘ben ik niet langer een teken begint men mij te betekenen’ lezen we de wording van ik: 

    ‘een vader zegt entropie mijn moeder logica
     mijn vader schaken mijn moeder dammen
     […]
     daarna scheppen ze mijn duisternis leeg
     en word ik van een deling een speling 

     En 

     zo ritmeer ik tussen alle klanken, maar verlies mijn taalloosheid
     ons oudste zintuig
     toch praten we het opgetuigde brood met smaak’

    Op de hotelkamer in ‘ik ging naar Greenwich’ gebruikt Janssen een van de zovele verrassende beeldwendingen. Zo ‘zapte ik op de hotel-tv, at dinerkokkels als ontbijt / zo kort beefde de nacht, tot ik het ei uitpoepte / en uit het flinterdunne heden glipte’. De ik beseft in ‘terug naar het eerste lied’ als een eerbetoon aan Nicole, haar tweelingzus, dat ze in een paradox leeft: ‘dat ik pas dood kan na jou / smaect men bitteren suere / mij gruwelt dat ic leve / maar mijn moeder heft opnieuw haar lied aan als ze zwarte bessen plet’. Hadewijch komt haar tegemoet in haar mystieke eenheidservaring. Het obsessief kopen geeft in ‘Het heden is geen zweetdoek van Veronica’ een ‘onbetaalbaar maar vol heden’, en ‘je bent elke keer nieuw’.

    Patronen in de werkelijkheid

    De ‘Spinsels’ hebben in de vierde afdeling ‘Tapijtbloemen’ direct betrekking op wat Janssen zich als dichter bij het heden voorstelt: ‘zwijgen is van vrouwen, het niet-bestaan, daarom bezitten zij het weten / van voor de tijd dat het denken bestond / van de tijd waarin weten ruimte was’.
    Het gedicht spint woorden ‘omdat ze niet lineair zijn / en valt zijn prooi aan om zo mooi mogelijk te glinsteren’. De ik houdt ‘meer van de waanzinnige / dan van de dichter, omdat die zichzelf betekenis ontzegt’. In het derde spinsel’ staat er wat Janssen zich als dichter toewenst: 

    ‘soms hebben we een filosoof nodig voor onze woorden en dingen
     soms een psychiater om te weten dat we menselijk zijn, een kosmoloog
     die ons opgeilt met zijn verstrekkende kennis, te wijd
     om na te vertellen, een priester die seks tussen God en materie
     stelt, waardoor we ons kunnen vermeerderen, soms een moeder
     of vader voor duiding van een wereld van taxonomie’ 

    Janssen verenigt als dichter de filosoof, psychiater, priester en ouder in zichzelf. Net als melancholie is het ontdekken van patronen in de werkelijkheid voor de ik belangrijk. In ‘Het heden is de derde ruimte’ gaat het om wat niet hoorbaar is in klanken, maar wel wordt gesuggereerd met de sjwa-klank. Het heden is niet te vatten, het is iets wat het verleden uitvreet en voor toekomst geen geduld heeft: ‘ik ben het stuifmeel van mijn eigen tijd’.  

    In het gedicht ’een spiegel in de aarde’ uit de vijfde afdeling ‘De narcissen buigen’ schemert het niet, ‘toch is er geen licht, toch is er geen donker’. De krans van bladeren aan de oever toont een zwartgroene onderwereld en een doorzichtige bovenwereld. Op het meer mengt toekomst en verleden zich, ‘in zijn oog dat nooit sluit / de narcissen buigen, een uil draait zijn kop, vlinders geborgen // dan zinkt ze en duikt op het gedicht als nieuwste tijd’.

    opmerkelijke metaforen en personificaties

    Het gedicht opgedragen aan Marianne Moore spreekt van een ‘coup de foudre’ in de eenzaamheid ‘van het onzegbare in elke geboorte en moord’. Hoezeer ook alle schepsels zich afhankelijk weten, ‘alleen het gedicht echoot ons in en uit en slijpt zichzelf ruw / naar de wetten van zijn enige geluid’. Of het nu Freud of Rimbaud is – in het gedicht dat Janssen aan zichzelf opdraagt – hij is de enige ‘die mijn gedichten begrijpt, volledig / als een wortelkanaal / daar heb ik wel wat seks voor over’. Hoe het ook zij: ‘de poëzie laat me nooit / meer in de steek’. 

    Janssen heeft een beeldrijke bundel geschreven. Strak gecomponeerd vol van opmerkelijke metaforen en personificaties die er niet alleen een objectiverend karakter aan verlenen, maar ook indirect het levenloze tot leven wekken. Ze toont een voorliefde voor eigenzinnig geformuleerde versregels die in hun vervreemdende werking de distantie tot de lezer vergroten, zoals ‘performatieve papavers’ of ‘de ostranenie van het organisme’. De ik heeft aldoor ‘alleen maar Gegenwart’ willen leven, om aan het eind in haar tijdelijk huis te worden teruggebracht ‘tot mijzelf in een kaal bad’. De vraag blijft in dit schaakspel dat leven heet: ‘waarheen toch en waarvandaan’, aldus de Perzische dichter Omar Khayyam. 

    Vooralsnog lijkt voor Janssen poëzie te ontstaan uit een geheimzinnige werkelijkheid, die aan haar betekenissen toedicht en waarop ze vervolgens al schrijvend grip probeert te krijgen. Ze doet er in de hele bundel alles aan ‘het juiste heden’ te veroveren: ‘enig in onze enige soort / wij zijn de logica in onszelf’. In die zoektocht naar zichzelf als dichter probeert ze een vast geloof in het heden te doen oplichten. Deze bundel is een intense zoektocht naar betekenisgeving voor dichter en lezer. 



     

  • Roelof ten Napel krijgt De grote Poëzieprijs toegekend

    Vrijdagavond 13 mei werd in het radioprogramma Opium op NPO 4 bekend gemaakt dat De grote Poeziëprijs werd toegekend aan Roelof ten Napel voor zijn bundel Dagen in huis.

    De jury van de Poeziëprijs had negentig bundels te beoordelen waarvan er vijf op de shortlist terechtkwamen. Naast Roelof ten Napel met Dagen in huis, waren dat Piet Gerbrandy met Ontbinding; Sasja Janssen met Virgula; Tijl Nuyts met Vervoersbewijzen en Charlotte Van den Broeck met Aarduitwrijvingen. De jury vond de bundel Dagen in huis een feestje om het leven te vieren en prijst daarbij de poëzie in het algemeen, ‘die weer eens bewijst een huis te kunnen zijn, met ruime, lichte kamers, voor al wie er onderdak zoekt’.

    Uit het juryrapport: ‘Ten Napel is een dichter die tegelijkertijd ook schilder, beeldhouwer, fotograaf is. Hij schrijft vanuit een bezield perspectief, waardoor zijn observaties nergens afstand scheppen, maar vaak juist iets tactiels en soms zelfs intiems hebben. Het huis uit de titel bijvoorbeeld, is ook op te vatten als ons lichaam, of dat van een ander: “Als we ons medeleven verbeelden als verplaatsen-in,/ hebben we dan van de ander geen huis gemaakt?”’

    Het in huis zijn wordt letterlijk vergeleken met ‘in leven zijn’ wat tegen de achtergrond van een pandemie onnadrukkelijk maar onoverkomelijk nog eens aan betekenis wint, schrijft de jury.

    Van dichter, prozaschrijver en essayist Roelof ten Napel (1993) verschenen, naast Dagen in huis, de bundels In het vlees (2019) en Het Woedeboek (2014), alsook de romans Een zoon van (2020) en Het leven zelf (2017).

    De jury van De Grote Poëzieprijs 2022 bestond uit, Elke Brems, (hoogleraar Letterkunde KU Leuven); Vicky Francken, (dichter, vertaler, redactielid tijdschrift Awater); John Jansen van Galen, (journalist); Maarten Moll, (schrijver en journalist) en Xavier Roelens, (dichter en poëziedocent).

    Aan De Grote Poëzieprijs 2022 is een bedrag verbonden van 20.000 euro.  Dagen in huis verscheen bij uitgeverij Hollands Diep in  2021.

     

     

  • Shortlist Ida Gerhardt Poëzieprijs 2022

    De shortlist van de Ida Gerhardt Poëzieprijs werd deze week bekend gemaakt door Stichting Zutphen Literair. Er werden honderdveertig bundels ingezonden waaruit de volgende vijf kans maken de prijs te winnen.

    • Erik Bindervoet, De droom van eb inkt diervoer / Uitgeverij De Harmonie.
    • Charlotte Van den Broeck, Aarduitwrijvingen / Uitgeverij De Arbeiderspers.
    • Maarten van der Graaff, Nederland in stukken / Uitgeverij Pluim.
    • Sasja Janssen, Virgula / Uitgeverij Querido
    • Anne Vegter, Big data / Uitgeverij Querido

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    De winnende bundel wordt 15 februari bekend gemaakt. Zaterdag 2 april zal de prijs feestelijk worden uitgereikt in Zutphen, de stad die dichteres Ida Gerhardt de laatste jaren van haar leven regelmatig bezocht. De jury bestond uit Maria Barnas en Onno Kosters.

    Ida Gerhardt leefde sinds 1967 in het nabijgelegen Eefde en haar laatste vijf jaren in een verzorgingstehuis te Warnsveld, waar ze vijfentwintig jaar geleden overleed. Een van haar beroemdste gedichten, ‘Dolen en dromen’, is gesitueerd in Zutphen.

    De prijs werd voor het eerst in 2000 toegekend aan Kees ‘t Hart voor zijn bundel Kinderen die leren lezen, de laatste keer won Marieke Lucas Rijneveld de prijs met haar bundel Fantoommerrie (2020).

    Kijk hier voor meer informatie.

     

  • De zomerboeken van Els van Swol

    De zomerboeken van Els van Swol

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden.

    Els van Swol gaat tijdens de zomer  de volgende boeken lezen: 

    Willem Jan Otten – De Om
    Damon Galgut – De belofte
    Sasja Janssen – Virgula
    Philo van Alexandrië – De schepping van de wereld

     ‘De Om ga ik lezen omdat ik tijdens de pandemie verslingerd ben geraakt aan niet alleen wandelen, maar ook aan de serie ‘Terloops’ van Van Oorschot. Als het even kan loop ik de routes in Nederland na. De route van Willem Jan Otten in De Om gaat rond de Sloterplas in Amsterdam-Osdorp. De belofte van Damon Galgut kreeg ik van Literair Nederland ter recensie. Het boek speelt in Zuid-Afrika, en dat sluit prachtig aan bij een ander uitstapje: naar de expositie met werk van de Zuid-Afrikaanse schilder Deborah Poynton in het Drents Museum.  Op reis gaat ook altijd een dichtbundel mee. Dit keer Virgula (komma) van Sasja Janssen. Ik las er een lovende recensie over van Alfred Schaffer en besloot de bundel meteen te kopen; zo kunnen recensies dus uitwerken. Nog een boek van een uitgever wiens uitgaven ik volg: De schepping van de wereld van Philo van Alexandrië in een vertaling van Albert-Kees Geljon. Deze ga ik lezen ter voorbereiding van een cursus in het najaar.’

     

    Lees hier meer over Els van Swol

     

  • Oogst week 22 – 2021

    Fantasii

    Op een dag ontwaakt een meisje in een letter en spreekt ze geen mensentaal meer, maar de taal van de bomen. Als ze uiteindelijk terug naar huis wil gaan, heeft ze geen thuis meer en is haar enige bezit haar handschrift. Daarover gaat de dichtbundel Fantasii van Ineke Riem (1980).

    In 2013 debuteerde ze met de roman Zeven pogingen om een geliefde te wekken, die haar de Bronzen Uil en een nominatie voor de Libris Literatuur Prijs en de Academica Literatuurprijs opleverde. Momenteel is ze een van de drie schrijvers die in het Witsenhuis verblijft, waar auteurs maximaal vijf jaar lang gratis kunnen wonen en werken.

    Fantasii
    Auteur: Ineke Riem
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Virgula

    Sasja Janssen (1968) schrijft proza en poëzie. In 2001 debuteerde ze met de absurdistische roman De kamerling, over een jongen die is ondergebracht in de bibliotheek van zijn leraar Nederlands, die niet bepaald vriendelijk met hem omgaat. Haar dichtbundel Ik trek mijn species aan leverde haar een nominatie op voor de VSB Poëzieprijs.

    In het juryrapport werd dit werk ‘een perfect aan elkaar geregen korset van woorden’ genoemd. Daarnaast is Janssen poëziedocent aan de Schrijversvakschool in Amsterdam en bij CREA. In haar nieuwe dichtbundel Virgula, vernoemd naar het Latijnse woord voor ‘komma’, strijdt ze met gedachten en taal tegen stilstand.

    Virgula
    Auteur: Sasja Janssen
    Uitgeverij: Querido

    De belofte

    De Zuid-Afrikaanse auteur Damon Galgut (1963) schreef op zijn zeventiende al zijn eerste boek. Hierna volgden er meer titels, waarvan enkelen naar het Nederlands zijn vertaald. Zijn roman In een vreemde kamer (2011) werd genomineerd voor de Man Booker Prize.

    In zijn nieuwste roman, De belofte, staat een familiegeschiedenis centraal. Een stervende vrouw dwingt haar man te beloven dat de zwarte hulp na jarenlang trouwe dienst haar eigen huis zal krijgen. De man komt deze belofte niet na. Hun kinderen gaan hier alle drie anders mee om: de een is laf en durft geen keuzes te maken, de ander denkt alleen aan zichzelf en hoofdpersoon Amor hoopt, geleid door schuldgevoel, dat zij het verschil kan maken.

    De belofte
    Auteur: Damon Galgut
    Uitgeverij: Querido
  • Verhalen en een bepaald evenwicht in poëzie in Tirade

    Verhalen en een bepaald evenwicht in poëzie in Tirade

    Naast dat literaire tijdschriften een podium zijn voor literaire, niet eerder gepubliceerde bijdragen, is het ook een podium voor beeldende kunstenaars, al spelen ze een begeleidende rol. De cover van deze editie is gesierd met een linosnede van Anne Caesar van Wieren. Een schaap in de armen van een wolf (niet de wolf alleen in kleren, ook het schaap). De wolf huilt met opgeheven kop en gesloten ogen vol overtuiging naar een felrode maan, het schaap, met sluw toegeknepen oog, kijkt weg uit de omhelzing, als wil het zeggen: ‘geloof niets van wat u hier ziet’. Dan ontstaat de neiging te geloven dat wat er in deze editite aan literair werk is opgenomen, te maken heeft met verborgen agenda’s, versluierde waarheden. 

    Sasja Janssen opent met het gedicht ‘Virgula’. Is dit een godin, een plant? Nee, het is een middeleeuws interpunctieteken, gebruikt om in een tekst een rustmoment aan te brengen. Maar Sasja Janssen schept haar eigen Virgula, als getuige van een schakelmoment in een leven. Waar in kamers met een bed en koelkast, in een shagrokend tijdperk met een liefde geleefd wordt, tot die liefde eindigt: ‘en daar kom jij pas goed tot leven, Virgula, in het uitzicht op een grote sparrenboom, / in de groene eenzaamheid, ik slaap nog een laatste nacht bij de jongen, dan loeit de ochtend ineens vertrek en ik steel het lage bed met mijn wollen deken, stijf van / ouderdom // de witte kat huilt, en samen wachten we, we wachten tot iemand ons uit deze kamer haalt’ Virgula als interpunctie in het leven van een dichteres, schakelend naar nieuwe richtingen. 

    Bepaald evenwicht in poëzie 

    Vijf gedichten van Maarten Buser, waarin een zoeken naar houvast, wegzinken in beelden, in gedachten. Fijne gedichten die een bepaald evenwicht hebben bereikt tussen waarneming, woordkeuze en indeling van strofen.

    ‘Hoorbaar ademt het tuinafval
    Ik wil geloven want dat geeft vorm
    Onder de aangeharkte bladeren slaapt

     een wolf. Kan iemand me bijpraten
    over de regels, vandaag nog?
    Iemand heeft een wildrooster 

     gefiguurzaagd en ik blader door
    (…)’

    Van de Somalische dichter en schrijver Alara Adilow zijn drie gedichten opgenomen. Getiteld, ‘In het dagelijkse’, ‘Het spijt me moeder’ en ‘De grot’, indringende poëzie, over seksuele geaardheid, soms bezwerend, doortastend, vaak met een mythische lading, maar zeer aansprekend. De laatste strofe van ‘De grot’, Seizoenen verschroeien, / rivieren spartelen in de hitte als vissen op het droge. / We verliezen elkaar in het felle licht. / Kiezen op de dood te wachten / bij de oevers van een kaal geworden waterlichaam. De dood rijdt aan op een mank stekeldier.’ En lees meer van haar in Tirade.

    Meer poëzie van de Zuid Afrikaanse dichter Pieter Odendaal, vertaald door Jente Rhebergen en Willemijn van den Geest, van Sean O’Brien, vertaald door Willem Groenewegen, en Tonnus Oosterhoff. 

    Lees de verhalen

    Van Viktor Frölke een geweldig mooi verhaal over moeder/zoon relatie. ‘Waarom ik met mijn moeder ben getrouwd’. Zoon gaat met zijn moeder naar Parijs en vraagt zich gaandeweg van alles af over de aard van hun relatie. ‘(…) we besluiten te wandelen naar Hotel du Vieux Saule, een romantisch hotelletje in de Marais waar ik eerder met mijn vrouw sliep. Kan het Freudiaanser? Vast, maar voorlopig is dit me Freudiaans genoeg.’
    Ze delen dezelfde hotelkamer, hij begint te fantaseren hoe het zou zijn met zijn moeder te vrijen. ‘Een van de oudste en moreel diepst verankerde verbodsbepalingen uit de menselijke samenleving behoedt me hiervoor. Maar waarom (…)? In de pianiste van Elfriede Jelinek houdt een alleenstaande moeder haar dochter in gijzeling. Maar er is mij geen verhaal bekend van een moeder en een volwassen zoon die met elkaar naar bed gaan – gewoon, omdat ze dat leuk vinden. Aan de andere kant, misschien is het ook niet leuk – een beetje zoals zand eten. Het kan wel, maar is niet leuk.’ 

    Later bekijkt de zoon een foto, een selfie genomen toen ze in de wachtkamer van Gare du Nord zaten. De moeder in spijkerbroek, krant uitgespreid over haar benen, zoon lezend in Verzamelde Gerard Reve, ‘beiden content met elkaar en de situatie. Zo zit ik met mijn vrouw zelden, omdat zij geen hardcore lezer is.’ Ja, om het verhaal helemaal te lezen, lees deze Tirade. 

    Waarin ook een verhaal van Lia Tilon, schrijfster van onder meer de prachtige roman Archivaris van de wereld. ‘Los draad’ is een beklemmend verhaal met details die je op de feitelijke beelden drukken zonder dat er veel wordt uitgelegd. Over de bevreemding van een vrouw  ten opzichte van het harde leven. Ze denkt zich een leven waarin ze zwanger is, haar man aandachtig is, de dingen verzorgd worden. Tegen alles in gelooft ze dat het goed komt. ‘(…) met twee handen tegelijk duwt ze tegen de ijzeren schommel. Hij is niet stuk, hij kraakt alleen maar alsof. Eigenlijk denkt ze, klinkt het als de roep van een vogel, misschien een roodstaart.’ Prachtig beeld.

    Meer verhalen van Fabienne Rachmadiev, Alejandro Morellón, Sofie Lakmaker (fragment uit De geschiedenis van mijn seksualiteit), en een fragment uit een roman van Inge Bever waar nog aan gewerkt wordt. En alles wat in deze Tirade is opgenomen is waarachtig en toont de werkelijkheid in vele gedaanten.

     

    Hier is Tirade te bestellen.

     

  • Liever het zwembad dan de zeven zeeën

    Liever het zwembad dan de zeven zeeën

    Als je een poëticaal statement wil maken, is het openingsgedicht daarvoor een handige gelegenheid. Sasja Janssen past die strategie toe in haar laatste bundel Happy met de openingssectie getiteld: ‘Aan de lezer’ (hallo Baudelaire). De afdeling bevat één gedicht, met een titel die al aangeeft dat het een gedicht over poëzie is: ‘Ballade van de dichteres’. Maar er is iets vreemds aan die titel, je kunt haar ook lezen als ‘Ballade óver de dichteres’. Het gedicht laat vervolgens zelf ook zien hoe het met de dichter(es) aan de haal gaat. Die beweert eerst nog: ‘De zeven zeeën zie ik graag, maar een zwembad ommuurd / met bomen en uitstulpende bloemen aan de rand is genoeg’.

    Naar een poëtica-statement kan dat als volgt vertaald worden: het afgebakende, overzichtelijke en kunstmatig gestructureerde wordt verkozen boven het natuurlijke, woekerende en daardoor wellicht onoverzichtelijke of moeilijke. Toch gaat Janssen in Happy steeds weer de kant op van de zee – alsof de bundel niet wil gehoorzamen aan de opgelegde poëtica en de taal haar eigen weg gaat. ‘Ballade van de dichteres’ is bijvoorbeeld een gedicht dat overkomt alsof het op een stromende wijze (om bij de watermetaforen te blijven) is geschreven. Het brengt een karakteristiek in gedachten die Thomas Vaessens (hoogleraar Nederlandse letterkunde) eens van de gedichten van Lucebert gaf: ‘poëzie die zijn eigen ontstaansproces laat zien. […] Sommige van zijn gedichten gaan niet alleen over hun ontstaan […], maar ze zijn het [proces] ook. Bijvoorbeeld omdat ze dezelfde zichtbare, lineair-associatieve voortgang vertonen als de solo van de jazzmusicus.’

    Bij Janssen is er op vergelijkbare wijze eerst de zee, dan het zwembad, en dan frases als ‘ik geloof enkelen wilden me afdrogen’, ‘Ze omklemden me als een zwemband’ ‘ik zag hoe mijn kleine rog naar de bodem zwom’ en ‘Een vrouw dook mijn borst op en drukte de vinnen op mijn huid’. Het is niet moeilijk je voor te stellen hoe zee en zwembad al die andere water-associaties oproepen. Hoewel ze aanvankelijk als tegenpolen worden gepresenteerd, raken ze bovendien met elkaar vermengd: ‘rog’ en ‘vinnen’ verwijzen naar vissen, en die heb je natuurlijk niet in een zwembad. De zee wint uiteindelijk toch.

    In dat stromende zit zowel de kracht als het pijnpunt van Happy. Er zitten fantastische regels bij, maar die bevinden zich niet zelden in iets te wijdlopige gedichten die nogal ondoordringbaar lijken met hun ophoping van beelden en associaties. Zoals uit het vijf pagina’s overwoekerende titelgedicht:

    Naar Roemenië moest ik, om de stuifwolken van koren
    op de wegen, verliefde kleur voor bijen en horzels
    ik vroeg waarom, het is daar de heet gewassen hemel
    omdat je er nooit weer komt, zoveel weet jij wel.
    Thuis leg ik het ruwe kleed van Sapâna onder de jachttafel
    waaraan ik met blijven zitten begin.

    Hier veel kauwtjes op klapperende afspraken
    ze vliegen in patronen en twijfelen zelden, als de zon ze
    zwarter maakt, blijven ze stil, met pincetbekjes open.
    Hoe kiezen ze de liefde voor één andere kauw, hun veren
    graven hetzelfde de lucht wrakkig? Droevig maakt het
    dat denken in mensen in dierenkoppen.

    Het is nogal wat om te behappen, en dat kan wrevel opleveren. Maar eigenlijk past een dergelijke mateloosheid wel bij deze bundel waarin er steeds een strijd tussen natuur en kunst(matigheid) gesuggereerd wordt, zoals zee versus zwembad.
    Happy kent een opvallend grote hoeveelheid dieren – onder meer een rog, koeien, een dood hondje, vogels, wespen, mieren –, én diverse verwijzingen naar kunstenaars als Shinkichi Tajiri en Henri Matisse. Ook zijn er diverse (mogelijke?) echo’s van auteurs als Ashbery, Rimbaud, Nijhoff, Kees Ouwens en Borges. In de lijn van taalfilosoof J.L. Austin stelt ze: ‘Als onze taal happy is, dan ook onze daden’. Kort door de bocht want taal representeert niet alleen de wereld om je heen, maar schept die ook. Wie echter denkt dat het voor een dichter vrij logisch is om de eigen praktijk (onvoorwaardelijk) op één lijn te stellen met de kunst komt bedrogen uit.

    Het gedicht ‘Mindfuck’ is een mooi voorbeeld van hoe natuur en taal met elkaar verbonden worden. Het begint met de suggestie van een bijenkolonie: ‘Wanneer de koningin zegt het woord naar binnen / te dragen, is weelde ons antwoord, overal werk / slepen met werk, bladkamers bouwen’. Omdat de eerste regel gelijk de taal in het gedicht betrekt, echoën de bekendste bijen uit de Nederlandse poëzie mee: Nijhoffs ‘Het lied der dwaze bijen’. Daarin gaan deze insecten op zoek naar het hogere – ‘hoger honing’ –, dat ze niet weten te bereiken. Janssens gedicht eindigt wel succesvol: ze laat een mens – een dichter – een kolonie insecten inzetten om samen te scheppen:

    Thuis open ik de post.
    De werksters die ik heb besteld zijn goed
    aangekomen, maar in plaats van een koningin valt het woord
    uit de envelop. Terugsturen is gratis, maar het woord bijt
    zich vast in mij.
    Het idee, dat wij scheppen.

    Misschien is de lezer wel degene die à la Nijhoffs dwaze bijen het hogere – of diepere – niet bereiken, of misschien is het de dichter zelf. Het woord verving immers al de koningin en nu neemt het ook nog eens de dichter over. De taal kiest haar eigen daden. ‘Mindfuck’ laat zich om meerdere redenen lezen als Happy in het klein (stiekem ook een beetje vanwege de titel): poëzie als een bijenkorf of een mierennest. De indruk van zo’n insectensamenleving kan chaotisch zijn, maar de dieren weten wat ze moeten doen. Happy heeft wellicht ook zo’n interne logica – of die nu van de dichter is of van de poëzie zelf – die van buitenaf soms moeilijk te zien of te begrijpen is. De bundel laat zich moeilijk benaderen, maar als je doorzet openen zich diverse lagen die  beklijven.

     

     

  • Alledaagse ergernissen in het theater

    Agenda // 20.30 uur// Torpedotheater // Amsterdam

    Aanstaande maandag 16 maart verzorgen beeldend kunstenaar Bianca Sistermans en de dichters Eva Gerlach en Sasja Janssen een optreden in het kleinste theatertje van Amsterdam. Bianca Sistermans, Eva Gerlach en Sasja Janssen maakten samen een boek waarvoor de eerste het beeld verzorgde en de laatste twee verantwoordelijk zijn voor de tekst.

    In dit boek komen bijna vijftig foto’s van Sistermans samen met teksten van de dichters Eva Gerlach en Sasja Janssen. Beeld en tekst versterken elkaar wanneer ze naast elkaar staan. Gedachten kunnen een hoge vlucht nemen als een dichter meekijkt naar gewone dingen: een snotterig zeepje, een half opgegeten boterham in een lunchtrommeltje, een barst in de muur. Gerlach en Janssen komen uit bij grote zaken als tijd, dood en liefde. Maar desalniettemin fijnzinnig en geestig. Zoals naar aanleiding van ‘het eeuwige peertje’ aan het plafond:

    Te bedenken: dat definitief niet bestaat, dat alles wat
    wij ons kunnen voorstellen, tegelijk alles is waaraan
    wij twijfelen, dat het (…) levensbedreigend is om wat
    dan ook te voltooien.

    Sistermans, Gerlach en Janssen maken met kijken alledaagse zaken nieuw. Oftewel, vrij naar de Duitse dichter Christian Morgenstern: ‘de diepte zit verstopt. Waar? Aan de oppervlakte.’ Alledaagse ergernissen waar wij allemaal in ons dagelijks leven mee te maken hebben.

    Het publiek wordt uitgenodigd deel te nemen aan een gesprek over deze ergernissen.

    Alledaagse Ergernissen

    Aanvang: 20.30 uur
    Toegangsprijs: €7,50
    Graag reserveren: reserveren@torpedotheater.nl
    (max. 36 plaatsen beschikbaar)

    Torpedo theater
    Sint Pieterspoortsteeg 33, Amsterdam
    020-428499 (9.00-17.00 uur)

    Boekprijs: € 24,50
    96 blz.
    Illustraties volledig in kleur
    Verschenen bij Afdh Uitgevers