• *Fotosynthese 1 – Achtergrond bij de achtergrond

    *Fotosynthese 1 – Achtergrond bij de achtergrond

     


    Dit is Alexandrië in de jaren dertig/veertig vorige eeuw. Alexandrië of het huidige لإسكندرية al-Iskandariyyah in Egypte is een van die klassieke smeltkroezen van verschillende culturen. Het was een Griekse nederzetting, een voorpost van de Helleense beschaving, het Kalifaat regeerde er een poos, Napoleon kwam langs, Turkse Joden uit Constantinopel verhuisden er heen, de Britten maakten er een poos de dienst uit. In het eind van de 19e en het begin van de twintigste eeuw was het een vrijhaven voor Europese kunstenaars en dichters. Voor mij verwijst dit plaatje naar een aantal goede boeken. In de eerste plaats is dat Alexandria Quartet van Lawrence Durrell, vier boeken die voorgoed de sfeer van het vroeg twintigste eeuwse Alexandrië weergeven, een heel erg fraai, wat dromerig stel boeken rond een vriendengroep die leeft en droomt in Alexandrië.

    In 1957 verscheen al heel snel een vertaling (Johan W. Schotman) van de vier boeken, mooie delen die je bijna nooit ziet. Dit zou opnieuw uitgegeven moeten worden (maar is omvangrijk – en is het niet te ouderwets?), ik citeer de hele eerste bladzijde om een indruk van het werk te geven van het tweede van de vier boeken, Balthazar:

    IMG_1146‘LANDSCHAPSTINTEN: bruin tot bronskleurig, hoge horizon, lage wolken, parelmoeren grond met oesterkleurige schaduwen en violette weerglans. Het leeuwenstof van de woestijn: profetentomben aan het oude meer, die bij zonsondergang overgaan in zink en koper. Zijn geweldige breukvlakken van zand als waterpeilstrepen van de lucht; groen en citroen overgaand in geschutbrons; tot aan een enkel pruimdonker zeil, vochtig, trillend als een nimf met plakkerige vleugeltjes. Taposiris is dood te midden van zijn omgestorte zuilen en zeebakens, verdwenen zijn de Harpoeniers … Mareotis onder een hemel van gloeiend lila.
    zomer: geel zand, hete marmeren hemel
    herfst: gezwollen-kneuzing blauw-grijzen
    winter: bevroren sneeuw, koel zand
    heldere hemelpanelen, glinsterend van mika
    gewassen-delta groenen prachtige sterrenluchten

    En het voorjaar? 0! er is in de Delta geen voorjaar, geen gevoel van opfrissing en vernieuwing in de dingen. Je wordt de winter uitgegooid in een wassen namaak van een zomer, te heet om te ademen. Maar hier, in Alexandrië, redden de zeewinden, over de golfbreker tussen de oorlogs-schepen door aankruipend, om de gestreepte zonneschermen van de café’s op de Grande Corniche te doen flapperen, ons tenminste van de tijloze druk van zomerse nietigheid. Ik zou nooit…
    De stad, halfverzonnen (en toch volkomen werkelijk), begint en eindigt in ons, wortelt diep in onze herinnering. Waarom moet ik er avond na avond weer naar terugkeren, als ik hier bij het vuur van johannesbrood-boomhout zit te schrijven, terwijl de Aegeïsche wind aan dit huis op het eiland rukt en de cypressen als bogen krom achterover buigt? Heb ik niet al genoeg verteld over Alexandrië? Moet ik opnieuw worden aangestoken door de droom ervan en de herinnering aan zijn inwoners? Dromen, die ik veilig dacht vastgelegd te hebben op papier, weggeborgen in de kluis van mijn herinnering! Je denkt misschien dat ik me er te veel aan overgeef. Maar zo is het niet.’

     

     

    *De eerste fotosynthese verscheen op 4 februari 2016. Intussen zijn er 35 fotosyntheses verschenen. Om ze weer onder de aandacht te brengen, plaatsen we elke maand een van deze fotosyntheses.


    De rubriek ‘Fotosynthese’ naar een genre-idee van Rudy Kousbroek, geeft informatie over de afbeelding die als achtergrond op deze website staat. 
    In fotosynthese gaan beeld en tekst een verbinding met elkaar aan. Spreekt het u aan en heeft u ook een idee? Lever dan een afbeelding (rechtenvrij), met context. Dan kijkt de redactie of het voor plaatsing in aanmerking komt. Suggesties kunt u mailen naar: redactie@literairnederland.nl

     

  • Getipt door de recensenten van Literair Nederland

    Getipt door de recensenten van Literair Nederland

    We vroegen de recensenten van Literair Nederland drie titels te noemen die ze deze zomer willen gaan lezen. De keuze was niet eenvoudig, het ene boek riep de titel van een ander boek op, wat soms zorgde voor een dilemma. Want noem je De Baptisten, van Nyk de Vries, of toch Berghonger van Fleur Jongepier? Soms is het noemen van een titel genoeg om de lezer nieuwsgierig te maken. Enkelen lezen literatuur uit het land waar ze deze zomer verblijven, de ander herleest de boeken van Simone De Beauvoir, of haalt klassiekers uit de kast die toch eens gelezen moeten worden. Waarom dan niet in twee weken op het Ierse platteland nu eindelijk eens Ulysses uitlezen. Soms betreft de keuze een onvertaald boek, zoals Oekraïense gedichten van Serhiy Zhadan. Of boeken uit het nalatenschap van een moeder, waarin ook De Beauvoir zich ophield. En soms lees je gewoon waar je zin in hebt, pak je wat je voorbij ziet komen, of boeken die je bezighouden. Daar is deze rubriek dan weer goed voor, waarin een keur aan vertaalde en Nederlandstalige literatuur voorbij komt. En laat ons in een reactie gerust weten welke boeken u deze zomer leest! Dan zullen we die erbij plaatsten.

     


     

    Momenteel lees ik Het land van Hrabal van Rik Zaal, een roman over de werking van ons geheugen en schrijven onder een totalitair regime. Het roept literatuur uit dergelijke landen bij me op die diepe indruk op me maakte. Allereerst van de Tsjechische Bohumil Hrabal zelf. Zijn Al te luide eenzaamheid (ook door de ik-figuur, Hendrik Terpstra, in de roman van Zaal genoemd) begint zo: ‘Vijfendertig jaar lang zit ik in het oud papier en dat is mijn love story. Vijfendertig jaar lang plet ik oud papier en boeken, vijfendertig jaar lang maak ik mijn handen aan de letteren vuil (…) tegen mijn wil ben ik ontwikkeld geraakt en eigenlijk weet ik ook niet welke gedachten van mij zijn, en welke ik me door het lezen eigen heb gemaakt’.



    Als tweede Schuilplaats voor andere tijden uit 2022 van de Bulgaar Georgi Gospodinov gaat ook over herinneringen waaraan we willen vasthouden. Over Oost-Europa: ‘Natuurlijk waren de burgers ervan allang uitgewaaierd, als familieleden die gedwongen waren samen te wonen onder één dak totdat de kinderen oud genoeg waren en iedereen zijn eigen weg ging (…) Ze wilden allemaal naar die (westerse) minnares, van wie ze droomden toen ze het gezamenlijke socialistische bed deelden’.

     

     

     

    Onvolprezen blijft tenslotte De lotgevallen van de brave soldaat Svejk van Hrabals landgenoot Jaroslav Hasek. Het is al uit 1923 maar de satire over een man die de boel saboteert door alle bevelen zo precies mogelijk uit te voeren en daardoor het gezag ondermijnt blijft aanspreken. De soldaat doet me, terwijl ik dit typ, ineens denken aan De klerk Bartleby van Herman Melville. Is die laatste met zijn fameuze ‘I prefer not to’  Svejks westerse tegenpool? En met die vraag ben ik terug bij Hendrik Terpstra. Hij maakt een onderscheid tussen Echte en Onechte Landen. Hij legt op pagina 37 van Het land van Hrabal uit wat hij daarmee bedoelt.

    Adri Altink


     

    Omdat ik tijdens mijn verblijf in Bretagne graag een klassieker lees die zich in dit deel van Frankrijk afspeelt, lees ik De Chouans (1829) van Honoré de Balzac. Een militaire historie en liefdesgeschiedenis ineen tijdens een opstand in Fougères. Een man en vrouw worden verliefd maar staan elk aan de andere kant van het conflict. Het is de Balzac-versie van Romeo & Juliet, Tony & Maria, en Danny & Sandy. De Nederlandse vertaling is niet meer verkrijgbaar, dus lees ik – digitaal – de Engelse vertaling. Met een extraatje, want als het bevalt kan ik de volledige ‘Comédie humaine’ gaan lezen want Balzac’s complete oeuvre staat nu in mijn digitale boekenkast.

     

     

    Nadat ik De Nacht beeft van Nadja Terranova had gelezen, over de gevolgen van een aardbeving op Sicilië dat je bij de lurven grijpt, wilde ik onmiddellijk meer van haar lezen. Afscheid van de geesten (2020) stond op de shortlist voor de Premio Strega en won de Premio Alassia Centolibri. Wederom is Sicilië het toneel, waarnaar Ida vanuit Rome terugkeert om het huis van jaar jeugd leeg te ruimen. Een literaire versie van mijn favoriete film, Nuovo Cinema Paradiso (Oscar voor de beste niet-Engelstalige film in 1989).  Niet meer leverbaar in Nederland, maar online vond ik een Nederlandse vertaling in Frankrijk. Inmiddels ligt het boek bij mij thuis op tafel te wachten tot ik tijd heb voor de Siciliaanse zomerhitte.

     

     

    Als ik over enkele weken naar Ierland vertrek wil ik James Joyce ter hand nemen. Vooralsnog staat Ulysses op het menu, een boek waar ik al vaak mee in mijn handen stond, maar steeds voor terugdeinsde. Ditmaal ga ik me eraan wagen. Het zal geen probleem zijn om dit boek te verkrijgen, al is het nog wel oppassen met de versies. Vanaf zijn publicatie is de roman controversieel, wat in meerdere landen tot een verbod leidde. En er zijn verschillende versies in omloop met elk een eigen interpretatie. Het schijnt geen makkelijk boek te zijn en eindigde in 2007 bij de Guardian-verkiezing van het minst uitgelezen boek op de derde plaats. Vandaar mijn eerdere huiver. Maar ik ben optimistisch. Twee weken op het platteland van Ierland, met voldoende tijd om te verpozen bij het haardvuur in deze of gene pub, moet voldoende zijn om het te lezen. Of om het weg te leggen.

    Martin Lok


     

    Van de internationaal bekende Oekraïense schrijver, dichter en rockster Serhiy Zhadan (1974) zijn twee van zijn twaalf romans in Nederlandse vertaling verschenen, maar zijn gedichten zijn, op een paar uitzonderingen na, nog niet vertaald. Deze zomertip betreft een Engelse vertaling  en is tegelijkertijd een pleidooi voor een uitgave in het Nederlands. How Fire Decends is een bundel met nieuwe en oude gedichten die in 2023 (Yale University Press) verscheen. Een keuze uit de bundels Psalms to Aviation (2021), List of Ships (2020), Antenna (2018), Templars (2016) en de laatste New Poems (2021-2022) zijn afkomstig van zijn Facebook-website, waaronder ook gedichten van na de Russische inval. 

    Zhadan is geboren in Staroblisk, een stad in Luhansk (Oost-Oekraïne) en hij woonde het grootste deel van zijn leven in Charkiv. Hij is activist vanaf de Oranje Revolutie (2004) en daarna de Maidan Revolutie (2013 – 2014). In het voorwoord schrijft Ilya Kaminsky dat Zhadan en zijn landgenoten werden bestormd door een pro-Russische menigte en hij gedwongen werd de Russische vlag te kussen. Hij weigerde, werd geslagen en liep een hersenschudding op. Deze dramatische gebeurtenis had invloed op zijn poëzie die een documentaire wending onderging.         

    De landschappen in het oosten van Oekraïne zijn aanwezig in al zijn werk, ook in de gedichten. Een fragment uit een langer gedicht: ‘The mutilated landscape clenches its teeth / framed by the light / slashed by moonlight / Pain and hope unite us / in the openings of the dark sky.’  

    In zijn laatste in het Duits vertaalde bundel schrijft Zhadan: ‘Voor het eerst had ik de behoefte mijn gedichten te dateren. Omdat de context meer betekenis had dan de tekst zelf. De gedichten van de laatste jaren verliezen hun autonomie, hun onafhankelijkheid, ze lijken steeds meer op een dagboek. Dat helpt het gevoel voor de tijd (…) niet te verliezen. De tijd betekent tegenwoordig veel, ze getuigt van je vaardigheid te spreken, je onvermogen te zwijgen.’   

    Ronald Bos  


     

    Een nieuw geluid, de geboorte van de moderne poëzie in Nederland door Gilles Dorleijn en Wiljan van de Akker beschrijft in meer dan 1000 pagina’s de vermeende ‘revolutie van Tachtig’. Het prachtig uitgegeven kloeke boek is ja en nee een literatuurgeschiedenis zeggen de schrijvers. ‘Nee’ want het beperkt zich tot de poëzie van Kloos en de zijnen en haren, ‘ja’ want de werkelijke invloed van de nieuwe dichters en hun nieuwe werk is in een breed literair kader onderzocht. In 41 hoofdstukken geven de beide emeritus hoogleraren een empirische basis aan, en een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis, de canon en gevestigde namen. Ze laten zien dat de nieuwe poëzie niet meer in dienst staat van kerk, kapitaal of politiek, maar een eigen scheppingsplan heeft. Dorleijn en Van den Akker spreken van een ‘autonomie +’. Met zijn twee kilo is het boek niet geschikt om mee te nemen op fietsvakantie maar het is wel een fijn boek om zo nu en dan wat hoofdstukken in te lezen. Of noem ik als eerste tip toch Tom Lanoys veelgeprezen ReinAard-bewerking?

     

    De baptisten moet een heerlijke roman zijn over hoofdpersoon Marten en muziekmaten, jongens uit gelovige dorpen in het noordoosten van Friesland. Een opgroeiroman tegen het decor van de opkomst en ondergang van hun band en van een kerkleven dat als vanzelfsprekend geaccepteerd en door iedereen gerespecteerd wordt. Het vraagstuk van het verdampende geloof in de wellicht wat pedant-atheïstisch westerse cultuur met minachting voor religie wordt kritisch benaderd door hoofdpersoon Marten, geboetseerd naar de schrijver zelf. Nyk de Vries (1971) is al meer dan twintig jaar actief als schrijver, muzikant en literair performer. Van 2019 tot 2021 was hij Dichter fan Fryslân. Hij is geboren en getogen in het Friese Noordbergum, heeft in Groningen gestudeerd en woont nu al jaren met zijn gezin in het zoals hij zelf zegt ‘gegentrificeerde’ Amsterdam-Oost. Hij weet dus waarover hij praat. ‘Ik voel me een intermediair tussen stad en platteland, geloof en ongeloof’, zegt hij zelf. Of noem ik Berghonger van de bergminnende filosofe Fleur Jongepier als eerste tip? Jongepier beschrijft berghonger, een bergzelf en bergmelancholie in dit zelfonderzoek dat mag leiden tot het opnieuw afstellen van het kompas van het leven.

     

    Dilemma van Erna Barth is een recent verschenen young adultboek. Hoofdpersoon Mick doet mee aan de eindronde van de filosofie-olympiade. Als hij wint, kan hij met het prijzengeld zijn vervolgstudie betalen; hij wil namelijk graag naar de landbouwhogeschool in Wageningen en later de boerderij van zijn ouders overnemen. Zijn vader ziet dat niet zitten. Hij heeft namelijk lang geleden tegen zijn zin zijn carrière als financieel directeur op moeten geven, is in plaats van tijdelijk, structureel ‘boer’ geworden en ziet liever dat zijn zoon een studie kiest ‘met meer perspectief’. Mick is stiekem naar de olympiade afgereisd. Hij komt daar in een rare situatie terecht waar in plaats van een serieuze filosofiewedstrijd vooral intriges en dubbele agenda’s een rol lijken te spelen. Spanning gegarandeerd dus! Daarnaast komen de beroemdste filosofen en filosofische begrippen langs in dit boek, dat opent met Aristoteles’ wijsheid ‘Twijfel is het begin van alle wijsheid’.

    Joke Aartsen


     

    In mijn boekenkast staat de boeken van Simone de Beauvoir, favorieten uit mijn twennertijd. De tweede sekse, Alle mensen zijn sterfelijk, De mandarijnen, Bloed van anderen, Met kramp in de ziel, Een wereld van mooie plaatjes en Uitgenodigd. Boeken die  kort na WO II geschreven en gepubliceerd zijn en heruitgegeven werden in de jaren ’80 door Agathon in een vertaling van Ernst van Altena. De maatschappelijke onderwerpen zoals existentialisme, feminisme en het patriarchaat zijn de hoofdthema’s van Simone De Beauvoir, hoewel zestig, zeventig jaar geleden geschreven zijn ze nog steeds verrassend actueel. 

    Uitgenodigd nam ik uit de boekenkast van mijn moeder. Ik bewaar sterke herinneringen aan die eerste lezing, er ging een wereld voor me open. Wanneer ik de eerste zinnen herlees, beleef ik hetzelfde als toen.Uitgenodigd is een sleutelroman, die gaat over een driehoeksverhouding tussen Pierre (Sartre), Francoise (De Beauvoir) en Xavière Pagès, (de Russische Olga) een jong meisje dat het echtpaar uitnodigt bij hen te komen wonen. De spanning tussen Francoise en Pierre wordt sterk opgebouwd. Want hoe feministisch en vrij van geest de echtelieden ook zijn, zodra jaloezie om de hoek komt kijken, is geen enkele relatie meer veilig. Tijd voor een herlezing, want alles is weggezakt.

     

    De mandarijen las ik negen jaar geleden, ik kwam mijn eigen recensie op Goodreads tegen. Het is een dikke pil met autobiografische aspecten. Een groep intellectuele Parijzenaren discussieert over de huidige wereld, koude oorlog, Algerijnse oorlog, waarin verzetsman Henri, (Albert Camus) een belangrijke rol speelt. Anne’s (De Beauvoir) innerlijke twijfel en haar uiterlijke beschaafdheid is sterk, ook de ongelijkwaardige strijd tussen man en vrouw wordt duidelijk. De mannen doen maar en de vrouwen zorgen. Dat intellectuele vrije klimaat, zonder enige bekrompenheid waarin toch ook niet alles pais en vree is, vind ik heel verfrissend. Erg genoten van dat boek. Tijd voor een nieuwe ontmoeting.

     

     

    Met kramp in de ziel is eigenlijk de Beauvoirs debuut, hoewel het pas in 1979 werd gepubliceerd. Ze was nog geen dertig toen ze, gebaseerd op haar eigen leven, aan de hand van vijf portretten van jonge vrouwen beschreef hoe ze zich ontworstelde aan het katholieke milieu. Vijf korte verhalen met eenzelfde thema die een eenheid vormen. 

    Marjet Maks

     


     

    Deze zomer heb ik besloten de boeken nog eens te lezen die ik meenam toen we mijn moeders huis uitruimden. Het betreft romans van Daphne du Maurier: Rachel, Janet, De kopermijn, Herberg Jamaica en van Pearl S. Buck: Oostenwind, westenwind en Het trotse hart. Boeken die verschenen tussen de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de Margriet-bibliotheek, gebonden exemplaren met een linnen kaft. Vaak was de vertaling geautoriseerd, wat betekende dat er flink in de tekst gesnoeid was. 

    Nobelprijswinnaar van 1938, Pearl Buck – door William Faulkner smalend ‘China hand Buck’ genoemd (hij kreeg de Nobelprijs pas elf jaar later) – schreef over China, het land waar ze opgroeide en waarnaar ze altijd heimwee bleef hebben. Bettine Vriesekoop schreef een biografie over haar, Het China-gevoel van Pearl S. Buck.

     

    Daphne du Maurier was een schrijfster met een heel complex karakter. Ze hield niet van publiciteit en trok zich meestal terug in haar geliefde Cornwall. Rebecca is haar beroemdste roman, maar voor mij is Rachel (vertaling van: My cousin Rachel) net iets beter. Steeds als ik het boek gelezen heb – en dat is al heel vaak – vraag ik me af of de hoofdpersoon onschuldig was of een berekenende intrigante. Misschien kom ik er na deze keer lezen achter. 

     

     

     

    Als ik praat over het werk van Sylvia Plath, reageren de meeste mensen met: ‘Oh, die vrouw die haar hoofd in de oven heeft gestoken omdat haar man vreemdging’. Dat kan me erg kwaad maken: ze heeft verdorie wel meer betekenis verdiend dan alleen om haar zelfgekozen dood herinnerd te worden. Om mezelf en anderen ervan te overtuigen hoe groot zij was als dichteres, heb ik me voorgenomen mijn oude bundel Collected Poems van haar nog eens door te nemen. Haar gedichten zijn zo persoonlijk en oprecht, dat je het gevoel krijgt haar gekend te hebben, al zijn diezelfde gedichten verre van gemakkelijk. Haar eerste bundel The Colossus bevat nog niet het dramatische werk dat pas met Ariel naar voren komt. Ik weet dat veel literatuurliefhebbers zich in twee kampen verdeeld hebben: de Plathianen, die zich zo fel keren tegen haar echtgenoot en collega-dichter Ted Hughes dat ze zelfs geprobeerd hebben zijn naam van haar grafsteen af te krijgen, en een partij die Hughes verdedigt door dik en dun, maar ik hou van het werk van beiden. Connie Palmen schreef in haar roman Jij zegt het over het huwelijk van Plath en Hughes, gezien door de ogen van Hughes. 

     

    Al mijn boeken van Isaak Babel heb ik weggegeven (behalve de dagboeken en briefwisselingen) en ik heb daarvoor in de plaats Alle verhalen van Isaak Babel gekocht in de vertaling van Froukje Slofstra. Een paar jaar geleden heb ik me op de boekenmarkt in Dordrecht ervan laten overtuigen dat haar vertaling beter is dan die van Charles B. Timmer uit 1972. Bij de kraam van uitgeverij Van Oorschot – die al sinds 1953 de Russische Bibliotheek beheert – vertelden ze me dat waar Timmer twintig woorden nodig heeft om een zin van Babel te vertalen, Slofstra het met vijf woorden af kan. Dat is precies zoals Babel zelf te werk ging: schrappen en nog eens schrappen, totdat alleen het hoognodigste overbleef. Hij had dat geleerd van de door hem zo bewonderde Gustave Flaubert en Guy de Maupassant.

    Ik was een beetje huiverig om eraan te beginnen uit angst dat het zou tegenvallen, maar deze zomer zal ik de verhalen van Babel opnieuw lezen, deze keer in de vertaling van Slofstra. Ik begin met De Rode Ruiterij, omdat dat een van de mooiste, gruwelijkste, indrukwekkendste verhalenbundels is die ik ken.

    Hettie Marzak


     

    De keuze of ik een roman, studieboek of dichtbundel pak, wordt vooral ingegeven door waar ik op een bepaald moment zin in of behoefte aan heb. Ze liggen altijd alle drie binnen handbereik. Ook tijdens mijn vakantie. Mijn romankeuze wordt ingegeven door het land waar ik dit jaar met vakantie naar toe ga, namelijk Engeland: Wij van de Ripetta van Tomas Lieske. Een roman waarin de schilder Caravaggio de schrijver Shakespeare ontmoet, waarin twee kunsten elkaar ontmoeten. Caravaggio en Shakespeare raken met elkaar bevriend. Een fictief verhaal. Volgens een recensie van Lieke van den Krommenacker wacht mij een ‘levendige, komische en kunstige historische roman die je onherroepelijk ook aan het denken zet over het heden’. De titel verwijst naar een steegje, de Via di Ripetta in Rome, waar ze niet zitten te wachten op een buitenlander zoals Shakespeare.

     

    Ik voel me in de hele wereld thuis van Rosa Luxemburg ga ik lezen ter voorbereiding op een filosofie leesclub met als thema ‘Liefde en verzet’. Brieven van politica, filosofe en activiste Rosa Luxemburg (1871-1919) met een nawoord van Joke Hermsen. Hermsen schrijft dat toen ze Luxemburgs ‘brieven voor het eerst las, [ze] niet alleen werd getroffen door de poëtische zinnen en sprankelende stijl, maar ook door de menselijke betrokkenheid die eruit sprak’. Tijdens een vakantie in Berlijn ben ik eens naar de brug gelopen waar Luxemburg in 1919 door soldaten in het Landwehrkanal was gegooid. Ik heb altijd wat met Lieux de mémoires gehad, maar dit was wel een heel lugubere plek om tijdens je vakantie te bezoeken.

     

    De dunne dichtbundel die ik meeneem (het moet allemaal maar in de koffer passen) is Vergeten liedjes van P.C. Boutens. Op een dag kwam ik een gedicht hieruit, – het bleek het laatste te zijn – tegen in de mailing ‘Laurens Jz. Coster – iedere werkdag een gedicht’ (redactie Raymond Noë). Toen ik het doorstuurde aan een van mijn vrienden, zei hij dat hij het helemaal bij mij vond passen. Is het ‘t zoeken naar een ‘hogere werkelijkheid’ die mij bij Boutens aanspreekt, zijn filosofische insteek, het verlangen naar eenheid, of het wat intellectualistische dat P.N. van Eyck hem verweet? Ik ga het ontdekken. Elke dag een gedicht op papier. Als een bonbon die je langzaam moet proeven. Alleen geen Engelse ben ik bang. Dat dan weer niet.

    Drie filosofisch getinte boeken die aan het denken zetten, geschreven in een poëtische taal, levendig en sprankelend schijnt. Het moet raar lopen willen ze niet met elkaar in gesprek gaan. En met mij, als lezer, waarin ze een eenheid hopen te vinden.

    Els van Swol


     

    De terugkeer van de charlatan van Jo Komkommer gaat over vervlogen dagen en mensen die er niet meer zijn. Vanuit zijn herinnering en gesprekken met anderen schrijft hij over zijn vader, of over een collega uit de hotelbranche waarin Komkommer dertig jaar werkte. Het zijn prachtige kleine biografieën. Ook over die jaren in dat boetiekhotel in Antwerpen schrijft hij. Wie hij daar ontmoette, acteurs, schrijvers, hoe er gewerkt werd, de collegialiteit. Daartussendoor het verlangen naar een zweempje roem. Hoe hij Isabella Rosselline steeds opnieuw in zijn herinnering het hotel ziet verlaten. Met een citaat van Karel van het Reve, over een een Duitse man die hij voor de oorlog kende, (… Hij sprak altijd heel zachtjes, en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland gegearresteerd en onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?) opent het boek. Denken aan dingen en mensen tegen het vergeten. Jo Kommer toont zich een liefdevol schrijver met een zweem van weemoed. Prachtig boek!

     

    De wereld in 48 stukken van Menno Hartman laat me verwonderen over dingen waar ik niets van weet. Bijzondere dingen, die aan het licht komen als je de wereldkaart in stukken opdeelt, je focust op een deel daarvan. Wat Hartman deed, hij knipte de wereldkaart in 48 stukken. Hoe de wereld zich dan aan je voordoet. Waar de dingen begonnen, connecties in landslijnen, culturen. Een stuk over Mexico begin over vleermuizen, dan over Rebecca Solnit die schrijft over Tina Modotti die een rol speelde in de Mexicaans communistische beweging waar ook Diego Rivera en Frida Kahlo bij betrokken waren, en eindigt met een gedicht van Octavio Paz. In twee en een halve bladzijde ontstaat een hele wereld. Ook Hartman schrijft vanuit herinneringen, vele delen op de wereldkaart bezocht hij zelf. Dat maakt het boek zo aantrekkelijk, het persoonlijke ontdekken, zijn kennis van de wereldliteratuur, het zoeken naar het verhaal achter de dingen. Dit alles verweven in 48 fijn geschreven stukken. Een boek als een schatkist.

     

    Pooltochten dromen van Erik Harteveld is een klein brievenboek. De blinde Anselm Bijvoet zoekt via de mail contact met de schrijver. De briefwisseling houdt drie maanden stand (10 april – 18 juli 2024). De blinde maakt de schrijver deelgenoot van de reizen die hij d.m.v. een brailleglobe met reliëf maakt. ‘Vanmiddag ga ik eens de tocht van Nansen naar de Noordpool herbeleven.’ Maar is ook nogal kriegelig over het gemak waarmee Harteveld zijn brieven beantwoord. En dan het mysterie van de ouders van Anselm die tijdens een oudejaarsnacht bij een brand in het tuinschuurtje zijn omgekomen. Of hij daar de hand in had? De vraag van de schrijver of zijn ouders oliebollen in het schuurtje bakten waardoor brand ontstond, wordt genegeerd. Na een tiental brieven schrijft Harteveld, ‘Ik ben er nog niet uit of je een grapjas bent of gewoon een vervelend mannetje.’ Na wederzijdse irritaties komt er een kentering, een toegeven aan elkaar, maar ook elkaar door hebben. Over de kracht van het woord en alles wat verzonnen is. Een pareltje, mysterieus ook (waarom schrijven mensen elkaar?).

    Ingrid van der Graaf


     

    Ingezonden lezersreactie:

    Deze vakantie neem ik het Verzamelde werk van Kafka mee, het ligt al een week achter de voorruit in de helle zon te versmoren, het is te heet om te lezen in Zuid-Frankrijk maar morgen gaan we naar koelere oorden, Kafka vind ik geweldig, zijn korte en langere verhalen. ‘Een plattelandsdokter’ bijvoorbeeld is meeslepend, geestig, hij komt handen te kort:’De moeder staat bij het bed en lokt mij erheen; ik volg haar en leg, terwijl een der paarden luidkeels naar de zoldering hinnikt, mijn hoofd op de borst van de jongen, die rilt onder mijn natte baard.’

    Mijn zoon (21) leest bij gebrek aan digitalia Madame Bovary van Gustave Flaubert. Hij weet nu wat ‘drie morgens land’ betekent,  maar hij vindt het traag, weinig spanning tot nu toe. maar toch mooie beschrijvingen van kunstvoorwerpen en chateaus…Voor een bijna niet van zijn telefoon los te weken jongere is hij toch zeer belezen: Hertmans, Gospodinov, The prophet song. Tom Sawyer vond hij het mooist, vanwege de spanning en de beschrijvingen van het oude Amerika.

    Hadewijch Griffioen

     

  • Als onmisbaar

    Als onmisbaar

    Reizen begint met de drang eropuit te willen, bakens verzetten, zoiets. Voor je het weet ben je je rugzak aan het pakken. Toen de man en ik midden jaren tachtig ons huis verkochten, ieder een eigen woonruimte vonden, besloot ik per trein naar Rome te vertrekken. Iets dreef me. De man, de toen nog twee  jonge kinderen gingen mee. Op een warme augustus ochtend kocht ik aan het loket van station Arnhem de treintickets naar Rome. De trein was vol, we bleven in de doorgang steken. Sliepen op de vloer van het gangpad terwijl de kinderen tussen een oud Italiaans echtpaar ingeklemd zaten. In die tijd ontstond de liefde voor Italiaanse literatuur, Elsa Morante, Natalia Ginzburg, Cesare Pavese, Luigi Pirandello. Dat je een land leert kennen door haar literatuur. 

    In De wereld in 48 stukken wordt in evenzovele hoofdstukken de wereldkaart uitgespreid. Je kunt stuk voor stuk een werelddeel doorlezen, of neem het register als leidraad. Zoek de naam van een schrijver, laat je geografisch vervoeren naar het land waar de schrijver verbleef, wat hij er deed, over schreef, of vandaan kwam. Of neem een plaats die je bekend voorkomt. Dan blijkt niet het doel maar de reis zelf (door dit boek) je in vervoering brengt. Onder de M, vind ik ‘Mull, eiland’, net boven ‘Murray, Les’. Het zet iets in beweging.

    Bij het eiland Mull, denk ik aan Miek Zwamborn, aan haar geweldige boek Onderling waar ik zeer van onder de indruk was. Ik lees, ‘In Onderling zie je gebeuren hoe een mens een gebied wordt, hoe literatuur en kunst een territorium helpen definiëren, en wat aandacht en liefde voor de natuur aan prachtigs oplevert.’ Dat dus.

    Ik lees over schrijvers die ik lang geleden gelezen heb in de context van de plaatsen waar ze verbleven. Henry Miller, Lawrence Durrell, Paul Léautaud. Elke levensfase brengt de literatuur die je nodig hebt. Aan Lawrence Durrell werd ik enkele jaren terug al eens herinnerd door de serie The Durrells, gebaseerd op de boeken van de jongste broer van Lawrence, Gerald. In de tijd dat ik Henry Miller las, dienden ook Anaïs Nin, Djuna Barnes en Lawrence Durrell zich aan. Literatuur is als een lopend vuurtje. 

    Griekenland was geliefd onder schrijvers. In De wereld in 48 stukken lees ik. ‘Byron reisde door Griekenland. Oscar Wilde, Henry Miller, Lawrence en Gerald Durrell woonden met hun familie op Corfu. Allen doen gewag van de bevolking: benaderbaar, vriendelijk, niet gereserveerd, gastvrij.’ Dan, de eigen beleving van Hartman. ‘De felle zon brandt op je gezicht en je schouders als je loopt of zwemt. Het is een sensuele omgeving. Een gebied dat schrijvers die zintuigelijk schrijven en leven wel moet bekoren, omdat er ook daadwerkelijk wat waar te nemen valt. Kruiden als tijm en oregano, wilde munt zijn overal te vinden, bijna als onkruid (…). Je ruikt er oleander, jasmijn, citroen en gentiaan, malve.’ 

    Dit in een stuk dat eigenlijk over reisboeken schrijver Leigh Fermor gaat. ‘Leigh Fermor (…) kon je altijd geven als je wilde dat iemand iets goeds ging lezen dat hij waarschijnlijk niet kende.’ Ik bewonder de drang tot het delen, het overbrengen van ontdekkingen, van literatuur.  Zelf kreeg ik eens de tip Marilynne Robinsons Genesis te lezen, en Joseph Mitchell, waardoor nieuwe wegen zich openden. Nu moet ik Fermor wel lezen, eenmaal op een spoor gezet, is er geen omkeren mogelijk.

    Over het 48ste en laatste stuk van de wereldkaart schrijft Hartman (daar is het waarschijnlijk allemaal begonnen, die liefde, die gedrevenheid voor het onbekende), ‘Op deze kaart een land van mijn keuze, Nieuw-Zeeland, een land dat tot mij spreekt op de manier waarop Rusland tot Nabokov doet in zijn memoires Speak Memory: in de taal van gelukzaligheid.’ 

    Dat een boek, een continent, een gebied gelukzalig maakt spreekt uit al die 48 stukken. Een bron van informatie voor wie zijn geografische en literaire blik wil verleggen. Al die boeken die Hartman las, de landen en continenten die hij bezocht komen voort uit een gretigheid te ‘willen weten’. Een welhaast onuitputtelijk boek om je vingers bij af te likken en waarin je onvermoeid aan het dwalen raakt. Voor wie zich Het volkspark in China wil begeven, nooit gehoord heeft van de expeditie van Edward Shackleton op de Falklands, kan dit zomaar een onmisbaar boek zijn.

     

     

    De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep


    Inge Meijer schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

  • Oogst week 14 – 2025

    Boni, in het spoor van een Surinaamse vrijheidsstrijder

    In Boni, in het spoor van een Surinaamse vrijheidsstrijder vertelt Tessa Leuwsha op basis van onderzoek en verbeeldingskracht over het leven van de Surinaamse held, Boni. En niet alleen over hem. Ze brengt ook zijn moeder tot leven, die zichzelf in 1730 uit de slavernij bevrijdde. Haar zoon groeide uit tot de leider van de Marrons, die zich meer dan dertig jaar lang verzetten tegen het Nederlandse koloniale bewind. Leuwsha raakte als tiener gefascineerd door Boni nadat ze over hem had gelezen in Anton de Koms Wij slaven van Suriname. Haar onderzoek naar Boni betreft niet alleen zijn heldhaftige strijd in de achttiende eeuw, maar ook de invloed van zijn nalatenschap op Leuwsha’s leven nu. 

    Tessa Leuwsha (1967) is schrijver, documentairemaker en recensent. Ze heeft meerdere verhalenbundels en romans op haar naam staan en haar werk is genomineerd voor de Debutanten Prijs, De Vrouw & Kultuur Debuut Prijs, de Black Magic Woman Award en de De Inktaap Literatuurprijs. Naast boeken schrijft Leuwsha essays, artikelen en columns.

    Boni, in het spoor van een Surinaamse vrijheidsstrijder
    Auteur: Tessa Leuwsha
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De wereld in 48 stukken

    Wat een verhuizing al niet teweeg kan brengen. Toen Menno Hartman (1971) zijn spullen in verhuisdozen moest stoppen zat er niets anders op dan zijn wereldkaart van de muur te halen. Hij knipte deze in 48 stukken. Met het idee dat je iets pas echt leert kennen als je het opdeelt, schreef hij bij ieder ervan een beschouwing. Deze zijn nu gebundeld in zijn boek De wereld in 48 stukken en gaan over geologie, poëzie, biologie, kolonialisme en kunst. Over cartografie, ontdekkingsreizen en meer. Een aantal ervan verscheen in een eerdere vorm op de blog van Tirade.

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Uitgeverij van Oorschot. Hij studeerde eerst voor leraar Nederlands en deed daarna de studie moderne letterkunde. Naast zijn werk als uitgever schrijft hij poëzierecensies voor het tijdschrift Awater. Ook geeft hij twee maal per jaar gastcolleges voor de masterclass redacteur/editor van de Universiteit van Amsterdam en is hij voorzitter van de stichting Dichter des Vaderlands. Hij zat in de redactie van de tijdschriften Bunker Hill en Tirade en richtte in 2001 Literair Nederland op, waarbij hij nog steeds betrokken is.

    De wereld in 48 stukken
    Auteur: Menno Hartman
    Uitgeverij: Hollands Diep

    God gokt niet

    In Sarah Neutkens’ God gokt niet praat Lucky met God, zijn vader. Dat levert interessante gesprekken op, bijvoorbeeld als het gaat over de vraag waarom mensen in militair uniform niet gewoon een pak dragen. God: ‘Weet je waarom ze dat niet doen, een pak dragen? Omdat ze zeggen dat ze nog iets te strijden hebben. Omdat ze zichzelf graag zien vechten.’ In haar boek stelt Neutkens heersende instituten aan de kaak vanuit een positie onder de tafel waaromheen de wereldleiders en Lucky, hun host, zich hebben verzameld. Iedere wereldleider is eropuit een wit voetje bij hem te halen, hij is tenslotte de zoon van God, hun de toespraken volgen elkaar snel op. Maar wat gaat het gezelschap onder de tafel doen? Mogen we meer verwachten dan alleen stiekem meeluisteren?

    Sarah Neutkens (1998) laat zich niet graag vangen in een beschrijving. Ze werkt aan talloze dingen, zoals ze zelf op haar website zegt, van ‘boeken, composities, kunstwerken, theaterprojecten en politiek activisme tot schrijven als journalist, wandelen, vrienden zien en stenen rangschikken op haar keukentafel’. God gokt niet is haar derde roman. Met Blote Man won ze de Pieter Boddaert Prijs. Ook ontving ze nominaties voor de PrixFintroPrijs en de Libris Literatuur Prijs en stond ze op de longlist voor de Bronzen Uil. 

    God gokt niet
    Auteur: Sarah Neutkens
    Uitgeverij: Het Moet
  • De sleutel

    De sleutel

    Ik lees graag over schrijvers, hoe ze het doen, of ze van wandelen houden bijvoorbeeld. Willem Brakman vertelde in de jaren tachtig in een interview dat hij gaat wandelen als hij vastzit met schrijven. Brakman schreef ondoorgrondelijke boeken. Dat wandelen maakte hem zo menselijk dat ik mij er nog eens aan waagde. De menselijke kant van een schrijver bepaalt hoe ik zijn werk lees. Elk menselijk gedrag brengt mij iets dichter bij de schrijver die ik wil zijn.

    Maar eerst dit. Ik zat in de trein naar Amsterdam. Er was een boekpresentatie aan het Haarlemmerplein. Het was er druk, gezellig. Het boek werd ten doop gehouden met muziek, wijn, hapjes, speeches, meer muziek.  Wacht, ik zit nog in de trein. Het was druk in de coupé, er kwam een vrouw naast me zitten met nog bredere heupen dan ikzelf. Ik was blij dat ik De Parelduiker bij me had. Het begon gelijk al goed. Met een artikel over W.G. Sebald. Als ik aan Sebald denk, denk ik aan hoe hij is omgekomen bij een auto ongeluk. Dramatische dingen vergeet ik niet. Hoe jong hij was.

    Reinjan Mulder heeft Sebald eens ontmoet, daar schrijft hij over in De Parelduiker. Een stuk waar je al lezend door het leven van Sebald, en dat van Mulder wandelt. De vader van Mulder had ooit een maisonnette in het zuidoosten van Engeland gekocht, bij Harwich, ze brachten er hun vakanties door. Ook Sebald verhuist vanuit Duitsland daarheen. Aanvankelijk kon Mulder niet zo goed uit de voeten met de boeken van Sebald, pas door De ringen van Saturnus, een beschrijving van het Britse kustlandschap, werd hij enthousiast. Als Mulder in 1995 ‘die ik traditiegetrouw weer in Engeland doorbreng’ is, gaat hij Sebald thuis opzoeken voor een interview, maar ook om ‘langs wat geliefde locaties uit het boek te gaan.’ De schrijver kennen, betekent zijn werk begrijpen.

    Terwijl ik ingeklemd zit tussen de dame naast mij en de harde wand van de trein, lees ik dat Mulder genoot van, ‘zijn prachtige, zangerige Duits’. Maar ook dat Sebald na anderhalf uur plots het interview stopt. En terwijl Sebald door de weilanden met zijn labrador ging wandelen, werd Mulder door zijn vrouw, die hem over de stemmingswisselingen van haar man sprak, naar het station van Norwich gebracht. Mulder schrijft: ‘Na dat voortijdig beëindigde bezoek heb ik nooit meer heel lang niet aan die wonderlijke man in Engeland met zijn wonderlijke boeken gedacht.’ En hoe hij schrok toen op 14 december 2001 Sebald op zevenenvijftigjarige leeftijd in zijn auto overleed aan een aneurysma. Geen verkeersongeluk dus, hoe hardnekkig de flapteksten dit ook blijven vermelden.

    Dat Mulder zijn liefde voor Sebald nooit verloren heeft getuige het feit dat hij na zijn dood nog een paar keer is teruggegaan naar ‘East Anglia, ook toen onze maisonnette al was verkocht’. Hij begon Sebalds boeken in de oorspronkelijke Duitse versies te verzamelen. ‘Kocht te hooi en te gras secundaire literatuur.’ En dan. Tien jaar na Sebalds overlijden hoort hij Patty Smith op een literatuurfestival ter ere van Sebald in Aldeburgh, het gedicht Nach der Natur van Sebald zingen. ‘de zangeres [vertelde] ons aan het ontbijt hoe ze door haar vriendin Susan Sontag op Sebalds werk was gewezen.’ Ik las het allemaal gretig weg daar in de trein.

    Na Utrecht begon ik aan ‘Stukjes van mezelf’, over de usb-sticks van Anton Valens (1964-2021) – nog zo’n schrijver die veel te jong is overleden – door Johannes van der Sluis. Over de stukken tekst, onaffe verhalen, aanzetten tot een verhaal die hij op de usb-sticks vindt, geïllustreerd met prachtig werk van Valens zelf.

    Na de boekpresentatie liep ik door de Buiten Oranjestraat naar de Haarlemmerhouttuinen, tot het punt waar mijn broer verongelukte. Als je schrijft over wie gestorven is, dan komen ze voor even weer terug. Thuis begon ik te bladeren in De wereld in 48 stukken het boek dat die middag ten doop was gehouden.

    Ik zocht op schrijversnamen in het register, stuitte op Paul Léautaud (p. 143). Waar ik lees, ‘Het was met deze kennis dat ik de werkkamer van Hillenius (ook al decennia dood) betrad, en het was met deze kennis dat ik de rij Léautaud-titels, de opgezette kiwi en de piano en vele andere zaken kon bekijken. (..) in zekere zin is de manier waarop Hillenius naar een omgeving kijkt de sleutel geworden waarmee ik reis.’ Waarmee ik meten iets te pakken heb over de schrijver, dit boek, al weet ik niet helemaal wat het is. Daarvoor zal ik eerst het voorwoord dat Tijs Goldschmidt schreef bij de verzamelbundel Ademgaten. Denken over dieren, van Hillenius lezen. En verder dwalen door dit boek, ontdekken waar die sleutel allemaal op past.

     

     

    De Parelduiker hier te besellen. De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep vind je hier


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Sociaal Fonds Auteurs breidt steun aan auteurs uit

    Sociaal Fonds Auteurs breidt steun aan auteurs uit

    Goed bericht voor auteurs, vertalers en scenaristen die vastlopen met hun schrijf- of vertaalproject omdat ze de financiën niet rond krijgen om hun project af te ronden.

    Het Sociaal Fonds Auteurs (SFA) ondersteunt al jaren auteurs bij onvoorziene financiële omstandigheden. Maar sinds kort kunnen auteurs nu ook, naast steun bij persoonlijke of praktische tegenslagen, bij het fonds terecht voor financiële hulp bij de afronding van een schrijfproject. Voor veel schrijvers, vertalers en scenaristen is het een herkenbaar probleem: een bijna voltooid werk dreigt vast te lopen omdat er nog iets extra’s nodig is. Een laatste onderzoeksronde, toegang tot een cruciale locatie of tijdrovend archiefwerk. Daarvoor biedt het Sociaal Fonds Auteurs nu ondersteuning aan.

    Het fonds blijft ook bestaan voor auteurs die door onverwachte omstandigheden, zoals ziekte of schade aan essentiële werkmiddelen, hun beroepspraktijk tijdelijk niet kunnen voortzetten. De steun wordt verstrekt in de vorm van een gift of een renteloze lening.

    Ter verduidelijking van wat het fonds voor auteurs kan betekenen en hoe het werkt, beantwoordde de voorzitter van het SFA, Menno Hartman enkele vragen.


    Wat deed het SFA besluiten tot deze uitbreiding?

    Door een wat ingewikkelde aanvraagprocedure en een wat verstopte positie op de website van de Auteursbond, liepen de aanvragen wat terug. Nu we de procedure gestroomlijnd hebben en vereenvoudigd en een heldere kleine website hebben laten ontwerpen, komen de aanvragen weer binnen. Verder wilden we naast calamiteiten ook speciaal een uitbreiding maken voor schrijvers, vertalers en letterkundigen die nog één klein hobbeltje moeten nemen voordat hun werk af is. Dus ook deze uitbreiding van de regeling is een reden om de wereld van schrijvers, vertalers en scenaristen erop te attenderen dat er een Sociaal Fonds Auteurs bestaat dat hen kan bijstaan.’  


    Waar komt het geld vandaan?

    ‘In 1994 kreeg het fonds een eenmalige schenking van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met de bedoeling dat uit de rente de steungelden gefinancierd konden worden. In 2005 bepaalde het ministerie dat de gelden als ‘a fonds perdu’ (gegeven zonder te verwachten dat het terugbetaald wordt) beschouwd werden en de besteding daarvan helemaal in handen van de stichting gaf.’ 


    Wordt er vaker een gift of een lening verstrekt?

    ‘Er wordt vaker een gift verstrekt dan een lening. Veel auteurs hebben door hun werk zeer beperkte middelen. Voor veel van hen is de keuze van hun beroep er een geweest die ze uit liefde deden, hoe moeilijk het financieel soms ook is. Maar een lening veronderstelt terugbetalen, wat niet makkelijk is als de inkomsten toch al laag zijn. Als men specifiek om een lening vraagt kan dat, maar meestal verstrekt het fond schenkingen.’


    Wat is het criterium om in aanmerking te komen?

    ‘Het fonds kan helpen bij calamiteiten. Om dat laatste zetje te geven om een werk af te krijgen. Voorwaarde is dat er acute financiële nood is en dat die acute financiële nood een belemmering vormt voor de schrijfpraktijk.’ 

    Auteurs die in aanmerking willen komen, kunnen per e-mail een beknopte aanvraag indienen met een motivatie en een inschatting van het benodigde bedrag. Het bestuur van het fonds – bestaande uit Ger Beukenkamp, Menno Hartman, Sarieke Hoeksma, Emmelie Muijsers en Peter Smit – beoordeelt de aanvragen strikt vertrouwelijk en streeft naar een snelle afhandeling.

     

    Voor meer informatie of een aanvraag: 
    Sociaal Fonds Auteurs
    sociaalfonds@auteursbond.nl
    www.sociaalfondsauteurs.nl

     

     

  • Anderhalve kamer – In memoriam Kees Verheul (1940–2024)

    Kort nadat ik bij Van Oorschot was komen werken, vond ik in de krochten van de uitgeverij een exemplaar van Kontakt met de vijand. Het was een nieuw-oud boek, het had er sinds verschijnen in 1975 in een doos gelegen. Ik begon erin en stopte niet meer. De toon, het avontuur. Kees Verheul was de levende brug met het oude Rusland, en ik ben nooit gewend geraakt aan het gegeven dat hij Joseph Brodsky zo goed had gekend, en Nadezjda Mandelstam. Verheul leerde ik al snel kennen als een uiterst aimabele man die op al onze borrels en etentjes kwam: hij hield intens van gezelschap, was een vrolijk causeur en een uiterst aangename gesprekspartner. Overigens kon hij gelukkig ook goed laten merken als hem iets níet beviel.

    Een van de opmerkelijkste boeken die we met hem maakten was het boek Niets heb ik van mijzelf, dat bestaat uit een drieluik terug de tijd in: een meesterlijk abecedarium van Willem Jan Otten over zijn ‘gids’ Kees Verheul, een portret van Verheul over zijn leermeester Clay Hunt, en een schitterend stuk van Clay Hunt over John Donne. Verheul kon uitmuntend bewonderen en was zeer gul in zijn waardering. Des te mooier dat er zo’n ode aan hem geschreven is, respectvoller kan het niet.

    Zijn meesterwerk was wat mij betreft de Tutcheffs trilogie Villa Bermond (1992) Stormsonate (2006). We hebben aardig wat afgemaild en gecorrespondeerd over het derde deel. Stukken ervan – heel mooie stukken – verschenen in Tirade. Toen ik doorgaf dat een boekhandelaar ernaar vroeg moest ik haar van Kees dit antwoorden:

    ‘Kort na het verschijnen van het tweede deel van De Tutcheffs kreeg ik kanker. Terwijl ik hiervoor werd behandeld en genas kreeg mijn levensgezel twee  progressieve ouderdomsziekten. Eind 2018 overleed hij daaraan. Hoewel ik inmiddels bijna tachtig ben geworden (d.w.z. tien jaar ouder dan de dichter Tutcheff) en een stuk van mijn vitaliteit kwijtgeraakt, heb ik allerminst de moed opgegeven om na de noodgedwongen lange werkpauze verder te gaan met de cyclus.’

    Dit was waar: de moed gaf hij nooit op. Hij werkte eraan, drie weken geleden ontvingen we weer een stuk van hem. Het begint zo:

    ‘Een filosofisch middagmaal. Deelnemenden: de gastheer en voorzitter Apollonius von Maltitz; diens vrouw Clotilde, die aan een uiteinde van de tafel zat, het zachte haar golvend in de tocht die de hitte in het vertrek niet vermocht te verdrijven; de overige gasten links en rechts van haar aan de dis. Plaats, het Bertuch Haus in Weimar, begin augustus 1843.

    “Pech, Tutschew, dat je hier bent met deze hittegolf, het lijkt verdorie Brazilië wel.” Hij wist lachend zijn blonde gezicht af. Met een zucht: “Daar heb je ’s zomers tenminste de bergen.”’

    De lezer is in een paar zinnen al weg. Daar. Ik ben een paar keer in Scheveningen met Kees wezen eten. Daags voor de eerste maal schreef hij: ‘Beste Menno, Dank voor je handgeschreven brief in ouderwetse envelop, die je mij liet bezorgen op instigatie van een droom. Erg aan mij besteed, deze opzet, evenals je verrassende en eervolle plan om mij een “auteursbezoek” te komen brengen, de eerste keer in mijn carrière dat mij, geloof ik, zoiets overkomt.’ Kees Verheul ten voeten uit, een ironiserende toon ten aanzien van zijn eigen schrijverschap, een op vriendschap gerichte reactie. We spraken toen en later vaker ook over de Russische Bibliotheek, waarmee hij zich gelukkig altijd – gevraagd vaak en ongevraagd soms – bleef bemoeien. (Volgend jaar zal nog een onbekende Rus op zijn instigatie bij ons verschijnen. Hij bleef voor ons een gids.) En over zijn laatste Tutcheff-boek, waaraan hij bleef werken.

    Maar Verheul werkte aan heel veel, en hij was er voor veel mensen. Zoals hij en zijn man Cees hun leven leidden, naar een voorbeeld van Brodsky, in ‘anderhalve kamer’: een halve in Rome, een halve in Scheveningen en een halve in Amsterdam, verdeelde Kees zijn krachten over schrijven, doceren, vriendschap, sociaal vertier, correspondentie, vertaling, kritiek en wat al niet. Een vol bestaan. Zo is er ook teveel over hem te melden. We laten de prachtige roman Een jongen met vier benen en de zeer veelzijdige essaybundel Een volmaakt overwoekerde tuin maar node verder onvermeld.
    Van Oorschot neemt afscheid van de veelzijdigste en vriendelijkste leidsman die we hadden.

     

    Dit memoriam verscheen ook op Tirade.nu.

  • Fotosynthese 27 – Stairways from hell to heaven

    Fotosynthese 27 – Stairways from hell to heaven

     

    Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrond in zijn geheel


    Zoals een dier zich aanpast aan zijn omgeving, zo hebben gebouwen dat gedaan. Evolutie is niet alleen van toepassing op flora en fauna.  De ornamenten op dit gebouw komen op mij een beetje neo-klassiek over. Waarschijnlijk zijn de bouwmeesters eerste- of tweedegeneratie-Britten of -Fransen geweest die een Parijs of Londons versiersel in een verre geheugencel bewaard hadden, lichtjes aangepast, en zo vervolgde  het ornament gemuteerd zijn bestaan aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Aan de drie uithangende airco’s op deze foto kun je zien dat dit pand zich in een vochtig landklimaat bevindt, langzaamaan veranderend in een subtropisch klimaat; de zomers zijn er heet. Maar in de tropen had het gebouw vast veertien airco’s gehad.

    New York City. Geen mens twijfelt aan de locatie van dit pand. Waar zie je dergelijke wonderlijk overheersende fire-escapes? Alleen in een stad die enkel frontgevels heeft en geen binnentuinen. Die stad was vanaf 1880 intens gegroeid door alle nieuwe aanwas: Ieren na de hongersnoden halverwege de 19de eeuw, Duitsers, en Italianen na de eenwording in respectievelijk 1871 en 1870.  Fransen en Polen zochten hun heil in de V.S. vanuit een Europa dat net als nu te veel een bastion van de rijken was geworden. De huurpanden in Greenwich Village waren niet luxe, straatarme arbeiders hokten er bijeen. Er werd hoog gebouwd om ruimte te besparen. En omdat het kon.

    Bij een brand in 1860 kwamen twintig mensen om. De Tenement House Act zorgde er in 1867 voor dat een ontsnappingsroute voor huurders verplicht werd. Het duurde nog tot 1911 tot het echt beeld veranderend misging. Honderzesenveertig arbeiders van de Triangle Shirtwaist Company kwamen om bij een uitslaande brand. In het pand dat met zeshonderd mensen was volgestouwd maakten vooral Joodse en Italiaanse immigranten kleding voor de binnenlandse markt tegen zeer lage lonen. Ze woonden in panden als dit hier. De binnentrappenhuizen waren afgesloten zodat de werknemers niet te vaak naar de wc gingen, een praatje maakten of een sigaret rookten. Er moest productie gedraaid worden. Een meisje zat opgesloten omdat ze iets gestolen zou hebben. De meeste doden waren meisjes; de jongsten waren de 14-jaar oude  Kate Leone en Rosaria ‘Sara’ Maltese. De meesten van de slachtoffers sprongen brandend van de 8ste, de 9de en de 10de verdieping. Het zou 110 jaar de grootste brandramp met vallende slachtoffers in New York blijven… Woedend waren de mensen.  80.000 van hen liepen over 5th Avenue en eisten dat de overheid ging nadenken over veiligheid. Het leidde tot de  Sullivan-Hoey Fire Prevention Law, een pakket maatregelen dat ook de getoonde landmark verklaart: projectontwikkelaars moesten zich aan een pakket eisen houden en de brandtrappen aan de voorgevel was er één van. Voor Kate en Sara kwamen de brandtrappen van New York te laat.

    In 1912 componeerde de Joodse componist Charles Simon een Yiddish lied over de tragedie. Het refrein luidt:

    Oy a trer darf yeder mentsh fargisn
    Af dem groysn khurbn vos es iz geven
    Vi der fayer hot kinder fun eltern avekgerisn
    Aza umglik zol mer nisht geshen
    Fun der tsentn flor zenen zey geshprungen
    Zikh tsu retn fun der biterer noyt
    Dokh iz zey nebekh nit gelungen
    Un af dem sayd-vok gefinen zey dem toyt.

    Oy, men zou een traan moeten laten
    voor de grote vernietiging die plaatsvond
    Hoe het vuur kinderen van hun ouders losscheurde
    Iets dergelijks zou nooit meer mogen plaatsvinden
    Ze sprongen van de tiende verdieping
    om zichzelf te redden van de bittere nood
    Maar dat is ze natuurlijk niet gelukt
    En op de stoep vonden ze de dood

    In 1927 werd een veilige binnentrap verplicht, maar destijds waren uitwendige brandtrappen al wijdverbreid in de stad. Tot 1968 zijn ze gemaakt, vermoedelijk ook omdat ze nu bij een New Yorkse woonkazerne waren gaan horen. Daar zal de filmindustrie wel een rol in hebben gespeeld: denk aan Hitchcocks Rear Window of Breakfast at Tiffany’s, waarin Audrey Hepburn op zo’n trap op een ukelele tokkelend Moon River zingt. Na The West Side Story had de brandtrap het zelfs tot een iconische affiche geschopt. De filmhit toonde vooral de romantische mogelijkheden van de trap: hoe geliefden bij elkaar komen buiten medeweten van hun ouders om. Dat wat in 1920 nog refereerde aan een ramp, verwees door dergelijke films alras naar romantiek. De brandtrap was geëvolueerd van een functie naar een mogelijkheid, van noodzaak naar wens. Om de vijf jaar moeten de brandtrappen gecheckt worden, maar ze vertonen nu veel roest en corrosie. New Yorkse makelaars adverteren er mee. Voor de bewoner van vandaag is het vaak een groot rek om een tomatenplantje op te zetten. Of naar ik aanneem voor een hennepplant, sinds het bezit daarvan gelegaliseerd is. De fire escape werd van een nachtmerrie een droom.

    All that    

    the only things I remember about
    New York City
    in the summer
    are the fire escapes
    and how the people go
    out on the fire escapes

    in the evening
    when the sun is setting
    on the other side
    of the buildings
    and some stretch out
    and sleep there
    while others sit quietly
    where it’s cool.

    and on many
    of the window sills
    sit pots of geraniums or
    planters filled with red
    geraniums
    and the half-dressed people
    rest there
    on the fire escapes
    and there are
    red geraniums
    everywhere.

    this is really
    something to see rather
    than to talk about.

    it’s like a great colorful
    and surprising painting
    not hanging anywhere
    else.

    Charles Bukowski (uit Open all night)

    De fire escape werd van een nachtmerrie een droom, daarna een schilderij en tenslotte deze foto.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • In memoriam Jan Fontijn (1936 – 2022)

    Aan wat decennialang een vertrouwd beeld was in de binnenstad van Amsterdam: een zekere man, een vrouw met rokje en een hondje, is een einde gekomen: Jan Fontijn overleed 6 januari jl. en laat Charlotte Mutsaers en het hondje achter. Fontijn was universitair docent geweest, verwierf bekendheid met zijn voorbeeldige schrijversbiografie over Frederik van Eeden in twee delen: Tweespalt: het leven van Frederik van Eeden tot 1901 (1990) en Trots verbrijzeld: het leven van Frederik van Eeden vanaf 1901, (1996). Een prestatie waarmee hij de lat voor nakomende schrijversbiografen bepaald hoog heeft gelegd. Bij uitgeverij Van Oorschot verschenen achtereenvolgens zijn roman Biefstuk en benzine, waar hij fier op was, maar die naar zijn smaak te weinig weerklank vond en een boeiende lezersautobiografie onder de naam Kijk naar de vis. Een heel interessant allegaartje van vrijzinnige en bevlogen literatuurwaarnemingen is dat. Aforistisch bij tijd en wijle, of in korte notities: ‘De ontroering bij het zien van een stoel naast de tafel. Dat willen vastleggen in woorden of in beeld. Zo nauwkeurig mogelijk. Niets meer en niets minder.’ Een dialogue intérieur staat er in, herinneringen en beschouwingen. Het is divers, luchtig, verrassend veelvormig, je blijft er in lezen. Fontijn was naar mijn smaak vooral een bevlogen lezer.

    In februari 2020 vroeg uitgeverij Van Oorschot hem deel te nemen aan een ‘schrijversdiner’ in de Roode Bioscoop in Amsterdam, een lange rij tafels met damast gedekt en gasten die dineerden terwijl een uitgelezen selectie schrijvers boeiende causerieën hielden. Het thema was de leeftijd van uitgeverij van Oorschot: 75 jaar. Jan Fontijn had een hoop te vertellen vanuit zijn geschiedenis met Geert en Hillie van Oorschot, bij wie hij vaak te gast was op Donkervliet in Loenersloot. Het werd een heel mooie avond. Voorafgaand had Jan gemaild: ‘Charlotte wil graag mee, zet stoeltje maar klaar.’ In een bij tijd en wijle ook emotioneel relaas, speciaal over Hillie, voor de inhoud waarvan ik verwijs naar de passage in Arjen Fortuins mooie biografie van Geert van Oorschot (v.a. p. 356) vertelde Jan over zijn geschiedenis en waar die gelijk op liep met de uitgeverij.

    De foto hiernaast toont Jan in de eigenaardige jongensachtige charme die hij altijd had. In het eerste decennium van deze eeuw droeg Fontijn nog een aantal keer heel mooie stukken bij aan Tirade, waarvan dit over Pierre Loti en Couperus voor mij het mooiste is. Het laat zien hoe gul Fontijn kon bewonderen en hoe breed zijn kennis en interesse was.

    Daags na het diner meldde Fontijn nog hoe leuk ze de avond hadden gevonden. ‘Ik wilde je zeggen dat ik geen geld wil. Wel een lekkere fles rode Bourgogne.’ Onze gedachten zijn bij Charlotte en het hondje.

     


    Dit in memoriam is tevens geplaatst op Tiradeblog.

     

  • De zomerboeken van Menno Hartman

    De zomerboeken van Menno Hartman

    Medewerkers van Literair Nederland met hun boeken die meegaan op vakantie of deze zomer in eigen tuin gelezen worden.

    Menno Hartman gaat op vakantie en neemt mee:
    M. H. Székely-Lulofs, Tjoet Nja Din
    Lucy Jones Losing Eden
    R. M. Adams Decadent Societies
    Uwe Johnson Mutmassungen über Jacob
    Kees Verheul Dans om de wereld
    Michael Bond Wayfinding

     

    ‘Kees Verheul ga ik lezen voor een stuk over Joseph Brodsky dat ik wil schrijven. Dus vooruit, de verzamelde gedichten van Brodsky gaan ook nog mee. Verheul heeft Brodsky zeer goed gekend, in augustus als ik alles uit heb ga ik hem daarover een paar vragen stellen. Uwe Johnson als een mogelijk uit te geven vervolg op de magistralevertaling van Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Wat een boek is dat, een van de meest veeleisende boeken die we bij Van Oorschot maakten, maar met een heel erg mooi resultaat, dat boek vergeet je nooit meer. Op Wayfinding verheug ik me zeer: the art and science of how we find and lose our way. En de ondertitel van Losing Eden luidt: why our minds need the wild. Ook een beetje vakantie: iets lezen wat je al een beetje weet. Fijne vakantie iedereen!’

     

    Lees hier meer over Menno Hartman.

  • In memoriam Lodewijk Brunt 1942 – 2020

    Je hebt mensen die op een afstand kijken naar hoe mooi het is, en je hebt mensen die dichterbij gaan staan omdat ze met de ogen iets toegeknepen willen zien waarom iets mooi is. Tot die laatste categorie zou ik Lodewijk Brunt willen rekenen, die enkele jaren voor Literair Nederland schreef. Brunt overleed op 17 oktober in zijn woonplaats Amsterdam, hij werd 78 jaar.

    Brunt was een man die Hindi leerde omdat hij zo van India hield, en omdat de literatuur in die taal naar zijn smaak te weinig ruimte kreeg in Nederland. Als stadssocioloog / antropoloog was hij gefascineerd door het stedelijke India, hij vertaalde moderne poëzie over de Indiase steden uit het Hindi (Ik zag de stad) en bijvoorbeeld liedjes uit Bollywoodfilms (Mijn lippen vroegen om een lied) en, eind 2013, een serie zeer korte verhalen (De bittere waarheid). Zijn laatste vertaling (samen met Dick Plukker) was pas net gereed: De blauwe sjaal en andere verhalen van Anu Singh Choudhary. Later op deze website meer over dit boek.

    In de periode dat we veel met hem mailden hing er een vast gedicht onder zijn mail:

    Huiskat

    Die kat strek hoog op vier strak bene, buig
    behaaglik om haar luipeerdlies te lek,
    rol om en lê fluwelig oopgevlek
    dat keel en bors en buik die son kan suig.

    Ons noem haar ‘kat’ want sy is sonder siel
    en anoniem. Smal skerwe van agaat
    staar koud uit die driehoekige gelaat.
    Arglistig, vloeibaar, soos ’n blink reptiel

     van los en lenig wees versadig: sy
    sal nooit – die veearts het haar ‘reggemaak’ –
    ekstase en angs van lewe voortbring smaak,
    sal, steeds eenselwig, alle teerheid stuit.
    Ek hol my hand behoedsaam, smalend sluit
    sy haar oë, kronkel by my greep verby.

    Elisabeth Eybers (1915-2007)

    De kat bracht het ook tot zijn rouwkaart:

    Mumbai

    Wanneer ’s nachts Mumbai slaapt op straat
    als een zwarte kat, haar pootjes
    in haar buik gedrukt en haar
    oogleden altijd op een kiertje –
    wasemt zij trage ademvlagen
    over het droge strand.

    Gulzar

    Een schitterend sonnet, dat van Eybers, waarin eveneens nabijheid wordt gezocht van het ongrijpbare. Zolang wij met hem correspondeerden had hij plannen, zag veel, las veel en merkte veel op: meer soms dan waar in krant of websites ruimte voor was: daarom begon hij zijn eigen blog waar de lezer een enorme waaier aan onderwerpen terugvindt die tonen hoe rijk zijn interesse was. Brunt was een uitermate geopinieerd heer, hij kon smakelijk vertellen over de ins en outs van het academisch bestaan, op een rondje over de Kloveniersburgwal of bij een kop koffie in de buurt kon je op verzoek ook horen wie het allemaal helemaal mis hadden. Onder een smakelijke lach steeds, die node gemist zal worden.

     

    Lees hier de bijdragen die Lodewijk Brunt voor Literair Nederland schreef. En hier de link naar zijn persoonlijke blog.

     

  • Zij huilt

    Zij huilt

    Wim Brands fietste als jongen naar Zutphen om het NRC te kopen, niet voor thuis, daar lazen ze geen kranten, maar voor zichzelf. Soms fiets ik de weg die hij toen fietste, vermoed ik. Voor de NRC vrijdageditite moet je vanuit Brummen en de buitengebieden, waar Brands opgroeide, nog steeds naar Zutphen. Brands fietste voor de krant om een stukje van Rudy Kousbroek te scoren, stukjes die hij als jongen verslond. Ik voor het ‘Cultuur’ katern en voor de ‘Achterpagina’, met Frits Abrahams. Abrahams signaleert, schrijft over zijn onwil in de pas te lopen, zijn tekortkomingen. Ik lees ze graag. Afgelopen vrijdag schreef hij over een plan J, dat de lockdown overbodig zou maken, bedacht door uitgever Menno Hartman en journalist Henk Peter Steenhuis. Een plan waarbij de bevolking in vier leeftijdsgroepen wordt ingedeeld, iedere leeftijdsgroep krijgt een deel van de dag om zich te verzetten, te chillen, theater, horeca te bezoeken. Geen gek plan. Of we het nodig zullen hebben hangt af, eindigt Abrahams zijn column, ‘van “het vaccin”, wat bijna een andere naam voor God is geworden.’

    Op een van die keren naar de stad fietste Wim Brands met zijn vader toen deze een epileptische aanval kreeg en in een ondiepe sloot viel. Hij liet hem daar liggen, fietste weg. Daar schreef hij een gedicht over, over die vader in een ondiepe sloot en de schaamte daarover. In zijn gedichten en korte prozastukken herken ik veel uit de omgeving waar ik nu acht jaar woon, waar Brands zijn jeugd verdeelde tussen insider en outsider zijn. Insider was hij als kind in het bos, outsider werd hij op school, in de stad. Ik herken de boerderijen, de ruïnes, vergeten schuren. De oude boer die steeds naar achteren loopt als ik voorbij fiets, nooit groet, had zomaar in een gedicht van Brands kunnen voorkomen. De telefoon is een terugkerend onderwerp in zijn gedichten. ‘Soms pakt ze de telefoon om te controleren / of er nog een kiestoon is – er valt / niet veel te kiezen -‘.  Of zoals in deze regels:

    ‘Te schrijven zoals mijn grootouders
     een telefoongesprek voerden.

    Ze belden nooit, ze werden
    een doodenkele keer gebeld

    en konden tot aan het einde
    van hun leven niet geloven

    dat hun stemmen ook elders
    klonken.’

    Geweldig te willen schrijven zoals zij ‘een telefoongesprek voerden’, en ‘hun stemmen ook elders klonken’. Een van zijn gedichten begint zo:
    ‘Ze hebben kaartjes voor het ballet maar zijn eigenlijk doodmoe / en willen naar bed. Hij heeft haast, zij treuzelt, de vlucht uit de dag begint met strijd. / Zijn jas is te krap, zij huilt, terwijl ze dat later pas wil, / Zij kent hem. Hij vindt het overdreven / dat twee mensen zo ongelukkig van elkaar houden /(…).’
    Er is een terugtrekken, een ontsnappen aan, in veel van zijn gedichten. Als ik over onverharde wegen in de buitengebieden van Tonden en Voorstonden fiets, dan zie ik nog wel eens zo’n jongen die een is met het land, op weg naar de stad.

     

     

    Uit: Wim Brands, Verzamelde gedichten / samengesteld door Monique Edelschaap en Thomas Verbogt / 521 blz. / Van Oorschot (2017). Lees hier meer over Plan J.


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, zoekt naar een goed verhaal.