We vroegen de recensenten van Literair Nederland drie titels te noemen die ze deze zomer willen gaan lezen. De keuze was niet eenvoudig, het ene boek riep de titel van een ander boek op, wat soms zorgde voor een dilemma. Want noem je De Baptisten, van Nyk de Vries, of toch Berghonger van Fleur Jongepier? Soms is het noemen van een titel genoeg om de lezer nieuwsgierig te maken. Enkelen lezen literatuur uit het land waar ze deze zomer verblijven, de ander herleest de boeken van Simone De Beauvoir, of haalt klassiekers uit de kast die toch eens gelezen moeten worden. Waarom dan niet in twee weken op het Ierse platteland nu eindelijk eens Ulysses uitlezen. Soms betreft de keuze een onvertaald boek, zoals Oekraïense gedichten van Serhiy Zhadan. Of boeken uit het nalatenschap van een moeder, waarin ook De Beauvoir zich ophield. En soms lees je gewoon waar je zin in hebt, pak je wat je voorbij ziet komen, of boeken die je bezighouden. Daar is deze rubriek dan weer goed voor, waarin een keur aan vertaalde en Nederlandstalige literatuur voorbij komt. En laat ons in een reactie gerust weten welke boeken u deze zomer leest! Dan zullen we die erbij plaatsten.
Momenteel lees ik Het land van Hrabal van Rik Zaal, een roman over de werking van ons geheugen en schrijven onder een totalitair regime. Het roept literatuur uit dergelijke landen bij me op die diepe indruk op me maakte. Allereerst van de Tsjechische Bohumil Hrabal zelf. Zijn Al te luide eenzaamheid (ook door de ik-figuur, Hendrik Terpstra, in de roman van Zaal genoemd) begint zo: ‘Vijfendertig jaar lang zit ik in het oud papier en dat is mijn love story. Vijfendertig jaar lang plet ik oud papier en boeken, vijfendertig jaar lang maak ik mijn handen aan de letteren vuil (…) tegen mijn wil ben ik ontwikkeld geraakt en eigenlijk weet ik ook niet welke gedachten van mij zijn, en welke ik me door het lezen eigen heb gemaakt’.
Als tweede Schuilplaats voor andere tijden uit 2022 van de Bulgaar Georgi Gospodinov gaat ook over herinneringen waaraan we willen vasthouden. Over Oost-Europa: ‘Natuurlijk waren de burgers ervan allang uitgewaaierd, als familieleden die gedwongen waren samen te wonen onder één dak totdat de kinderen oud genoeg waren en iedereen zijn eigen weg ging (…) Ze wilden allemaal naar die (westerse) minnares, van wie ze droomden toen ze het gezamenlijke socialistische bed deelden’.
Onvolprezen blijft tenslotte De lotgevallen van de brave soldaat Svejk van Hrabals landgenoot Jaroslav Hasek. Het is al uit 1923 maar de satire over een man die de boel saboteert door alle bevelen zo precies mogelijk uit te voeren en daardoor het gezag ondermijnt blijft aanspreken. De soldaat doet me, terwijl ik dit typ, ineens denken aan De klerk Bartleby van Herman Melville. Is die laatste met zijn fameuze ‘I prefer not to’ Svejks westerse tegenpool? En met die vraag ben ik terug bij Hendrik Terpstra. Hij maakt een onderscheid tussen Echte en Onechte Landen. Hij legt op pagina 37 van Het land van Hrabal uit wat hij daarmee bedoelt.
Adri Altink
Omdat ik tijdens mijn verblijf in Bretagne graag een klassieker lees die zich in dit deel van Frankrijk afspeelt, lees ik De Chouans (1829) van Honoré de Balzac. Een militaire historie en liefdesgeschiedenis ineen tijdens een opstand in Fougères. Een man en vrouw worden verliefd maar staan elk aan de andere kant van het conflict. Het is de Balzac-versie van Romeo & Juliet, Tony & Maria, en Danny & Sandy. De Nederlandse vertaling is niet meer verkrijgbaar, dus lees ik – digitaal – de Engelse vertaling. Met een extraatje, want als het bevalt kan ik de volledige ‘Comédie humaine’ gaan lezen want Balzac’s complete oeuvre staat nu in mijn digitale boekenkast.
Nadat ik De Nacht beeftvan Nadja Terranova had gelezen, over de gevolgen van een aardbeving op Sicilië dat je bij de lurven grijpt, wilde ik onmiddellijk meer van haar lezen. Afscheid van de geesten (2020) stond op de shortlist voor de Premio Strega en won de Premio Alassia Centolibri. Wederom is Sicilië het toneel, waarnaar Ida vanuit Rome terugkeert om het huis van jaar jeugd leeg te ruimen. Een literaire versie van mijn favoriete film, Nuovo Cinema Paradiso (Oscar voor de beste niet-Engelstalige film in 1989). Niet meer leverbaar in Nederland, maar online vond ik een Nederlandse vertaling in Frankrijk. Inmiddels ligt het boek bij mij thuis op tafel te wachten tot ik tijd heb voor de Siciliaanse zomerhitte.
Als ik over enkele weken naar Ierland vertrek wil ik James Joyce ter hand nemen. Vooralsnog staat Ulysses op het menu, een boek waar ik al vaak mee in mijn handen stond, maar steeds voor terugdeinsde. Ditmaal ga ik me eraan wagen. Het zal geen probleem zijn om dit boek te verkrijgen, al is het nog wel oppassen met de versies. Vanaf zijn publicatie is de roman controversieel, wat in meerdere landen tot een verbod leidde. En er zijn verschillende versies in omloop met elk een eigen interpretatie. Het schijnt geen makkelijk boek te zijn en eindigde in 2007 bij de Guardian-verkiezing van het minst uitgelezen boek op de derde plaats. Vandaar mijn eerdere huiver. Maar ik ben optimistisch. Twee weken op het platteland van Ierland, met voldoende tijd om te verpozen bij het haardvuur in deze of gene pub, moet voldoende zijn om het te lezen. Of om het weg te leggen.
Martin Lok
Van de internationaal bekende Oekraïense schrijver, dichter en rockster Serhiy Zhadan (1974) zijn twee van zijn twaalf romans in Nederlandse vertaling verschenen, maar zijn gedichten zijn, op een paar uitzonderingen na, nog niet vertaald. Deze zomertip betreft een Engelse vertaling en is tegelijkertijd een pleidooi voor een uitgave in het Nederlands. How Fire Decends is een bundel met nieuwe en oude gedichten die in 2023 (Yale University Press) verscheen. Een keuze uit de bundels Psalms to Aviation (2021), List of Ships (2020), Antenna (2018), Templars (2016) en de laatste New Poems (2021-2022) zijn afkomstig van zijn Facebook-website, waaronder ook gedichten van na de Russische inval.
Zhadan is geboren in Staroblisk, een stad in Luhansk (Oost-Oekraïne) en hij woonde het grootste deel van zijn leven in Charkiv. Hij is activist vanaf de Oranje Revolutie (2004) en daarna de Maidan Revolutie (2013 – 2014). In het voorwoord schrijft Ilya Kaminsky dat Zhadan en zijn landgenoten werden bestormd door een pro-Russische menigte en hij gedwongen werd de Russische vlag te kussen. Hij weigerde, werd geslagen en liep een hersenschudding op. Deze dramatische gebeurtenis had invloed op zijn poëzie die een documentaire wending onderging.
De landschappen in het oosten van Oekraïne zijn aanwezig in al zijn werk, ook in de gedichten. Een fragment uit een langer gedicht: ‘The mutilated landscape clenches its teeth / framed by the light / slashed by moonlight / Pain and hope unite us / in the openings of the dark sky.’
In zijn laatste in het Duits vertaalde bundel schrijft Zhadan: ‘Voor het eerst had ik de behoefte mijn gedichten te dateren. Omdat de context meer betekenis had dan de tekst zelf. De gedichten van de laatste jaren verliezen hun autonomie, hun onafhankelijkheid, ze lijken steeds meer op een dagboek. Dat helpt het gevoel voor de tijd (…) niet te verliezen. De tijd betekent tegenwoordig veel, ze getuigt van je vaardigheid te spreken, je onvermogen te zwijgen.’
Ronald Bos
Een nieuw geluid, de geboorte van de moderne poëzie in Nederlanddoor Gilles Dorleijn en Wiljan van de Akker beschrijft in meer dan 1000 pagina’s de vermeende ‘revolutie van Tachtig’. Het prachtig uitgegeven kloeke boek is ja en nee een literatuurgeschiedenis zeggen de schrijvers. ‘Nee’ want het beperkt zich tot de poëzie van Kloos en de zijnen en haren, ‘ja’ want de werkelijke invloed van de nieuwe dichters en hun nieuwe werk is in een breed literair kader onderzocht. In 41 hoofdstukken geven de beide emeritus hoogleraren een empirische basis aan, en een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis, de canon en gevestigde namen. Ze laten zien dat de nieuwe poëzie niet meer in dienst staat van kerk, kapitaal of politiek, maar een eigen scheppingsplan heeft. Dorleijn en Van den Akker spreken van een ‘autonomie +’. Met zijn twee kilo is het boek niet geschikt om mee te nemen op fietsvakantie maar het is wel een fijn boek om zo nu en dan wat hoofdstukken in te lezen. Of noem ik als eerste tip toch Tom Lanoys veelgeprezen ReinAard-bewerking?
De baptisten moet een heerlijke roman zijn over hoofdpersoon Marten en muziekmaten, jongens uit gelovige dorpen in het noordoosten van Friesland. Een opgroeiroman tegen het decor van de opkomst en ondergang van hun band en van een kerkleven dat als vanzelfsprekend geaccepteerd en door iedereen gerespecteerd wordt. Het vraagstuk van het verdampende geloof in de wellicht wat pedant-atheïstisch westerse cultuur met minachting voor religie wordt kritisch benaderd door hoofdpersoon Marten, geboetseerd naar de schrijver zelf. Nyk de Vries (1971) is al meer dan twintig jaar actief als schrijver, muzikant en literair performer. Van 2019 tot 2021 was hij Dichter fan Fryslân. Hij is geboren en getogen in het Friese Noordbergum, heeft in Groningen gestudeerd en woont nu al jaren met zijn gezin in het zoals hij zelf zegt ‘gegentrificeerde’ Amsterdam-Oost. Hij weet dus waarover hij praat. ‘Ik voel me een intermediair tussen stad en platteland, geloof en ongeloof’, zegt hij zelf. Of noem ik Berghonger van de bergminnende filosofe Fleur Jongepier als eerste tip? Jongepier beschrijft berghonger, een bergzelf en bergmelancholie in dit zelfonderzoek dat mag leiden tot het opnieuw afstellen van het kompas van het leven.
Dilemma vanErna Barth is een recent verschenen young adultboek. Hoofdpersoon Mick doet mee aan de eindronde van de filosofie-olympiade. Als hij wint, kan hij met het prijzengeld zijn vervolgstudie betalen; hij wil namelijkgraag naar de landbouwhogeschool in Wageningen en later de boerderij van zijn ouders overnemen. Zijn vader ziet dat niet zitten. Hij heeft namelijk lang geleden tegen zijn zin zijn carrière als financieel directeur op moeten geven, is in plaats van tijdelijk, structureel ‘boer’ geworden en ziet liever dat zijn zoon een studie kiest ‘met meer perspectief’. Mick is stiekem naar de olympiade afgereisd. Hij komt daar in een rare situatie terecht waar in plaats van een serieuze filosofiewedstrijd vooral intriges en dubbele agenda’s een rol lijken te spelen. Spanning gegarandeerd dus! Daarnaast komen de beroemdste filosofen en filosofische begrippen langs in dit boek, dat opent met Aristoteles’ wijsheid ‘Twijfel is het begin van alle wijsheid’.
Joke Aartsen
In mijn boekenkast staat de boeken van Simone de Beauvoir, favorieten uit mijn twennertijd. De tweede sekse,Alle mensen zijn sterfelijk, De mandarijnen, Bloed van anderen,Met kramp in de ziel, Een wereld van mooie plaatjes en Uitgenodigd. Boeken die kort na WO II geschreven en gepubliceerd zijn en heruitgegeven werden in de jaren ’80 door Agathon in een vertaling van Ernst van Altena. De maatschappelijke onderwerpen zoals existentialisme, feminisme en het patriarchaat zijn de hoofdthema’s van Simone De Beauvoir, hoewel zestig, zeventig jaar geleden geschreven zijn ze nog steeds verrassend actueel.
Uitgenodigd nam ik uit de boekenkast van mijn moeder. Ik bewaar sterke herinneringen aan die eerste lezing, er ging een wereld voor me open. Wanneer ik de eerste zinnen herlees, beleef ik hetzelfde als toen.Uitgenodigd is een sleutelroman, die gaat over een driehoeksverhouding tussen Pierre (Sartre), Francoise (De Beauvoir) en Xavière Pagès, (de Russische Olga) een jong meisje dat het echtpaar uitnodigt bij hen te komen wonen. De spanning tussen Francoise en Pierre wordt sterk opgebouwd. Want hoe feministisch en vrij van geest de echtelieden ook zijn, zodra jaloezie om de hoek komt kijken, is geen enkele relatie meer veilig. Tijd voor een herlezing, want alles is weggezakt.
De mandarijen las ik negen jaar geleden, ik kwam mijn eigen recensie op Goodreads tegen. Het is een dikke pil met autobiografische aspecten. Een groep intellectuele Parijzenaren discussieert over de huidige wereld, koude oorlog, Algerijnse oorlog, waarin verzetsman Henri, (Albert Camus) een belangrijke rol speelt. Anne’s (De Beauvoir) innerlijke twijfel en haar uiterlijke beschaafdheid is sterk, ook de ongelijkwaardige strijd tussen man en vrouw wordt duidelijk. De mannen doen maar en de vrouwen zorgen. Dat intellectuele vrije klimaat, zonder enige bekrompenheid waarin toch ook niet alles pais en vree is, vind ik heel verfrissend. Erg genoten van dat boek. Tijd voor een nieuwe ontmoeting.
Met kramp in de ziel is eigenlijk de Beauvoirs debuut, hoewel het pas in 1979 werd gepubliceerd. Ze was nog geen dertig toen ze, gebaseerd op haar eigen leven, aan de hand van vijf portretten van jonge vrouwen beschreef hoe ze zich ontworstelde aan het katholieke milieu. Vijf korte verhalen met eenzelfde thema die een eenheid vormen.
Marjet Maks
Deze zomer heb ik besloten de boeken nog eens te lezen die ik meenam toen we mijn moeders huis uitruimden. Het betreft romans van Daphne du Maurier: Rachel,Janet, De kopermijn, Herberg Jamaica en van Pearl S. Buck: Oostenwind, westenwind en Het trotse hart. Boeken die verschenen tussen de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de Margriet-bibliotheek, gebonden exemplaren met een linnen kaft. Vaak was de vertaling geautoriseerd, wat betekende dat er flink in de tekst gesnoeid was.
Nobelprijswinnaar van 1938, Pearl Buck – door William Faulkner smalend ‘China hand Buck’ genoemd (hij kreeg de Nobelprijs pas elf jaar later) – schreef over China, het land waar ze opgroeide en waarnaar ze altijd heimwee bleef hebben. Bettine Vriesekoop schreef een biografie over haar, Het China-gevoel van Pearl S. Buck.
Daphne du Maurier was een schrijfster met een heel complex karakter. Ze hield niet van publiciteit en trok zich meestal terug in haar geliefde Cornwall. Rebecca is haar beroemdste roman, maar voor mij is Rachel (vertaling van: My cousin Rachel) net iets beter. Steeds als ik het boek gelezen heb – en dat is al heel vaak – vraag ik me af of de hoofdpersoon onschuldig was of een berekenende intrigante. Misschien kom ik er na deze keer lezen achter.
Als ik praat over het werk van Sylvia Plath, reageren de meeste mensen met: ‘Oh, die vrouw die haar hoofd in de oven heeft gestoken omdat haar man vreemdging’. Dat kan me erg kwaad maken: ze heeft verdorie wel meer betekenis verdiend dan alleen om haar zelfgekozen dood herinnerd te worden. Om mezelf en anderen ervan te overtuigen hoe groot zij was als dichteres, heb ik me voorgenomen mijn oude bundel Collected Poems van haar nog eens door te nemen. Haar gedichten zijn zo persoonlijk en oprecht, dat je het gevoel krijgt haar gekend te hebben, al zijn diezelfde gedichten verre van gemakkelijk. Haar eerste bundel The Colossus bevat nog niet het dramatische werk dat pas met Ariel naar voren komt. Ik weet dat veel literatuurliefhebbers zich in twee kampen verdeeld hebben: de Plathianen, die zich zo fel keren tegen haar echtgenoot en collega-dichter Ted Hughes dat ze zelfs geprobeerd hebben zijn naam van haar grafsteen af te krijgen, en een partij die Hughes verdedigt door dik en dun, maar ik hou van het werk van beiden. Connie Palmen schreef in haar roman Jij zegt het over het huwelijk van Plath en Hughes, gezien door de ogen van Hughes.
Al mijn boeken van Isaak Babel heb ik weggegeven (behalve de dagboeken en briefwisselingen) en ik heb daarvoor in de plaats Alle verhalen van Isaak Babel gekocht in de vertaling van Froukje Slofstra. Een paar jaar geleden heb ik me op de boekenmarkt in Dordrecht ervan laten overtuigen dat haar vertaling beter is dan die van Charles B. Timmer uit 1972. Bij de kraam van uitgeverij Van Oorschot – die al sinds 1953 de Russische Bibliotheek beheert – vertelden ze me dat waar Timmer twintig woorden nodig heeft om een zin van Babel te vertalen, Slofstra het met vijf woorden af kan. Dat is precies zoals Babel zelf te werk ging: schrappen en nog eens schrappen, totdat alleen het hoognodigste overbleef. Hij had dat geleerd van de door hem zo bewonderde Gustave Flaubert en Guy de Maupassant.
Ik was een beetje huiverig om eraan te beginnen uit angst dat het zou tegenvallen, maar deze zomer zal ik de verhalen van Babel opnieuw lezen, deze keer in de vertaling van Slofstra. Ik begin met De Rode Ruiterij, omdat dat een van de mooiste, gruwelijkste, indrukwekkendste verhalenbundels is die ik ken.
Hettie Marzak
De keuze of ik een roman, studieboek of dichtbundel pak, wordt vooral ingegeven door waar ik op een bepaald moment zin in of behoefte aan heb. Ze liggen altijd alle drie binnen handbereik. Ook tijdens mijn vakantie. Mijn romankeuze wordt ingegeven door het land waar ik dit jaar met vakantie naar toe ga, namelijk Engeland: Wij van de Ripettavan Tomas Lieske. Een roman waarin de schilder Caravaggio de schrijver Shakespeare ontmoet, waarin twee kunsten elkaar ontmoeten. Caravaggio en Shakespeare raken met elkaar bevriend. Een fictief verhaal. Volgens een recensie van Lieke van den Krommenacker wacht mij een ‘levendige, komische en kunstige historische roman die je onherroepelijk ook aan het denken zet over het heden’. De titel verwijst naar een steegje, de Via di Ripetta in Rome, waar ze niet zitten te wachten op een buitenlander zoals Shakespeare.
Ik voel me in de hele wereld thuis van Rosa Luxemburg ga ik lezen ter voorbereiding op een filosofie leesclub met als thema ‘Liefde en verzet’. Brieven van politica, filosofe en activiste Rosa Luxemburg (1871-1919) met een nawoord van Joke Hermsen. Hermsen schrijft dat toen ze Luxemburgs ‘brieven voor het eerst las, [ze] niet alleen werd getroffen door de poëtische zinnen en sprankelende stijl, maar ook door de menselijke betrokkenheid die eruit sprak’. Tijdens een vakantie in Berlijn ben ik eens naar de brug gelopen waar Luxemburg in 1919 door soldaten in het Landwehrkanal was gegooid. Ik heb altijd wat met Lieux de mémoires gehad, maar dit was wel een heel lugubere plek om tijdens je vakantie te bezoeken.
De dunne dichtbundel die ik meeneem (het moet allemaal maar in de koffer passen) is Vergeten liedjes van P.C. Boutens. Op een dag kwam ik een gedicht hieruit, – het bleek het laatste te zijn – tegen in de mailing ‘Laurens Jz. Coster – iedere werkdag een gedicht’ (redactie Raymond Noë). Toen ik het doorstuurde aan een van mijn vrienden, zei hij dat hij het helemaal bij mij vond passen. Is het ‘t zoeken naar een ‘hogere werkelijkheid’ die mij bij Boutens aanspreekt, zijn filosofische insteek, het verlangen naar eenheid, of het wat intellectualistische dat P.N. van Eyck hem verweet? Ik ga het ontdekken. Elke dag een gedicht op papier. Als een bonbon die je langzaam moet proeven. Alleen geen Engelse ben ik bang. Dat dan weer niet.
Drie filosofisch getinte boeken die aan het denken zetten, geschreven in een poëtische taal, levendig en sprankelend schijnt. Het moet raar lopen willen ze niet met elkaar in gesprek gaan. En met mij, als lezer, waarin ze een eenheid hopen te vinden.
Els van Swol
De terugkeer van de charlatan van Jo Komkommer gaat over vervlogen dagen en mensen die er niet meer zijn. Vanuit zijn herinnering en gesprekken met anderen schrijft hij over zijn vader, of over een collega uit de hotelbranche waarin Komkommer dertig jaar werkte. Het zijn prachtige kleine biografieën. Ook over die jaren in dat boetiekhotel in Antwerpen schrijft hij. Wie hij daar ontmoette, acteurs, schrijvers, hoe er gewerkt werd, de collegialiteit. Daartussendoor het verlangen naar een zweempje roem. Hoe hij Isabella Rosselline steeds opnieuw in zijn herinnering het hotel ziet verlaten. Met een citaat van Karel van het Reve, over een een Duitse man die hij voor de oorlog kende, (… Hij sprak altijd heel zachtjes, en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland gegearresteerd en onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?) opent het boek. Denken aan dingen en mensen tegen het vergeten. Jo Kommer toont zich een liefdevol schrijver met een zweem van weemoed. Prachtig boek!
De wereld in 48 stukken van Menno Hartman laat me verwonderen over dingen waar ik niets van weet. Bijzondere dingen, die aan het licht komen als je de wereldkaart in stukken opdeelt, je focust op een deel daarvan. Wat Hartman deed, hij knipte de wereldkaart in 48 stukken. Hoe de wereld zich dan aan je voordoet. Waar de dingen begonnen, connecties in landslijnen, culturen. Een stuk over Mexico begin over vleermuizen, dan over Rebecca Solnit die schrijft over Tina Modotti die een rol speelde in de Mexicaans communistische beweging waar ook Diego Rivera en Frida Kahlo bij betrokken waren, en eindigt met een gedicht van Octavio Paz. In twee en een halve bladzijde ontstaat een hele wereld. Ook Hartman schrijft vanuit herinneringen, vele delen op de wereldkaart bezocht hij zelf. Dat maakt het boek zo aantrekkelijk, het persoonlijke ontdekken, zijn kennis van de wereldliteratuur, het zoeken naar het verhaal achter de dingen. Dit alles verweven in 48 fijn geschreven stukken. Een boek als een schatkist.
Pooltochten dromen van Erik Harteveld is een klein brievenboek. De blinde Anselm Bijvoet zoekt via de mail contact met de schrijver. De briefwisseling houdt drie maanden stand (10 april – 18 juli 2024). De blinde maakt de schrijver deelgenoot van de reizen die hij d.m.v. een brailleglobe met reliëf maakt. ‘Vanmiddag ga ik eens de tocht van Nansen naar de Noordpool herbeleven.’ Maar is ook nogal kriegelig over het gemak waarmee Harteveld zijn brieven beantwoord. En dan het mysterie van de ouders van Anselm die tijdens een oudejaarsnacht bij een brand in het tuinschuurtje zijn omgekomen. Of hij daar de hand in had? De vraag van de schrijver of zijn ouders oliebollen in het schuurtje bakten waardoor brand ontstond, wordt genegeerd. Na een tiental brieven schrijft Harteveld, ‘Ik ben er nog niet uit of je een grapjas bent of gewoon een vervelend mannetje.’ Na wederzijdse irritaties komt er een kentering, een toegeven aan elkaar, maar ook elkaar door hebben. Over de kracht van het woord en alles wat verzonnen is. Een pareltje, mysterieus ook (waarom schrijven mensen elkaar?).
Ingrid van der Graaf
Ingezonden lezersreactie:
Deze vakantie neem ik het Verzamelde werk van Kafka mee, het ligt al een week achter de voorruit in de helle zon te versmoren, het is te heet om te lezen in Zuid-Frankrijk maar morgen gaan we naar koelere oorden, Kafka vind ik geweldig, zijn korte en langere verhalen. ‘Een plattelandsdokter’ bijvoorbeeld is meeslepend, geestig, hij komt handen te kort:’De moeder staat bij het bed en lokt mij erheen; ik volg haar en leg, terwijl een der paarden luidkeels naar de zoldering hinnikt, mijn hoofd op de borst van de jongen, die rilt onder mijn natte baard.’
Mijn zoon (21) leest bij gebrek aan digitalia Madame Bovary van Gustave Flaubert. Hij weet nu wat ‘drie morgens land’ betekent, maar hij vindt het traag, weinig spanning tot nu toe. maar toch mooie beschrijvingen van kunstvoorwerpen en chateaus…Voor een bijna niet van zijn telefoon los te weken jongere is hij toch zeer belezen: Hertmans, Gospodinov, The prophet song. Tom Sawyer vond hij het mooist, vanwege de spanning en de beschrijvingen van het oude Amerika.
De schrijvers Isaak Babel en Vasili Grossman fascineerden Michiel Krielaars. Bewondering, verbazing en nieuwsgierigheid waren voor hem de aanleiding om Alles voor het moederland te schrijven. Beide schrijvers waren in eerste instantie wel gecharmeerd van Stalins ‘nieuwe’ Rusland, totdat ze doorkregen dat ze niet meer konden schrijven wat ze wilden en ze inzagen hoe wreed de communistische werkelijkheid was -en zo weinig in overeenstemming met hun eigen idealen.
In het eerste hoofdstuk schrijft Krielaars: ‘Aan de hand van het leven en het werk van zowel Babel als Grossman wil ik reconstrueren hoe het bestaan van een succesvol Sovjetschrijver er in een van de wreedste periodes uit de Russische geschiedenis uitzag. Wat mocht je publiceren en wat niet, hoe streng was de censuur, hoe verhield het regime zich tot je als je succes had, in welke kringen verkeerde je vanaf dat moment, wat moest je doen om niet gearresteerd te worden, en wat gebeurde er met je als je toch in ongenade viel?’
Michiel Krielaars is jarenlang correspondent geweest in Rusland. Hij is nu chef Boeken bij het NRC. In 2015 won hij met Het brilletje van Tjechov de Bob den Uyl prijs.
Auteur: Michel Krielaars
Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact
Couperus in de Oriënt
De Oriënt verkend. Op reis met Louis Couperusen Marius Bauer, dat is de titel van de tentoonstelling die vanaf 21 mei a.s. te zien is in het Louis Couperus Museum te Den Haag. Historica José Buschman heeft ter gelegenheid daarvan haar eerder verschenen onderzoek Een dandy in de Oriënt. Louis Couperus in Afrika hernieuwd.
De schilder Marius Bauer (1867-1932) en Couperus (1863-1923) waren tijdgenoten en hebben beiden door o.a. Algerije gereisd. Net als Bauer zag Couperus in Algerije veel van zijn oosterse dromen terug. Maar hij bezag ook de Franse overheersing, de islam en de armoede.
José Buschman heeft haar boek herzien door middel van onbekende foto’s, recente vondsten en opmerkelijke citaten, en reconstrueert de lange tocht van Couperus door de woestijn. Zij trekt verrassende conclusies over zijn schrijverschap en pleit voor een nieuwe, moderne kijk op zijn Afrikaanse reisverslag.
verschijnt 20 mei 2017
Auteur: José Buschman
Uitgeverij: Uitgeverij Bas Lubberhuizen
De wereld waar ik buiten sta
Donderdag 1 januari ’42 ± half 12 ’s avonds
Ik zit in bed te schrijven. De koffers staan al gepakt en wel, ik heb alles zelf gedaan, een heerlijk zelfstandig gevoel. Mijn kamer ziet er nu helemaal ontredderd uit, de boekenplank eraf en alle boeken weg. Zoëven teder afscheid genomen van pappie en mammie, de laatste nacht hier, het was werkelijk roerend. In weerwil van de wanorde om me heen, van de weemoedige toespelingen van pappie en mammie en het besef, dat alles bittere ernst is, constateer ik een totale afwezigheid van sentimentele, melancholieke afscheidsgevoelens. Zelfs het feit, dat ik vanavond voor het laatst in mijn eigen bed, in mijn eigen kamertje lig, vervult me niet met de sombere gedachten, die ik heb gevreesd voor de laatste avond. Het afscheidswee schijnt een week geleden veel heviger te zijn geweest dan de laatste paar dagen.
Uit: De wereld waar ik buiten sta, het tweede deel van de oorlogsdagboeken van Hanny Michaelis (1922–2007).
De wereld waar ik buiten sta gaat over haar onderduikperiode bij verschillende orthodox-protestantse gezinnen: een cultuurschok van jewelste. In 1943 worden haar ouders gedeporteerd. Over hun lot blijft ze jarenlang in onzekerheid. Zij ziet haar jonge jaren voorbijgaan in angst, ongerustheid en emotionele stilstand. Haar belangrijkste troost vindt ze in het schrijven; in de gedichten die ze maakt, maar vooral in haar dagboek, dat haar enige serieuze gesprekspartner is.
Na haar dood zijn haar dagboeken gevonden. Nop Maas heeft ze bezorgd. Ze zijn nu als Lenteloos voorjaar en De wereld waar ik buiten sta gepubliceerd.
De oogst van deze week staat in het teken van vertalingen en bij uitbreiding in het teken van de nominaties voor de Filter Vertaalprijs. Want wat zou de Nederlandse lezer zijn zonder de bemiddeling van al die goede vertalers? Elk van deze boeken is door decennia lezers gewaardeerd, je kunt ze dus rustig kopen, want ze zijn uitermate goed en volgens de jury bovendien goed vertaald…
De Filter Vertaalprijs is door een aantal uitgevers – zo werd zojuist bekendgemaakt – vertienvoudigd omdat ze vonden dat er meer geld moest komen voor uitzonderlijke vertaalprestaties. Hierdoor ontvangt de laureaat een beduidend hoger prijzengeld: geen € 1.000,- maar € 10.000,- .
Om welke boeken gaat het eigenlijk?
Mari Alföldy, vermoedelijk de eminentste vertaalster uit het Hongaars, vertaalde Satanstango van László Krasznahorkai (Wereldbibliotheek).In een vervallen gehucht ergens inHongarije wacht een handjevol achtergebleven mensen op de komst van de man die hen moet verlossen: Irimiás, een duister figuur met het charisma van een profeet. De bewoners kunnen zich niet onttrekken aan de suggestieve kracht van zijn belofte, al vermoeden ze wel dat ze, zoals altijd, met hem hun ongeluk tegemoet gaan. Er zijn aanbevelingen die niet gering zijn: ‘Satanstango stijgt ver uit boven het gekeuvel in veel hedendaagse literatuur.’ schrijft W.G. Sebald bijvoorbeeld en ‘Krasznahorkai is te vergelijken met Gogol en Melville.’ – meende Susan Sontag. Hier lees je wat fragmenten.
Gerda Baardman, Lidwien Biekmann, Brenda Mudde en Elles Tukker vertaalden De cirkel van Dave Eggers (Lebowski). Egger behoeft nauwelijks nog betoog. Na A Heartbreaking Work of Staggering Genius is de schrijver niet meer weggeweest. De cirkel gaat over de toenemende privacyloosheid door het internet.
Ike Cialona, bekend van onder veel meer de vertaling van Dantes De goddelijke komedie samen met Peter Verstegen en de zeer opmerkelijke Hypnerotomachia Poliphili, vertaalde Don Juan van Lord Byron (Athenaeum – Polak & Van Gennep) het meesterwerk van Byron waarin de verleider verleid wordt. De inhoud van het boek werd als immoreel beschouwd, en misschien juist daarom werd het gedicht ongekend populair.
Roel Schuyt (Russisch, Zuid-Slavische talen en Albanees meldt zijn website) vertaalde De nieuwkomers III van Lojze Kovačič (Van Gennep). Hier een fraai fragment en een inleiding op het tweede deel van het autobiografische drieluik dat een echte Sloveense klassieker is.
Froukje Slofstra is genomineerd voor haar mooie vertaling van Verhalen van Isaak Babel (Van Oorschot) hier schreef Literair Nederland al een juichende recensie over.
En tenslotte de magistrale vertaling van Jos Vos van Het verhaal van Genji van Murasaki Shikibu (Athenaeum – Polak & Van Gennep) waarmee deze uitgeverij ook zijn nek uitsteekt. Het is in drie prachtuitgaven voor verschillende portemonnees gemaakt. De oudste tekst van deze zes genoemde boeken, stammend uit de elfde eeuw fris nieuw in fonkelend Nederlands.
De Filter Vertaalprijs wordt dit jaar opgebracht door 11 vooraanstaande uitgevers, inclusief Vantilt, die de prijs tot nu toe alleen droeg, zijn dat: De Arbeiderspers, Athenaeum – Polak & Van Gennep, De Bezige Bij, Cossee, De Geus, Lebowski, Meulenhoff Boekerij, Van Oorschot, Podium en Wereldbibliotheek. Gehoopt wordt dat fondsen, particuliere begunstigers en andere uitgevers zich bij dit initiatief aansluiten.
Welk van deze zes vertalingen kan rekenen op de vertienvoudigde Filter Vertaalprijs? Op 8 april 2014 wordt tijdens City2Cities: Internationale Literatuurdagen Utrecht de winnaar live bekendgemaakt.
Voor die tijd kan je er minstens een lezen, daarna de andere vijf.
De Amsterdam Klezmer Band is onlangs gestart met een nieuwe muziekvoorstelling geïnspireerd op een verhaal van de Russisch-Joodse schrijver Isaak Babel over de legendarische gangster Benja Krik. Benja is koning der rovers uit het Joodse maffia-milieu van de Russische havenstad Odessa, begin vorige eeuw. Odessa wordt ook wel vergeleken met Napels of Marseille. De figuur Benja doet denken aan een kruising tussen Robin Hood en Al Capone.
Voor deze voorstelling componeerde de Amsterdam Klezmer Band een avondvullend muziekprogramma geënt op de onderhoudende en beeldende teksten van Babel. De liedteksten zijn zowel in het Nederlands als Russisch en balanceren tussen verwijzingen naar het oude Odessa en het ‘hier en nu’. Passie en hartstocht leiden uiteindelijk tot grootse overwinningen die uitmonden in een klassiek meeslepend Amsterdam Klezmer feest!
De voorstelling Benja , gangsters & entertainers zal tot en met 7 december in 22 theaters en concertzalen in Nederland en het buitenland te zien zijn. Na try-outs in Den Bosch, Tiel en Leeuwarden gaat Benja op 6 oktober in de Kleine Komedie te Amsterdam in première.
In de dierenverhalen die Carl Friedman gekozen heeft uit de omvangrijke Russische bibliotheek gaat het niet alleen om de dieren zelf, maar meer nog over de relaties tussen mens en dier. Daarnaast geeft deze bundel een mooie indruk van de verschillende schrijfstijlen van de zes schrijvers van wie eenentwintig verhalen zijn opgenomen.
‘De kleine burgerman Michael Petrov Zotov, een jaar of zeventig oud, aftands en eenzaam, werd wakker van de kou en van de pijn in al zijn leden’. ‘Een jonge, rossige hond – een kruising tussen een teckel en een straathond – met een kop die erg op een vossesnuit leek, rende heen en weer over het trottoir en keek onrustig om zich heen.’ Dit zijn de beginregels van het laatste en het eerste verhaal, beide geschreven door Anton Tsjechov, van wie negen verhalen in de bundel te lezen zijn. Bij Tsjechov schuilt de droefheid en de weemoed vaak om de hoek, evenals de hoop op betere omstandigheden. Zoals in het prachtige eerste verhaal Kasjtanka over de jonge hond, die zijn baas bij wie hij het eigenlijk helemaal niet zo goed heeft kwijt raakt, dan bij een zorgzame man terechtkomt waar hij ruim te eten en drinken krijgt en vriendelijk wordt toegesproken. De man is clown in het circus en hij leert de jonge hond een aantal trucjes, maar bij het eerste optreden gaat het mis. Boven in de nok van het circus zit de eerste baas met zijn zoon, zij herkennen en roepen Kasjtanka, die dwars over alle banken naar boven rent en weer met hen mee naar huis gaat. Tsjechov schrijft niet, of iets goed of beter is, hij registreert en laat het aan de lezer over na te denken over de implicaties van bepaalde gebeurtenissen. Zo is de weemoed in het laatste verhaal gelardeerd met oneindige onmacht van de arme man, die niet voor zijn zieke oude hond en zijn broodmagere oude paard kan zorgen. Het helpt niet om te praten met zijn oom, het helpt niet om te drinken, het helpt niet om ergens nog om geld te gaan vragen. Hij moet een beslissing nemen en wanneer hij dat gedaan heeft, gaat hij naar huis. En Tsjechov schrijft: ‘Daarna waren zijn ogen tot in de avond met een dof waas bedekt geweest, waardoor hij zelfs zijn eigen vingers niet kon onderscheiden’. Hoe subtiel kun je verdriet beschrijven?
Veel minder subtiel, maar glashelder, beeldend en precies schrijft Isaak Babel zijn verhalen. Babel (1894-1940) heeft net als Tsjechov voornamelijk verhalen en enkele toneelwerken geschreven. Zijn verhalen spelen in Odessa in de Joodse wijk, beschrijven gebeurtenissen tijdens een veldtocht tegen de Polen en vertellen over zijn jeugd. Het beroemde verhaal De geschiedenis van mijn duiventil is min of meer autobiografisch. Ook Babel maakte in zijn jeugd pogroms tegen de Joodse bevolking mee. In dit verhaal vertelt hij over de vader, die zo graag wil dat zijn zoon naar het gymnasium gaat, dat hij hem een duiventil belooft. Een van de leraren wordt als volgt beschreven: ‘Die Karavajev was een blozende, verbolgen man, die in Moskou had gestudeerd. Hij was amper dertig. Zijn mannelijke wangen hadden een blos als die van boerenkinderen, op zijn ene wang zat een wrat waaruit een plukje asgrauw kattenhaar groeide.’ Precies in zijn taalgebruik en de keus van zijn metaforen: ‘Niemand ter wereld reageert zo sterk op nieuwe spullen als kinderen. Kinderen beven bij de geur ervan, zoals een hond bij een hazespoor, en voelen een uitzinnigheid die we later, volwassen geworden, inspiratie noemen.’ Precies en gruwelijk, zoals in de scène, waarin de jongen eindelijk zijn duiven heeft gekocht, terug naar huis gaat en dan blijkt daar een pogrom te zijn. Een woedende man slaat hem met een van zijn duiven om zijn oren. Hoe gruwelijk het was, heeft Babel zonder pardon beschreven. Dat zie je voor je, daar heb je geen film meer voor nodig. De verhalen van Babel komen echt bij je binnen en blijven hangen. Enerzijds is het taalgebruik prachtig, anderzijds is de sfeer vaak zo indringend, dat je die verhalen gedoseerd moet lezen.
Ivan Boenin (1870-1953) is net als Babel een schrijver uit het begin van de 20e eeuw. Hun leven en hun lot verschilden echter hemelsbreed. Boenin had een weliswaar niet rijke, maar wel aangename, rustige jeugd op een landgoed in Midden-Rusland. Hij volgde een opleiding tot bibliothecaris en journalist en werkte enkele jaren als ambtenaar. Zijn verhalen zijn gekleurd door de sfeer van het platteland. Door gesprekken met boeren tijdens zijn jonge jaren kon hij later een mooi beeld geven van de Russische volksaard. Zijn verhalen zijn vaak suggestief, zoals in De kraanvogels de lezer zich maar moet voorstellen, waarom de jonge molenaar zo wanhopig is als de kraanvogels al weggevlogen zijn. En in het verhaal Wolven een jonge vrouw de rest van haar leven met een mysterieus glimlachje vertelt over die keer, dat de paarden op hol sloegen bij het zien van enkele wolven. Boenin was een groot bewonderaar van Lev Tolstoj en van Anton Tsjechov. Van de een nam hij wellicht de nostalgie over en van de ander het suggestieve, geconcentreerde schrijven.
Cholstomjer. De geschiedenis van een paard is een lang verhaal, onderverdeeld in 12 hoofdstukken. Lev Tolstoj laat hier een ander perspectief zien, hij laat een paard zijn – droevige – levensverhaal vertellen. En daarin zijn ook, typisch voor Tolstoj (1828-1910) filosofische gedachten opgenomen, over andere dieren, over die andere dieren – de mensen -, over jaloezie, over armoede en rijkdom. Niet alleen in geld, maar ook van geest. Het paard verlangt zijn hele leven naar de goede tijd, die hij ooit bij een huzarenofficier heeft doorgebracht. Toen was zijn leven mooi, hoewel zijn baas niet van hem hield, maar alleen met hem pronkte. Tolstoj weet ook in dit verhaal de goede en slechte kanten van de mens te tonen, ditmaal via de observaties van het trouwe paard.
Ontroerend zijn de drie verhalen van Fjodor Dostojevski, die het verlangen van mensen naar een levend wezen, ook al is dit een hond of een paard laat zien. In een fragment uit Aantekeningen uit het dodenhuis, de roman die Dostojevski (1821-1881) over zijn tienjarig verblijf in een kamp in Siberië schreef, beschrijft hij hoe de band met de hond Sjarik is ontstaan en hoe belangrijk deze voor hem is. Ook vertelt hij in het fragment De dieren uit onze gevangenis welk effect sommige dieren op de gevangenen en het leven in de gevangenis hebben. Dostojevski was als politiek gevangene tussen dieven en moordenaars geplaatst in het kamp, toch schrijft hij met veel mededogen over zijn medegevangenen.
Het enige verhaal van Ivan Toergenev in dit boek is Moemoe, een realistisch verhaal geschreven in 1854, zeven jaar voor de afschaffing van de lijfeigenschap. Ivan Toergenev (1818-1883) was opgegroeid op een landgoed in het midden van Rusland, een gebied waar fraai en zuiver Russisch werd gesproken. Toergenev is dan ook in eigen land geliefd om zijn verzorgde taalgebruik en zijn mooie natuurbeschrijvingen. In het verhaal Moemoe beschrijft hij het lot van een lijfeigen boer, Gerasim die door zijn oude bazin mee naar Moskou wordt genomen. Gerasim is doofstom, groot en ijzersterk. Hij is doodongelukkig in de grote stad, de kleine behuizing en met het werk wat hij in en om huis moet doen. Dan wordt hij verliefd op een aardig meisje, maar zijn bazin huwelijkt haar aan iemand anders uit. Gerasim is diep verdrietig. Er komt een hondje aangelopen, Moemoe, waar Gerasim voor gaat zorgen. Met Moemoe is hij gelukkig en tevreden. Maar ook dat gunt zijn oude, krengerige bazin hem niet. Ze zegt, dat ze last heeft van het geblaf van het hondje. En gelast de andere bedienden te zorgen, dat Moemoe weg moet. .. Enfin, hoe het verder gaat moet de lezer maar ontdekken. Wat echter karakteristiek is voor Toergenev, is dat hij de willekeur van een eigenaar ten opzichte van een weerloze, onmachtige lijfeigene toont. Dit heeft alles te maken met de jeugd van Toergenev, wiens moeder eveneens zeer hardvochtig was tegen haar personeel. In die tijd was men niet verheugd over deze realistische verhalen van Toergenev, waarin de boeren, de lijfeigenen positieve eigenschappen kregen.
Een mooie bundel verhalen, een interessante eerste indruk van zes verschillende schrijvers, die gemeen hebben dat ze allen met grote intensiteit over mens en dier schrijven, en tegelijkertijd in hun taal en stijl ook weer heel gevarieerd zijn.
Bijt met toch, bijt me! De mooiste dierenverhalen uit de Russische bibliotheek
Samenstelling: Carl Friedman
Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot
Aantal pagina’s: 240
Prijs: € 17,50 .
‘Er was eens een vrouw, Ksenia heette ze. Dikke boezem, ronde schouders, blauwe ogen. Zo’n vrouw was het. Hadden u en ik er maar zo een!’ Of: ‘Er leefde eens een boerenvrouw en zij heette Ksenija. Ze had zware borsten, ronde schouders, blauwe ogen. Zo’n soort vrouw was het. Die zou iets voor ons zijn!’ Wie de eerste zin de beste vindt, zal gerechtigheid zien in het feit dat voor het eerst alle verhalen van Babel door Froukje Slofstra zijn vertaald. Zij heeft dit met behoud van de knispering van het origineel gedaan. Froukje Slofstra is de vertaalster van de eerste zin – de tweede was van wijlen Charles B. Timmer – en is o.a. winnares van de Aleida Schot-prijs voor vertalingen 2007. Onder de titel De Rode ruiterij zijn de verhalen van Babel in dundruk verschenen in de Russische Bibliotheek bij uitgeverij Van Oorschot.
Toen De Rode ruiterij in 1926 verscheen, was Isaak Babel (1894-1940) op slag beroemd zowel binnen als buiten Rusland. De formalisten droegen hem op handen met literatuurcriticus Viktor Sjklovski voorop. Die wist namelijk wat er ontbrak aan de literatuur van zijn land: ‘De Russische literatuur is grijs als een sijsje, ze heeft een frambozenrode rijbroek nodig en hemelsblauwe leren laarzen’. Welnu, Babel leverde die frambozenrode rijbroek met bijpassende hemelsblauwe leren laarzen op maat! Met zijn zuidelijke temperament en zijn bravoure vloeide er weer warm bloed door de letteren. Zijn bondige, vitale stijl, zijn laconieke toon met verholen ironie en zijn exuberante metaforen lieten de zon weer schijnen. Stilistisch dan, want de inhoud van zijn verhalen over de verschrikkingen van de oorlog loog er niet om.
De Rode ruiterij gaat over het verkrachten, moorden en brandstichten door het rode leger als betrof het een volledig uit de hand gelopen studentenfeest. Wraak en sadisme vieren hoogtij. Zo ziet een oud-landarbeider, nu de rollen zijn omgedraaid, zijn kans schoon zijn vroegere heer genadeloos af te rossen: ‘Ik schopte hem een uur lang, of langer nog, en in die tijd heb ik het leven ten volle leren kennen. Met een schot, zeg ik zo, ontdoe je je alleen maar van een mens, een schot is genade voor hem, en een grove nalatigheid ten opzichte van jezelf, met een schot kom je niet bij de ziel, waar die is bij een mens en hoe hij eruitziet. Maar er zijn gevallen, dat ik mezelf niet ontzie, dat ik een vijand een uur lang schop, of langer nog; ik wil het leven leren kennen, het leven zoals het is…’
In de verhalen duikt vaak een alter ego van Babel op: het bebrilde type dat als buitenstaander getuige moet zijn van de gruwelijkheden. De ik-verteller kent daarnaast ook zijn eigen tragiek: de jood die geaccepteerd wil worden door zijn onbehouwen, viriele wapenbroeders. Zo’n intellectueeltje moest op z’n tellen passen, omdat hij ‘een brilletje op de neus heeft en de herfst in zijn ziel draagt’.
In het verhaal Mijn eerste gans wordt hij met zijn regiment kozakken ergens ingekwartierd in afwachting van verdere bevelen van de commandant, wiens aanblik de schriele ik-verteller jaloers maakt ‘op zijn stalen, bloeiende jeugd’ en ‘de schoonheid van zijn gigantische lichaam (…). Hij rook naar parfum en de weeë koelte van zeep. Zijn lange benen leken op meisjes, tot hun schouders in glimmende rijlaarzen geklonken.’ Vanzelfsprekend ondertekent zo’n commandant zijn bevelen met een zwierige krul. Wanneer de commandant hem vraagt of hij kan lezen en schrijven, luidt het antwoord bevestigend, meer nog: hij is promovendus in de rechten aan de universiteit van Sint-Petersburg. Haha, hoon is zijn deel! ‘’Moederskindje’, riep [de commandant] lachend uit, ‘met een bril op zijn neus. Wat een minkukel! Ze sturen jullie ongevraagd, maar met zo’n bril ga je eraan hier.’’ Eenmaal ingekwartierd krijgt de verteller te horen: ‘Altijd gedoe over brillen bij ons, niet te stuiten. Een hoogstaand man wordt afgemaakt hier. Maar rand je een dame aan, de meest smetteloze dame, dan ben je de held bij de soldaten.’
Babel mag dan een zekere fascinatie voor wreedheden aan de dag leggen (reeds in het allereerste verhaal uit 1913 knoopt een oude man zich op), zijn mededogen ligt onmiskenbaar bij de kleine man, die de wrede en chaotische buitenwereld het liefst daar had gehouden waar die hoort, namelijk buiten de deur. Maar ja, het publiek maken van zoveel geweld en terreur begaan door de legers die de heilsleer van de klasseloze maatschappij moesten brengen, was tegen het zere been van de Sovjetautoriteiten.
Zijn focus op geweld van de rode garde in zijn oorlogsverhalen en het ontbreken van een socialistische strekking werden hem niet in dank afgenomen. Er werd een lastercampagne gestart waarin hij werd afgeschilderd als een ‘Hebreeuswe erotomaan’ die de revolutie zou hebben besmeurd. Maxim Gorki, de wegbereider van het sociaal-realisme hield Babel de hand boven het hoofd, maar hij moest wel beterschap beloven en verhalen over de landbouwcollectivisatie gaan schrijven. Maar daar bracht hij, gelukkig voor ons, weinig van terecht. De tragiek van het menselijke lot tot uitdrukking komend in het streven eraan te ontkomen, lag hem nader aan het hart dan de partijpolitieke agenda van de revolutie. Daarbij nam hij de literatuur te serieus om er de politieke zaak mee te dienen.
Zijn oeuvre is niet omvangrijk maar na De rode ruiterij laten de verhalen steeds de grote stilist in Babel zien. Maarten ’t Hart heeft ooit over Babel beweerd: ‘Telkens moet je de tanden op elkaar klemmen, want datgene wat Babel met zijn ongeëvenaarde beheersing van het métier ons voor ogen tovert, is zo verschrikkelijk, juist omdat het allemaal laconiek wordt verteld als gold het het verslag van een bijeenkomst van duivenmelkers.’
Los van het feit dat de oorlogsverhalen niet van subtiele humor zijn gespeend, toont Babel zich wat dat betreft een waardig opvolger van Gogol. De Verhalen uit Odessa toonden al een neiging tot het groteske in de tekening van de maffiakoningen uit de getto’s. Babels gevoel voor het komische gaat helemaal los in In het souterrain. Dat inzet met: ‘Ik was een leugenachtige jongen. Dat kwam van het lezen.’ Al dat lezen hield de jongen van het echte leven weg. Dan komt Mark Borgman, beste leerling van de klas en zoon van een bankdirecteur, in het vizier, omdat hij gebogen zit over een boek van Spinoza waarover hij zijn klasgenoten onderhoudt. De twee sluiten vriendschap en de verteller is helemaal beduusd als hij bij de rijke familie over de vloer komt: ‘Mijn twaalfjarige hart zwol van de vreugde en de lichtheid van andermans rijkdom. (…) Ik had niets om tegenover die eindeloze weelde te stellen.’
Hoe de verteller met zijn steeds luider gedeclameerde Shakespearezinnen het kabaal en de dronkenmanspraat van zijn oom en diens metgezel tracht te overstemmen en zijn eigen onrust te overschreeuwen, is onvergetelijk. Het gevloek en getier zijn niet van de lucht. ‘Mijn eigen doodsnood versmolt met de reeds voltrokken dood van Ceasar.’ De regie van het gebeuren ontglipt hem. ‘De kleine Borgman stond op van zijn stoel. Hij keek bleek om zich heen. De finesses van de Jiddische godslasteringen ontgingen hem, maar de Russische vloeken, die [de oom] evenmin schuwde, kende hij. De bankierszoon verfrommelde zijn pet in zijn hand.’ Als de weggestuurde opa ook nog op dit lawaai afkomt is de chaos compleet en maakt Mark zich uit de voeten. ‘’Niets aan de hand’, mompelde hij, terwijl hij de vrijheid tegemoet vloog, ‘echt, niks aan de hand…’ Zijn schooluniform en zijn pet met de opstaande rand flitsten over de binnenplaats’. Dat de wereld van de verteller daarmee is ingestort behoeft geen betoog.
Dat de wereld van de schrijver Babel zelf op instorten stond, stond toen al in de sterren geschreven. Na 1926 ging de officiële kritiek zich van hem distantiëren. Zijn vele reizen naar het buitenbeeld waar zijn eerste en tweede vrouw zich ophielden, zijn falen te voldoen aan de sociale opdracht die schrijvers was opgelegd en zijn kritiek op de mores van het Stalinistische regime werden hem hard aangerekend. Babel kreeg het moeilijk. Er brak een periode van zwijgen aan. In 1934 betitelde hij zichzelf ironisch als ‘de grootmeester van het zwijgen’. Zo Babel de kracht van zijn eigen talent heeft voorvoeld in een verhaal uit 1916: ‘Als je erover nadenkt, valt dan niet op dat er in de Russische literatuur nog geen echte, vreugdevolle, heldere beschrijving van de zon voorkomt? (…) Mensen voelen dat het tijd is voor nieuw bloed.
Ze krijgen het benauwd. De literaire Messias, op wie ze al zo lang en vergeefs wachten, zal daarvandaan komen: uit de zonnige steppen, omspoeld door de zee’, zo zou men kunnen menen dat hij zijn eigen tragische levenseinde peilde in het slot van het verhaal Guy de Maupassant. Nadat hij gelezen heeft onder welke miserabele omstandigheden deze Franse auteur op tweeënveertigjarige leeftijd in een gekkenhuis is gestorven, staat er: ‘De mist reikte nu tot aan mijn raam en verborg het universum. Mijn hart kromp samen. Een voorbode van de waarheid beroerde me.’ In mei 1939 werd Babel gearresteerd door de geheime politie. Zijn manuscripten werden in beslag genomen. Na ondervragingen en folteringen werd hij in de nacht van vrijdag op zaterdag 27 januari 1940 geëxecuteerd en in een gemeenschappelijk graf gedumpt. Als het niet zo godgeklaagd oneerbiedig klonk, zou men kunnen zeggen: gelukkig hebben we zijn verhalen nog.