• Buiten zijn beroemde hoofdwerk is dit de enige fictie die tijdens zijn leven verscheen

    Buiten zijn beroemde hoofdwerk is dit de enige fictie die tijdens zijn leven verscheen

    Marcel Prousts debuut Les plaisirs et les jours verscheen in 1896, toen hij net vijfentwintig was. Pas tien jaar later begon hij  aan zijn romancyclus Op zoek naar de verloren Tijd. Te laat om die te voltooien voor hij op 18 november 1922 zijn laatste adem uitblies. Ter ere van Prousts honderdjarige sterfdag gaf uitgeverij IJzer Prousts eerste publicatie, vertaald als Lusten en dagen (2022) in een integrale vertaling uit. Behalve zijn beroemde hoofdwerk is dit debuut zijn enige fictie die tijdens zijn leven het licht zag. Niets wees er bij verschijning op dat de auteur ooit gelabeld zou worden als een der grootsten van de twintigste eeuw. De verkoopcijfers van het in luxe uitgave verschenen boek nog het minst, want die waren bedroevend. Toen Proust eind 1919 de Prix de Goncourt kreeg voor In de schaduw van de bloeiende meisjes, het tweede deel van zijn romancyclus, keerde het tij en was hij op slag beroemd.

    Niet alleen de oorspronkelijke illustraties van Madeleine Lemaire en de partituren van de cyclus Les portraits de peintres voor piano van Reynaldo Hahn zijn in deze Nederlandse uitgave opgenomen, als bonus biedt deze uitgave ook een cd met een opname van vier door Lineke Lever uitgevoerde pianoverklankingen van Prousts gedichten over de schilders Albert Cuyp, Paulus Potter, Antoine Watteau en Antoon van Dyck. Met de toen nog achttienjarige componist Reynaldo Hahn had Proust een liefdesverhouding. 

    Veelzijdig debuut

    Ook staan er vier gedichten over de componisten Chopin, Gluck, Mozart en Schumann in. Evoceert Proust in de schildersportretten hun schilderijen, in die over de componisten gebruikt hij metrum als eerbetoon aan de muziek, terwijl woorden de stemming vastleggen. Met recht typeert men dit debuut met zijn korte verhalen, schetsen, poëzie, handgeschilderde illustraties en partituren als ‘hybride’. De jonge Proust schreef ze in een tijd dat hij zich als rechtenstudent verveelde en in plaats van zich te herpakken voor examens, liever de Parijse salons frequenteerde. Tussen de artiesten en grandes dames observeerde hij het soort publiek dat hij tien jaar later zou portretteren in zijn hoofdwerk. Sommige van deze verhalen waarin hij de lezer rondleidt door de high-society kringen van het fin-de-siècle, wist hij in kleinere tijdschriften gepubliceerd te krijgen. In deze werkjes van de korte baan zien we Proust bezig met het aanscherpen, het verfijnen van zijn gevoeligheden, en het spelen met stijl en inhoud.

    Toch liet hij zijn verzamelde indrukken nog geruime tijd gisten, gezien de jaren die er tussen zijn debuut en hoofdwerk zaten. Een aanzet tot een roman bleef liggen, waarna hij zich toelegde op essayistische stukken. In die tijd las hij schrijvers als Thomas Carlyle, Ralph Waldo Emerson en John Ruskin. Laatstgenoemde, van wie hij ook werk in het Frans vertaalde, scherpte en verfijnde zijn theorieën over kunst en de rol van de kunstenaar in de samenleving. Dit debuut is zijn enige fictiewerk dat tijdens zijn leven werd gepubliceerd en hoewel hij het aanvankelijk als onrijp afdeed, begon hij het naderhand enigszins te waarderen.

    Snobisme van Parijse samenleving

    Niettemin bleef dit debuut ook nadat Proust tot de onsterfelijke schrijvers was gaan behoren, in de schaduw van zijn bloeiende reputatie staan. André Gide was de eerste die wees op de vele parallellen tussen dit eerste boek en zijn grote meesterwerk. De hoofdmotieven daarin liggen al uitgezaaid in Lusten en dagen. Zoals de onbestendige subjectiviteit van liefde, dood en ziekte, de gehechtheid aan de moeder, het snobisme van de Parijse samenleving en het verband tussen temporele en mentale verandering. Een zeer aanzienlijk hoofdingrediënt, de onwillekeurige herinnering en de daardoor opgelegde structuur aan het schrijven, komt in deze eersteling echter nog niet aan bod. 

    Opvallend is zijn pessimistische begrip van liefde en de onvolmaakte benadering van het verlangen naar het ideaal. ‘De ongelukkige liefde maakt het ons niet alleen onmogelijk het geluk te ervaren, zij verhindert ons ook nog de leegte ervan te ontdekken.’ De verhalen analyseren en reflecteren het komen en gaan van liefdes, illusies en dromen, evenals onze herinneringen eraan. Er is een vermakelijke hommage aan Flaubert in de vorm van een verhaal met dezelfde hoofdpersonages uit diens satirische boek Bouvard en Pécuchet. Proust houdt in het stuk Mondaine aspiraties en passie voor muziek bij Bouvard en Pécuchet vast aan de geest en vorm van Flaubert en plaatst het duo in zijn eigen tijd.  

    Stillistische overdaad

    Lusten en Dagen kent een stilistische overdaad die kan vermoeien. Het meest verrassende treft men in de afdeling Weemoedig omzien -Tijdgekleurde verzinsels (Les regrets – rêveries couleur du temps). Dit bouquet van dertig dromerige prozateksten, meer beeldend dan vertellend en zwaar sensitief getoonzet, staat tussen ‘echte’ prozagedichten en verhaaltjes in. Sfeerbeelden, hooguit door een summiere verhaallijn bijeengehouden. Geen zelfstandig naamwoord lijkt veilig voor aanhechting van een of meerdere adjectieven, maar de grammaticale structuur van inversie, die vertragend werkt en zodoende de tijd geeft het meegedeelde op kracht te laten komen, maakt veel goed. 

    De laatste passage uit de rêverie Tuilerieën roept een beladen sfeer á la Carel Willink op. ‘Maar de lucht is betrokken, het gaat regenen. De vijvers, waarin geen azuur meer blinkt, lijken wezenloze ogen of vazen vol tranen.’ De jonge Proust wist goed welk reflecterend en herkauwend leven voor hem was weggelegd, getuige het slot van ‘Relikwieën’. ’Haar meest wezenlijke schoonheid was misschien in mijn verlangen. Zij heeft haar leven geleefd, maar ik heb het, als enige misschien, gedroomd.’ Rêverie XXII Werkelijke aanwezigheid verhaalt over een vakantie van twee romantische jongemannen in het Zwitserse Engadin, nabij de Italiaanse grens. Op de grens van Duitse en Italiaanse namen, blijkt de volmaakte harmonie tussen platonische en fysieke liefde eens te meer iets wat slechts puur in nimmer beleefde herinneringen kan worden ervaren. Want tussen harde werkelijkheid van de Zwitserse bergen en de verte met zijn Italiaanse valleien, wordt het gemis des te heviger gevoeld. Fysiek blijft de ander immers ‘in het kleed van mijn gemis, in de werkelijkheid van mijn verlangen.’ 

    Gedroomde herinneringen

    Het blijft bij dromen en mijmeringen van liefde met parallellen in een fysieke wereld. Gedroomde herinneringen bevatten meer waarheid dan echte herinneringen. Dat romantische procédé werkte de latere Proust om in de stelling dat de essentie van het werkelijke leven slechts in herinnering kan worden gevat; het heden als een soort ontwaken uit de droom van het verleden, waarin de tijd kan worden opgeheven door het opnieuw ervaren van eens geleefde ogenblikken. 

    In zijn debuut zette Proust al in op de metafoor en verbeelding van de werkelijkheid, maar minder samenhangend, nog niet als spil van zijn schrijfstijl. Het zijn nog dagtripjes in vergelijking tot de wereldreis van Á la Recherche du temps perdu. Lusten en Dagen toont het belang van muziek en schilderkunst voor Proust, maar nog zonder die verheven taak om een equivalent van de allerhoogste belevingen te scheppen. Er worden veel indrukken geabsorbeerd, zonder dat er een structurerend en sturend principe tegenover staat dat er betekenis aan geeft. Wie in Proust geïnteresseerd is, zal dit fraai uitgegeven debuut zeker bekoren. Al is het maar om te zien hoe Proust dacht en schreef toen hij nog niet zo geniaal was om zijn Recherche du temps te schrijven. 



  • Het leven van Proust, een eerbetoon in gedichten

    Het leven van Proust, een eerbetoon in gedichten

    Er zullen genoeg lezers zijn die zich hebben voorgenomen om tijdens een sabbatical of na hun pensionering alle zeven delen van Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust te gaan lezen. Maar de meesten stoppen al na het eerste boek, De kant van Swann, zodra de schrijver de madeleine genuttigd heeft dat zijn geheugen activeert en hem in staat stelt zijn herinneringen op te roepen aan het dorpje Combray waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht. Hanneke van Schooten wekt in haar derde bundel de indruk dat zij een van de weinigen is die Proust tot en met het laatste deel gelezen heeft. Haar bewondering voor de schrijver heeft deze bundel tot een eerbetoon aan Proust gemaakt, wat niet alleen in de gedichten tot uitdrukking komt, maar ook in de zeer verzorgde uitgave van deze bundel, waarin diverse portretten van Proust en voorbeelden van zijn handschrift zijn opgenomen.

    Geheugenhulp

    De titel van de bundel doet onmiddellijk denken aan het ‘geheugenpaleis’, een mnemotechniek die leert dat je de dingen beter kunt onthouden als je ze een plek geeft op een denkbeeldige route door een denkbeeldig huis. De naam is ontleend aan het verhaal over Simonides van Keos, een lierdichter uit het antieke Athene, die na de instorting van een paleis de doden kon identificeren doordat hij zich herinnerde waar ze aan tafel hadden gezeten. Van Schooten laat het bij Proust iets anders werken: al zijn herinneringen liggen al opgeslagen in zijn geheugen en moeten door toevallige voorwerpen opgeroepen worden. Anders dan bij het geheugenpaleis heeft Proust hier geen zeggenschap over, al laat Van Schooten hem met taal en woorden proberen greep te krijgen op zijn herinneringen:

    Geheugenkathedraal

    Hoe verwoed hij woorden zoekt,
    zijn zinnen kiest, met precisie inbedt
    en ordent naar een vaste wet.

    Tot in het sterfbed toe een jacht
    ─ wild vloekend of in kille berekening ─
    naar de ondraaglijke vracht  herinneringen
    van tijd, van vorm en van verhaal.
    Een universum: zijn geheugenkathedraal.

    Meester in manipulatie.
    Duivelskunstenaar met taal.
    Spraak en adem
    zijn levenslange kwaal.

    De twee laatste versregels duiden op het feit dat Proust zijn hele leven aan astma leed; hij stierf aan een longontsteking. 

    Geheim der dingen

    De zeven afdelingen van deze bundel bevatten allemaal gedichten met eenzelfde thema: de wens om via herinneringen achter ‘het geheim van dingen te komen’. De gedichten zijn chronologisch gerangschikt, beginnend met Proust als kind en eindigend bij zijn dood:

    Ziener

    Dingen hebben hun geheim,
    als kind al wist hij dat,
    stelde later verbijsterd vast
    dat hij als ziener aangewezen was
    om orde te scheppen
    in de scherven, de chaos,
    de mieren van zijn brein
    om het raadsel op te lossen.

    Treffende beelden

    In de vijfde afdeling, De zaklantaarn van het geheugen, weet Van Schooten met een prachtig beeld weer te geven hoe het geheugen werkt: Proust ziet zijn geliefde dorp Combray, ‘in  gedachten nooit als één geheel / maar eerder in fragmenten / zoals een zaklantaarn accenten / op laat lichten van een groot gebouw in de ronde / focus van zijn schijnsel opgedeeld / hier en daar een helder beeld / uitgesneden tegen een donkere achtergrond.’

    De gedichten zijn rustig en eenvoudig van taal, maar met treffende beelden. Het zijn weloverwogen, uitgebalanceerde gedichten. Sommige hebben eindrijm, maar dat dringt zich nooit aan de lezer op, maar is er als het ware terloops in terechtgekomen. Ze maakt daarentegen ruim gebruik van begin- en klinkerrijm. Van Schooten heeft zich goed in Proust weten in te leven en kijkt door zijn ogen naar de wereld om hem heen; ze laat hem echter niet zelf aan het woord.

    Ze beschrijft hoe Prousts zoektocht naar het verleden gelijk oploopt met de ontwikkeling van zijn schrijverschap: naarmate hij dichterbij de uiteindelijke ordening van zijn geheugen komt, vindt hij een eigen stijl om zijn ‘paleizen van taal’ te bouwen, als tegenhanger van de geheugenpaleizen. De herinneringen die steeds sterker bovenkomen, getriggerd als ze worden door landschappen, huizen en torenspitsen, lopen parallel met de mate waarin Proust zijn eigen literaire stem vindt en komen samen in het laatste deel van zijn romancyclus, De verloren tijd hervonden. Ook geuren en smaken zijn sterke prikkels: zo wijdt Van Schooten twee gedichten aan het beroemde moment waarop Proust een madeleine in zijn kopje vlierbloesemthee doopt, waardoor herinneringen aan zijn jeugd weer bovenkomen. 

    Vanaf dat moment begint hij te schrijven, zielsgelukkig, omdat hij beseft dat hij zijn herinneringen kan omzetten in taal: ‘Hij wist ineens hoe en waarom / hij dode zielen bevrijden kon.’ Niet de voorwerpen, maar de taal wordt voor hem de behoeder van het verleden. Door de taal heeft hij de tijd hervonden. 

    Zingen van de dingen

    In het laatste gedicht vertelt Van Schooten dat hij de dingen zingen liet, maar dat ook zijn eigen stem nog steeds te horen is:

    Visioen

    (…)

    Nu hij zwijgt,
    dood hem heeft ingelijfd,
    ligt hij rustig ingebed voor altijd
    in zijn hervonden tijd.

    Nu klinkt zijn stem
    van elke bladzij die hij schreef
    en zingen zijn woorden voor hem.

    In De klokkenluider van de Notre Dame van Victor Hugo uit 1831 komt een geleerde voor die in zijn studeerkamer kijkt naar het eerste gedrukte boek kijkt; gedrukt in plaats van met de hand geschreven, iets wat in zijn ogen het begin vormt van de vernietiging van andere manieren van vereeuwiging. Hij doet vervolgens het raam open en kijkt naar de enorme kathedraal. ‘Dit hier zal dat daar doden’, zegt hij: het gedrukte boek zal het gebouw vernietigen. In het geval van Proust is het omgekeerd: daar hebben de boekdrukkunst en de bundel van Hanneke van Schooten ervoor gezorgd dat Prousts geheugenkathedraal vereeuwigd is. 

     

     

  • Oogst week 50

    Het donderdagtribunaal

    Deze week oogsten we het complete werk (krap 4000 pagina’s) van Marcel Proust in een nieuw jasje, de tweede vertaalde roman van de Braziliaanse schrijver Michel Laub en literair tijdschrift Terras.

    Het donderdagtribunaal van Michel Laub (1973) is een aanklacht tegen het ongebreidelde veroordelen via social media: de aanklachtverspreider bij het minste geringste van de veelal hypocriete aanklager. Philip Roth schreef De menselijk smet, Michel Laub Het donderdagtribunaal. Waarin twee beste vrienden (veertigers) e-mails met elkaar uitwisselen. Wanneer een van de twee in scheiding ligt, worden de mails explicieter en gaan over seks, liefde, trouw en verraad. Dit alles onderschreven met rauwe humor. Een uitlaatklep voor de vrienden. Maar wanneer de ex-vrouw deze mails vindt en openbaar maakt, is het hek van de dam en ontstaat er een groot schandaal.

    Het NRC noemde het een moedige en onthutsende roman. Laatste zin: ‘Van buiten komt het straatrumoer, dat niet ophoudt, nooit zal ophouden: we hebben tijd, net als iedereen.’

    Het donderdagtribunaal
    Auteur: Michel Laub
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Op zoek naar de verloren tijd

    Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust is eindelijk weer in zijn geheel verkrijgbaar in een prachtige uitgave van De Bezige Bij. Het is een van de grootste triomfen van de wereldliteratuur, maar daarmee ook een van de moeilijkst leesbare boeken van zijn tijd. De romancyclus is een gangenstelsel van sublieme personages, subtiele ironie, in heldere zinnen en scherpe observatie beschreven waar je, voor je het weet, in verdwaalt. De vertaling van À la recherche du temps perdu (bijna 4000 pagina’s) werd het levenswerk van vertaalster Thérèse Cornips (1926-2016). waarvoor zij gelauwerd werd met de Martinus Nijhoff Vertaalprijs.

    Marcel Proust (1871-1922) leidde het leven van een mondaine schrijver. Hij leed aan astma en na de dood van zijn ouders, zonderde hij zich volledig af en wijdde zich aan het schrijven van de romancyclus.

    Sinds halverwege de jaren tachtig werkte Cornips aan de integrale vertaling van de monumentale romancyclus. Haar was niet meer de tijd gegund om In de schaduw van meisjes in bloei van een nieuwe vertaling te voorzien. Dit zevende boek is nu in haar geest vertaald door Désirée Schyns en Philippe Noble.

    Tip: voor wie Op zoek naar de verloren tijd voor het eerst leest: lees eerst Alain de Bottons Hoe Proust je leven kan veranderen. Dan weet je in ieder geval waarom je het zou moeten lezen.

    Op zoek naar de verloren tijd
    Auteur: Marcel Proust
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Terras #15

    Medewerkers van Terras bevinden zich verspreid over de hele wereld en de redactie is immer benieuwd naar wat er aan de andere kant van de grens leeft. Dit samengebracht levert steeds mooie literaire stukken op en zet voor de lezer de deur open naar schrijvers, die (omdat ze zover weg leven, niet vertaald zijn, namen niet beklijven), binnen het bereik komen. En dan is het aan de lezer om verder te zoeken naar werk van deze schrijvers.
    Het in november verschenen nummer is gewijd aan Afrika met daarin veel werk van Afrikaanse auteurs, jonge schrijvers en overleden gerenommeerde Afrikaans schrijvers uit West- Oost- Zuid- en Midden-Afrika.

    Onderbelichte delen van de literatuur zijn het interessantst: voor de lezer die van ontdekken houdt, van ‘zelf doen’, ligt er een mooie weg te aan in het ontdekken van de namen en teksten die deze Terras biedt. Verhalen die – net als westerse verhalen – handelen over liefde, mannen en vrouwen, homoseksualiteit, vlucht en migratie, dagelijks leven, politiek en emancipatie, maar dan anders, omdat de achtergrond anders is. Dat geeft nieuwe ideeën en schept een nieuw begrijpen ‘van’

    Als extra bijlage levert Terras een klein boekje, inmiddels het derde deel in de reeks ‘Schemerschijn’ en bevat de essaybundel Geringere schepsels van Jan Postma die rondom zijn verblijf op de Jan van Eyck Academie in Maastricht ontstond.

    Terras #15
    Auteur: Onder redactie
  • Historische handel en wandel van gewone levens

    Historische handel en wandel van gewone levens

    Haar naam was voor velen bekend door de vermelding daarvan in het toneelstuk Who’s Afraid of Virginga Woolf? – dat noch over haar gaat noch door haar geschreven is. Als schrijver werd Virginia Woolf (1882-1941) bij een wat breder publiek pas bekend na de verfilming van haar roman Orlando (1992) en later The Hours (2002), naar het boek van Michael Cunningham. Een film die zich in verschillende tijden afspeelt en waarin naast andere levens ook het schrijversleven van Virginia Woolf – vertolkt door Nicole Kidman – verfilmd werd. The Hours was gebaseerd op Woolfs roman Mrs. Dalloway.

    Virginia Woolfs boeken werden doorgaans als te experimenteel weggezet en enkel door een select groepje liefhebbers gelezen. Dat De jaren in 1937 groots ontvangen werd in Amerika en de bestsellerslijst van ‘The New York Times’ haalde, was een grote verrassing. Opmerkelijk hierbij is dat De jaren in verschillende landen vertaald werd maar in Nederland, tot vorig jaar, niet.

    Iets groots
    Virginia Woolf had al langer de ambitie een groot werk te willen schrijven zoals Tolstois Ana Karenina. Toen ze De verloren tijd van Proust had gelezen versterkte dat haar verlangen, maar nam ook de twijfel toe of ze ooit zoiets groots zou kunnen schrijven. Nadat ze Mrs Dalloway voltooid had zich daarbij afvragend of ze daarmee wellicht al iets groots had verricht, schreef ze op 8 april 1925 in haar dagboek dat het nog niets vergeleken was bij wat Proust – die haar toen geheel in zijn ban had – geschreven had:

    Waar het bij Proust om gaat is het samengaan van uiterste gevoeligheid met uiterste hardnekkigheid. (…) Ik neem aan dat hij me zo sterk zal beïnvloeden dat geen enkele zin die ik schrijf in mijn ogen nog genade zal kunnen vinden.

    De wind schraapte
    Gedurende zes jaar heeft ze met ongekend plezier – zoals ze schreef in haar dagboek – aan De jaren gewerkt, toch sloeg vlak voor de voltooiing van de roman de verslagenheid toe. Ze was er opeens van overtuigd dat het niks kon zijn. Ze gaf het manuscript aan haar man, Leonard Woolf te lezen waarna hij het – wat haar betrof – mocht vernietigen. Gelukkig had Leonard Woolf een neus voor goede literatuur en vond het haar beste werk ooit.

    De jaren is een roman in fragmenten, opgedeeld in tien korte of langere hoofdstukken met elk een jaartal als titel; van ‘1880’ tot het ‘Heden’. Elk hoofdstuk begint met het beschrijven van het weer: ‘Het was maart en het waaide. Maar de wind ‘waaide’ niet. De wind schraapte, schuurde, hij was zo wreed. Zo onflatteus.’

    Verwevenheid van gebeurtenissen
    De roman is opgebouwd rondom de familie Pargiter – vader en zeven kinderen – uit de middenklasse van Londen en opent met het sterfbed van de moeder. De kolonel en zijn kinderen verwachten al lange tijd dat ze zal inslapen: ‘(…) maar ze stierf niet. Vandaag ging het iets beter; morgen zou het weer slechter gaan; er kwam een nieuwe verpleegster; en zo ging het maar door.’
    Het heeft wel het meest weg van een schets van hoe de mens in het dagelijkse leven zich gedraagt met daar doorheen de historische gebeurtenissen zoals de Eerste Wereldoorlog, de suffragettebeweging (vrouwenrechten), Engels kolonialisme, de eerste auto’s, omnibussen, de benzinemotor en het elektrisch licht. Ontwikkelingen die niet op de voorgrond staan, ze worden er in mee genomen in een stroom van gedachten, handelingen en waarnemingen. Zo heeft de familie Pargiter niet de hoofdrol in de roman; ze worden opgenomen in het geheel; het geheel dat ‘leven’ (in welke tijd dan ook) heet.

    Herhalingen
    Personen, huizen, straten en weersomstandigheden worden kort beschreven in fijnzinnige schetsen die soms gerust drie keer herhaald worden binnen twee pagina’s. Waardoor sommige stukken zich als een refrein voordoen en zo de betekenis van die passages benadrukken. ‘Ze liepen door Fleetstreet. Het was onmogelijk een gesprek te voeren. Het trottoir was zo smal dat hij er telkens af moest stappen om naast haar te kunnen blijven.’
    Zo wordt tijdens een wandeling door Londen van neef Martin met nicht Sara, drie keer benadrukt dat het ‘onmogelijk was een gesprek te voeren’ omdat; ze niet naast elkaar konden lopen door de smalle stoep; door de drukte van winkelend publiek; door het verkeerslawaai. Drie keer wordt de onmogelijkheid een gesprek te voeren benadrukt waardoor de behoefte aan een gesprek zich des te meer laat gelden.

    Gedachtenstromen
    Het lezen van De jaren is als een laven aan de tijd waarin levenslijnen in overzichtelijke stukken zichtbaar worden maar evengoed weer plaatsmaken voor andere lijnen in de geschiedenis. De dingen en personen zijn met compassie beschreven. Het kan oprecht een liefdevol geschreven boek worden genoemd, dat het gevoel teweeg brengt dat geschiedenis niet enkel dient om te weten hoe het was, maar ook een vorm van beschutting geeft. Zoals Woolf het Engeland van 188o tot 1937 beschrijft, zo moet geschiedenis zijn; als een serieuze voorbereiding op de tijd waarin we nu leven. Een bijzondere gewaarwording is ook dat de personages uit De jaren, zeer dichtbij komen; alsof je, door de ‘stream of conciousness’ van waaruit Virginia Woolf schrijft en waarin gedachten over elkaar buitelen, associaties en afgebroken gedachtestromen door elkaar spelen, er in opgenomen wordt.

    Steeds iets nieuws
    In De jaren zijn de dingen zo beeldend beschreven als was het een schilderij waarop met penseelstreken de omgeving, personages, hun handelingen en zelfs hun gemoedsstemmingen zijn aangebracht. Een schilderij waar je lange tijd naar kunt kijken en steeds iets nieuws op ontdekt. Of het nu een straat in de mist is, een schrijftafel in de hoek van een kamer, het onbehagen van een woedebui of een gebeeldhouwde trapleuning; de schetsen zijn liefdevol gemaakt en nemen de lezer geheel voor zich in, 500 bladzijden lang. Met grote dank aan de vertaler, Barbara de Lange die ontdekte dat The Years een in Nederland vergeten roman was die hoognodig een vertaling verdiende, die zij werkelijk prachtig bezorgd heeft.

     

  • Proust is overal

    Proust is overal

    Samen met een vriendin vorm ik een leesclubje. Met Oud en Nieuw hebben we het eerste deel uit Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust besproken. Niet dat mijn onvolprezen docente Frans op de middelbare school, Dieuwke Eringa (auteur van de prachtige autobiografie Ik ben van elf) Proust niet heeft behandeld, maar dit was anders.

    We kwamen zo’n beetje tegelijkertijd op het idee en sindsdien duikt de naam Proust overal op. Bij mij begon het met een radio-uitzending waarin violiste Maria en pianiste Nathalia Milstein A chloris van componist Reynaldo Hahn (1874-1947) speelden. Hahn bleek een korte liefdesrelatie met Proust te hebben gehad en schreef dit stukje oorspronkelijk voor zangstem en piano. De bewerking staat op de CD La sonate de Vinteuil, een eerbetoon van de zussen Milstein aan Prousts Op zoek naar de verloren tijd.
    Het stukje werkte bij mij op dezelfde manier als bij Proust de madeleine bij een kopje thee: ‘in een seconde doorliep ik eeuwen van beschaving’, om de ik-figuur aan te halen. Bij het stukje van Hahn kun je wegdromen op een nostalgisch aandoende, wiegende pianobegeleiding. Het bracht me door het mooie, bescheiden toucher van de pianiste terug in het ouderlijk huis, waar mijn vader achter de piano zat en een kleinood speelde.

    Een week later zong tenor Mark Padmore met Imogen Cooper aan de piano in het Amsterdamse Concertgebouw enkele Chansons grises van diezelfde Reynaldo Hahn, die Padmore zonder rustmoment aaneenreeg met twee Mélodies van Hahns tijdgenoot Fauré. Het laatste lied van Hahn heet L’heure exquise, het volmaakte uur, waarin heden en verleden samen vielen in een moment dat eeuwig leek te duren. De filosoof Bergson had het erover, herinner ik me van de lessen van Dieuwke Eringa, maar Bergson schijn je volgens mijn vriendin op een of andere manier niet meer met Proust in verband te mogen brengen.

    Voor NBD Biblion recenseerde ik in diezelfde week het literaire essay Over Bach van de Vlaamse schrijver en  tevens Proustliefhebber Bart Stouten. Het kon niet missen: Proust komt ook in dit fraaie boekje verschillende keren voorbij. De Fransman gaat volgens Stouten in zijn Recherche ‘op zoek naar de betekenis van het leven’ – inderdaad: verder dan Bergson dus.
    Stouten heeft het over de ettelijke pagina’s die Proust wijdt ‘aan het herhaald beluisteren van een magisch soort muzikaal zinnetje dat de verteller blijft intrigeren (…). Swann verbindt de geboorte van zijn liefde voor Odette met een frase uit de sonate van Vinteuil: in een mystiek aanvoelend moment laat Proust zich meevoeren door zijn indrukken sine materia die zich enten op het ranke melodietje van de viool en de “massale doorbraak” van de piano. De frase achtervolgt Proust (…) en veeleer dan een intrinsieke betekenis te hebben, “openbaart” ze.’
    Voor mij is dat melodietje sinds die bewuste radio-uitzending toen ik stond af te wassen – hoe gewoontjes wil je het hebben – A chloris van Hahn. En misschien gaat Proust dáár wel over: de gewone dingen des levens.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

  • Goede wegwijzer

    Goede wegwijzer

    De meesten van ons weten weinig tot niets van Marcel Proust en zijn grote roman À la recherche du temps perdu. We hebben er wel van gehoord en kennen het verhaal over dat koekje dat de verteller in de thee doopt waarna een stroom van herinneringen op gang komt. Sommigen hebben voornamelijk een vóóroordeel: Proust was een geparfumeerde estheet die oeverloos kon zeuren in ellenlange zinnen.
    Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep is begonnen met de uitgave van een nieuwe vertaling. Deel 1, Swanns kant op, ligt in de winkel. Een zomer met Proust is een korte en degelijke introductie tot de geheimen, de genietingen en de moeilijkheden die Op zoek naar de verloren tijd te bieden heeft.

    Het is een klein boekje, zoals het een gids betaamt. Het wijst de weg maar gaat niet in de weg staan. Het is bijzonder rijk aan uitleg en achtergronden.
    Het bestaat uit acht delen, geschreven door acht verschillende auteurs. Elk deel (op één na) bestaat uit vijf hoofdstukjes. Die zijn allemaal op dezelfde manier opgebouwd: titel, een kort citaat van Proust, een gecursiveerde inleiding, de centrale tekst waarin het door de titel aangekondigde onderwerp wordt besproken en tot slot een substantiële passage uit de roman. De centrale tekst is telkens het langst en alle hoofdstukjes zijn bescheiden van omvang, steeds zo’n vijf of zes bladzijden.

    In eerste instantie ben je geneigd hoofdstukken netjes op volgorde te lezen. Maar in Een zomer met Proust is dat niet per se noodzakelijk. Je kunt ook ‘hinkelend’ door het boek gaan, elk hoofdstukje laat zich zelfs ook van achteren naar voren lezen, althans wat de laatste twee onderdelen betreft, dus eerst het lange fragment van Proust en daarna pas de beschouwing. Op die manier loop je als lezer wat minder aan de hand van de schoolmeester. En óók laat het zich bij stukjes en beetjes lezen als begeleidende tekst bij de roman, dus niet als voorafje maar terwijl je Proust zelf leest. De samensteller heet niet voor niets Compagnon.

    Waarom zou je een inleiding tot een roman lezen? Wat is er met Prousts romancyclus dat ons zou kunnen afschrikken of dat het lezen zou bemoeilijken? De samensteller zelf waarschuwt ons: ‘(…) slechts de helft van de kopers van Swanns kant op koopt het tweede deel, In de schaduw van de bloeiende meisjes, en slechts de helft van de kopers van In de schaduw van de bloeiende meisjes koopt De kant van Guermantes, het derde deel. Maar hierna haken lezers niet meer af: (de volgende vier delen) worden allemaal uitgelezen’.
    Hoe zou dat komen? Compagnon geeft drie verklaringen: de lange zinnen, de mondaine avondjes die uitentreuren worden beschreven én het feit dat mensen ‘bang zijn voor boeken die de lezer veranderen’. Elders in het boek wordt gewag gemaakt van rond de vijfhonderd personages. Drieduizend bladzijden. Vermelding in het Guinness Book of Records.
    Al met al zou deze poging om lezers te winnen dus gemakkelijk een averechts effect kunnen hebben, want als een boek zozeer een onneembare vesting lijkt, wordt een mens al gauw achterdochtig.

    Waar schrijven de inleiders over? Over de personages, Prousts wereld, de kunsten, Proust en de filosofen. Concrete onderwerpen. We krijgen veel interessants te horen. Ook lezen we over de liefde, het denkbeeldige en de tijd, veel abstractere onderwerpen dus.
    Uit alle bijdragen blijkt wel dat de tijd een centraal onderwerp is, zoals de titel van de roman al aangeeft. De tijd, dat wil zeggen: het verlangen en de herinnering; de werkelijke tijd en de beleefde tijd; de onverbiddelijke tijd en de tijd die als bij toeval wordt teruggevonden; de berusting en de opstand.
    We leren ingewikkelde begrippen kennen, zoals ‘het intermitterende hart’, ‘de essentie van de temporaliteit’, ‘het pluriforme ik’ en ‘het onwillekeurige geheugen’ (daar heeft dat koekje bij de thee mee te maken, wie heeft nìet slechts de klok horen luiden; op bladzijde 117 vindt u de ware toedracht).

    De beschouwingen zijn doorwrocht en niet steeds gemakkelijk te volgen. De schrijvers zijn liefhebbers, kenners én geleerden. Mogelijk zijn ze trots op het feit dat zij behoren tot degenen die het boek de baas zijn geworden? Bestaat er een Proust-elite? In Frankrijk denkelijk wel.
    Hoe het ook zij, hun inleiding tot deze twintigste-eeuwse klassieker geeft stof tot nadenken én maakt nieuwsgierig.

    Wat heeft Proust bewogen tot het construeren van deze ‘kathedraal’, zoals hijzelf het boek karakteriseerde? Ook daarover komen we veel te weten. De kiem lag in een gesprek met zijn moeder en bijna was het een filosofisch betoog geworden, in reactie op zijn lectuur van Bergson, de filosoof die veel over de tijd heeft geschreven. Onvoorstelbaar: Prousts roman was bedoeld als vehikel voor ideeën!

    Dat was trouwens een verrassing: Proust was veel méér dan een decadente dandy, hij was een erudiet en een denker. Hij bewonderde en vertaalde Ruskin, hij bestudeerde de filosofie en de sociologie van zijn tijd en was bijzonder goed thuis in de beeldende kunst.

    Op zoek naar de verloren tijd is geen vakantieboek. Een maximum aan introspectie en zinnen waarin je gemakkelijk halverwege verdwaalt: een hedendaagse lezer zal zijn ‘leeshouding’ moeten aanpassen, gewend als hij is aan snelheid en oppervlakte. Waarschijnlijk heeft Een zomer met Proust op dit ene punt dus ongelijk: Op zoek naar de verloren tijd is geen boek voor één zomer. Het lijkt eerder een boek voor een heel leven. Een boek om je langdurig en ‘intermitterend’ mee af te zonderen. Misschien moeten meer mensen er toch eens aan beginnen.


    Een zomer met Proust

    Auteur: Antoine Compagnon e.a.
    Vertaald door: Maartje de Kort
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 216
    Prijs: € 15,00

  • Treurnissen – Marcel Proust

    Staalkaart van de Franse prozapoëzie

    Recensie door Maarten Buser

    Even een stukje terug in de tijd: in 1842 verscheen Gaspard de la Nuit – Fantaisies à la manière de Rembrandt et de Callot van de Franse dichter Aloysius Bertrand, een verzameling van vaak buitenissige, korte vertellingen. Ze hadden het lyrische en gecomprimeerde van gedichten, maar waren in prozavorm geschreven. Waarmee het prozagedicht was geboren. In 1869 verscheen postuum Le Spleen de Paris – Petits poèmes en prose van Charles Baudelaire, met een voorwoord waarin Baudelaire zijn bewondering voor Gaspard de la Nuit uitsprak. Vier jaar later werd Le Spleen de Paris door Arthur Rimbaud onthaald als het grote voorbeeld voor zijn eigen prozagedichten; hij vond dat Baudelaire eindelijk een moderne vorm voor een moderne inhoud had gevonden. Une Saison en Enfer (1873) en Illuminations (1886) bleken later op hun beurt de voorvaderen te zijn op de prozagedichten van de surrealisten.

    In 1896 debuteerde de jonge schrijver Marcel Proust met Les Plaisirs et les Jours, een verzameling verhalen en gedichten. Een van de secties van het boek is Les regrets – Rêveries couleur du temps, dat uit prozagedichten bestaat. Deze vorm was inmiddels al een halve eeuw oud en populair onder fin de siècle-dichters als Jules Laforgue. Les regrets is inmiddels ook in het Nederlands verschenen, onder de titel Treurnissen. Proust zou overigens later een van de belangrijkste romanciers van zijn tijd worden, maar dat is een terzijde. Treurnissen bevat namelijk (nog) niet het werk van een genie, wat je misschien op basis van Prousts reputatie zou verwachten, maar desondanks zeker de moeite van het lezen waard.

    Vanwaar het korte geschiedenislesje aan het begin van deze bespreking? Treurnissen leest als een staalkaart van de verscheidene verschijningsvormen van het negentiende-eeuwse Franse prozagedicht. De meeste richtingen die de vorm eind negentiende eeuw opging zijn wel in de bundel vertegenwoordigd. Sommige van de gedichten neigen naar een kort verhaal omdat ze een duidelijke verhaalontwikkeling hebben, anderen zijn ronduit lyrische beschrijvingen. Er zit impressionistisch werk tussen, maar er zijn ook duidelijk allegorische stukken. Prousts gedichten bevinden zich bovendien vaak ergens tussen droom en werkelijkheid, tussen sprookjesachtig en realistisch. Ze herinneren er dan ook geregeld aan dat het surrealisme een Franse uitvinding is en de Franse (proza)poëzie uit de negentiende eeuw daar een uitstekende voedingsbodem voor was. Om de diversiteit te illustreren: vergelijk de volgende twee fragmenten eens met elkaar:

    Evenals de natuur kent de menselijke geest zijn schouwspelen. Hoe vaak een zonsopgang, hoe vaak een maannacht me ook tot tranen heeft vervoerd, nooit wekte die in mij een heftiger ontroering dan de grootse gloed vol weemoed die bij een wandeling tegen het einde van de dag niet minder golven in ons gemoed doet oplichten dan de ondergaande zon op het zeeoppervlakte doet schitteren.‘ (Uit ‘Innerlijke zonsondergang’.)

    Dominique zat bij het uitgedoofde haardvuur op zijn gasten te wachten. Elke avond nodigde hij een of andere hoge heer uit om in het gezelschap van spitse geesten te komen souperen, en daar hijzelf van goede huize, gefortuneerd en innemend was, hoefde hij nooit een avond alleen door te brengen.‘ (Uit het overigens opvallend Oscar Wildeësque eindigende ‘De vreemdeling’.)

    Op zijn best is Proust als hij de grenzen tussen droom en werkelijkheid opzoekt. Een gedicht kan zo a-lyrisch verhalend beginnen, en ergens tegen het einde een vervreemdende richting inslaan. ‘Relikwieën’, een van de uitschieters in de bundel, begint bijvoorbeeld zo: ‘Ik heb alles gekocht wat te koop was van de vrouw die ik ooit als vriendin wilde, maar die zich niet eens verwaardigde even met me te keuvelen.‘ Daarna begint de verteller enthousiast over al die spullen die hij van haar kocht en wordt hij steeds lyrischer, met personificaties aan toe: ‘Speelkaarten, u die zij in gezelschap van haar intieme vrienden elke avond door haar vingers liet glijden, u zag hoe ze zich verveelde of lachte‘. Het slot zet het al het voorgaande vervolgens op losse schroeven: ‘Zij heeft haar leven geleefd, of misschien heb ik het alleen gedroomd.’

    De stilistische diversiteit van Treurnissen is, hoe cliché het ook klinkt, tegelijkertijd de zwakte en de kracht van de bundel. Om met dat laatste te beginnen: in één handzame bundel krijg je een goed overzicht wat er rond die tijd aan soorten prozagedichten verscheen. Ofschoon er een niet al te geringe selectie Franse prozagedichten in het Nederlands verschenen is, zijn die vaak alleen nog tweedehands beschikbaar. Het verschijnen van Treurnissen scheelt toch weer het afzoeken van tweedehands boekwinkels. De zwakte van de bundel is echter dat voor elk van de richtingen die Proust inslaat, wel een dichter te bedenken is die daar beter in is, en wiens werk in het Nederlands beschikbaar is (vaak tweedehands, maar toch). Bertrand, Baudelaire en Rimbaud (zijn werk is overigens beschikbaar in de Perpetuareeks), en ook Stéphane Mallarmé en Jules Laforgue zijn gewoon beter met deze vorm, of eigenlijk ook gewoon betere dichters. Prousts zwakte ligt er voor een groot deel aan dat nooit echt duidelijk wordt waarom deze gedichten nu per se door Proust geschreven zijn; een duidelijke eigen smoel mist nog.

    Hoewel het zeker niet gek is als je van iemand van het formaat Proust meer verwacht, is Treurnissen gewoon een prima bundel, met een aantal fraaie uitschieters. De sterkste momenten maken de publicatie, en natuurlijk de aanschaf al de moeite waard. Treurnissen is daardoor een fraaie aanvulling op de in het Nederlands verschenen (proza)poëzie van Franse dichters uit die tijd.

     

    Treurnissen

    Marcel Proust
    Vertaling: Paul Claes en Chris van de Poel
    Blz.: 66
    Prijs: € 19,50
    Uitgegeven bij Poëziecentrum