• Scheppen van een nieuwe beschaving als een moderne Tolkien

    Scheppen van een nieuwe beschaving als een moderne Tolkien

    In zijn voorlaatste bundel Daedalea bracht Tomas Lieske zijn nieuwste held voor het voetlicht: Keto Stiefcommando, de leider van een groep jongeren die gestrand zijn in de faubourgs van Parijs. Lieske noemt ze ‘klonkies’, een Afrikaans woord dat associaties oproept met een klont van losse elementen die samengeklonken zijn, maar ook doet denken aan ‘jonkies’. Het zijn verschoppelingen: illegale migranten, zwervers en verslaafden uit alle windstreken, maar voornamelijk Afrika, die onder leiding van Keto proberen hun waardigheid te behouden. Waar ze in Daedalea hun eigen scheppingsverhaal en bijbehorende mythen creëerden, gaan ze in deze nieuwe bundel op zoek naar helden.

    Beschermgeesten en helden

    Daartoe spitten ze tijdschriften en kranten door: beroemde personen die ze aantreffen, worden voortaan hun beschermgeesten. Vier dichters worden door Keto uit zijn ‘troepie’ uitgekozen om gedichten te maken over de kindertijd van deze ‘tijdschrifthelden’: Hercuul, die uit Mali komt en Parijs op zijn duimpje kent, Damn Good Memory, alcoholist en de enige blanke van de groep, Merci Merci, een vrouw op zoek is naar haar wortels in Afrika, en Imker Graat, een souteneur die de inleiding van deze bundel en van de diverse afdelingen voor zijn rekening neemt.

    Steeds als er een gedicht klaar is, brengen ze de bezongen held in een stoet van vuilniswagens naar het kerkhof van Saint-Denis, dansend en zingend, terwijl ze borden en foto’s van de held met zich mee dragen. Eén Afrikaanse held zou lang geleden begraven zijn op Saint-Denis: Kame Tristan, wiens mythische verhaal door Keto zelf verteld wordt als rode draad in de zoektocht naar helden. Vervolgens wordt met bloedrode kleurstof de naam van de de held gespoten op een reeds aanwezige graftombe en daarmee wordt de held officieel geïnstalleerd: ‘Zo rust onze Ignaz Semmelweis ingehaak met een lid van het Huis Valois en onze Iosif Brodski slaapt skuif-skuif op de vorstin van Orléans.’

    Groteske voorstellingen

    Dat is het verhaal en alsof dat gegeven al niet bizar genoeg is, wordt het door Lieske uitgewerkt tot een bonte verzameling van groteske voorstellingen, die in het begin een beetje onwennig aandoet, maar niet lang: al gauw loopt de lezer vrolijk mee in de optocht achter de vuilniswagens, met Keto voorop, om meer dan veertig universele helden te bezingen. Deze helden zijn gekozen uit de Westerse geschiedenis, zoals Margarethe van Valois, Mozart en Jeanne d’Arc (‘Als ik water in mijn oor giet hoor ik stemmen’), maar ook zijn ze aan de verbeelding ontsproten: Alice in Wonderland bijvoorbeeld en ook Miss Blanche, het reclame-icoon van de Virginiasigaretten.

    Achtergrond historische figuren

    Helaas ontbreekt er een index in de bundel: die zou het opzoeken van een held vergemakkelijkt hebben. Wel heeft Lieske enigszins een chronologische volgorde aangehouden: Julius Caesar staat aan het begin en Margaret Thatcher ergens aan het einde van de bundel. Informatie over de betreffende persoon wordt kort weergegeven onderaan de inleiding van elk gedicht. Deze inleiding wordt door een van de dichters of door Keto zelf  weergegeven in een prozagedicht, waarin Bargoens, Afrikaans en straattaal dooreen geweven worden zonder dat het gekunsteld aandoet of tot onbegrip leidt; maar de ‘yslike paaiboelie’ in de inleiding van Damn Good Memory bij het gedicht over Don Quichot moest toch wel opgezocht worden en blijkt een ‘vreselijke boeman’ te zijn in het Afrikaans. De gedichten over de kindertijd van de helden zijn daarentegen alle in het Nederlands geschreven.

    Omdat de gedichten over de jeugd van de helden gaan, worden hun latere daden waardoor ze nu bekendheid genieten niet specifiek genoemd, maar wel wordt er aan gerefereerd: het gedicht over Charlotte Corday, die in 1793 gedurende de Franse revolutie Jean-Paul Marat in zijn bad neerstak, begint met: ‘Het allerfijnste in mijn leven is urenlang zitten / in bad […]’
    En Louis Blériot, de luchtvaartpionier, ziet als kind met zijn ouders aan het strand pelikanen zweven, ook al verzekert zijn vader hem dat die aan die kust niet voorkomen:

    ‘Ideale ouders zijn vogelmensen
    die in een circus werken, iets met trapeze,
    geen enkel ander doel in het leven dan elke nacht
    van lichtmast naar lichtmast te zweven
    zonder te vallen; een gevecht tegen de wetten
    van de natuur, uitschakelen van zwaartekracht.’

    Uitvindster beha

    De helden komen overal vandaan en daarom is het niet verwonderlijk dat de gedichten vol staan met verwijzingen naar niet alleen daadwerkelijke gebeurtenissen, maar ook naar de literatuur: T.S. Eliot, de Bijbel, Paul Celan. Ook de keuze van de helden zelf is verrassend: Groucho Marx,  Dylan Thomas, Mary Phelps Jacob die de beha zou hebben uitgevonden – en zelfs de eenvoudige min Petronella Munts die als een van de eerste westerse vrouwen mee mocht op de scheepsreis naar Decima. De belezenheid die Lieske hiermee toont, wordt ook van de lezer verwacht, maar de bonte verscheidenheid van gedichten is een beloning op zich.

    Lieske heeft een krachttoer verricht met het boekstaven van de kronieken van deze nieuw gevormde bevolkingsgroep. Hij kent hen een bestaansrecht toe door ze een mythologie te verlenen, een gedeelde geschiedenis en een eigen taal met zelfgekozen helden waarin ieder van deze groep zich kan herkennen. Door aan deze voorwaarden te voldoen heeft hij als een moderne Tolkien een heel nieuwe beschaving geschapen, die niet onder hoeft te doen voor de reeds bestaande oude culturen.
    Hij heeft met Keto Stiefcommando een bundel geschreven die ‘[…] tikt en zingt en schatert en klinkt […] tegen mijn raai raai riepa donkiebloed aan. / Laat die sjampanjebottels nou maar knal.’

     

  • Oogst week 16

    Een zomer in Venetië

    In de oogst van deze week een kleine roman van de Poolse schrijver Włodzimierz Odojewski, evenals van de Duits/Franse schrijfster Cécile Wajsbrot, nagelaten werk en brieven van Franz Kafka en het laatste deel uit de Cazelets-reeks.

    Włodzimierz Odojewski (1930-2016) schreef vele romans, verhalen, theaterstukken en gedichten. Zijn werk werd onder meer in Frankrijk, Duitsland en Spanje vertaald. Een zomer in Venetië is het eerste boek van Odojewski dat in het Nederlands vertaald is.

    Een zomer in Venetië gaat over het negenjarige jongetje Marek dat op vakantie gaat naar Venetië. Hoewel hij pas negen is, weet hij alles over de stad. Maar de zomer van 1939 heeft andere verrassingen voor hem in petto. Vanwege de dreigende oorlog moet hij in Polen blijven en wordt hij naar zijn tante Weronika op het platteland gestuurd. In haar landhuis ontdekt hij op een dag een plas water in de kelder, die snel groter wordt. Een heilzame bron!

    Zijn lievelingstante Barbara gaat meteen met dit idee aan de slag. Stoelen worden bruggen, de pingpongtafel wordt het San Marcoplein. En terwijl buiten uit de blauwe lucht de eerste bommen vallen, beleeft Marek onder de lampionnen in de verduisterde kelder een reis die het echte Venetië ver overtreft.

    Een zomer in Venetië
    Auteur: Wlodzimierz Odojewski
    Uitgeverij: Querido

    Caspar David Friedrichstrasse

    Tijdens de oorlog waren de ouders van Cécile Wajsbrot naar Frankrijk gevlucht waar zij in 1954 als dochter van Poolse joden in Parijs geboren werd. Tegenwoordig leeft ze afwisselend in Parijs en Berlijn.

    Caspar David Friedrichstrasse is een bitter relaas van een leven voor en na de muur in Berlijn. Over levens die verscheurd werden. De Duitse kunstenaar Caspar David Friedrich (1774-1840) was een schilder uit de romantische periode. In het Berlijn van na de muur wordt een straat naar de kunstenaar vernoemt.

    Een dichter wordt gevraagd te spreken op de openingsceremonie van de straat, hij laat zich meeslepen door herinneringen aan een geliefde aan de andere kant van de muur. Midden in zijn  gepassioneerde lezing over het werk van de romantische schilder, verbindt hij heden met verleden. Dan verandert zijn toespraak in een bekentenis over een leven dat even verscheurd is als de geschiedenis van zijn land.

    Caspar David Friedrichstrasse
    Auteur: Cécile Wasjbrot
    Uitgeverij: Vleugels

    Veranderingen

    Voor de trouwe  Cazalets lezers is er goed nieuws (of niet). Het vijfde en laatste deel van de Cazalets-serie van Elizabeth Jane Howard (1923-2014) is verschenen. Op zesendertigjarige leeftijd debuteerde Howard met The Beautiful Visit. Na een aantal mislukte huwelijken maar wel succesvol als schrijfster, werd ze de tweede vrouw van Kingsley Amis. Het was op aanraden van haar stiefzoon, de schrijver Martin Amis dat Howard in 1982 begon aan de romanreeks geënt op haar eigen familiegeschiedenis, de Cazalets.

    In het vijfde en laatste deel Veranderingen is het halverwege de jaren vijftig. De baronie is overleden, en met haar is een heel tijdperk voorgoed verdwenen. Hoewel de oorlog al tien jaar voorbij is, voelen de Cazelets kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen nog steeds de naschokken ervan. Veel staat er op het spel, het voortbestaan van hun geliefde Home Place, het familiebedrijf, familierelaties en huwelijken. En de nichtjes Polly en Clary proberen het huwelijk en moederschap te combineren met professionele ambities.

    Veranderingen
    Auteur: Elizabeth Jane Howard
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap

    Franz Kafka (1883 – 1924) schreef voornamelijk proza, waarvan zijn romans Het proces (1925), Het slot (1926) en Amerika (1927) de bekendste zijn. Later vonden ook enkele prozavertellingen hun weg naar het grote publiek. Pas in de jaren dertig van de negentiende eeuw groeide de belangstelling voor zijn werk, dat mede dankzij zijn vriend Max Brod postuum verscheen.

    ‘Mijn schrijven ging over jou,’ luidt Kafka’s oordeel over zijn eigen literaire werk in Brief aan mijn vader. Veel van de teksten in deze verzameling alsook veel van de ‘Aforismen’ gaan over de verhouding van het individu tot de ander, de samenleving, de macht.

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap bevat een keuze uit nagelaten verhalen en fragmenten. Kafka schreef de Brief vijf jaar voor zijn dood, in 1919. Opmerkelijk is dat hij de brief typte, waaruit kenners opmaken dat hij met deze brief niet enkel privé bedoeling had. Toch was de brief wel degelijk voor zijn vader bedoeld, al durfde Kafka hem niet zelf op te sturen. Hij vroeg zijn moeder de brief door te geven, maar zij weigerde. Het is een uiterst persoonlijk, pijnlijk en aangrijpend document waarin de vaderfiguur bijna mythische vormen aanneemt.

     

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap
    Auteur: Franz Kafka
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Oogst week 13 – 2019

    Vallen is als vliegen

    Alleen maar ervaren en gewaardeerde Nederlandse schrijvers, deze week in de Oogst.

    In Vallen is als vliegen valt de zestien jaar oudere zus van de hoofdpersoon, uitgehongerd en uitgedroogd, van de trap en sterft. Dat doet de woede van de schrijfster ontbranden. De dood van Henne Vuur, ooit haar ‘schaduwmoeder’, dwingt haar een gruwelijk en angstwekkend verleden onder ogen te zien.

    De nieuwe roman van Uphof begint direct met die val:

    ‘Henne Vuur

    Op 13 november van het jaar 2015 viel Henne Vuur van de trap en stierf, enkele uren vóór een groep uitgaande jongeren in de Bataclan te Parijs voorgoed weerhouden werd van verdere onschuldige uitstapjes.
    Henne Vuur was mijn zus. Mijn moeders eerstgeborene.
    Ze lag onderaan de trap en weigerde de ambulance. Ondanks aandringen van arts en ambulancemedewerkers om zich te laten opnemen in het ziekenhuis, aangezien ze ernstig ondervoed was en uitgedroogd.
    Ik had haar in geen jaren bezocht en wist niet eens wat haar adres was. In mijn leven was ze weinig meer dan een terugkerend moment van bespotting op onze jaarlijkse Familiedag van de Doden. Moest je ze nou eens zien: die moeder, altijd en eeuwig met haar volwassen zoon in zijn hakke-hakke-puf-puf-invalidenwagentje. Deed het niet denken aan Psycho? Wat een bizar en ongelooflijk paar!’ […]

     

    Vallen is als vliegen
    Auteur: Manon Uphoff
    Uitgeverij: Querido

    De onverwachte rijkdom van Altena

    Jan van Mersbergen viert op vier april a.s. vanaf 17.00 uur de presentatie van zijn nieuwe roman bij boekhandel Athenaeum op het Spui in Amsterdam.

    In een dorp verschijnt een persoon met de mededeling dat de man is overleden die dertig jaar eerder een geliefd meer door een hek liet omheinen en afsluiten. Waarom deed hij dat? De dorpelingen denken dat hij voor zichzelf deed. Maar is dat zo? Diens dochter komt vervolgens met de sleutel van het hek.

    Het boek begint als volgt:

    ‘1 horizontaal: Beloning voor de portier

    Er staat een Chinees voor de cafetaria.
    Dat is niet een van de opgaven van de puzzel die hier voor me ligt, al zou het ervoor door kunnen gaan. Ik denk aan iets heel anders en dat begon met die Chinees, bij de cafetaria. Daarvoor gebeurde er veel en daarna gebeurde er nog veel meer, geloof me, maar het werd in gang gezet door die oude Chinees op het stoepje.
    Het zou iets met bami kunnen zijn, als die Chinees een crypto was, of met mayo. De eerste opgave van deze puzzel, één horizontaal, is: Een beloning voor de portier.’ […]

    De uitgeverij: ‘De onverwachte rijkdom van Altena laat zien dat delen pas zin heeft als iedereen ervan profiteert. Een intrigerend verhaal over afgunst en solidariteit onder de uitgestrekte hemel van de Nederlandse polder.’

     

    De onverwachte rijkdom van Altena
    Auteur: Jan van Mersbergen
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Voorwaarts

    Eva Meijer (1980) debuteerde in 2011 met Het schuwste dier (2011). Later volgden  Dagpauwoog (2013) en Het vogelhuis (2016), beiden op Literair Nederland besproken.

    Meijer (filosoof, kunstenaar, singer-songwriter en schrijver) is zowel voor haar literaire als essayistische werk genomineerd voor verschillende prijzen, haar werk wordt in veel landen vertaald en zij won in 2017 de Halewijnprijs voor haar gehele oeuvre.

    Op haar blog van 16 maart jl. schrijft ze over haar nieuwe roman Voorwaarts!:

    Uit betrouwbare bron vernam ik dat mijn nieuwe roman Voorwaarts al in de winkel ligt. Nog voor ik het boek zelf gezien heb. Dus ren naar je favo boekhandel en koop het voor jezelf, je geliefde, en/of je buurvrouw. Over het boek:
    In 1923 verlaat een groep anarchisten Parijs om nabij Luynes een commune op te richten. Veganisme, nudisme en gelijkheid tussen man en vrouw bieden volgens hen de mogelijkheid om in harmonie met de aarde te leven. Bijna honderd jaar later leest student politieke filosofie Sam een oude uitgave van het dagboek van één van hen, Sophie. Sam raakt betoverd door de verhalen over het leven op de boerderij, haar liefde voor Clémence, en de vele discussies die ze hebben over de juiste manier van leven. Ze overtuigt haar eigen vrienden om de stad te verlaten en zelfvoorzienend te gaan leven. In het noorden van het land krijgen ze te maken met spirituele gelukszoekers, geldminnende makelaars, de grenzen van de open liefde en de beklemming van afzondering. Hun dromen lijken niet bestand tegen het experiment en één voor één verlaten ze het huis. Of kan het toch anders? Voorwaarts is een roman over liefde en vrijheid, en de strijd voor wat de moeite waard is.’

     

    Voorwaarts
    Auteur: Eva Meijer
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    De verboden tuin

    Dan de heruitgave van de debuutroman De verboden tuin uit 1986 van Wessel te Gussinklo die hem meteen de Anton Wachterprijs opleverde en een debutantenbeurs van het Fonds voor de Letteren

    De verboden tuin beschrijft het leven van een kind met een blik op de wereld zoals alleen kinderen die hebben. De roman beschrijft ook de wijze waarop je – zowel kind als volwassene – probeert je de wereld toe te eigenen. Het heimwee naar de ongeschondenheid, naar het samenvallen van de eigen werkelijkheid met dé werkelijkheid: een droom die in iedereen leeft, maar die bij het kind nog ongerept is.

    De verboden tuin is de eerste roman met als hoofdpersoon Ewout Meyster, die later terug zal keren in de romans De opdracht en De hoogstapelaar.

     

     

    De verboden tuin
    Auteur: Wessel te Gussinklo
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Een van ons zal omkijken

    Tot slot de meester Toon Tellegen die een bloemlezing samenstelde uit al zijn gedichten. In al zijn bundels dicht hij over ons, de mens, over het leven, de liefde, de twijfel en de dood. De uitgeverij schrijft daarover: ‘Soms zijn die gedichten ingetogen en melancholisch, dan weer spreken ze met uitroeptekens van hoop, verlangen en geluk. En steeds gaan ze over herkenbare gedachten en gevoelens, van het verdrietigste treurgedicht tot de gloedvolste liefdespoëzie.’

    Geniet ervan!

     

    Een van ons zal omkijken
    Auteur: Toon Tellegen
    Uitgeverij: Querido
  • In deze familie eindigt de kleinste tegenslag in een ramp

    In deze familie eindigt de kleinste tegenslag in een ramp

    Een sobere grijze cover met een harlekijn die om de hoek komt gluren. Dat is de omslag van Nelleke Zandwijks (1961) nieuwe roman Het mooiste verhaal over mijn familie. Meteen een knipoog naar de inhoud, want het hoofdpersonage bekijkt de hele maatschappij rondom zich als een clown, met veel humor, maar ook met weemoed. Dat Zandwijk zelf de cover heeft ontworpen is geen toeval. Ze is immers van origine beeldend kunstenares en begon pas later in haar carrière te schrijven. Naast korte verhalen en columns verscheen vorig jaar haar vierde roman. Net zoals in haar debuut De dag van de jas (2001) en het succesvolle Pierenland (2009) speelt haar familie een hoofdrol in haar werk.

    Een ongewone familie

    Het mooiste verhaal is een tragikomische vertelling, vertellingen uit het leven van wat je op zijn minst een bizarre en vreemde familie kunt noemen. Elk lid neemt als het ware een unieke, maar verweesde positie in in de maatschappij en probeert naar godsvrucht en vermogen iets van zijn leven te maken. Hoewel Zandwijk stelt dat de roman autobiografisch is en de verhalen uit het leven zijn gegrepen, geeft ze ook grif toe dat ze een mix maakte van verschillende zaken. Ze vergroot heel wat gebeurtenissen en personages uit tot ze groteske proporties aannemen. Alles wordt gezien vanuit het oog van de ik-verteller, een scheel-kijkende vrouw van middelbare leeftijd die moeite heeft met relaties en het leven in het algemeen. Haar hypochondrische tweelingzus is licht hysterisch en verkeert in de onmogelijkheid om hoofd- en bijzaken te onderscheiden.

    Zelfs de kleinste tegenslag eindigt vaak in haar ogen in de grootste ramp allertijden. Gelukkig is er de Belgische zwager die alles een beetje relativeert. Alhoewel, hij lijkt een afkeer te hebben voor alles wat Hollands is en vergelijkt voortdurend met hoe men het in zijn thuisland zou oplossen. Hij dweept met de Tweede Wereldoorlog en loopt steevast rond in een legeruniform. Samen met hun zoon wonen ze in Antwerpen. Zoonlief heeft autistische trekjes en bepaalt zowat alles wat en hoe het er in het gezin aan toe gaat. Hij heeft een voorliefde voor de kleur grijs en slaapt op zijn veertiende nog steeds in bed bij zijn ouders. Ook de moeder van de ik-figuur mag niet ontbreken. Deze wil constant met het Hogere in contact komen. Sinds haar man haar verliet, wordt de klusjesman Adri haar steun en toeverlaat. De afwezige vader leren we kennen door zijn tweede vrouw, ‘de weduwe’, die de erfenis heeft opgeëist.

    De erfenis is trouwens een soort van running gag die steeds terugkomt op de vele mislukte verjaardagsfeestjes, tegenvallende kerstdiners en chaotische verhuizingen. En dan is er nog Jack, de partner, die lijdt aan PTSS na negatieve ervaringen in Libanon. Hij kwam beschadigd terug en de woede-uitbarstingen zijn legio. Het mag duidelijk zijn dat elk personage in deze roman worstelt met het leven. Zandwijk gaat dat thema ook niet uit de weg. Het is geen gewoon gezin dat je ziet, maar anderzijds toch een gezin als alle andere, dat je enkel kent als je er deel van uit maakt want een gezin is ‘een gevangenis, een bolwerk waar je als buitenstaander niet bij hoort.’

    Leuke stijl, weinig structuur

    Zandwijk stelt dat ze grip wil krijgen op het leven door erover te schrijven. Toch wil ze het geen therapeutisch schrijven noemen. Het is meer een relaas van haar verbazing over hoe sommige dingen gebeuren en hoe mensen uit onvermogen elkaar niet kunnen bereiken. Dan lijkt het het makkelijkst om te schrijven over zaken die je omringen.

    Het mooiste verhaal verzoent humor en diepe melancholie op de juiste manier. De absurdistische en cynische stijl doet bij wijlen denken aan Grunberg, maar de opbouw van het verhaal mocht zeker meer gestructureerd. Het werk is een samengaan van vijftien anekdotische verhalen uit het leven van de schrijfster waarin een rode draad ontbreekt. Het lijkt dan ook eerder een verhalenbundel dan een roman. Gelukkig werkt dit niet echt storend. Door haar aanstekelijke humor en nauwkeurige observaties blijft de lezer betrokken en is het al bij al een geestig en grotesk boek. Ondanks de vele mislukkingen en tegenslagen in de familie, eindigt Zandwijk in de proloog met een positieve noot. De lezer achterlatend met een goed gevoel en de gedachte dat elke familie wel iets aparts heeft.

     

  • Er was eens …

    Er was eens …

    In den beginne was er alleen de verwarring: ‘Waar gaat dit boek over?’ Vervolgens was er, naast de verwarring, ook verbijstering over de complexiteit en schoonheid van vorm en inhoud waarin Sjisjkin de lezer onderdompelt. Tenslotte was er de stilte van de absolute overgave aan een meesterwerk.
    Venushaar is een complex boek dat zich niet gemakkelijk laat doorgronden. De verschillende verhaallijnen lopen zonder enige overgang, slechts gescheiden door een witregel, in elkaar over. Er is geen hoofdstukindeling. Aangezien de verhalen in tijd en ruimte zeer uiteenlopend zijn, vergt het van de lezer de nodige concentratie en geestelijke flexibiliteit om grip te krijgen en te houden op de inhoud van het boek.

    Kafka
    De hoofdpersoon is een Russische tolk bij de Zwitserse immigratiedienst. Hij vertaalt de vragen aan Russische asielzoekers. De meesten maken nauwelijks kans op een positieve beoordeling, dat weten ze en daarom is het zaak op de proppen te komen met een zo schrijnend mogelijk, maar toch geloofwaardig verhaal, dat natuurlijk niet geverifieerd kan worden. Hierop bereiden zij zich samen met andere asielzoekers zeer goed voor. De meest gruwelijke verhalen over de oorlog in Afghanistan of Tsjetsjenië passeren de revue in een Kafkaiaanse setting. Zo krijgt een volkomen getraumatiseerde jongeman de volgende vragen voorgeschoteld:

    ‘Vraag: Hoe oud bent U?
    Antwoord: Zestien.
    Vraag: Heeft u een paspoort of ander legitimatiebewijs?
    Antwoord: Nee.
    Vraag: U moet een geboortebewijs hebben. Waar is dat?
    Antwoord: Verbrand. Alles is verbrand. Ze hebben ons huis afgebrand.
    Vraag: Hoe heet uw vader?
    Antwoord: Die is al heel lang dood. Ik herinner me hem helemaal niet.
    Vraag: Waaraan is uw vader gestorven?
    Antwoord: Weet ik niet. Hij was vaak ziek. Hij dronk.
    Vraag: Noemt u de voornaam, achternaam en meisjesnaam van uw moeder.
    Antwoord: Haar meisjesnaam ken ik niet. Ze hebben haar vermoord.
    Vraag: Door wie, wanneer en onder welke omstandigheden is uw moeder vermoord?
    Antwoord: door de Tsjetsjenen.
    Vraag: Wanneer?
    Antwoord: Deze zomer, in augustus.
    Vraag: Op welke datum?
    Antwoord: …. Dat weet ik niet meer.’

    Het maakt helemaal niet uit of iemand al die verschrikkingen zelf werkelijk heeft meegemaakt. Hij zou het meegemaakt kunnen hebben. Om ze een beetje te helpen, doet de tolk allerlei suggesties. De een nog krankzinniger dan de ander. Daarmee overrompelt de tolk de asielzoeker, die uiteindelijk zelf niet meer weet wat hij wel of niet heeft meegemaakt. Dat maakt ook helemaal niet uit. Beiden weten uiteindelijk dat al die verhalen in hun meest ongehoord wrede brutaliteit waar gebeurd zijn en nog steeds gebeuren. Fantasie bestaat niet. En dan nog: voor de beoordeling maken die verhalen ook al niets uit. Die zijn immers, door de tijden heen, al honderd keer verteld.

    ‘Vraag: U bent uw eigen vertelsel.
    Antwoord: Wat is mijn vertelsel dan?
    Vraag: Van alles en nog wat. Wat het altijd goed doet, is een of ander simpel, banaal-sentimenteel verhaal. Zoiets als: er was eens een prinses, en toen veranderde ze in Assepoester.
    Antwoord: Veranderde ik in Assepoester?
    Vraag: Het is maar een beeld. Een metafoor!
    Antwoord: Dat had u dan meteen wel kunnen zeggen. Assepoester, daar bedank ik feestelijk voor.
    Vraag: Nou goed, als Assepoester u niet aanstaat, verzint u dan maar wat anders………’

    In den beginne was het Woord
    Het klinkt cynisch, maar uiteindelijk is niemand geïnteresseerd in die verhalen, omdat niemand geïnteresseerd is in die mensen, met uitzondering van de tolk: ‘Ik noteer alleen maar. Vraag-antwoord. Zodat er iets van u overblijft. Het enige wat er van u overblijft, is wat ik nu noteer.’ Het gaat om de verhalen.
    Dit rechtvaardigt ook zijn uitweidingen in zijn brieven aan zijn zoon over De tocht tegen de Perzen van zo’n 2500 jaar geleden, vastgelegd in de verhalen van de Griekse schrijver Xenophon. Zonder die verhalen was de tocht van de Grieken tegen de Perzen er nooit geweest. Hij spreekt zijn zoon voortdurend aan met: ‘Waarde komende voormalige Nabuccodinosaurus’, een verzonnen naam verwijzend naar verschillende perioden uit het verleden. Ook de zoon bestaat natuurlijk alleen maar door de verhalen van de tolk. ‘Ik vraag me af wanneer U dit epistel van me zult ontvangen. Dit soort brieven gaat langzaam, temeer als ze niet verzonden worden. Niet-verzonden brieven komen gegarandeerd aan. Niet-verzonden brieven hebben de eigenschap de tijd te doorbreken. Zonder postzegels en stempels – hup! – daar hebt U ze al in handen.’
    Ook het onderscheid tussen ondervrager en ondervraagde vervaagt steeds meer. De ondervrager gaat meer vertellen en de ondervraagden stellen vragen. Dit culmineert in het aangrijpende relaas van een gevangene, die door zijn advocaat en de tolk in zijn cel wordt opgezocht en de vraag opwerpt met welk recht zij de vragen stellen en hij moet antwoorden. Zijn zij soms beter dan hij?

    Leven, liefde en schoonheid
    Tijd en ruimte zijn voor Sjisjkin geen strak afgebakende begrippen. Hij is de verhalenverteller voor wie het niet uitmaakt of het verhaal zich nu afspeelt in de tijd van de Oude Grieken of ten tijde van de Russische Revolutie, de oorlog in Afghanistan of Tsjetsjenië. Het gaat hem om de grote vragen van het leven: de vraag naar de persoonlijke verantwoordelijkheid van de mens, naar de zin van het bestaan, naar de betekenis van begrippen als geluk en vrijheid, naar intermenselijke relaties, naar de liefde. In die zin voelt Sjisjkin zich ook staan in de traditie van grote Russische schrijvers als Tolstoj en Dostojevski. De titel, Venushaar, bron van het leven, verwijst naar een kruid, een varensoort dat groeit tussen de ruïnes van het oude Rome en daar al groeide vóór er sprake was van De Eeuwige Stad, terwijl het in Rusland een kamerplant is, die zonder menselijke warmte, zonder liefde, niet kan overleven. Dit vindt zijn weerspiegeling in de andere verhaallijnen in het boek. De verhalen van de tolk, die zich afspelen in Rome, vol hunkering naar zijn geliefde van eertijds, Isolde, hem ontnomen door Tristan. De brieven aan zijn fictieve zoon, de vrucht van die liefde, waarin hij vertelt over zijn jeugd en over de boeken die hij leest. Het levensverhaal van Isabella Joerjeva, de zangeres over wie hij, toen hij nog in de Sovjet-Unie woonde, een biografie had geschreven en die, tijdens haar overpeinzingen over de ellende van de Revolutie en de daaropvolgende burgeroorlog opmerkt: ‘Ik denk er zo over: als er ergens op deze aarde gewonden met geweerkolven worden afgemaakt, dan is het nodig dat er op een andere plek mensen zijn die zingen en zich over het leven verheugen! Hoe meer dood er om je heen is, des te belangrijker is het om daar leven, liefde en schoonheid tegenover te stellen!

    De actualiteitswaarde van dit monumentale boek is groot. Het is een boek vol filosofische en psychologische bespiegelingen, die het noodzakelijk maken voortdurend terug te bladeren en te reflecteren op het gelezene. Het is een boek dat je ‘rijker’ maakt.

     

  • Een paradijs na de zondeval

    Een paradijs na de zondeval

    De verhalenbundel De blauwe maanvis van A.N. Ryst (pseudoniem van Daan Remmerts de Vries) bezorgt de lezer fraaie puzzels. In de eerste plaats kan deze zich afvragen tot welk episch genre de vijftien verhalen behoren: zitten er legendes tussen, mythes, sages, zijn het sprookjes of hebben ze van alles wat? En de tweede puzzel is: hoe verhouden de verhalen zich tot Rysts debuutroman, De harpij? Tenslotte is uiteraard de vraag wat het allemaal zou kunnen betekenen.

    Verschillende genres
    Neem de prostituee die met een aureool boven haar hoofd rondloopt, en die bezoek krijgt van een in het zwart geklede klant. Allemaal ingrediënten voor een legende, een verhaal waarin immers een centrale rol is weggelegd voor een heilige. Zeker als je weet dat de naam van de prostituee ook nog eens Isolde luidt.
    Of lees het verhaal over de man zonder hoofd, een half-mens zoals de halfgoden in een mythe. De titel van één van de verhalen, ‘Hermione’, brengt de lezer ook op dit spoor; immers: Hermione was een dochter van koning Menelaos en Helena van Sparta.
    En dan de duivel en een kat, de reus en een herder of de heks en de barbier – allemaal elementen uit de wereld van de sagen die cirkelen rond angstaanjagende zaken.
    Tenslotte is daar ook het verhaal van de nieuwsgierige onderzoeker en de heks dat zich op de grens van sage en sprookje beweegt.
    De plaats waar alle verhalen spelen wordt de ene keer omschreven als Tresértin, aan de kust, dan weer speelt het in de bergen of het dorp Lengeri, aan een smalle rivier, of in Tangeri, Kaluma of Garvón. Allemaal fantasievolle namen die de lezer terugvoeren naar vervlogen tijden waarin mensen nu uitgestorven beroepen beoefenden.
    Ryst zet zijn vaak eenzame personages neer met een schijnbaar groot gemak en met een virtuoze pen en fraaie sfeerbeschrijvingen

    De harpij
    De sfeer van de verhalen doet overigens sterk denken aan die uit Rysts debuut, De harpij, een kleine geschiedenis van het paradijs (2014). Het lijkt of de verhalenbundel De blauwe maanvis verder gaat waar deze roman stopt: het motto voor in de bundel is eraan ontleend, en de eerste zin van het eerste verhaal luidt meteen al: ‘Een kat was opgedoken in de hel’, de plaats die we kennen uit De harpij. Ook het personage Maradique, een duivel, duikt al na enkele pagina’s op. We kennen hem ook uit de roman, waarin hij zijn verhaal doet aan dr. Gossmeier.
    Zelfs na zoveel pagina’s roman is het thema an sich nog niet uitgeput: wat is de hemel, wat is de hel, wat een duivel en wat een engel? Zaait de engel Binuel in het tweede verhaal nu eenheid of verdeeldheid?
    Er zijn meer kunstenaars die werken aan een totaaloeuvre, vanuit één denkbeeld – in dit geval: een paradijs na de zondeval – en dit gaandeweg steeds weer, en meer, uitwerken en volmaken, maar de magisch-realistische sfeer die Ryst oproept is een unieke loot aan deze stam.

    De omgekeerde wereld
    Ryst werkt veel met het beeld van de omgekeerde wereld. Zo was ‘het toegestaan voor een man om na zonsondergang buiten te zijn, zolang hij door een vrouw werd begeleid.’
    In het verhaal ‘Herder en reus’ gaat het om een ingegraven reus die luistert maar geen antwoord geeft. Überhaupt niet praat, in tegenstelling tot de babbelzieke vrouw in Happy days van Samuel Beckett.
    Er zitten meer verwijzingen in de verhalen. Naar de schilderijen van Jeroen Bosch of Brueghel bijvoorbeeld met hun ‘zieken, kreupelen, gewonden en mismaakten’ of in de omschrijving van Joseph, de hoofdpersoon in ‘De zwakkeling’: ‘Hij had benen als zuilen, enorme handen en een borstkas als een regenton; maar zijn hoofd was merkwaardig verfijnd, met een smalle, lange neus – zoals die op iconische portretten wordt weergegeven –, met ingevallen wangen en dunne lippen en een magere baardgroei, hier en daar haar.’

    Het zijn allemaal metaforen die een diepere betekenis hebben, zoals ook legendes, mythes, sagen en sprookjes die in zich bergen. Ryst betreedt het paradijs na de zondeval en stelt vragen naar goed en kwaad. Het is aan de lezer om de puzzelstukjes in elkaar te passen die de schrijver voor ons klaarlegde in deze met duidelijk plezier en fantasie geschreven verhalen. De lezer heeft er nog een kluif aan, en ook dát maakt dit boek tot een geslaagde (lees)exercitie.

     

     

  • De kracht van taal en aanpassingsvermogen

    De kracht van taal en aanpassingsvermogen

    Bij het lezen van deze laatste roman van Joke van Leeuwen dringt zich de vergelijking met de hedendaagse migrantencrisis al gauw op. Behalve vluchtelingen op de loop voor oorlogsgeweld zijn er andere buitenlanders die in Europese landen waar meer vrijheid en welvaart heersen dan in hun eigen land, een beter bestaan komen zoeken. Nog niet zo heel lang geleden waren het Nederlanders die met hetzelfde doel hun vertrouwde omgeving inruilden voor het onbekende.

    In De onervarenen gaat een groep kansarmen uit het Nederland van 1847 in op het aanbod van de Maatschappij voor Overzeese Volksplanting om elders een nieuw leven te beginnen – een historisch gegeven. Onder hen zijn Odile en Koben, een jong stel dat na een mislukte oogst hun boerderij moet verlaten. Odile is de verteller van het verhaal.
    Een van de andere emigranten is haar geletterde moeder. Aan het begin van het boek wordt deze sterke, eigenzinnige vrouw onterecht in een krankzinnigengesticht opgesloten, waar ze door haar intelligentie, observatievermogen en rechtvaardigheidsgevoel weer uit weet te komen. Op het schip begint zij de taal van het vreemde land alvast te leren.

    Vasthouden aan het bekende
    Odile heeft behalve haar moeders intelligentie ook haar kracht om zich aan de omstandigheden aan te passen geërfd. Hoewel zij zich zonder protest voegt naar de starre levensopvattingen van haar man, voelt de analfabete Koben zich haar mindere.
    Op de nieuwe plek krijgt de groep een stuk grond om te bebouwen toegewezen, maar de toegezegde ondersteuning blijft uit. Koben weigert de nieuwe taal te leren en houdt bazig vast aan het bekende uit het moederland. Door de leiding te nemen, aanvankelijk samen met de pragmatische Jacob, creëert hij zijn eigen houvast. De meeste Nederlanders  volgen hem omdat ze ook niet weten hoe het anders moet.

    Angst en oude waarden
    Het is de angst voor het onbekende en vooral de angst om in de nieuwe situatie ten onder te gaan, die mensen krampachtig laat teruggrijpen op oude waarden. Dat zien we overal ter wereld, ook in het huidige Europa bij zowel autochtonen als bij de nieuwkomers, waarbij de laatsten er het meest mee worstelen. In Van Leeuwens boek blijft Koben rotsvast geloven in de Enige. Hij weet zijn getrouwen te bewegen met hem te bidden tot zijn God, in wie zij al lang niet meer geloven. Zolang het maar lijkt alsof zijn waarden algemeen geldig zijn, kan Koben zich handhaven.

    Odile vertelt: ‘Vaak dacht ik dat alles beter was geweest als zij (haar moeder, AM) het in ons dorp voor het zeggen had gehad, zij luisterde naar de mensen die al hun hele leven in dit land woonden, terwijl Koben ons verplichtte alleen onze eigen taal te spreken en om een boom te dansen, omdat we dat thuis één keer per jaar deden als de kou voorbij was. Hier was het nooit koud, wat zouden we dan om een boom dansen, alsof we al niet genoeg zweet verloren met ons werk, maar het moest nog steeds van Koben, ook de paar kinderen die nog in leven waren moesten het, ze zongen er een liedje bij over de dooi, wat moesten die kinderen met een liedje over de dooi, dat hele woord dooi hadden ze nooit meer nodig.’

    Van subtiele zinsneden als deze moet de lezer het hebben. Daarin komt even het drama onverbloemd naar buiten, daarin proef je de wanhoop die er moet hebben geheerst. Want door de veelgebruikte indirecte rede (zij zei dat…, haar moeder vond…, toen Koben zag dat…) kijk je vooral tegen de buitenkant van de gebeurtenissen aan en blijven ook de personages aan de oppervlakte.

    Distantie
    Deze gedistantieerde benadering wordt nog versterkt door de haast terloopse manier waarop Van Leeuwen de geschiedenis weergeeft. Alles komt aan bod: armoede, vuil, slechte voeding, ziekte en dood, de woonplek, het onderlinge wantrouwen, terwijl woorden als herberg, meelzak en secreet de negentiende eeuw oproepen. Toch zou een diepgaandere beschrijving van zowel gebeurtenissen als personages en omgeving meer gevoel in het verhaal brengen. Nu komt de ellende slechts en passant voorbij. Net als in Feest van het begin – waarvoor Van Leeuwen de AKO literatuurprijs kreeg – is het compacte verhaal ondergeschikt aan de stijl. En al is die nog zo smaakvol, geen lezer zal hartzeer zal krijgen van het wedervaren van onze vroegere landgenoten overzee. Misschien is dat de reden dat De onervarenen behalve dat het je aandacht vasthoudt, ook ergernis teweegbrengt.

    Taal om het leven te bevatten
    Interessant is dat Van Leeuwen ook de taal tot onderwerp heeft gemaakt (‘woorden’ en ‘taal’ komen veelvuldig voor). De boodschap die zij meegeeft is dat het beheersen van een  taal onontbeerlijk is om het leven te bevatten. Hoe kom je er anders achter wat de regels en gewoonten in een samenleving zijn, wat er wordt bedoeld in officiële brieven, bij wie je met problemen terecht kunt en wat er van jou als nieuwkomer wordt verwacht? Dat geldt nu, dat gold toen. Mensen die openstaan voor de nieuwe omgeving verwerven grip op de omstandigheden, zijn niet zo ontredderd als degenen die de gang van zaken niet begrijpen of zich ertegen verzetten.

    Beloning voor de lezer
    Behalve onoverkomelijke moeilijkheden en vervlogen dromen laat De onervarenen de kracht van aanpassingsvermogen zien. Daarbij wordt ook duidelijk dat niet iedereen in staat is zichzelf opnieuw uit te vinden. Koben delft het onderspit, Odile, haar moeder, Jacob en een paar anderen die zich weten aan te passen komen er het meest ongeschonden vanaf. De andere overgebleven Nederlanders sudderen door in de misère. Maar op het einde neemt het verhaal opeens nog een min of meer positieve wending. Omdat Van Leeuwen op de laatste pagina’s nog voor een verrassing zorgt, wordt met dit bescheiden happy end ook de lezer beloond.

     

     

  • Arme drommel

    Arme drommel

    Eduard Saxberger is een oude man die zijn dagen slijt op kantoor. Er was een tijd dat hij het burgerlijke leven dat hij nu leidt, veracht zou hebben. In die tijd publiceerde hij zijn eerste en tevens laatste werk, Omzwervingen. Een klein boekje gevuld met zijn gedichten. Nu, op zijn oude dag, vindt hij zijn leven wel prima zo. Na zijn werk leest hij de krant of soms zelfs een ‘onderhoudende’ roman en geregeld ontmoet hij een vast groepje vrienden in de kroeg voor een potje biljart of een warme maaltijd.

    De ontmoeting
    Bij thuiskomst van een van zijn wandelingen door de stad zit een jongeman op hem te wachten. De jongen stelt zich voor als Wolfgang Meier. Schrijver. Meier begint zijn lofzang: Saxberger ontmoeten is één van zijn grootste wensen, hij heeft grote bewondering voor de dichter en Omzwervingen is een prachtig werk.

    Meier vertelt dat hij lid is van een kring van jonge schrijvers. Deze kring bestaat uit een groep excentriekelingen, die het één voor één proberen te maken in de harde wereld van de kunst. De groep is een allegaartje van acteurs, schrijvers, dichters, toneelschrijvers en meer. Zíj zijn de talentvollen en de rest zijn talentlozen. Zij zijn –ongewaardeerde- kunstenaars. Ze houden zich ver van de heersende stroming, maar het publiek blijkt nog niet klaar voor hen te zijn. Zij zijn er echter van overtuigd dat hun tijd hoe dan ook nog zal komen.

    Saxberger wordt door Meier uitgenodigd om de mensen uit deze kring te ontmoeten. En zo bevindt Saxberger zich op een dag na zijn wandeling tussen de vrienden, ‘het jonge Wenen’, in het koffiehuis waar de groep geregeld samenkomt. Ieder van hen is lyrisch over Saxberger en zijn gedichten. Hij neemt de woorden van lof in ontvangst en bedankt de jongens vriendelijk.

    Deze ontmoeting zet Saxberger aan het denken over een onderwerp waar hij zich al jaren niet meer mee bezighoudt: zijn gedichten. Zijn ze misschien werkelijk zo goed? Heeft het publiek een fout gemaakt door zijn werk niet te erkennen? Hoe vaker hij de kunstenaarskring in het koffiehuis bezoekt, hoe zekerder hij is: ja, ze hebben een fout gemaakt. Hij is een dichter en zijn werk had meer waardering verdiend.

    Moment suprême
    Hoewel de kring zich fel uitlaat over de massa die niet weet wat kunst is, hebben ze toch publiciteit nodig: ze besluiten een voordrachtsavond te organiseren. Ieder van hen zal een stuk uit eigen werk voordragen. Saxberger die al redelijk ingeburgerd is in de groep moet er ook aan geloven. Ze vragen hem een nieuw gedicht te creëren voor de grote avond. En dan wordt het moeilijk voor de oude man. De heer, die zichzelf nu als miskent dichter beschouwt, moet de kunst weer oppakken en dit vergaat hem niet gemakkelijk. De weken gaan voorbij, maar hij krijgt geen woord op papier. Hij moet met tegenzin aan zijn nieuwe vrienden bekennen dat hij het dichten is verleerd.

    Toch leeft Saxberger naar de voordrachtsavond toe. Op deze avond zullen er wat gedichten uit zijn eerdere werk worden gelezen. Hij is gaan verlangen naar roem. Zal deze avond hem dat brengen? Nadat zijn gedichten zijn voorgedragen en hij op het podium zijn applaus in ontvangst neemt, hoort hij echter een ander geluid. Als hij van het podium af is, overspoelt hem een intens verdriet. Hij twijfelt eerst nog, maar weet het dan zeker: iemand noemde hem ‘een arme drommel’. Waarom werd dat gezegd? Is het zijn leeftijd, zijn het zijn gedichten? De woorden blijven zich herhalen in zijn hoofd.

    De schrijver
    Arthur Schnitzler (1862-1931) was een huisarts en een schrijver. Zijn bekendste roman is Leutnant Gustl (1900) in de vorm van een interne monoloog. Na zijn dood heeft hij al zijn werk aan zijn zoon nagelaten; acht kisten met manuscripten van (on)voltooide werken, schetsen, notities, en briefwisselingen. Hierbij zat ook Late roem, dat eerder door Schnitzler was betiteld als Geschiedenis van een bejaarde dichter. Interessant is dat hij dit boek al op 32-jarige leeftijd heeft geschreven.

    Tijdloos
    In deze novelle drijft Schnitzler lichte spot met de kunstenaars en vooral de kunstenaarsbijeenkomsten van zijn tijd. De personages zijn een typische weergave van vrijgevochten kunstenaars met grootse uitspraken, maar met weinig succes. Dit maakt de passages in het koffiehuis met de gepassioneerde gesprekken tussen de ‘echte’ kunstenaars van Wenen vermakelijk om te lezen. Ze voeren een strijd om de aandacht van het publiek terwijl ze dit eigenlijk als een stel onwetenden zien. Zo wordt beschreven dat tijdens de voordrachtsavond het publiek voor elke bijdrage even hard applaudisseerde, zich duidelijk niet bewust van enig kwaliteitsverschil in de stukken. De recensies over de voordrachtsavond zijn niet bepaald positief te noemen. Dit roept de vraag op: zit het publiek er zo ver naast of ligt het aan de kunstenaars?

    Ook de strijd tussen het vrije kunstenaarsbestaan aan de ene kant en het saaie burgerlijke leven aan de andere kant komt in het boek naar voren. Het boek eindigt in een anticlimax. Door het boek heen zie je Saxbergers vertrouwen in zijn dichterschap groeien. Hij begint neer te kijken op zijn normale leven en alles wat daarbij hoort. Zijn nieuwe vrienden helpen hem dit zelfvertrouwen te vinden waardoor hij vervreemdt van zijn oude vrienden die duidelijk niet meer snappen met wie ze te maken hebben. De ommezwaai die Saxberger aan het einde maakt, is misschien wat makkelijk. Maar misschien is dat wel de boodschap van het boek: wanhopig streeft men naar roem, sommigen mogen er even van proeven, maar velen zullen zich daarna weer –gedesillusioneerd- op dezelfde plek bevinden als waar ze zijn begonnen. ‘Hij had het gevoel dat hij na een korte, vermoeiende reis thuiskwam, in een huis waar hij nooit van had gehouden, maar waar hij de bedompte en warme behaaglijkheid van vroeger hervond.’

    De tijdloze thema’s van het verhaal maken dat het boek nu net zo actueel is als toen het werd geschreven. Schnitzler schrijft toegankelijk en voor je het weet lees je de laatste bladzijde. Toch zaait het verhaal ook de nodige twijfel. Bijvoorbeeld over Saxberger. Het ene moment voel je medelijden met de oude man, die niet helemaal op zijn plek lijkt tussen de jonge kunstenaars. Het andere moment is het moeilijk sympathie voor hem te voelen wanneer hij steeds verder naast zijn schoenen begint te lopen. Schnitzler kiest niet. Het is uiteindelijk aan de lezer om een antwoord te vormen op de vragen die zich opdringen na het lezen van het boek.

  • Onvervuld verlangen 

    Onvervuld verlangen 

    Te veel is zelden goed. Te veel slaat dood. Zo ook in Godin, held, het boek dat Gustaaf Peek schreef over de liefde tussen Tessa en Marius. Verboden liefde, want beiden hadden officieel een andere relatie, maar werden steeds weer naar elkaar toegetrokken, als vliegen op honing. Hunkerend naar seks en naar elkaar. Seks die overvloedig en expliciet van de pagina’s afspat, maar uiteindelijk niet kan verhullen dat het werkelijke thema van Peek gemis en onbereikbaarheid is.

    Tessa en Marius kennen elkaar sinds hun middelbare schooltijd, waarin ze samen hun eerste voorzichtige seksuele ervaringen opdeden. Als ze elkaar later op een reünie weer tegenkomen blijkt de aantrekkingskracht niet verdwenen. De eerste toenadering is weer net zo schuchter, maar maakt snel plaats voor een volledige wederzijdse overgave.

    Peek vertelt hun liefdesgeschiedenis achterstevoren. Beginnend op de begrafenis van Tessa, 24 jaar nadat Marius was overleden. Om in vijftig hoofdstukken te eindigen bij daar waar het begon: bij het ongeduldig smachten van Tessa naar liefde. ‘De tijd ging haar te traag. Ze wilde ouder worden, een vrouw zijn en eindelijk de wereld betreden waar hij op haar zou wachten.’ ‘Hij mocht meer ervaring hebben, maar het belangrijkste zouden ze samen ontdekken.’

    Dat ontdekken kwam wel goed. Peek beschrijft dat in talloze passages, die niet smakeloos zijn, maar wel uiterst expliciet en voor de lezer onontkoombaar: ‘Alleen mijn held mag in m’n mond spuiten, niemand anders. Niemand anders? Alleen mijn held. Kom maar, lieverd. Spuit maar, ik wil je proeven.’ Of: ‘Hij voelde Tessa’s voeten op zijn billen, zijn uitzicht op haar dreigde hem te ontroeren, hij wilde nog zo veel dichter bij haar zijn, haar geile praat kwam als een opluchting en hij hervond zich en antwoordde haar, ja hij zou haar neuken, hij was nog lang niet klaar met haar, hij had haar ook gemist, hij zou het haar laten  voelen, zijn pik was hard voor haar, was ze zijn vrouw, wilde ze zijn zaad in haar hete kut?’

    Godin, held staat vol met dit soort passages. Je kunt er niet omheen. Als bezegeling van de onontkoombaarheid van de liefde tussen Tessa en Marius, waar ook Paul en Corinne (hun ‘officiële’ partners) niet tussen komen. Een liefde die is, maar tegelijkertijd ook niet. Ze beleven hem in een soort van gedroomde tijd. Ze consumeren voortdurend de liefde zonder elkaar echt te bezitten. Waardoor uiteindelijk niet de veelheid aan seks maar gemis en onbereikbaarheid het centrale thema van Godin, held blijkt te zijn.

    Marius lijkt dat terdege te beseffen en spiegelt dit ook aan de onbereikbaarheid van zijn eigen gestalte vroeger in de spiegel. Het lijkt wel of hij zijn meest intense seksuele ervaringen niet heeft als Tessa bij hem is, maar als hij over haar denkt, droomt of fantaseert. Als hij zich aftrekt op een foto van haar, of in haar meisjeskamer waar hij heeft ingebroken. Of als hij later aan haar denkt en zich kwelt en tegelijkertijd opgeilt met een fantasie over haar onderwerping en vernedering, waarbij meerdere mannen seks met haar hebben: ‘ … in zijn dromen kon ze weer kinderen krijgen en elke man maakte haar zwanger, liet met elke stoot haar buik en borsten zwellen tot hijzelf, schreeuwend, huilend, klaarkwam achter zijn bureau, of in het bed waar hij haar ooit had vastgehouden tot hij sliep.’

    Dat een kind van hen samen een onbereikbaarheid is, is iets dat ook Tessa zich realiseert. Een realiteit die ze tot in het spel doortrekt. Een spel dat ze maar wat te graag speelt. ‘Ze wil het spel doen, zij is een vrouw alleen, vruchtbaar; hij een vreemde die haar verrast. Hij wil dat ze het zegt. “Niet in me. Niet in me spuiten, niet doen. Maak me geen kind.”‘ Een spel dat Marius jaren later zal herhalen, als hij in Padua één dag voor zijn dood een escort-dame naar zijn hotelkamer laat komen. Hij wil dat ze zich Tessa noemt, en dat ze vlak voor dat hij klaarkomt ‘maak me een kind’ tegen hem zou zeggen. Een wens die tijdens de daad zou omslaan. ‘Hij schokte leeg in haar, terwijl zijn hand haar mond bedwong. Niets wilde hij meer horen van zijn verzoek, zijn vergissing, de vuile uitlopers van zijn oude, dode droom.’

    Wat jammer is is dat bij Godin, held alle aandacht voor de vleselijke liefde de andere kanten van menselijke relaties ondersneeuwt. Het gemis en de onbereikbaarheid worden wel aangestipt, maar niet uitgediept. Peek laat ontzettend veel te raden over. Over Marius’ kinderwens. Over Tessa’s verdriet om haar zoon Onno, die om onduidelijke redenen zelfmoord pleegt. Over Corinne en Paul. Over de scheiding van Marius en Corinne; over de scheiding van Tessa en Paul, en over de schijnbare onverbrekelijkheid van Tessa’s en Marius’ officiële relaties. Wat op zich natuurlijk niet erg is; iets van eigen inkleuring mag altijd van een lezer worden verwacht. Maar Godin, held verwacht in dit opzicht wel erg veel. Te veel.

    Om diezelfde lezer aan het einde net als Tessa met een onvervuld gevoel achter te laten. Ze baalt ervan dat ze voor haar laatste dag in dit leven geen uitspatting met een jongen had geregeld. Een jongen een uur lang helemaal voor haar. ‘Voor het laatste een pik, de zachte huid en onrust, al dat leven.’ Maar ook die vervulling was haar niet gegeven. Op 7 september – de dag waarop ook Marius was overleden – stopte haar hart. Ze was ouder geworden en betrad als vrouw een andere wereld waar hij op haar zou wachten.

     

     

  • Dit ben ik niet

    Dit ben ik niet

    Twee mensen, een man van 48 en een vrouw van 38, verdwalen onafhankelijk van elkaar tijdens een trainingswandeling in een bos in Jutland. Hij heet Roar. Zij is naamloos. Hij is de verteller, de ik-figuur. Na een toevallige ontmoeting gaan zij samen op zoek naar een uitweg. Tevergeefs. Zij is de sportiefste van de twee. Als hij pijn aan zijn voet krijgt, verzorgt zij hem. Tegen zonsondergang vinden zij een verlaten hut waar ze besluiten de nacht door te brengen. Zij vertelt hem haar levensverhaal: haar mislukte relaties, haar verblijf in de hippie-achtige setting van een woongroep. Van hem komen we in dat opzicht vrijwel niets te weten, behalve dat hij vrijgezel is. De volgende dag gaan ze weer op zoek naar een uitweg uit het bos, opnieuw zonder resultaat. Wel vinden ze een huisje, bewoond door kinderen en niet aanwezige of in ieder geval onzichtbare ouders. Zij besluiten zich niet aan de kinderen op te dringen en slapen in de schuur bij het huisje. Zij is inmiddels flink ziek geworden door het drinken van vervuild water en het eten van bedorven waar. Hij verzorgt haar zo goed mogelijk. De volgende dag blijkt dat ze niet ver van een bushalte zijn die hen naar de beschaafde wereld kan brengen.

    In die twee dagen en nachten is er veel gebeurd tussen deze twee mensen, maar wat precies, blijft onduidelijk en is misschien ook niet zo belangrijk. Haar levensverhaal staat centraal in het boek. Het boek is opgezet als een raamvertelling waarin de verteller zowel de proloog als de epiloog opent met de woorden: ‘. Ik sta niet zo achter een boom in het bos.’ en ‘. Ik zit niet zo met een slapende vrouw in het bos.’ Het gaat niet om hem, hij is slechts klankbord.

    Helle Helle staat bekend om haar minimalistisch realistische manier van schrijven. Met zo weinig mogelijk woorden tracht zij grote zaken te vatten. Het is geschreven in korte, trefzekere zinnen, bijna staccato. Gevoelens van liefde of het ontbreken daarvan worden nergens als zodanig beschreven, maar wel kenbaar gemaakt in de beschrijving van kleine dagelijkse tafereeltjes. Haar verliefdheid op Christian, een jongen uit haar woongroep, wordt duidelijk gemaakt aan het feit dat zij zich voortdurend in de spiegel bekijkt met in haar achterhoofd de gedachte: ‘Hoe zal hij vinden dat ik er uitzie?’ Zij zoekt haar eigen identiteit in zijn ogen. Als zij hem tenslotte zes jaar later bij toeval in Berlijn ontmoet, en hij met haar een relatie aangaat, treedt zij vooral binnen in zijn wereld met zijn zoontje, zijn bedrijf, zijn moeder, zijn huis en zijn spullen.

    Als de liefde later is bekoeld en haar eigen gevoelens en persoonlijkheid weer meer aandacht vragen, wordt dit duidelijk gemaakt aan de hand van de verkeerde cadeautjes die zij van hem krijgt en aan haar irritatie over zijn lach, die al te zeer lijkt op de lach van zijn moeder. Zij is zich steeds meer bewust van het feit dat zij eigenlijk zijn gevangene is en dat ontsnappen nauwelijks mogelijk is. Dit is eigenlijk het centrale thema van het boek. Het feit dat zij verdwaald is in het bos, lijkt dan ook geen toeval te zijn. Het is een poging te ontsnappen aan haar gevangenschap. Of dit voor de verteller, Roar, ook zo is, blijft onduidelijk. Hij lijkt een soort onpersoon, alleen maar noodzakelijk om haar verhaal te kunnen vertellen. Eigenlijk zegt hij het ook zelf door telkens te beginnen met: ‘.’

    Het is fascinerend te zien dat het centrale thema van het boek heel realistisch wordt beschreven juist door de zeer gedetailleerde beschrijvingen van Helle Helle van doodgewone kleinigheden die schijnbaar niet ter zake doende zijn. Het wordt op deze wijze ontdaan van alle romantiek en dramatiek. Het wordt heel doodgewoon, heel ordinair en daarin schuilt misschien wel het echte drama. Dit alles wordt nog versterkt door de absurde setting van de situatie in het bos. Helle Helle heeft een bijzonder boek geschreven dat het verdient gelezen te worden.

     

  • Oogst week 19

    door Carolien Lohmeijer

    Heeft het vertrek van Wouter van Oorschot bij zijn uitgeverij G.A. van Oorschot een direct verband met het verschijnen van Verborgen boeken dat eind vorige maand bij Querido verscheen? Daar lijkt het wel op. Verborgen boeken kon geschreven worden omdat bij uitgeverij G.A. van Oorschot persoonlijke documenten van Querido’s eigenaar Emanuel Querido werden gevonden. Het kan haast niet anders of Wouter van Oorschot heeft zijn kantoor ‘opgeruimd’ willen overdragen aan zijn opvolgers en toen de documenten gevonden die zijn vader jarenlang bewaard had. Zijn vader, Geert van Oorschot, was door Emanuel Querido als zaakwaarnemer aangesteld vlak voor diens deportatie naar Sobibor. Tot voor kort wist men niet beter of het archief van de uitgeverij was bij de inval van de Duitsers verbrand om de joodse auteurs en medewerkers te beschermen.
    Bijzonder feit is dat uitgeverij Querido dit jaar honderd jaar bestaat; een mooier cadeau kan de uitgeverij zich niet wensen.

    Willem van Toorn beschrijft de geschiedenis van Querido Verlag, waar Duits-joodse schrijvers vanaf de jaren dertig hun werk konden publiceren. Arjen Fortuin belicht de rol van Geert van Oorschot als zaakwaarnemer in oorlogstijd. En Hugo van Doornum schetst de jaren na de bezetting.
    Verborgen boeken. EM. Querido’s Uitgeverij tijdens en na de bezetting, Arjen Fortuin, Hugo van Doornum, Willem van Toorn, Uitgeverij Querido, 140 pagina’s, € 18,99

     

    De Israëlische trilogieSchwob is een initiatief voor de ‘beste onbekende boeken uit de wereldliteratuur’. Op Schwob-avonden gaan auteurs met elkaar in gesprek over hun favoriete vergeten boeken.
    Arnon Grunberg sprak tijdens zo’n avond over Marek Hlasko (1934-1969). Hlasko was een populaire schrijver in post-stalinistisch Polen, die toen hij in 1958 Polen verliet, geen toestemming kreeg om terug te keren. Hij leefde daarna in West-Europa, de VS en Israël. Hij was geen Jood, maar voelde zich zeer betrokken bij de Poolse Joden in Israël, en schreef in dat land een aantal meesterwerken, waaronder De tweede hondenmoord, Bekeerd in Jaffa en Ik zal jullie over Esther vertellen.

    De boeken van Hlasko zijn geen vergeten boeken meer. Bovengenoemde drie romans zijn nu opgenomen in De Israëlische trilogie die bij uitgeverij Athenaeum verschenen is. Zij schetsen een beeld van de mensheid vol zwarte humor. De stijl is direct en filmisch.

    De Israëlische trilogie, Marek Hasko, vertaald door Karol Lesman en Gerard Rasch, Uitgeverij Athenaeum, €19,99

     

    Franz KafkaIn Franz Kafka, schrijver van schuld en schaamte analyseert Saul Friendländer Kafka’s leven en werk. Hij geeft een beeld van de auteur als jonge man die wordt verscheurd door gevoelens van schuld en schaamte. Over dit beknopte biografische essay wordt gezegd dat het het beeld doorbreekt van de verlegen literaire heilige dat werd geschilderd door Kafka’s vriend Max Brod. Aan de hand van brieven en dagboeken schetst Friedländer de afgronden van persoonlijke angst, van seksuele ambiguïteit, van ziekte en van de permanente wanhoop waarin Kafka’s werk wortelde. Hierdoor ontstaat een nieuw beeld van de ‘verknoping tussen persoonlijk lijden en een uniek literair oeuvre’.

    Franz Kafka, schrijver van schuld en schaamte, Saul Friedländer, vertaling Jabik Veenbaas, Uitgeverij Bijleveld, € 19,50

     

     

  • Portret van een oeuvre

    Portret van een oeuvre

    Recensie door Hans Bender

    Margot Dijkgraaf (1960), romanist en onder meer literatuurcriticus van diverse literaire bladen, is vanaf haar middelbare schooltijd gefascineerd geweest door het werk van Hella Haasse. Als twintiger stuurde zij de schrijfster soms brieven met vragen over een boek, dat ze zojuist had gelezen. De schrijfster belde haar dan steevast terug om de vragen te beantwoorden. De interviewster zat ondertussen niet stil; ze werkte voor NRC Handelsblad, voor diverse culturele organisaties, werd redacteur van literaire tijdschriften en schreef zelf een paar boeken. Al met al: in de 22 jaar, die zij Haasse heeft gekend is zij ongeveer 130 keer bij haar thuis geweest.

    In 2004 ontstond het plan, de gesprekken in een boek te bundelen; dat resulteerde in Spiegelbeeld en schaduwspel.

    Hella Haasse groeide op op Java en haar bekendste Indische boeken zijn haar debuut Oeroeg en het latere Heren van de thee. In 1988 krijgt zij de nodige bekendheid bij het grote publiek doordat Adriaan van Dis haar in zijn televisieprogramma ten tonele voert als ‘de schrijfster van Oeroeg‘. Het boek wordt later, in 2009, verkozen tot het centrale boek van de campagne ‘Nederland leest’. Bovendien omschrijft Van Dis haar als ‘de gesprekspartner van de koningin’. Het interview bevalt de schrijfster allerminst; ze wil uitsluitend worden beoordeeld op de kwaliteiten van haar literaire werk.

    In het algemeen wordt zij gezien als een erudiete, aardige en bescheiden dame zonder uitgesproken, laat staan controversiële standpunten. Ook de neerlandistiek besteedt relatief weinig aandacht aan haar: als Margot Dijkgraaf enige tijd na Haasse’s dood in 2011  een avond poogt te organiseren over haar werk vangt zij bij alle door haar benaderde hoogleraren bot. En tot op de huidige dag is er niemand gepromoveerd op (alleen) het werk van Hella Haasse.

    Opmerkelijk: Haasse wilde niet, dat het boek van Dijkgraaf een biografie zou worden; wie wilde weten wat voor leven zij had geleid moest – zo meende zij – haar boeken maar lezen. Tja, en wat denkt Dijkgraaf, de interviewster eigenlijk zélf van haar boek? Welnu, om te beginnen, ze vindt het – merkwaardigerwijze – geen interviewboek en evenmin een biografie. Zij omschrijft het als ‘mijn portret van het oeuvre van onze grootste twintigste eeuwse schrijfster…’

    Hella Haasse had levendige herinneringen aan haar vroege, Indische jeugd en zij legde daarbij de nadruk op de betovering, die uitgaat van de natuur. Dit aspect alsook de (gezins)wereld waarin zij opgroeide komt tot uiting in haar autobiografisch werk Zelfportret als legkaart (1954), Persoonsbewijs (1967), Krassen op een rots (1974) en nog enkele andere boeken.
    Hella Haasse krijgt van huis uit liefde mee voor kunst en cultuur en daarnaast een zekere hartstocht voor literatuur en het schrijven. Dit alles wordt in hoge mate bepaald in de jaren die zij doorbrengt op het lyceum in Batavia. Na haar eindexamen vertrekt zij in 1938 naar Nederland, waar haar vader haar heeft ingeschreven voor de universitaire studie Nederlands in Utrecht. Tegen de zin van haar ouders verhuist ze naar Amsterdam om er Scandinavische talen, Zweeds en in het bijzonder Oud-Noors te gaan studeren. Inmiddels is de Tweede Wereldoorlog uitgebroken en is Nederland door de Duitsers bezet. Hella stopt met de studie en schrijft zich in bij de toneelacademie. In 1943 doet zij daar eindexamen. Tijdens de opleiding en daarna treedt zij regelmatig op in het land. Zij schrijft in die tijd teksten voor kinderprogramma’s; ook voor Wim Sonneveld schreef ze – tot 1947 – veel cabaretteksten.

    In 1944 trouwt Hella Haasse met Jan van Lelyveld, die aanvankelijk archeologie en geschiedenis, later rechten studeerde. Hij had literaire ambities, was redacteur van het satirische studentenblad Propria Cures en vroeg haar – al in 1940 – tot de redactie toe te treden.

    Hella Haasse betitelde de roerige oorlogsjaren als ‘ de belangrijkste van mijn leven’, maar pas veel later, in 1963, schreef zij daarover een roman De meermin waarin de problematiek – twee geliefden, die verschillende toekomstverwachtingen koesteren – in vermomde vorm opduikt.

    In 1945 verschijnt Hella’s eerste dichtbundel Stroomversnelling. Interviewster Dijkgraaf ziet daarin een bekend motief van Haasse’s optreden: ergens bij willen horen, met name bij de geliefde, om tegelijkertijd de eigen creatieve autonomie te behouden.  Ook het ‘Feniksmotief’ keert in haar oeuvre vaak terug, bijvoorbeeld in De scharlaken stad (1951) en Een nieuwer testament (1966).

    Phoenix is een vogel uit de Griekse mythologie. Hij vliegt eens in de 500 (!) jaar naar Egypte en nestelt daar hoog in een boom. Nest plus vogel vatten vlam, waarna de vogel verjongd uit zijn as herrijst. Deze wedergeboorte, het nieuwe begin, heeft Haasse nog talloze malen uitgewerkt.

    Terug naar een eerder genoemd thema, de door de interviewster in het oeuvre van Haasse ‘ontdekte’ – en door de schrijfster in de gesprekken bevestigde – discrepantie ten aanzien van de toekomstverwachtingen tussen geliefden. Dat werpt de vraag op voor welke lezer een boek als dit nu eigenlijk het meest geëigend is. Welnu, voor degenen die genieten van de verhaaltrant van Hella Haasse zal dit boek zeker welkom zijn. So far, so good. Maar degene voor wie dit boek een uitkomst zou moeten zijn – de man of vrouw aan wie de psychologische diepgang werkelijk besteed is – zou dat niet de eerder genoemde promovendus zijn, die vooralsnog  ontbreekt in onze literatuurgeschiedenis? Uw recensent ziet daar een mogelijkheid.

    Al met al kan Spiegelbeeld en schaduwspel een verhelderend boek zijn voor bewonderaars van het werk van Hella Haasse. En die zijn er genoeg.