• Oogst week 5 – 2021

    600 gedichten over leven, liefde en dood

    Een mooie aankondiging op de laatste dag van de Poeziëweek is zonder meer de nieuwe en herziene uitgave van het Nieuw Groot Verzenboek, een bloemlezing uit het Nederlandstalig gebied ‘over leven, liefde en dood’. De redactie voor deze imposante dichtbijbel is zoals alle voorgaande uitgaven in handen van dichter, prozaïst en bloemlezer Jozef Deleu. De eerste editie van het Nieuw Groot Verzenboek verscheen in 1976 met 500 gedichten. In 2009 kwam de veertiende editie – een drastisch herziene uitgave met 555 gedichten – waarin recente poëzie van toen werd opgenomen. In de 18de editie uit 2015 werden 600 gedichten opgenomen met nog meer gedichten van nieuwe en jonge dichters.

    Deze 19de editie is opnieuw geactualiseerd met werk van de jongste generatie dichters, maar zoals in alle voorgaande edities blijft er ruimschoots  plaats voor het werk van oudere dichters. Sinds het verschijnen van de eerste editie in 1976 is de maatschappij sterk veranderd, ontwikkelingen en veranderingen die hun weerslag hebben op het sociale leven en de poëzie. ‘Hoop en onzekerheid, liefde en vertedering, vereenzaming en wanhoop vormen ook voor de jongere dichters de grondstof voor hun poëzie.’

    Niet zonder trots mag vermeld worden dat deze nieuwe uitgave gesierd wordt met een citaat uit een recensie van de voorgaande editie Nieuw Groot Verzenboek (2015) die op Literair Nederland verscheen en ook nu als aanbeveling geldt voor deze 19e editie:

    ‘Deze bloemlezing vormt ongemerkt een brug tussen de tijd dat poëzie serieuzer en zwaarder van aard werd geacht, en deze tijd waarin poëzie vooral via podium/theater festivals wordt beleefd. Voor Jozef Deleu maakt dit niet uit. Van hem kun je verwachten dat hij al die 600 gedichten kent en ze met gevoel voor tijd en persoon gekozen heeft in de stilte van zijn werkkamer.’

     

    600 gedichten over leven, liefde en dood
    Auteur: Jozef Deleu
    Uitgeverij: Lannoo | Meulenhoff

    Dit Amerika

    De Amerikaanse historica Jill Lepole (1966) schreef zo’n tiental boeken over Amerikaanse geschiedenis, politiek en cultuur. Ze wordt gezien als de enige hedendaagse historicus die een geschiedenis van Amerika durfde te schrijven. In haar voorgaande, zeer lijvige boek, Deze waarheden, schreef ze over de geschiedenis van de Amerikaanse politiek, hoe die al bijna tweeënhalve eeuw worstelt met de waarheid en met gelijke rechten. In haar essay In Amerika pleit Lepore voor de waarden waarop Amerika gebouwd is. Daarbij verwerpt ze het nationalisme, dat gevaarlijke vormen aanneemt, door zijn lange geschiedenis uit te leggen, en de geschiedenis van het idee van ‘de natie’ zelf. Ze roept op tot een ‘nieuw Amerikanisme’, tot een genereus patriottisme dat om een eerlijke afrekening met het verleden van de Verenigde Staten vraagt.

    In de pers wordt Lepores lezing van de Amerikaanse geschiedenis als verhelderend gezien en haar pleidooi voor liberaal nationalisme ‘eloquent en overtuigend’.

    Dit Amerika
    Auteur: Jill Lepore
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Mooie vrienden

    Interviewer en tv redacteur (Man bijt hond, Pauw, Op1) Martijn Jas (1966) studeerde aan de School voor Journalistiek in Utrecht en debuteert binnenkort met de roman Mooie vrienden bij uitgeverij Kapstok, een nieuwe uitgeverij waar hij vooralsnog de enige schrijver in stock is.

    Mooie vrienden opent met een soort proloog waarin de aankondiging van het overlijden van de 28-jarige Wolf, vriend van de ik-verteller Tobias Buut. Wolf heeft zich verhangen. ‘Het had me tijd en kracht gekost om met de perforator een extra gaatje te krijgen in de zwarte spijkerriem van Wolf. Vijf kilo was hij afgevallen nadat hij gestopt was met het eten van vlaaien en andere zoetigheid.’ Aldus opent het boek; het is dezelfde riem waarmee Wolf vier maanden later een einde aan zijn leven maakt.

    Na deze aankondiging volgt er een terugblik op de jaren waarin Tobias Buut journalistiek studeert, vrienden maakt. We leren hem kennen als een jongeman die niet uit de kast wil komen, moeite met de homoscene heeft, een hekel aan de Gay Parades en darkrooms haat. In de volgende hoofdstukken ontvouwt zich een zoektocht naar zichzelf, betekenis van vrienden en waarin hij de liefde wanneer die zich voordoet, niet herkent.

     

    Mooie vrienden
    Auteur: Martijn Jas
    Uitgeverij: Uitgeverij Kapstok (verschijnt 9 februari)
  • Dichters moeten rusteloos op zoek naar poëzie die hen aanspreekt

    Dichters moeten rusteloos op zoek naar poëzie die hen aanspreekt

     


    Jozef Deleu (1937) is dichter en enig redacteur van het poëzietijdschrift Het liegend konijn, waarin per editie zo’n 180 nieuwe Nederlandstalige gedichten van gemiddeld 25 dichters wordt opgenomen. Voor de dichters van deze tijd is hij een belangrijke factor in de erkenning en verspreiding van nieuw werk, waarmee hij de poëzielijn vitaal houdt.

    Naast redacteur en pleitbezorger voor Nederlandstalige literatuur, is Deleu ook schrijver, al noemt hij zichzelf geen veelschrijver, eerder een schrapper, redacteur van eigen werk. Als dichter is hij zuinig met woorden, zijn poëzie kan gerust minimalistisch genoemd worden- verzen als een smalle streep op het bladpapier – maar kennen een diepe zeggingskracht. In 1962 debuteerde hij met de novelle De ontmoeting, een jaar later debuteerde hij als dichter met de bundel Schaduwlopen. Ondanks zijn karigheid met woorden, verscheen vorig jaar zijn verzamelde gedichten in Ondoorgrond, Gedichten 1963-2019 in een 350 pagina’s tellend boekwerk. 

    Toch gaat zijn meeste tijd naar die andere drang, het verspreiden van literatuur, het oprichten van literaire tijdschriften, het samenstellen van verschillende bloemlezingen, zoals het Groot Verzenboek, vijfhonderd gedichten over leven, liefde en dood dat in 2015 in een herziene en uitgebreide druk werd uitgegeven als Nieuw Groot Verzenboek.

    Door de beperkende reismogelijkheden, kwam dit interview tot stand middels mailwisseling. Een interview over hoe men zo dicht verweven raakt met literatuur, elke dag poezie lezen. Over het driestromenbeleid van een eenmansredactie, het als kind voorgelezen worden uit een streekroman en hoe zoiets eenvoudigs alles in gang zette. Mooi is dat poëzie niet eindig is, en Jozef Deleu onverstoorbaar en consciëntieus zijn werk doet.

     

    Wat heeft u beroerd waardoor u pleitbezorger van de Nederlandstalige literatuur werd?

    ‘Ik kom uit een boerenfamilie waar literatuur geen belangrijke rol speelde. Wél las mijn moeder soms voor uit een of andere streekroman. Ook twee leraren Nederlands waren essentieel voor mijn belangstelling voor literatuur. De ene was een kenner van de poëzie van Guido Gezelle, die hij heeft verzameld en uitgegeven. De andere was een bewonderaar van de Tachtigers. Hij declameerde uit zijn hoofd met groot gemak tientallen sonnetten van Willem Kloos. Daarnaast was er ook nog een leraar Frans die veel belang hechtte aan poëzie. Ook een opleiding aan het consevatorium was inspirerend.’


    Wanneer bent u zelf begonnen met schrijven? 

    ‘Toen ik zeventien was stuurde ik mijn eerste verzen naar de Vlaamse dichter en criticus André Demedts (1906-1992, Vlaams schrijver en leraar, Iv/dG). Hij inviteerde me voor een gesprek. Zo werd hij mijn leermeester. Hij zette de deuren van de eigen en de wereldliteratuur wijd voor me open. Dat was heel ongebruikelijk in de jaren vijftig vorige eeuw. Mijn mentor stimuleerde me om uitsluitend werk van belangrijke auteurs te lezen. Literatuur en poëzie in het bijzonder werden voor mij steeds belangrijker. De behoefte om zelf te schrijven werd met de dag dwingender. Maar een veelschrijver werd ik niet. Eerder een schrapper.’


    U heeft in uw leven twee tijdschriften geïnitieerd, waaronder Ons Erfdeel, dat sinds kort De lage landen heet, en waarvan u sinds de oprichting in 1957 tot 2002 de redactie voerde. 

    ‘Op suggestie van mijn leermeester ben ik in 1957 gestart met het tijdschrift Ons Erfdeel. Er hing in die dagen een intense behoefte aan openheid en verbreding van de eigen wereld in de lucht. Ons Erfdeel werd een ideologisch en politiek ongebonden Vlaams-Nederlands tijdschrift dat over de grenzen heen de eigen taal en cultuur wilde propageren. Het blad wees ‘verzuiling’ af en kwam op voor openheid, authenticiteit en onafhankelijkheid.’

    ‘Hoewel het tijdschrift en alles wat er in de loop der jaren uit voortvloeide veel aandacht opeiste, bleef ik ook schrijven, vooral ’s nachts. Adviezen en suggesties van Nederlandse vrienden als Anton Claessens en Frits Niessen werden steeds belangrijker voor mij.’


    Toen ging u in 2002 met pensioen en richtte het poëzietijdschrift Het Liegend Konijn op. Was dit een gekoesterde droom, een poëzietijdschrift van dat formaat samen te stellen? 

    ‘Het is de realisatie van een lang gekoesterde droom. Ik heb me altijd voorgesteld dat ik na mijn pensionering me heel intens met poëzie zou bezig houden. In 1976 was ik al gestart met de publicatie van Groot Verzenboek, een omvangrijke thematische bloemlezing uit de Nederlandstalige poëzie van de twintigste eeuw. Volgend jaar, in 2021 verschijnt de 19de druk van wat nu Nieuw Groot Verzenboek heet.’


    Hoe was de stand van de poëzie in die tijd, bijna twintig jaar geleden, er eigenlijk aan toe?

    ‘Ik volg al meer dan zestig jaar de hedendaagse poëzie. Het werd me met de jaren duidelijker dat poëzie geen serieuze plaats meer kreeg in de literaire tijdschriften. Twintig jaar geleden begonnen literaire tijdschriften nagenoeg allemaal in ademnood te verkeren. Velen verdwenen van het toneel. De plaats die poëzie kreeg in de overlevende bladen werd nog geringer. Aandacht voor debuterende dichters verdween zo goed als helemaal.’

    ‘Met Het Liegend Konijn wilde ik een tijdschrift maken vol poëzie van nu, met uitsluitend nieuw werk van debuterende en bekende dichters zonder een alles overheersende, eenduidige poëtica. Het blad moest op die manier een permanente bloemlezing worden van de meest hedendaagse poëzie, open voor wat beweegt en gebeurt.’ 

    ‘Ik koos voor een eenpersoonsredactie die kiest, wint en verliest. In volstrekte ongebondenheid. Voor mijn opzet zocht ik een Vlaamse  en een Nederlandse uitgever. Het blad startte bescheiden. Het mocht groeien en kon aan nieuw werk van dichters van divers pluimage een onderdak bieden. Aan de 37 nummers die tot nu zijn verschenen hebben straks vijfhonderd dichters meegewerkt.’


    Wat bedoelt u met ‘die kiest, wint en verliest’?

    ‘Het voordeel van een eenpersoonsredactie is dat je geen compromissen hoeft te sluiten. Jij bent alleen verantwoordelijk voor de keuze. Wat ik soms wel ontbeer, is confrontatie met de inzichten van collega’s. Een paar keer per jaar, als ik onzeker ben over een inzending, vraag ik advies aan een zeer belezen en geleerde vriend.’


    Bent u in de eerste plaats dichter, redacteur, of pleitbezorger?

    ‘Ik ben een dichter die het redigeren van tijdschriften niet kan laten. Ik ben zoals gezegd, geen veelschrijver, maar voortdurend met literatuur bezig. En poëzie lees ik iedere dag, de allernieuwste en de oude. Oordelen over wat nu wordt geschreven kan het best tegen de strenge meetlat van de beste poëzie van gisteren. Omdat ik de daad graag bij het woord voeg, ben ik misschien ook een pleitbezorger. Die dubbelheid wil ik graag zo houden. Uiteraard bij leven en welzijn.’


    Benadert u dichters voor nieuw werk of sturen ze zelf in, en wordt er veel ongevraagd werk ingezonden?

    ‘De samenstelling van Het Liegend Konijn is het resultaat van een soort drie stromen beleid. Allereerst benader ik een aantal dichters waarvan belangrijk recent werk verscheen. Via een netwerk van contacten zoek ik ook nieuwe dichters op die nog niet hebben gepubliceerd. Tenslotte ontvang ik wekelijks 20 à 25 ongevraagde inzendingen van zowel bekende als geheel onbekende dichters.’


    Om hoeveel gedichten gaat het, en de keuzes die gemaakt moeten worden, hoeveel uren zitten daar wel niet in?

    ‘Een nummer van Het Liegend Konijn bevat de jongste jaren om en nabij de 180 gedichten. Dat is een keuze uit een paar duizend gedichten. De lectuur en selectie van dit enorme aanbod vragen een halftijdse baan.’


    In een interview uit 2012 in Knack liet u zich uit over stadsdichters en landschapspoëten, dat de dichter teveel een performer werd. Hoe denkt u daar nu over?

    ‘Tijdens het jongste decennium werd poëzie in toenemende mate een podiumgebeuren. Als de poëten getalenteerd zijn om de eigen gedichten te brengen, dan beschouw ik dat zonder meer als positief. Maar als dichters hun teksten onverstaanbaar staan te stamelen dan geef ik de voorkeur aan lectuur. Wie herinneringen heeft aan de manier waarop bijvoorbeeld Hugo Claus of Gerrit Komrij hun gedichten op het podium brachten, denkt met heimwee terug aan die unieke momenten.’


    Hoe kijkt u naar de positie van een Dichter des Vaderlands, de kwaliteit van het dichterschap?

    ‘Een Dichter des Vaderlands die ook met talent het podium beklimt, zal ongetwijfeld efficiënter een publieke rol kunnen vervullen. Voor mij blijft de vaststelling overeind dat zwakke poëzie goed gebracht op een podium, nog geen uitstekende poëzie wordt. De kwaliteit van een gedicht is belangrijker dan de wijze waarop het zich bij het publiek aandient: gelezen, gesproken of gezongen. Alles wat bijdraagt om poëzie dichter bij de lezer of luisteraar te brengen, vind ik de moeite waard. Poëzie is deel van het leven. Een goed gedicht kan over alles gaan en moet ook op verschillende manieren kunnen worden gebracht.’

    ‘Met Het Liegend Konijn kies ik voor een vertrouwde vorm, een verzameling gedichten in een fraai boek samengebracht. Maar een pittige presentatie van een nieuw nummer van het tijdschrift ga ik niet uit de weg. Dichters zien en hoe ze hun verzen lezen, kan verhelderend zijn, als hun poëzie maar de moeite waard is!’


    Gezien uw opmerking dat ‘poëzie van nu zich moet kunnen meten met de beste poëzie van gisteren’, welke dichters zou u de jonge dichter van nu aanraden te lezen, zich in te verdiepen? 

    ‘Jonge dichters adviseer ik lectuur aan van de poëzie van Nijhoff, Achterberg, Bloem, Slauerhoff, Van de Woestijne, Vasalis, Lucebert, Claus, Gilliams, Gerlach, Nolens. Deze lijst kan natuurlijk nog uitgebreid worden met het werk van oude meesters als Gezelle, Gorter en Van Ostaijen. Onze poëzie is ongemeen veelzijdig. Natuurlijk verdient het aanbeveling dat dichters ook anderstalige poëzie lezen, in origineel of in vertaling. Persoonlijk heb ik bijvoorbeeld veel gehad aan de Franse poëzie en aan vertalingen. Het poëtisch aanbod is overweldigend. Dichters moeten rusteloos op zoek naar de poëzie die hen aanspreekt. Vreemde poëzie kan zo inspirerend zijn, het opent nieuwe werelden.’


    Ik probeer mij een voorstelling te maken van uw werkkamer, hoeveel poëziebundels heeft u in al die jaren wel niet verzameld?

    ‘Ik probeer alle nieuwe poëziebundels in het Nederlands bij te houden.Dat zijn er om en nabij de tweehonderd per jaar. Het resultaat is een grote poëziebibliotheek. Ook heb ik een verzameling bloemlezingen met poëzie in diverse talen of in vertaling. Mijn collectie Afrikaanse poëzie met dichters als Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach, waaruit ik in 1966 een bloemlezing heb samengesteld, heb ik weggeschonken. Ze is in goede handen.’


    Heeft u er wel eens over nagedacht te stoppen met HLK, en wat er dan met het tijdschrift zal gebeuren?

    ‘Moet een tijdschrift eeuwig blijven bestaan? Mag het niet verdwijnen als het een rol heeft gespeeld? Ik ben me natuurlijk bewust van mijn eindigheid. Daar schrijf ik overigens al heel mijn leven over. Maar ik ben ook een vitalist. Ik leef alsof er geen einde aan komt, al weet ik dat alles eindigt. Laat me bij leven en welzijn verder Het Liegend Konijn redigeren. En wat de toekomst betreft: “On verra”, zegt de Fransman in mij.’


    Wat is de rol van poëzie in uw leven? 

    ‘Een leven zonder poëzie kan ik me niet voorstellen. Zelfs in het ziekenhuis neem ik een verzamelbundel mee. De krachtige verzen bijvoorbeeld van de  Pool Czelaw Milosz, hebben me in moeilijke omstandigheden bemoediging een troost gegeven. Woorden kunnen veel betekenen als ze de dingen aanraken die er toe doen, in een taal die verrast en verwondert. Poëzie is voor mij zingeving die ik niet wil ontberen.’

    Niets passender dan af te sluiten met dit gedicht: 

    Schrijven

    woord
    voor
    woord

    troost
    bedenken
    in tekens

    verzonken
    leven
    herbeleven

    essentie
    zonder
    overdaad

    Uit: Overboord. Gedichten / Jozef Deleu / 79 blz. / Uitgeverij van Halewijck en Van Gennep (2012)

     

    Foto: Lodewijk Deleu

     

     

  • Oogst week 51 – 2020

    Zuca-magazine, Fernando Pessoa special

    In de laatste Oogst van dit jaar een vers verschenen literair tijdschrift, een debuutroman, en een keuze van twee boeken uit de stapel boeken die de afgelopen maanden zijn binnengekomen.

    De vijfde papieren editie van Zuca-magazine is geheel gewijd aan de Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935). Wat deze editie vooral wil laten zien is dat Pessoa niet alleen dichter was, maar ook was hij journalist, chroniqueur, verhalenschrijver, filosoof, polemist, reclameman, oprichter van tijdschriften, misdaadauteur, uitgever en groot briefschrijver. Veel schreef hij vanuit zijn zogenaamde heteroniemen, zoals de dichter Ricardo Reis. Waarover Yves van Kempen een mooi stuk schreef, ‘De dichter Ricardo Reis en zijn geestelijke vaders’. Waarmee hij natuurlijk Pessoa zelf bedoelt, maar ook Saramago die Ricardo Reis in zijn roman Het jaar van de dood van Ricardo Reis, vanuit Brazilië waarheen Pessoa hem had laten emigreren, laat terugkeren naar Portugal. En beste lezer, wees gewaar dat het hier dus een door Pessoa verzonnen persoonlijkheid betreft, die verder leefde nadat hij zelf overleden was.

    Van Abdelkader Benali een stuk over toen hij als jongeman Het boek der rusteloosheid begon te lezen, de vele streepjes die hij zette, tot pag. 30 van het boek, toen begon het ‘fladderen’ zoals hij schrijft. ‘Het oog werd ekster’ die de aansprekende stukken eruit pikt, ze verzamelt. ‘Snapshots. Dit boek leent zich daar goed voor.’ De korte en langere stukken tekst van Pessoa, die zoals het redactionele stuk vermeldt: ‘Er is een Pessoa voor iedereen!’ Maar het mooie is, dat deze special de verschillende delen van Pessoa naast elkaar laat zien, die soms aan elkaar passen maar nooit helemaal samenvallen met een en dezelfde persoon.

    De vertalingen zijn van de hand van Harrie Lemmens, met een enkel opgenomen stuk in vertaling van August Willemsen.

    In het middenkatern een keuze uit de eerder op de site van Zuca-magazine verschenen citaten van Pessoa die samengaan met een kleurenfoto van Ana Carvalho, die een beeld zo dichtbij haalt dat er een andere werkelijkheid ontstaat.

     

     

    Zuca-magazine, Fernando Pessoa special
    Auteur: Onder redactie van Ana Carvalho, Marylin Suy en Harrie Lemmens
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    De druppel

    Jan van Mersbergen is romanschrijver en een veelschrijver, en dat is positief bedoelt. Dagelijks schrijft hij een verhaal op zijn blog, of een stuk dat leest als een fragment uit een roman, hij is schrijfdocent en schrijft ook nog onder het pseudoniem van Frederik Baas thrillers.

    De druppel is zijn derde thriller en gaat over een burenruzie die nogal uit de hand loopt. Met de nogal obsessieve schrijver van een bestseller over opruimen, rust en regelmaat, Tom: een echte controlefreak. Schrijver Jan van Mersbergen is niet ver weg in deze thriller, hij zit in de schrijfstijl, in fragmenten als, ‘Als je een vaste baan hebt en iedere dag naar kantoor gaat dan weet je altijd hoe laat het is en welke dag het is. Zit je thuis met een stapel boeken op je tafeltje, en het werk is gedaan, dan maakt het niet uit welke dag het is.’

    En dan is er de mailwisseling met een schrijfdocent met de initialen J.M, en de cursist Gerard, die in het verhaal de bovenbuurman van Tom is. De druppel zit gewoon geweldig in elkaar, ingenieus geconstrueerd, en levert ook nog schrijftips op.

     

    De druppel
    Auteur: Frederik Baas
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Varkensribben

    Het prozadebuut Varkensribben van Amarylis De Gryse is een tragikomisch verhaal over een jonge vrouw die aan het begin van de roman in een auto leeft omdat haar jeugdliefde haar uit huis heeft gezet. Vanuit die auto vertrekt ze elke ochtend naar een verzorgingstehuis om haar ochtendshift te doen. Terug naar huis, naar haar moeder, blijkt geen optie. Als jongste van vier dochters, wordt het niet gewaardeerd dat haar relatie met de zoon van de slager verbroken is. Waarbij even gedacht wordt aan het prozadebuut van Tom Lanoye, Een slagerszoon met een brilletje. Waarbij met name de sfeer uit het leven van een middenstandsfamilie overeenkomsten vertoont.
    Varkensribben is opgebouwd uit herinneringen, mooi beschreven familietafereeltjes als uitstapjes naar het strand, het vieren van verjaardagen, de rolverdeling onderling.

    Maar meer nog is Varkensribben het verhaal van een jonge vrouw die zich in de steek gelaten voelt, haar eigen route moet gaan bepalen. Het verleden, herinneringen daaraan, spelen een belangrijke rol. Geschreven in prettig korte hoofdstukken, met gedetailleerde beschrijvingen van het menselijk ongemak.

    Varkensribben
    Auteur: Amarylis de Gryse
    Uitgeverij: Prometheus

    Treurzang voor een thuisland

    Ayad Akhtar(1971)  is een Amerikaanse toneel-, roman- en scenarioschrijver van Pakistaanse afkomst die in 2013 de Pulitzerprijs voor Drama ontving voor zijn toneelstuk ‘Disgraced’. Zijn romandebuut De hemelverdiener (2012) verscheen in meer dan twintig landen.

    Zijn nieuwe boek Treurzang voor een thuisland is een hybride roman waarin het politieke met het persoonlijke verhaal verweven is en leest als een aanklacht tegen Amerika. Het verhaal van een vader die cardioloog is, zijn zoon en de ‘Great American Dream’. Een droom die ook voor Ayad Ahkyar uitkwam, na jaren van geploeter werd hij beroemd en rijk. Toch hoort hij er nog steeds niet helemaal bij, omdat hij moslim is, kind van Pakistaanse ouders.

    Treurzang voor een thuisland  gaat over die Amerikaanse Droom, over schulden en drugsverslaving die talloze levens verwoesten, over een gierige reality-tv-persoonlijkheid die president is geworden en over hardwerkende immigranten die voortdurend in angst leven. Een boek dat we zouden moeten lezen.

    Treurzang voor een thuisland
    Auteur: Ayad Akhtar
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Oogst week 46 – 2020

    Het Liegend Konijn jg. 18 nr. 2

    Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie verschijnt twee keer per jaar onder redactie van Jozef Deleu. Elk nummer brengt steeds weer een gevarieerd beeld van poëzie van onze huidige tijd. Dat is zeker de kracht van dit boekwerk, dat het iets overbrengt van de tijd waarin we leven, fris, met verse inkt geschreven. Zoals ‘Take a seat please’, van Anne Provoost waarin nieuwe omgangsvormen, eisen van deze tijd een plek vinden: ‘Hij leerde zittend plassen / Een nieuwe houding, die hem hielp / nadenken over / hoe de weg die hij was gegaan /(…) // Ik leerde staand met hem praten / altijd klaar voor vertrek / richting bij hem vandaan / omdat ergens op een facebookpagina / was gezegd dat je dood kon gaan / als je teveel zat’

    Wanneer je Het Liegend Konijn in handen hebt, kun je niet meer ophouden erin te bladeren, het verleidt je door poëtische gangen te gaan met ondoordringbare, openhartige, schokkende en opgewekte poëzie.

    Aan deze editie werkten zevenendertig dichters mee, samen goed voor meer dan tweehonderd gedichten, met onder meer Charles Ducal, Anne Broeksma, Mark Boog, Abdelkader Benali en Mieke van Zonneveld.

     

     

    Het Liegend Konijn jg. 18 nr. 2
    Auteur: Jozef Deleu
    Uitgeverij: Polis

    Het lichtje in de verte

    Antonio Moresco (1947) wordt gezien als een van de grondleggers van een nieuwe richting in de Italiaanse literatuur die verder gaat dan de postmoderniteit. Hij wordt wel vergeleken met Don DeLillo en Thomas Pynchon. Het lichtje in de verte (La lucina) verscheen in 2013 en werd in 2018 verfilmd, met Moresco zelf in de hoofdrol. Dit jaar werd het boek bij uitgeverij Oevers uitgegeven.

    Het lichtje in de verte gaat over een man die in eenzaamheid in een verlaten bergdorp leeft. Elke nacht ziet hij een lichtje aan de andere kant van de vallei, hij vraagt zich af wat het is, waar het vandaan komt. Als hij op onderzoek uitgaat, vindt hij een jongen in een huis midden in het bos, ook alleen. Hij vraagt zich af wie dit kind is. Het antwoord is zowel geheimzinnig als ontroerend, volgens de uitgever. En meer nog, ‘het is een verhaal over wezens die het bos bevolken, luchtwortels, bomen, vuurvliegjes en over  over leven en dood, maar ook over wat mensen en dieren met elkaar verbindt’.

    In de Franse pers werd het boek aldus geprezen: ‘Betoverende tekst die de lezer onmiddellijk meeneemt op een wonderlijke literaire reis.’

     

    Het lichtje in de verte
    Auteur: Antonio Moresco
    Uitgeverij: Oevers

    Opwindende tijden

    De Ierse schrijver Naoise Dolan debuteerde met de roman Opwindende tijden, die zeer goed ontvangen werd. Ze komt uit Dublin, woonde in Hong Kong, Italië, Singapore en Engeland. Afgelopen zaterdag, 7 november was ze onderdeel van het online programma The Cronicles van Crossing Border

    Opwindende tijden is een liefdesroman over geld en de gevoelswereld van de drie jongeren Ava, Julian en Edith.

    De Dublinse Ava is in Hongkong komen wonen en vult haar dagen met Engelse les geven aan rijke kinderen. Julian is een bankier die graag geld uitgeeft aan Ava, met haar naar bed gaat maar waarvan ze niet zeker weet of hij van haar houdt.

    Als Julian voor maanden weg is, komt Edith in haar leven, zij neemt Ava mee naar het theater en koopt bloemen voor haar. Ava  is betoverd door Edith zijn, ze wil de hare zijn. Als Julian terugkomt naar Hongkong, staat Ava voor een probleem. Moet ze haar leventje met Julian weer oppakken, of liezen voor Edith?

    Hilary Mantel die de roman las, noemde het, ‘Kostelijk, scherpzinnig en onbevreesd. Een innemend debuut.’

     

    Opwindende tijden
    Auteur: Naoise Dolan
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Platonov en de lange adem van de vertaler

     

    Russisch vertaler Aai Prins werkt aan een vertaalproject dat alle verhalen, verschillende novelles en een roman van de Russische schrijver Andrej Platonov (1899-1951) omvat en in twee delen verschijnt in de Russische bibliotheek van Van Oorschot. Het eerste deel, Platonov Verhalen, verscheen in de zomer van 2019 en werd later in het jaar bekroond met de Letterenfonds Vertaalprijs. Het Letterenfonds roemt Aai Prins (1959) als ambassadeur van de Russische literatuur, al is ze daar zelf zeer bescheiden over.

    Als vertaler heeft Aai Prins een lange staat van dienst, maar ook op andere wijze bracht ze de Russische literatuur onder de aandacht. Zo heeft ze vele stukken geschreven over het werk van Poesjkin, Toergenjev, Dostojevski, Tolstoj, Nabokov en Brodsky, en minder bekende auteurs als Garsjin en Kononov. Van 2006 tot 2014 woonde ze in St. Petersburg waar ze Nederlands doceerde aan het Nederlands Instituut en de Universiteit van Petersburg. Een paar jaar geleden hertaalde ze werk uit de Russische bibliotheek van Gogol, Tsjechov en Pasternak. De vertaling van Platonov, het tweede deel, is in uitvoering.

    In april zou ik Aai Prins thuis  in Amsterdam bezoeken voor een interview. Toen gooide corona roet in het eten. Omdat de kans op een ‘live’ ontmoeting wel eens lang op zich kon laten wachten, spraken we elkaar via een Zoom verbinding. Aai Prins vanuit haar zogenaamde ‘datsja’, aan het Markermeer tussen Hoorn en Enkhuizen, met een wat haperende internetverbinding, en ik vanuit mijn eigen keuken. We spraken over het vertalen van Platonov, die er zijn eigen vreemde woordgebruik op na hield, over de lange adem van een vertaler en hoe bewerkelijk deze vertalingen zijn. 


    Hoe brengt een Russisch vertaler het tot ambassadeur van de Russische literatuur?

    ‘Ja kijk, als je begint met studeren weet je eigenlijk nog niet zo goed waar je aan begint. Het was wel uit liefde voor de Russische literatuur dat ik Russisch ging studeren. Ook wel om het exotische dat me erg aansprak. Het was 1977, de tijd van de muur, de Koude Oorlog. Al had ik toen niet de illusie dat ik zelf vertaler kon worden. Ik wilde het wel maar er gebeurde in die tijd niet zoveel in de Russische literatuur. De klassiekers waren grotendeels al vertaald door, of vergeven aan de gevestigde vertalers als Charles Timmer, Karel van het Reve, Kees Verheul, Tom Eekman. Ik had niet de illusie dat ik daar ooit tussen zou kunnen komen. Maar ik had wel de mazzel, dat toen ik afgestudeerd was, ik vrij snel met de Perestrojka mee kon liften op de stroom van literatuur die na de val van de muur opeens uit Rusland kwam. Ik was net klaar en kon gaan vertalen. Maar ik voelde me niet meteen een ambassadeur van iets hoor.


    Waar en hoe bent u met de Russische literatuur in aanraking gekomen, met Platonov? 

    ‘Mijn ouders hadden veel Russische schrijvers in de kast staan, zo ben ik ermee in aanraking gekomen. Platonov kende ik van mijn studie, hij stond bij ons op de leeslijst. Maar in die tijd was zijn hele werk nog niet ongecensureerd verschenen, dus daar was nog niet alles van bekend. We moesten hem lezen, maar eigenlijk ging het me grotendeels boven mijn pet. Het is een vreemde schrijver, hij gebruikt geen algemeen beschaafd Russisch. Dus ik had wel enige kennis van zijn werk. Maar toen ik een paar jaar geleden door Van Oorschot werd benaderd om Platonov te vertalen voor de Russische bibliotheek, ben ik hem pas echt goed gaan lezen en begrijpen.’


    Toen kon het vertalen beginnen, hoe was dat?

    ‘Het was een enorme klus. Een aantal jaar geleden is zijn volledige werk in zeven delen, ongecensureerd en zo volledig mogelijk uitgegeven. Ik geloof dat zijn dochter zijn boeken bezorgd heeft. Ik heb dat toen allemaal gelezen. Daaruit heb ik een selectie gemaakt voor Van Oorschot, het zouden twee delen worden, en ik heb een selectie uit de verhalen gemaakt. Enkele van zijn beroemdste verhalen waren al vertaald door Timmer, maar die vertaling was op basis van de gecensureerde versie. Ik ben nu bezig met het tweede deel.’ Ze houdt een omvangrijk boek omhoog, een indrukwekkende Russische uitgave. 

    ‘Voor het vertalen van die verhalen heb ik eindeloos veel specialisten moeten raadplegen.  Omdat zijn taalgebruik zo bizar is, moest ik heel vaak bij Russen te rade gaan. Dan vroeg ik of het afwijkend taalgebruik was wat Platonov gebruikte, en dat beaamden ze dan. En dan wilde ik weten waarin het afwijkend was. Dan zeiden ze dat je iets niet zo zegt zoals Platonov het zegt. Kijk, je hebt in het vertalen vaak te maken met een bepaald idioom, ‘fraseologische’ uitdrukkingen. Een simpel voorbeeld: in het Russisch zeg je ‘Piet klimt op de boom’, terwijl wij zeggen ‘Piet klimt in de boom’. Dus als er staat dat ‘Piet op de boom klimt’, wordt dat bij mij, ‘in de boom’. Maar er zijn ook veel gevallen waarvan ik denk dat het fraseologisch incorrect is. Dat moet ik dan wel zeker weten, wil ik het in het Nederlands net zo bizar vertalen als het er in het Russisch staat. Als je dan begint aan een boek van achthonderd pagina’s, dan ben je wel even bezig.’


    Er komen veel technische beschrijvingen voor in zijn verhalen, hoe is dat om te vertalen?

    ‘Platonov was zelf technisch onderlegd en dat ben ik niet, maar ik heb wel drie broers die in de techniek zitten, daar kan ik altijd bij te rade gaan, over elektromotoren en zo meer. Maar het gaat in die verhalen ook over ontspoorde wetenschappers. Die wel iets weten maar daarna technisch helemaal uit het lood raken. Dan moest ik weer gaan uitzoeken of dit normaal was, dat ze bijvoorbeeld de aarde konden laten verschuiven, of dat ze een steen de ruimte in konden katapulteren, of was dat totale onzin? Platonov was landbouwkundige, heeft veel expedities gedaan door de hele Sovjet Unie, er komen dan ook heel veel geologische termen in voor. Dan laat ik me adviseren door een geoloog. Dat maakt een vertaling best bewerkelijk.’


    Vertaalt u ingewikkelde beschrijvingen zoveel mogelijk naar het begrip van de Nederlandse lezer?

    ‘Ik wil het liefst dat de Nederlandse lezer zoveel mogelijk dezelfde ervaring krijgt bij het lezen als de Russische lezer. Dus als er iets technisch gepresenteerd wordt waarvan een Russische specialist denkt, nou dat zit aardig in elkaar, dat klopt wel met al die technische dingen, maar dit is een beetje vreemd, dan wil ik dat de Nederlandse specialist dat ook denkt. Ik heb een hele lijst aan specialisten, van banketbakkers tot monteurs. Dan vertel ik dat ik een boek aan het vertalen ben en of ze mij kunnen vertellen hoe dit of dat zit. Ik ben bijvoorbeeld een hele dag rondgeleid door het Spoorwegmuseum door een man die gespecialiseerd is in oude stoomlocomotieven, die heeft mij heel lief ontvangen. Al mijn vragen had ik van tevoren opgestuurd, hij heeft me alles laten zien, hoe het werkt met die ketels, de stookplaat, de koppelstangen.’


    De verhalen zijn chronologisch op jaartal geselecteerd. Het eerste verhaal, geschreven in 1892, is dat zijn allereerste verhaal?

    ‘Ja, en je ziet dat die eerste verhalen nog niet in die heel bizarre stijl zijn geschreven. Je kunt al wel zijn aanzet zien, tot wat in zijn latere verhalen meer naar voren komt, het bezield maken van voorwerpen. Animistisch heet dat, dat je ieder ding een geest geeft. Dat zie je in zijn latere werken veel vaker maar dat is in aanzet al in die eerste verhalen van hem te zien. Ik heb de verhalen zoveel mogelijk chronologisch achter elkaar gezet, maar daar is een zeker voorbehoud bij, want op een gegeven moment kon hij niet meer vrij publiceren. Hij heeft dingen geschreven die hij nergens kwijt kon. De roman die ik nu aan het vertalen ben, heeft hij geschreven rond 1928, maar werd nooit gepubliceerd. Na die roman heeft hij nog verhalen geschreven die wel weer in deel 1 zijn opgenomen. Dus helemaal chronologisch is het niet. Ik heb zoveel mogelijk de data uit de publicaties aangehouden. Maar er zijn ook verhalen die eerst in tijdschriften hebben gestaan, later in verhalenbundels zijn opgenomen, en dan klopt het qua publicatiedatum niet helemaal. Maar waar mogelijk heb ik de chronologie aangehouden.’ 


    Was Platonov een realist of een romanticus?

    ‘De term romanticus laat zich moeilijk met hem verenigen, maar toch zit er wel iets van een romanticus in hem. Maar in de eerste plaats is hij een bevlogen communist, die aanzet tot grootse daden, vaak heeft hij ook irreële hoop, en ondertussen was hij wel een gelovig communist met een keiharde benadering van alles. Dat realisme van hem, dat is in sommige van zijn sciencefiction-verhalen ook weer ver te zoeken. Maar de elementen waarmee hij zijn verhalen opbouwt zijn wel degelijk realistisch. De machines, en zo. Maar goed, zijn verhalen over de kosmos, de ruimtereizen, of dat realistisch is? Misschien, ik weet het niet.’


    Hij was een volgeling van Stalin maar zijn verhalen doorstonden de censuur niet. Stalin wilde hem zelfs uit de partij zetten. Toch bleef hij op dezelfde aanstootgevende wijze doorschrijven.

    ‘Ja, dat klopt, dat bracht hem steeds in de problemen. Hij was in feite een proletariër pur sang, kwam uit een armoedig gezin. Hij was iemand van de toekomst, tot op het bizarre af. Er is dat verhaal over de collectivisatie van de landbouw. Over die boeren die van hun land worden gejaagd, onteigend worden en naar Siberië moeten. De slachtoffers en de hongersnoden die daaruit voortgekomen zijn, heeft hij gezien. Maar hij vond, ‘waar gehakt wordt vallen spaanders’. Hij schreef daar een verhaal over en voerde daarin een paar personen op die een beetje geschift waren en helemaal niet bij het socialisme hoorden, ofwel geloofden in de goede zaak. Hij dacht dat hij bijdroeg aan de goede zaak, door de dingen zo te presenteren. Maar Stalin en zijn trawanten zagen daar een en al kritiek in. Dan kreeg hij op zijn donder, en begreep hij niet waarom. Dat is wel ongelofelijk: a: dat ie zo’n verhaal kon schrijven, er achter bleef staan ondanks dat ie gezien had wat er speelde, en b: dat hij niet snapte dat ie daardoor in de problemen kwam. Platonov is een ingewikkelde persoonlijkheid.’

     

    Wat betekent het winnen van de Vertaalprijs voor u, had u die verwacht?

    ‘Nee, nee, absoluut niet. Ik was ergens een tolkencursus aan het doen, notatietechniek voor synchroon tolken. En toen werd ik gebeld, dat ik die prijs gewonnen had. Het was een ongelofelijke verrassing. En het fijne aan deze prijs, vind ik, dat deze wordt toegekend door vertalers. Ik voelde me daardoor zeer vereerd.

     

    Ging u na de prijsuitreiking vrolijk door met het vertalen van het tweede deel?

    ‘Dat was wel de bedoeling, dat ik gelijk door zou gaan maar dat ging niet zo makkelijk. Nu ben ik aardig op stoom. Al weet ik nu al dat ik het weer niet op tijd zal inleveren. Het is gewoon waanzinnig veel, de roman, Tsjevengoer, die ik nu aan het vertalen ben, is alleen al ruim 400 pagina’s. Dan heb je de hele dag vertaald en aan het eind van de dag zie je die stapel bladzijden maar niet minder worden. Dat eerste deel had het voordeel dat het korte verhalen waren, dan vertaal je een verhaal en dan is het af. Dan kun je zo’n pakketje maken en zien wat je gedaan hebt. Maar met zo’n loeilange vertaling is het lastig om dat op te brengen.’


    Waar gaat die roman over?

    ‘Het is een verhaal over de verzonnen stad Tsjevengoer. Een paar enthousiaste bolsjewieken gaan daar het communisme vestigen. Ze spreken in een vreemd jargon, vol communistische termen, een beetje van alles door elkaar. Ze zijn zeer bevlogen maar wat moeten ze bijvoorbeeld met de  bourgeoisie? Ze schrijven hen een brief dat ze op het plein moeten samenkomen. Ze komen daar ook echt naartoe en worden dan afgemaakt. Kijk dat soort dingen worden hoppa gepresenteerd. Het is gruwelijk, maar het wordt gepresenteerd door welwillende bolsjewieken die daar orde op zaken komen stellen. Dat is een heel klein aspect van de roman, een fragment dat ik net heb gedaan.’


    Hoe werkt dit op u door, zulke passages?

    ‘Af en toe grijpt het me wel aan. Het is geschreven in 1928, en dan is die passage waarin de bourgeoisie uit het stadje gesommeerd wordt met een koffertje naar het plein te komen, haast profetisch. De Tweede Wereldoorlog moest nog komen. Zulke passage zijn hard om door te nemen, en ik weet dat er meer van zulke passages komen. Ik heb wel vaker akelige dingen in romans vertaald, daar had ik nooit zo’n last van. Maar opeens zag ik voor me wat daar, en later in het echt gebeurde. Het is natuurlijk een verzonnen stad, maar de gebeurtenissen zijn wel degelijk geënt op de waarheid. Als het ware werpt het zijn schaduw ver vooruit. Het is niet voor niks dat deze roman nooit heeft kunnen verschijnen in de Sovjet Unie.’


    Hoe lang heeft u gewerkt aan het eerste deel?

    ‘Lachend: ‘Dat durf ik niet eens te zeggen, ik heb er in ieder geval een jaar langer over gedaan dan was afgesproken. Ik denk dat ik er toch wel twee, tweeënhalf jaar mee bezig ben geweest. En ik vrees dat ik voor het tweede deel ook meer tijd nodig zal hebben.’ 

    Het is niet alleen de vertaling waar Aai Prins zich mee uiteen zet, bij het eerste deel schreef ze ook het uitvoerige en zeer lezenswaardige nawoord Een man die niet kon liegen, over de mens Platonov en zijn schrijverschap.

    ‘Het manuscript van zijn roman die ik nu aan het vertalen ben, liet hij aan Gorki lezen en die zei, “nou dat krijg je niet gepubliceerd”. Maar Platonov begrijpt niet waarom. Dan gaat hij allemaal brieven schrijven waarin hij zich erover beklaagt dat hij bestempeld wordt als een subversieve schrijver; maar dat komt allemaal in het nawoord van deel twee.’

     

     

     


    Platonov Verhalen / Andrej Platonov / vertaald door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot (2019)

     

     

     

     

     

     

    Foto: ©Gerard van der Wardt

  • Elke editie meer dan de moeite waard

    Elke editie meer dan de moeite waard

    Literair tijdschrift Tirade verschijnt dit jaar in een hogere versnelling. Waar in voorgaande jaren steeds vier edities verschenen, lijkt het blad dit jaar met vijf edities te zullen afsluiten, gezien de tweemaandelijkse plof op de mat. Het wordt er wel levendiger van, alsof er een vitaliserende druk achter zit. De dommelende lezer, die dacht nog wel even te hebben voor er een nieuw nummer verschijnt, moet zijn instelling veranderen. Dit jaar verscheen er een maart- /mei- en augustusnummer, en het oktobernummer is in aantocht. Elk nummer een feest aan verhalen, gedichten, essays, worden auteurs gememoreerd. Met hier en daar een nieuw geluid, een debuterend of in Nederland nog onbekend schrijver.

    Floyd-effect in de literatuur

    Tirade 480 opent met een redactioneel stuk waarin Julien Ignacio opmerkt dat na de gewelddadige dood van George Floyd, zwarte schrijvers in de spotlights zijn komen te staan, er een zogezegd Floyd-effect is ontstaan. Het eerste korte verhaal ‘Een doodgewone vrijdagochtend’, is dan ook van de vrij onbekende Afro-Amerikaanse dichter en schrijver Langston Hughes (1901-1967). Na het lezen van zijn verhaal, wil je gelijk meer van deze auteur lezen. Het verhaal, over het zwarte meisje Nancy Lee die op een witte openbare school meedoet aan een kunstwedstrijd, is schrijnend. Met haar werk wint ze een kunststudiebeurs. Dan komt de commissie erachter dat Nancy zwart is, krijgt ze de beurs toch niet. Hughes zoekt niet de scherpe randen van het goed en kwaad op,( wat voor de hand zou liggen), maar kiest geen partij.
    De leerkracht van Nancy, Miss O’Shay leert haar, nadat ze Nancy het slechte nieuws heeft moeten vertellen, dat, ‘Amerika alleen [is] wat wij ervan maken. Ik ben Ierse. Dit weet jij misschien niet Nancy Lee, maar jaren geleden werden we de smerige Ieren genoemd, en werden we door hordes in de grote steden aangevallen, en werden we verzocht om terug te gaan naar waar we vandaan kwamen. Maar we gingen niet. En we gaven niet op, omdat we geloofden in de Amerikaanse droom, (…) Degenen die jou deze studiebeurs ontzeggen, weten niet wat die sterren [in de vlag] betekenen, maar het is aan ons om het ze te vertellen.’ En Nancy tilde haar hoofd op, glimlachte. ‘Er komen wel andere prijzen, dacht Nancy Lee. Er zijn scholen in andere steden. Dit houdt me niet tegen.’ Caspar Wijers vertaalde dit verhaal van Hughes, en je hoopt dat er eens een heel boek van deze schrijver vertaald zal gaan worden.

    Nog met het verhaal van Hughes in het hoofd door naar de ‘Kwatrijnen’ van Tonnus Oosterhoff. Alsof ze daar en nergens anders geplaatst konden worden. ‘Er wordt ritmisch aan ons getrokken. / Door Wie? In welke richting? / We weten dat we waardevol zijn / omdat er aan ons gerukt wordt.’

    Honden in de literatuur

    Sander Kollaard over de roman Onderdak van Elisabeth van Nimwegen. Over hoe bijzonder deze roman is, met uitgelichte thema’s als de druk van de samenleving, moederschap, vrouw zijn en de wens helemaal te willen verdwijnen. Mooi is dat Kollaard hierin een vergelijking trekt met Bor de Wolf uit de Fabeltjeskrant, die voorafgaand aan elke zin eerst een huil (Hu!) liet horen. Bor wil met niks en niemand iets te maken hebben, het Enge bos is voor hem de ultieme plek om zich terug te trekken, net als Andrea uit Onderdak, die zich in een bergruimte op zolder heeft teruggetrokken, wil ook met niks en niemand meer iets te maken hebben. Verdraaid goede roman, Kollaard schreef er een fijn stuk over. 

    Guido van Hengel schreef over de hond in de literatuur, ‘Meelezen met de honden’. De hond in het werk van Virginia Woolf, Tsjechov en Kafka. En natuurlijk Sander Kollaard met zijn Uit het leven van een hond,en Ik wil geen hond zijn van Alma Mathijsen. ‘Waarom verschijnen er zoveel boeken over honden?’
    Poëzie van Maria Barnas, gebeeldhouwde woorden, regels als de tandjes van een rits, die in elkaar schuiven, sluitend zijn. Getiteld ‘Ha-ha’ naar de Ha-ha Wall: een droge gracht waarin een muur verborgen wordt als omheining.

    Eerdere edities 

    Uit de eerste editie van dit jaar, Tirade 478 is een verhaal van Julien Ignacio, geïnspireerd op de roman Alleen de bergen zijn mijn vrienden van  Behrouz Boochani, zeer vermeldenswaardig. Ignacio laat een cyborg een vriendschapsverzoek naar Behrouz sturen. Waarna ze gaan chatten, waardoor het leven van Behrouz dichtbij komt, dichterbij kun je haast niet komen, bij een mens, verslagen als vluchteling. Dan een bizar verhaal van Maria Kager, ‘Een unieke ervaring’, waarin de prijs van een schrijfwedstrijd een ontmoeting met Etgar Keret in Tel Aviv inhoudt. Van Marjolein van de Gender een gestileerd verhaal over verlaten zijn. En Yentl van Stokkum, die gefascineerd is door Emily Brontë, schreef daar prachtige gedichten over. 

    In Tirade 479 een bijdrage van Wouter van Oorschot, herinneringen aan de dit jaar overleden schrijver Carl Friedman, een mooi in memoriam. Lodewijk Verduin over het werk van H.A. Gomperts, ‘Maar wat is er dan gebeurd met H.A. Gomperts? Hij wordt zelden genoemd, zijn boeken worden niet driftig gezocht.’ Daar zou deze bijdrage wel eens verandering in kunnen brengen. Lees, lees, lees!
    Last but not least een prachtig verhaal, Ritueel, van beeldhouwer en schrijver Mohana van den Kroonenberg. In 2010 debuteerde ze met de verhalenbundel Moorddiner, sindsdien werd er op literair gebied weinig van haar vernomen. Goed te horen dat er wordt gewerkt aan een tweede verhalenbundel, Overlevingsstrategieën

    Elke editie is meer dan de moeite waard om aan te schaffen, door te snuffelen, te lezen, van voor naar achter en weer terug, verhalen houden nooit op.

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Grote schrijvers en hun onuitputtelijke bron van verhalen en ideeën

    Ianthe Mosselman is initiatiefnemer van ‘Het grote Schrijversinterview’, een serie gesprekken met vrouwelijke Nederlandstalige auteurs die een imposant oeuvre hebben opgebouwd. Schrijvers die haar door hun boeken hebben geïnspireerd. Door de coronacrisis werd het eerste interview, met Astrid H. Roemer, uitgesteld. Nu de regels versoepeld zijn, zal dit volgende week plaatsvinden. 

    Als programmamaker bij De Balie maakte Mosselman verschillende cultuurprogramma’s waaronder het jaarlijkse ‘Gesprek Voor de Dam’, en interviewde ze verschillende internationale schrijvers. Voor de Volkskrant schrijft ze zo nu en dan opiniestukken. Zo schreef ze vorig jaar een stuk naar aanleiding van het boekenweekthema ‘De moeder de vrouw’ waarin ze haar kritiek uitte op de CPNB die ondanks het thema het niet relevant vond een vrouwelijke schrijver het boekenweekgeschenk te laten schrijven. Ze concludeerde dat ook in de letteren gelijkwaardigheid blijkbaar nog ver te zoeken is.

    Dat de aandacht voor literatuur zich steeds meer in de marge van de samenleving bevindt, was voor haar aanleiding een serie interviews te organiseren onder de titel ‘Het Grote Schrijversinterview’. Waarmee ze grote vrouwelijke schrijvers zoals Vonne van der Meer, Saskia de Coster, Astrid H. Roemer, Connie Palmen en Charlotte Mutsaers, de aandacht wil geven die ze verdienen. In interviews van elk anderhalf uur, zal Mosselman ingaan op fragmenten uit het werk van de schrijvers. Over het ontstaan van hun verhalen, hoe hun personages mensen worden en welke schrijvers hen hebben geïnspireerd. 

    Voor Literair Nederland mailde ik met Ianthe Mosselman over het belang van lezen, wat we kunnen leren van literatuur, grote schrijvers en hun waardering en met een mooie leeslijst voor de zomer.


    Waarom een serie interviews met enkel vrouwelijke schrijvers?

    ‘Het is belangrijk dat er over literatuur gepraat wordt, dat daar de tijd voor genomen wordt. In de afgelopen jaren heb ik vaker in De Balie schrijvers geïnterviewd, en dat zijn echt mooie gesprekken, er ontstaan altijd nieuwe inzichten. Ik wilde dus meer interviews doen en met de ophef vorig jaar over het thema van de Boekenweek dacht ik meer na over de mate van aandacht voor vrouwelijke schrijvers in Nederland. Ik vind dat we echt veel goede vrouwelijke schrijvers hebben, en hun werk verdient een groter podium dan ze nu krijgen. En als programmamaker heb ik de mogelijkheid hen dat te geven.’ 


    Wat wil je laten zien met deze interviews? 

    ‘In een bericht las ik dat de laaggeletterdheid toeneemt, dat jongeren lezen tijdsverspilling vinden, terwijl ik denk dat je van literatuur veel kunt leren. Niet dat literatuur je per se een beter mens maakt, maar wel dat het je een soort levenservaring geeft. Literatuur beschrijft de mooie en lelijke kanten van het bestaan en laat zien hoe andere mensen leven en met de moeilijke kanten omgaan. Daarover doorpraten met elkaar leert je iets over jezelf en anderen en de wereld waarin je leeft. Bovendien is het toch ontzettend wonderlijk hoe schrijvers van niets een verhaal maken, een verhaal dat je ontroert of boos maakt of verwart. Ik denk dat het noodzakelijk is om te laten zien hoe bijzonder dat is, zeker in een tijd waarin sommigen met dedain naar kunst en cultuur kijken.’


    Hoe kwam jezelf tot lezen in je jeugdjaren en welke boeken las je? 

    Ik las heel veel kinderboeken, Tonke Dragt, Astrid Lindgren, Abbing en Van Cleeff, Roald Dahl. De bibliotheek was bij ons om de hoek, daar kwam ik vaak en mijn moeder gaf mij ook vaak boeken. Op de middelbare school heb ik veel Engelse boeken gelezen. We volgden daar een methode, die was opgezet door mijn Engelse docent. Geen grammaticales, maar tien boeken per jaar lezen en brieven schrijven. In de eerste klas was dat de serie over Sophie van Dick-King Smith, en later Harry Potter, A Series of Unfortunate Events, the Princess Diaries. 


    Wat zijn voor jou grote schrijvers?

    ‘Schrijvers die invloed op me hebben gehad zijn vindingrijk in hun taalgebruik en lijken over een onuitputtelijke bron van verhalen en ideeën te beschikken. Zulke schrijvers krijgen het voor elkaar om telkens weer iets te schrijven dat je raakt. Judith Herzberg schreef in een gedicht in de bundel Liever brieven: ‘Hoe heerlijk moet het zijn/ je in gedichten te begeven/ zonder dat schrijnende:/ had ik dat maar geschreven.’ Dat is ook iets wat grote schrijvers doen, ze maken je jaloers met hun vondsten.’ 


    Vrouwelijke schrijvers als Joan Didion, Simone de Beauvoir, Margaret Atwood hebben een hooggewaardeerde status bereikt in eigen land en daarbuiten. Kennen we ook in Nederland zo’n vrouwelijke schrijver?

    ‘Ik vind het moeilijk te vergelijken. De schrijvers die ik voor De Balie ga interviewen vind ik erg goed. Of ze even goed zijn als anderen, of beter, vind ik niet zo interessant. Ik vraag me ook niet af of Tommy Wieringa en Ilja Leonard Pfeijffer de nieuwe Hemingway en Salinger zijn. Didion, De Beauvoir en Atwood kent min of meer iedereen met een interesse voor literatuur. Er zijn inderdaad hele goede Nederlandse schrijvers die in diezelfde periode als deze drie geboren werden, zoals Andreas Burnier, Judith Herzberg en Vasalis.  Maar qua waardering lopen ze ook internationaal achter op mannelijke schrijvers.’ 

    ‘Ik ben geen expert op het gebied van receptie, maar hun werk heeft een kwaliteit die wat mij betreft meer gewaardeerd mag worden. Literatuurwetenschapper Corina Koolen promoveerde op ongelijkheid in de literatuur en een van haar bevindingen was dat er ondanks dat ongeveer 40 procent van de literaire romans wordt geschreven door vrouwen; grofweg driekwart van de grote prijzen naar mannelijke auteurs gaat.’ 


    Is er na de ophef over het boekenweekgeschenk van vorig jaar, verandering te bespeuren in de waardering voor vrouwelijke schrijvers?

    ‘Op de long- en shortlist voor de Libris Literatuurprijs stonden dit jaar evenveel mannen als vrouwen, dat lijkt me wel een verandering. Nu vind ik niet dat er altijd een precieze verdeling gemaakt moet worden, maar ik denk wel dat het belangrijk is dat mensen beseffen dat ze werk van een vrouwelijke schrijver wellicht minder waarderen dan dat van een man en dat dat dus niet alleen te maken heeft met wat er op papier staat. Aan de mensen die in de literaire wereld werken de taak om te laten zien dat ook het literaire werk van vrouwen zeer de moeite waard is.’ 


    De eerste schrijver in deze serie gesprekken is Astrid H. Roemer. Wat is de betekenis van haar werk?

     ‘Literatuurwetenschapper Maaike Meijer zei over Astrid H. Roemer dat ze de eerste schrijver is die op een zelfbewuste en volkomen oorspronkelijke literaire manier stem gaf aan het postkolonialisme van Nederland. Maar dat is niet de belangrijkste reden waarom ik haar gevraagd heb om deel te nemen aan deze serie. Ik vind haar een ontzettend goede schrijver. Er is een fragment uit Olga en haar driekwartsmaten dat nu al dagen door mijn hoofd spookt en waar ik telkens aan moet denken. Roemer beschrijft daarin hoe iemand sterft en dat doet ze zo treffend en ontroerend. Heel bijzonder hoe ze dat doet. Het voelt alsof ik het zelf heb gezien, en daar wil ik met haar over praten.’ 


    Als je één boek zou moeten aanraden van elke schrijver die je gaat interviewen, welk boek zou dat zijn?

    Gebroken wit van Astrid H. Roemer, Nachtouders van Saskia de Coster, Eilandgasten van Vonne van der Meer, Jij zegt het van Connie Palmen en Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers. Dat lijkt me best een mooie zomerleeslijst zo. 

     

     


    Kijk hier voor meer informatie over de serie Het Grote Schrijversinterview.

     

  • Oogst week 22 – 2020

    De verhalen die we onszelf vertellen

    De verhalen die we onszelf vertellen is een verzameling essays van Joan Didion (1934) over Californië, New York en de jaren zestig. De keuze maakte Joost de Vries uit haar eerder gepubliceerde werken als Slouching Towards Bethlehem, The White Album en Where I Was From. Joan Didion schrijft al sinds de jaren zestig over het leven in Amerika op onconventionele wijze. Haar overdenkingen lezen alsof je je onder de huid van een samenleving en haar persoonlijke leven bevind. Eerder verscheen van haar Het jaar van het magisch denken (2006 Prometheus), over het verlies van haar man, en Blauwe nachten (2012 Bezige Bij) over het verlies van haar dochter. Boeken die integendeel treurig zijn, of adviezen bevatten om verlies van geliefden te overleven. Het is essayistisch proza wat Didion schrijft.

    Haar essays gaan over het vrije leven in de jaren zestig, revolutionaire politiek, beroemdheden en persoonlijke reflecties. Haar stijl en observaties oefenen doorgaans een grote aantrekkingskracht uit op de lezer.

     

     

    De verhalen die we onszelf vertellen
    Auteur: Joan Didion
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Het failliet

    Dichter Arnoud van Adrichem (1978) debuteerde in 2008 debuteerde hij met de dichtbundel Vis, die bekroond werd met de Hugues C. Pernathprijs 2009 en het Charlotte Köhler Stipendium 2009. In 2010 verscheen een bundeling essays, gedichten en vertalingen onder de titel Stemvork, in samenwerking met Jan Lauwereyns maakte. In 2015 publiceerde hij zijn derde dichtbundel, Geld. Zijn nieuwe dichtbundel Het failliet. Dichten over een faillissement, ervandoor gaan, op de vlucht voor schuldeisers. Wisselend vind je de dichter terug op een eiland, aan zee, opgesloten in zijn atelier. Maar waar hij zich ook bevindt, imaginair gaat hij gewoon naar kantoor en neemt plaats achter zijn bureau, dat overigens allang geveild. Ondertussen wordt alles waargenomen.

    Het eerste gedicht ‘Schelp’ begint zo, ‘Een open einde? / Nee, het is net begonnen /met een hondse grom.’

    Het failliet
    Auteur: Arnoud van Adrichem
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf

    Dichter Lamia Makaddam is geboren in Tunesië waar ze Arabische taal en letterkunde studeerde. Ze publiceerde drie dichtbundels in het Arabisch en won in 2000 de El Hizjra literatuurprijs. Op twintig jarige leeftijd kwam ze naar Nederland. Haar derde dichtbundel is nu naar het Nederlands vertaald is door Abdelkader Benali en kreeg de intrigerende, haast strijdlustige titel mee, Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf. Naast dichter is Makaddam ook journalist en vertaler.

    In de poëzie van Lamia Makaddam worden rauwe beelden opgevolgd door opwellingen van tederheid. Geliefden en minnaars worden vastgehouden, weer losgelaten en ten grave gedragen. In haar poëzie is niemand onschuldig in de liefde. Lamia Makaddams poëzie raakt aan haar sentimentele gevoelens maar gaat evenzeer om wraak, wraak als sentimentele aangelegenheid.

    Het is nog even wachten op deze bundel, verschijnt 5 juni.

    Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf
    Auteur: Lamia Makaddam
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas
  • Louis Paul Boon een wandelroute door Aalst, zijn vriendschappen

    Louis Paul Boon een wandelroute door Aalst, zijn vriendschappen

    De eerste editie van De Parelduiker (2020) is gewijd aan de Vlaamse schrijver Louis Paul Boon (1912-1979). Een blik op leven, werk en omgeving van een illustere schrijver waarbij de vraag rijst: wie kent hem nog, wie leest De Kapellekensbaan en Zomer te Ter- Muren (ook wel anarchisten Bijbel genoemd) of de schelmenromans van De bende van Jan de Lichte nog? Doet Louis Paul Boon, schrijver van duizenden cursiefjes, de zogenaamde ‘Boontjes’, de romancier die tijdens zijn leven de belofte van een Nobelprijswinnaar in zich droeg, nog ergens een bel rinkelen? Die Nobelprijs had hij naar verluidt bijna gekregen, maar voor het bekend werd gemaakt, overleed hij. 

     Oud-journalist Bert Ummelen bracht een bezoek aan Aalst, de geboortestad van de schrijver. Hij wandelde door de stad, op zoek naar herkenning uit de boeken en het leven van Boon. Langs verschillende standbeelden van romanfiguren en de schrijver zelf. Alleen een standbeeld van de bandiet Jan de Lichte ontbreekt, dat werd in 1979 onder druk van de Christelijke Volkspartij zo’n 65 km verderop naar Antwerpen verbannen, waar het een toepasselijke plek kreeg voor het justitiegebouw. 
    Van de drie Boon-routes die in Aalst zijn uitgezet, voor wandelaar en fietser, zijn er twee in de aanbieding vermeldt Ummelen, ‘Ze moeten uit een kast worden opgediept, dus veel vraag zal er niet naar zijn.’
    In het westelijk deel van de stad vindt Ummelen nog het geboortehuis van Boon, aan de Dendermondsesteenweg, nr. 38, alsook de latere hoekwoning waarnaar het gezin verhuisde aan de Sinte-Annalaan er nog staat. Het station van Aalst toont zich nog hetzelfde, waar Boon op het stationsplein na vijftien jaar de huishoudelijke hulp van zijn vrouw tegenkwam, toen een meisje waar hij hopeloos verliefd op werd. In zijn novelle Menuet (1955) komt ze voor als Lolita. Men krijgt voorwaar zin de stad Aalst te bezoeken.

    Boon en zijn vriendschapsbanden

    De schrijver en de betekenis van vriendschappen in zijn leven, wordt beschreven door letterkundigen Jos Muijres en Kris Humbeeck. Ieder op zich deed onderzoek naar een belangrijke vriendschap in het leven van Boon. Muijres schrijft over jeugdvriend Karel Colson, en Humbeeck -die ook aan een biografie van Boon werkt- over diens beste vriend, Maurice Roggeman. Muijres schrijft, ‘De jonge Boon was een eenzaat met een (getormenteerde) romantische inborst en een hunanitair-exprssionistische uitingsdrang.’ Fascinerend is om in het verloop van de vriendschappen -veelal getoond aan de hand van briefwisselingen- te zien hoe gedreven en gemotiveerd Boon was om zijn eigen weg te gaan. Vriendschap moest een zeker nut hebben. Waarbij Boon van hen gebruik maakte en ze in zijn romans een plaatsje gaf. Zo is het karakter Morris, uit Boons debuut De voorstad groeit, en Tippetotje, een schilderes in De Kapellekensbaan ontleend aan de schilder Maurice Roggeman.

    Erik van Veen sprak met vertaalster Zweeds, Ingrid Wikén Bonde. Zij vertaalde meer dan twintig boeken uit het Nederlands van verschillende schrijvers. Het eerste boek dat ze van Boon vertaalde was De Kapellekensbaan, uitgegeven bij Forum. Saillant detail: nadat Boon in 1979 was overleden, de kans op de Nobelprijs verkeken was, stopte de Zweedse uitgever met het uitgeven van Boons werk. 

    Jo Boon (1939), de zoon van Boon, komt in een stuk van Kris Humbeeck aan het woord over de band met zijn vader. Daar kan hij kort over zijn, Op de vraag of het niet moeilijk was in de schaduw van zo’n groot schrijver op te groeien, zegt hij, ‘Louis deed zijn ding en ik deed het mijn.’ En, ‘Dat zijn vader altijd maar schreef en schreef, en andere vaders dat niet deden, besefte Jo in die jaren wel, maar dat Louis toen al een auteur met aanzien was, realiseerde hij zich natuurlijk niet. Louis was er gewoon en schreef.’
    Zijn eigen zoon, David (1969) en kleinzoon van Boon, kreeg meer aandacht van zijn vader dan hij ooit van hem had gekregen. Maar last heeft Jo daar nooit van gehad. De enige keer dat de zoon zich met het leven van zijn vader bemoeide was toen een drinkgelag van zijn vader uit de hand dreigde te lopen, toen heeft hij hem het glas afgenomen. Zoals bij alle artikelen, is ook dit artikel geïllustreerd met foto’s, mooi beeld daarbij van een ontspannen Boon die met zijn vierjarige kleinzoon in de tuin zit en ze zich vrolijk onderhouden met elkaar. 

    Langverwachte biografie komt eraan

    In de rubriek ‘Laagwater’ een bijdrage van Martine Cuyt waarin ze een overzicht geeft van werk van Boon dat opnieuw wordt uitgeven (Verzameld werk), of waaraan gewerkt wordt dit uit te geven, zoals de biografie waaraan gewerkt wordt door Kris Humbeeck. Deze zal onder de titel Gelijk de vis zwemt, moet ik schrijven, op Boons 110e geboortedag, 15 maart 2022 verschijnen.
    Cuyt verklaart ook waarom de biografie tot een ‘langverwachte’ biografie benoemd werd, maar lees daarvoor De Parelduiker zelf.

    Dat Louis Paul Boon in het literaire geheugen leeft, getuige in ieder geval een lezersreactie in dagblad Trouw enkele weken terug. Een reactie op een artikel over ‘hufters en graaiers’ die de corona crisis aangrijpen om er hun voordeel mee te doen. Deze lezer herinnerde zich de gevleugelde woorden waarmee Boon het boek De kleine oorlog afsloot, ‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen.’ Hij schrijft ook dat Boon dit in latere drukken veranderde in, ‘Wat heeft het alles voor zin?’, en deze verandering desgevraagd verklaarde met, ‘Ook al schop je 99 mensen een geweten, er blijft dan nog één smeerlap over en die wordt president. En als je naar die durft te schoppen, vlieg je de gevangenis in.’
    Als er iets gelezen wordt dat de wereld beroerd, er dan een boek uit het geheugen opduikt, een schrijver herinnerd wordt, dan leeft die schrijver nog. En dat (blijkt maar weer), is de opgaaf die De Parelduiker zich gesteld heeft, het tot leven wekken van schrijvers door ze in herinnering te brengen en nieuw materiaal dat boven water komt te publiceren. En hoe fijn het dan is om een auteur vanuit verschillende gezichtspunten opnieuw belicht te zien.

    Vaste rubrieken

    In ‘Schoon & Haaks’ waarin Jan Paul Hinrichs marginale uitgevers en drukkers bespreekt, aandacht voor onder meer de uitgave van literair tijdschrift Terras nr. 17, en de speciale uitgave Natan, geschreven portretten door Mirjam Rotenstreich van haar vader, met acht portrettekeningen van Sam Drukker. Voor de drukliefhebber kunnen deze mooie gegevens niet onvermeld blijven, ‘Jaap Schipper van de Satenhofpers liet het toepasselijk zetten in de elegante Elisabeth (1938) van de Joodse ontwerpster Elisabeth Friedlander (1903-1984).
    ‘De laatste pagina’ is bewaard voor Rob Molin (1947-2019), een in memoriam door Ben van Melick, die tegen hem opkeek toen hij in de jaren tachtig zijn buurman was, omdat Molin er voor koos helemaal voor de literatuur te gaan. Hoe Molin dagen in de tuin zat te lezen in Het verdriet van België. Hij belicht de vele literaire interesses van Molin, die een oprecht literaire duizendpoot bleek.

     

     

  • Oogst week 17 -2020

    Gekkenwerk

    Er verschijnt zoveel moois dat we er soms niet onderuit kunnen een titel meer op te nemen in de oogst van de week dan de gebruikelijke drie. Te beginnen met een roman over de geheimen van een oorlogsjournalist door Minka Nijhuis, een boek met 575 haiku’s van Kees van Kooten (Haikoots wel te verstaan), een nieuwe gedichtenbundel van Daniël Vis en een lijvig boek over de koloniale geschiedenis buiten de Verenigde Staten van Daniel Immerwahr.

    Minka Nijhuis (1958) verbleef als oorlogscorrespondent onder andere in Syrië, Irak, Oost-Timor en Afghanistan vanwaar zij verslag deed voor verschillende media. Voor haar journalistieke werk ontving ze in 2017 de Nieuwspoort Prijs van het Vrije Woord. Ze schreef meerdere non-fictie boeken over haar ervaringen, in 2009 werd ze met haar boek Birma: land van geheimen genomineerd voor de Bob den Uyl Prijs. Gekkenwerk is haar eerste roman, een roman in briefvorm waarin Lotte, beginnendd als stewardess maar met de ambitie om oorlogscorrespondent te worden, schrijft ze haar neef Alexander. Brieven die een uiteenzetting zijn van haar gedachten, haar plannen en ondernemingen. Deze neef schrijft evenwel nooit terug, er komen geen brieven van hem in de roman voor, maar de gerichtheid waarmee Lotte aan hem schrijft, maken hem tot een belangrijk personage in deze roman.

     

     

    Gekkenwerk
    Auteur: Minka Nijhuis
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    575 Haikoots

    Kees van Kooten is een liefhebber van de haiku. Als bewonderaar raakte hij er min of meer door besmet en kon het schrijven ervan niet meer laten. Een haiku is een versvorm van zeventien lettergrepen en bestaat uit drie versregels van respectievelijk vijf, zeven en vijf lettergrepen. Dat het er 575 zijn geworden is dan ook te herleiden naar de opbouw van de haiku.

    Voor de ooit vermaarde Bescheurkalender (1973-1986) van Van Kooten en De Bie, schreef hij zo nu en dan al de zogenaamde Haikoot. Hoewel de oorspronkelijke haiku overwegend gewijd is aan de natuur, gaat een Haikoot over van alles en nog wat. Deze werkwijze resulteert in originele waarnemingen van ons aller doen en laten. 575 Haikoots is een ruime en bonte verzameling Haikoots en voorzien van passende foto’s door Van Kooten zelf.
    Hier is er een:

    uitgevallen roos
    siert nog even de paden
    met een feesttapijt

    575 Haikoots
    Auteur: Kees van Kooten
    Uitgeverij: De Harmonie

    Amerika buiten de Verenigde Staten

    Daniel Immerwahr is een Amerikaanse historicus die onderzoek deed naar de koloniale gebieden buiten VS, zoals de Guano-eilanden en de Filipijnen. In Amerika buiten de Verenigde Staten vertelt Daniel Immerwahr over gebieden die geen vertegenwoordiging hadden in het Amerikaanse Congres, maar er wel door werden bestuurd. In het geval van Puerto Rico is dat tot op de dag van vandaag nog zo.

    Hoewel dit niet strookt met het beeld dat Amerika van zichzelf heeft als voormalige kolonie, is het tot ver in de twintigste eeuw de situatie dat de Stars and Stripes wapperen op eilanden en militaire bases over de hele wereld. Na de Tweede Wereldoorlog nam de VS afstand van het kolonialisme. De tegenwoordige wereldwijde invloed van Amerika doet echter in wezen niet onder voor imperiale macht, zelfs vandaag heeft het nog gebieden over de hele wereld. Een boek over Amerika dat je visie op dit land doet veranderen.

    Amerika buiten de Verenigde Staten
    Auteur: Daniel Immerwahr
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Het weefsel

    De dichter Daniël Vis (1988) won in 2014 het NK Poetry Slam. In datzelfde jaar publiceerde hij Crowdsurfen op laag water, waarover Menno Wigman zei, ‘Eindelijk weer een jonge dichter met een grote mond. En hij maakt het nog waar ook.’
    In 2018 volgde zijn tweede bundel Insect Redux.

    Het werk in zijn nieuwe bundel Het weefsel wordt ‘onvoorspelbaar en rücksichtlos’ genoemd. Hierbij een kleine voorproeve:

    ‘de gestalte
    op dat schilderij van munch —

    de opengesperde mond —

    schreeuwt niet,
    maar legt de handen tegen het hoofd

    om de schreeuw niet te horen.

    de angst,

    een fundamentele
    gebeurtenis —

    dat ik er ben —

    en opnieuw
    ontstaan

    de draden die het gekopieerde dna
    in de zich delende cel verdelen —

    een techniek
    van het aanwezig blijven.

     

     

     

    Het weefsel
    Auteur: Daniël Vis
    Uitgeverij: Prometheus
  • Oogst week 12

    Pingping

    Pingping is de achtste roman van Mariët Meester – schrijver van fictie en non-fictie. Het is een bijzondere uitgave omdat het een eenmalige druk betreft van duizend genummerde en gesigneerde exemplaren. Een experiment van de schrijver, die de oplage laag wil houden om zo een bijdrage te leveren aan een andere manier van omgaan met spullen. Er zal dan ook geen herdruk verschijnen. Meester heeft veel gereisd, en daarover veel geschreven.
    Haar eerste roman, Sevillana verscheen in 1990. Twee van haar non-fictieboeken gaan over haar ervaringen met de Roemeense Roma, waar ze een periode mee samenleefde. Haar boeken kunnen gerust onderzoeksliteratuur genoemd worden, ook in haar romans speelt het onderzoekende een rol. Niet zelden is de hoofdpersoon iemand die terugstapt uit het normale leven en op onderzoek gaat naar nieuwe manieren van leven. Zo ook in Pingping, waarin de jonge vrouw Lily nogal abrupt van de stad naar de polder verhuist. Ze wil niets meer met geld verdienen te maken hebben, Dat valt nog niet mee in een wereld waarin iedereen juist het tegenovergestelde wil. Meesters zet fijne personages neer en beschrijft hen met enige introspectie en een gezonde dosis zelfspot. ‘”Ach aansteller,” zei ze hardop tegen zichzelf, haar stem klonk dun. “Wijvengezeik.” Ze overdreef , dat deed ze ’s nachts altijd.’

    Pingping
    Auteur: Mariët Meester
    Uitgeverij: Uitgeverij Caprae (2020)

    De breedsprakige dame

    Maeve Brennan (1917-1993) was journalist en schrijver van korte verhalen en behoorde vanaf 1949 tot de staf van The New Yorker. Tussen 1953 en 1968 schreef ze columns die ze baseerde op haar wandelingen door New York voor diezelfde krant. Restaurant bezoek, mensen die haar opvielen, haar eigen handelen en gedachten daarover zijn het onderwerp van haar columns. Ze schreef ze onder het pseudoniem ‘The Long-Winded Lady’. Ze beschrijft haar belevenissen en observaties in het New York van de jaren zestig en zeventig op ongekende wijze. Brennan geeft elke ontmoeting, observatie van mens, dier of gebouw tot in detail weer. Zo schrijft ze in een van haar columns uitvoerig over hoe een jongen naar zijn vader rent, een puber die haar als reusachtig overkomt, ‘hij rende heel onhandig, alsof hij zeven armen en zeven benen had die hij allemaal onder controle moest houden’. Ook lezen we over de afbraak van de laagbouw in New York, iets wat ze zeer betreurde. Achterin het boek is een brief uit 1969 opgenomen die ze aan haar collega, schrijver en redacteur  William Maxwell schreef. En begint met, ‘Ik dacht dat ik je een brief zou schrijven als ik de drie woorden ‘koud en zonnig’ in een eerste zin zou krijgen. En zoals je ziet: het is me gelukt.’
    Haar hele leven is ze op een paar korte relaties na, altijd alleen geweest. In 1993 stierf ze vrij ongelukkig in een verzorgingstehuis.

    De breedsprakige dame
    Auteur: Maeve Brennan
    Uitgeverij: Athenaeum – Polak & Van Gennep (2020)

    De reizigers

    Toneelschrijver Regina Porter debuteerde in 2019 met De reizigers, een portret van twee families en een confronterende analyse van het moderne Amerikaanse leven. De roman wordt geïntroduceerd als een toneelstuk, eerst worden de personages voorgesteld onder ‘Dramatis persona’. Er wordt een ‘Tijd van handeling’, vanaf de burgerrechtenbeweging in de jaren vijftig tot het eerste jaar van het presidentschap van Obama, gegeven, de belangrijkste plaatsen van handeling en enige achtergrond informatie. Het voelt als goed voorbereid een verhaal in gaan. Het gaat over de zwarte Agnes Miller die zich in 1966 met haar vriendje op een verlaten weg in Georgia bevindt en door de politie wordt aangehouden. En James Vincent, geboren in een wit arbeidersmilieu, ontsnapt aan zijn milieu door advocaat te worden. Beide levens kruisen elkaar, de keuzes die ze maken worden van generatie op generatie overgedragen. Een geschiedenis van het moderne Amerika. Hier in daar zijn er in de roman klein formaat afbeeldingen opgenomen die het verhaal goed begeleiden.

    De reizigers
    Auteur: Regina Porter
    Uitgeverij: De Bezige Bij (2019)
  • Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Het online tijdschrift voor vertaalde Portugeestalige literatuur Zuca-Magazine publiceert jaarlijks een papieren themaversie, samengesteld uit artikelen die in het onlinemagazine zijn verschenen. Zo was er een special over José Saramago (1922-2010), een poeziënummer en eind vorig jaar verscheen de vierde editie met het thema, ‘Brazilië en de kunst van het vertalen’. 

    De bekendste Portugeestalige schrijver is zonder twijfel Fernando Pessoa, gevolgd door de eerder genoemde (Nobelprijswinnaar 2010) José Saramago en – sinds Benjamin Moser haar biografie bezorgde – de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector. Maar we willen meer schrijvers ontdekken. In deze editite aandacht voor vijf Braziliaanse schrijvers en hun vertalers onder het hoofdstuk ‘Over vertalen’. Adri Boon realiseerde zich tijdens het vertalen van Alle verhalen van Clarice Lispector hoe een omvangrijk werk dit is, zo anders dan een enkele roman te vertalen. Soms sloeg de wanhoop toe in zijn zoektocht naar een vertaling van iets dat in het origineel al vreemd klonk, om dat in het Nederlands ook nog vreemd te laten zijn, maar wel acceptabel. Vertaler Frans en Portugees, Maartje de Kort vertaalde de verhalen in De ziel in het bloed van Ana Paula Maia, over twee varkensslachters, ontleend is aan de werkelijkheid: ‘een fait divers uit 2009 over suïcidale koeien in Zwitserland’. Het was voor de vertaling belangrijk zich onder andere in het slachtersjargon te verdiepen, wat ze deed met het Handboek voor de slager uit 1955.

    Research bij vertalen

    Dat vertalers gelijk schrijvers research moeten verrichten om een vertaling waarachtig te laten klinken, beschrijft ook vertaler Kitty Pouwels. Zij vertaalde verhalen die ontstaan zijn in de krottenwijken van Rio de Janeiro, van de Braziliaan Geovani Martins. Zij kwam via songteksten van Braziliaanse rapnummers uit bij Nederlandse rapartiesten als Fresku en MocroManiac. Ook bezocht ze vele internetfora voor Nederlandse drugsgebruikers en graffiti-artiesten.
    Vertaler Piet Janssen mobiliseerde onder meer zijn kinderen om bij de vertaling Twintig over twaalf van Daniel Galera, een roman over een internetgeneratie, hem in de wereld van Whatsapp en games te introduceren. Janssen ging voor de vertaling van dit boek en op advies van zijn kinderen over tot de aanschaf van een iPhone, om zelf ervaring op te doen in het gebruik daarvan. Voor de wetenschappelijke biologische vertaalkwesties sprak hij met een bevriend arts, zocht in Braziliaanse online woordenboeken naar informeel taalgebruik, computerprogramma’s en games werden onderzocht, alvorens het vertalen te kunnen volbrengen. Janssen besluit met: ‘Het vertalen was een zware, (…) maar ook amusante klus’.

    Yves van Kempen, voormalig literatuurcriticus bij De Groene en redactielid van het teloorgegane literaire tijdschrift Bzzlletin, belicht de kunst van het vertalen aan de hand van het stuk ‘Schrijven is vertalen’ van José Saramago, in deze editie opgenomen. Saramago zag het schrijven in de eigen taal al als een vertaling; een vertaling van dat wat de schrijver ziet en voelt, omgezet naar een algemeen aanvaard ‘tekensysteem, het schrift’. Het werk van de vertaler bestaat aldus uit: ‘omzetting in een andere taal (in principe de eigen taal) van wat in de oorspronkelijke taal al een vertaling was. Kunstig, en zeer doordacht gegeven.

    Absurdisme en Pessoa hand in hand

    In de serie ‘Ofélia’, een samengaan van beeld en tekst, uit brieven aan een meisje dat Fernando Pessoa van kantoor kende. Hij schreef haar, maar het kwam nooit tot een werkelijke relatie. Drie fragmenten uit die brieven zijn geïllustreerd door Zuca Sardan, pseudoniem van Carlos Felipe Alves Saldanha (1933) en tekenaar van absurdistische beelden. Bij het eerste fragment gericht aan Ofélia: ‘Let maar niet op mijn handschrift. Ik weet dat dat een beetje raar is, maar dat heeft zijn redenen. Het eerste is dat dit papier (het enige dat ik vinden kon) erg glad is en de pen er zeer snel overheen schiet; de tweede is dat ik hier in huis voortreffelijke port gevonden heb, waarvan ik een fles heb opengemaakt, en die is al half leeg. De derde reden is dat er maar twee redenen zijn, en er dus helemaal geen derde reden is’, is het beeld een met potlood getekende Pessoa aan een tafeltje waarop een halflege fles waarin een vrouw op het punt staat te verdrinken, blaadjes schrijfpapier fladderen door de ruimte en een gekarakteriseerde Pessoa staart verwezen naar die fles. Uiteraard zijn dit beelden die zelf gezien moeten worden, om zijn goed getroffenheid als om zijn absurdistische humor die erin verscholen zit.

    Bladeren en scrollen

    Verder zijn er enkele gedichten van Marco Lucchesi, Ana C., Pessoa en Zuca Sardan in opgenomen, alsook twee columns onder het motto, ‘Zon & Zeer’ van Harrie Lemmens, en citaten uit het werk van António Lobo Antunes, ‘ De afstand tussen mijn hoofd en mijn stem is zo groot.’ (uit: Voor wie in het donker op mij wacht) in samenspraak met foto’s van Ana Carvalho.

    Portugees is een van de tien meest gesproken talen ter wereld en Zuca-magazine is een goede handreiking voor wie zijn leesgebied van Portugeestalige schrijvers wil verbreden. Sommige bijdragen in de papieren editie overlappen elkaar, zoals een citaat van Saramago dat door Yves van Kempen wordt aangehaald, ook in een van de columns die erin opgenomen zijn, wordt gebruikt. Online valt zoiets niet echt op, maar in een papieren versie leest het wat dubbel. Neemt niet weg dat het zeer prettig is om onlineteksten zo nu en dan op papier in handen te hebben; bladeren door een tijdschrift is gewoon anders dan scrollen op een website. Voor wie dit begeert, het tijdschrift is te koop bij de boekhandel of bij uitgeverij Koppernik. En bezoek ook Zuca online en laat je rondleiden, je komt er beslist verder mee.