• Niet de oorlog

    Niet de oorlog

    Ik stond in de keuken de spruitje voor in een kikkererwtentaart te halveren. Negen knoflookteentjes lagen op de bakplaat in de oven in hun schilletjes gaar te stoven. Uit het geluidsboxje op de plank boven het aanrecht hoorde ik iemand zeggen dat Marga Minco honderdtwee jaar is. Wow, de honderd al gepasseerd, deze schrijver die altijd in stilte opereerde, is stilletjes ouder geworden. Het was de stem van Annelies Verbeke die het in de aankondiging van de nieuwe podcast van Fixdit noemde. Ook dat Marga Minco de eerste levende schrijver in de podcast over klassiekers geschreven door vrouwen is. Vier schrijvers deelden hun enthousiasme over het werk van Minco en de verhalen in Achter de muur, Verzamelde verhalen. Ik denk Het bittere kruid, het zit erin gebeiteld. En haar terugkeer uit de onderduik toen er niets meer was om naar terug te keren, die sfeer herinner ik me uit haar verhalen. 

    Arnon Grunberg leest het verhaal ‘Iets anders’, waarvan hier alleen de dialoog.
    ‘Waarom deed u het?’
    ‘Ik weet het niet.’
    ‘Hebt u dit al eens meer gedaan?’
    ‘Nog nooit’, zei ze
    ‘Denkt u eens goed na’, zei hij
    Het is werkelijk waar’, zei ze
    Minco lezen is een sprong het diepe in, dan ontstaat langzaamaan een kader, een weten waarover het gaat. Haar dialogen worden geroemd.

    Niña Weijers vertelt dat ze in het Witsenhuis aan het Amsterdamse Oosterpark op de verdieping heeft gewoond waar Minco met haar man Bert Voeten en hun twee dochters van 1949 tot 1960 woonde. Dat Minco de echtelijke slaapkamer, waar net een bed in past, (dat wist Weijers omdat het ook haar slaapkamer was toen ze er woonde) moest ombouwen tot haar werkkamertje. En dat ze, armlastig als ze waren, geregeld in de brede dakgoot klommen, waar ze bleven zitten tot de deurwaarders vertrokken waren. 

    Ik denk aan Marga Minco, die ik enkel uit haar teksten ken,  als een teruggetrokken, bescheiden schrijver. Hoewel je in haar verhalen onderhuidse woede en ongeduld met de dingen proeft. In een interview met Ischa Meijer (deze podcast zet aan tot meer willen weten, Minco uit de kast halen), heeft Minco, die dan al zeventig is, het over Het bittere kruid, dat het met dat tuinpoortje in werkelijkheid anders was. Dat ze het tuinpoortje niet doorging, maar terug naar het huis ging, ‘en bonsde en iemand deed het tuinpoortje open en ik had mijn ster afgerukt – ik ging terug.’ Ze vertelt het verderop in het interview nog een keer, omdat het toch nog anders was. ‘ik had de ster van mijn jas gerukt en liet die trillend aan die mannen zien. Later breng ik dus die jassen naar binnen en vader hield ze aan de praat, (…) toen ben ik weggerend’. Ze ‘huilt een heel klein beetje’, noteert Ischa Meijer.  

    Uit het boxje op de plank boven het aanrecht klinkt de opgenomen stem van Minco, ‘Ik ben niet zomaar gaan schrijven omdat ik iets beleefd heb. Zoals mensen wel zeggen ‘wat ik nou heb beleefd, daar kan ik een boek over schrijven’. Maar je kan net zo goed schrijven vanuit je fantasie. Voor de oorlog schreef ik vanuit mijn fantasie.’ Dat niet de oorlog van haar een schrijver heeft gemaakt, maar dat ze dat al was. Dat wil ze weten.
    Deze podcast laat een Marga Minco zien voorbij Het bittere kruid. Lees haar verhalen, en daarna de kleine roman Nagelaten dagen, waarin alles nog eenmaal bij elkaar komt. Intens proza.

     

     

    Luister hier de Fixdit podcast met: Sanneke van Hassel, Annelies Verbeke, Arnon Grunberg en Niña Weijers.
    Citaten uit: De interviewer, 50 interviews uit 25 jaar interviewen / Ischa Meijer


    inge meijerInge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest, (en hoort).

  • Verslavend gedagschrijf

    Verslavend gedagschrijf

    Er was een tijd dat vrienden onaangekondigd langskwamen, er een fles werd opengetrokken, er altijd wel ergens een feest was. Ik lees Moeder en pen, Dagboek 1979-1983  van Mensje van Keulen. In juni 1979 bevalt ze van haar zoontje Aldo. Over de nacht voor de bevalling  schreef ze in haar voorgaande dagboek, Neerslag van een huwelijk. ‘Lon bevestigde een touw aan het plafond waar ik tot een uur of twee iedere vijf minuten aan ging hangen. Tussentijds dronken we wijn, praatten, lachten.’ Haar huwelijk met Lon is dan eigenlijk al voorbij. Hij bedriegt haar met een ander. ‘Ja, wat is er mis. Nu, zonet, gisteren, de afgelopen weken, al zo lang daarvoor. Ik kan het niet meer verklaren, niet analyseren. Ik wou dat ik het in een paar woorden kon in dit schrift, dit gedagschrijf, dat ik kut vind, waarvan ik wou dat ik er nooit aan was begonnen.’

    Dagboekschrijven op advies van Hans Warren en Gerrit Komrij, om het schrijven niet te verleren nu werken aan een nieuwe roman niet lukt. ‘Dus schrijf ik me weer de haastpokken in dit schrift, al lijkt het soms te helpen bij het bedwingen of ordenen van de gebeurtenissen of het ontbreken ervan, wat in feite ook een belevenis is.’

    Ze woont in die jaren aan de Prins Hendrikkade, ‘De hele dag doodmoe door gepieker en de herrie van de IJtunnel en het gebonk van het kraakhuis hiernaast.’ Op 3 okt. 1980 schrijft ze, ‘L is naar de Dordogne. Ik ging terug naar het huis aan de Prins Hendrikkade waar de geesten rondhangen van bejaarden die er vroeger woonden. (…) Hier en daar zit nog een handgreep die herinnert aan het sterfhuis dat het was, ik heb die dingen nooit aangeraakt. Misschien hingen al die tijd dat we hier woonden de eenzaamheid en de pijn van de bewoners nog in de kieren tussen de vloerplanken, (…).’  Ze noteert een bezoek aan beeldend kunstenaar Jan Dibbets en zijn vrouw, die in een voormalige gordijnfabriek wonen. ‘Dibbets had heerlijk gekookt. Hiske’, (hé, is dit de latere schrijver en schrijfdocent Hiske Dibbets, van Droomkeuken?), ‘zijn dochtertje, had de fruitsalade voor haar rekening genomen, Een lief meisje met een tandbeugel, maar dat ding deed niets af aan haar knappe gezichtje.’

    Als ze weer aan een roman werkt, wordt het dagboek overbodig. Op 3 januari 1982 noteert ze, ‘Het afgelopen jaar schreef ik hier maandenlang niet in, de pen gaf goddank voorrang aan mijn boek.’ Dat boek was Overspel, verscheen in 1983. Notities over de befaamde boekenmannen Theo Sontrop en Martin Ros, de laatste zit achter haar schrijfsels aan, de eerste wil een kind van haar. ‘Eerst Theo, die er donderdag op stond met me in La Rive in het Amstel Hotel te dineren en me weer voorstelde een kind bij me te maken.’ Het heeft iets van literair voyeurisme, het ongezien kijken naar het leven van een schrijver die je bewondert om haar volharding, haar boeken.

    Een egodocument laat een leven zonder contouren zien, het is grenzeloos en werkt verslavend. Van Keulen schrijft, ‘Als ik Flauberts brieven opsla, willekeurig, kan ik moeilijk ophouden. Ik onthoud er niets van, maar tijdens het lezen is het of ik met hem meedenk en instem zonder me te hoeven inspannen.’ Zo ook met deze dagboeken, zo gauw ik het boek open, kan ik er niet meer mee stoppen. Het is al middernacht, maar vooruit ik lees nog een stukje, en nog een. ‘23 augustus, Er komt een ’vreselijke’ recensie van Jaap G in HP, is me gezegd. Die zal sommigen dan een goed humeur bezorgen. Ik heb geen zin, en het heeft ook geen zin, om in te gaan op critici. Wordt onderbroken door Aldo: Mama Mennie! Múúúg!’  Het lezen van deze notities drijft je voort, onderwijl de laatste bladzijde vrezend. Dus ga ik nu eerst maar slapen.

    P.S. 0.4.00 uur. Naar toilet, boek op badrand. Ik lees: ’27 augustus, De recensie van Jaap G was inderdaad vreselijk. Nu moet ik volgens hem weer Renate Rubenstein, Nescio, Couperus en Coenen gelezen hebben. Toe maar.’

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

  • Mijn eerste Fay Weldon

    Mijn eerste Fay Weldon

    Op 4 januari overleed op eenennegentig jarige leeftijd de Britse schrijver Fay Weldon. Ze schreef meer dan dertig romans en enkele autobiografische boeken, haar laatste verscheen in 2017. Midden jaren tachtig las ik Fay Weldon voor het eerst. Nadat ik gescheiden was, van de man waar ik nu weer mee getrouwd ben (echt gebeurd), betrok ik een ruime kamer boven een bakkerij  in de binnenstad van Deventer. Ik herinner me een zaterdag in november. Het was miezerig weer afgewisseld met stortbuien. Uit grote besluiteloosheid, waar ik toen ook al aan leed, trok ik alle meubels uit hun opstelling en probeerde ze opnieuw te formeren. Wat net als het formeren van een kabinet, een haast ondoenlijke zaak is. Vloerkleed diagonaal leggen, of toch in het midden van de kamer? Bank voor het raam met het frans balkon, of tegen de binnenmuur/zijmuur? Alles eindigde midden in de kamer, daaromheen de leegte. In die opgebroken toestand las ik mijn eerste Fay Weldon.

    In koel, beschouwelijk proza schrijft Weldon over Lucy, moeder van twee dochters, Praxis en Hypatia. Het verhaal begint met fotobeelden bekeken door Praxis als oudere vrouw. In haar herinneringen was er veel heimelijk gedrag, gekonkel over dit en dat. Gedachten over haar moeder, of ze nu wel of niet met de man die een tijd bij hen inwoonde naar bed ging. Praxis weet: ‘Moeder zou het ontkend en in die ontkenning geloofd hebben, of ze het nu wel of niet had gedaan. In een tijd dat de instincten van de vrouw op zo gespannen voet verkeerden met de regels van de samenleving kon je dergelijke gelokaliseerde amnesieën alleen maar verwachten.’ Wat een geweldige vergoelijking is om te mogen liegen over dingen die niet geaccepteerd werden. 

    De moeder eindigt in het gesticht als haar dochters veertien en zeventien zijn. Als Praxis haar bezoekt, krijst ze net zo lang tot ze weer weggaat. Weldon etaleert verschillende theorieën over relaties tussen ouders en hun kinderen, die ik toen niet zo gezien had. Haar herinneringen spelen Praxis parten. ‘De herinnering aan het diepbedroefde kind dat je was; het besef van fouten, niet goedgemaakt, en wonden, niet geheeld, de verscheurende pijn van een verleden waaraan niets kan worden verandert.’ Dat er niets veranderd kan worden, is van een intense droefheid. 

    Evenals haar moeder verstek liet gaan, zo lukt het ook Praxis niet haar kinderen een veilige haven te bieden. Weldon schrijft: ‘Kinderen die gekwetst zijn groeien op om te kwetsen. Dit weet ik. Ik wist het, maar toch was ik hulpeloos. Ik krijste en schreeuwde, probeerde te moorden of veinsde zelfmoord, in bijzijn van mijn kinderen; beoefende de duistere zijde van mijn erotische natuur onder hun verbijsterde blik, onverschillig voor de afgrond die ik open sloeg onder hun voeten. Ik, die hen behoedde voor de vlooien van vreemde honden, en akelige tonelen in de bioscoop, en die hun haar borstelde met liefdevolle zorg. Ja, dat deed ik, en jij deed dat, en jij ook: betaalde hen terug met wat moeder jou aandeed.’ Dit is Fay Weldon ten voeten uit. Praxis werd genomineerd voor de Booker Prize, maar kreeg hem niet. Dat is jammer, want het is een boek dat bij elke herlezing iets nieuws vrijgeeft. En dat zegt wat. 

     

     


    Inge Meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over alles wat ze leest.

     

     

     

  • Is sneeuw de uitkomst

    Is sneeuw de uitkomst

    Een vriendin vertelde me eens over een schrijver in wiens boeken altijd een dwerg voorkwam. Ook toen ze zei dat ze een boek zonder zou schrijven, kwam er een dwerg in voor. Van sommige dingen die je schrijft, weet je niet dat je ze schrijft. In het werk van Lucas Hirsch lees ik geregeld het woord sneeuw zonder dat het sneeuwt. In het gedicht, ‘Ashuis, I.M. voor Hanna Lauinger 1923-1 mei 1945′, over de verloofde van zijn opa die zelf de oorlog overleefde. Zijn latere vrouw zat in het verzet, wat niet noemenswaardig leek: ‘Het sneeuwde onder bij het leed dat opa te verstouwen kreeg in Auschwitz.’ Als lang na de oorlog ontdekt wordt dat de verloofde van zijn opa vier dagen voor de bevrijding stierf aan een voetinfectie, grijpt het leed van die generatie hem bij de keel. ‘Ik bijt mijn tanden stuk. Mijn tong proeft as en sneeuw en hart.’ Verderop in het gedicht droomt hij dat hij zijn opa ziet slapen. ‘Waar oma normaliter zou liggen lag nu een hoopje sneeuw. Ik schatte er een verloofde, een moeder / en een leven in.’ Wanneer taal niet voldoet, woorden tot emoties vervloeien, is sneeuw de uitkomst.

    Ik denk daaraan als ik halverwege Shotgun Wedding ben. Een boek over de moord op zijn vriend Derk Wiersum die hem volledig velt. Het ongeloof, intens verdriet rauw en razend. Als de tranen koud op zijn wangen liggen, ‘steken ze als de eerste sneeuw.’ Ik kijk mee onder de stolp van rouw waarin de schrijver zich bevindt. De rouwkaart met het in lichtblauw getekende portret van zijn vriend, komt in de boekenkast voor de bundels van de Beats. Lees de rugtitels: Howl, Gasoline, Kaddish. The Wasteland en Leaves of Grass ertussen. Sinds hun vijftiende lazen ze de boeken die hun idool Jim Morrison las. Als elk in een ander deel van Nederland gaat studeren, geven ze elkaar zinnen uit boeken die ze allebei gelezen hebben. De een geeft de eerste zin uit een boek, als de ander de titel weet, geeft deze de laatste zin. 

    Met het verlies van zijn vriend blijven ook de woorden weg, is ‘de poëzie kapot’. Als hij hem voor een laatste keer wil zien, wordt hij gewaarschuwd, ‘Dat je in je gezicht geschoten bent.’ Daar schrik ik terug, het gaat hier niet om een gewoon dode vriend, het gaat om een vermoorde vriend.

    De verschillende gradaties van rouw, verdriet, uiteenvallen, woede. Als dieptepunt de uitvaart. Er is (zwaarbewapende) beveiliging, ‘er dreigt iets, zegt men, wat van deze dood nog veel meer dood wil maken. Noem het de tijdsgeest of de geest uit de fles, een falend systeem, het maakt niet uit, het klemt mijn keel dicht en ik krijg geen lucht.’

    Tien dagen na de moord verlaat de schrijver de wereld waarin hij door rouw verbonden was met vrienden en familie. Een paar maanden later lijkt alles haast gewoon. Weer afspreken met de vriendenclub, waartoe ook Derk behoorde. Een wandeling, een etentje, waarna het gemis des te groter is. ‘In de ochtend word ik wakker met duizend meter sneeuw op mijn hart. Het koelt mijn rouw, dus schudden doe ik niet.’ Dit boek is een indringende elegie om het verlies van een jeugdvriend, van een leven. De woorden werden gevonden, het beklijft ten zeerste.

     

    ‘Ashuis’ uit: Het Liegend Konijn (2021)


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

  • Herinnerde verhalen

    Herinnerde verhalen

    Vorig jaar december bracht de post een boekje met drie kerstverhalen. Ik las ze direct, het waren uitzonderlijke verhalen, zonder kerstboodschap. Het ene verhaal, hoewel triest, ook wel grappig. Het andere onhandig en het derde ronduit verdrietig. Gisteren stond ik er weer mee in handen. Ik dacht aan het wel grappige verhaal, aan de man en de vrouw. Ze zitten in een getekende antieke auto. In de wielen met spaken zit een slag. Ze zijn op weg naar de Elzas, op de vlucht voor kerstverplichtingen. Beiden kijken stuurs. Hun relatie is een duwen en trekken. ‘We hadden een LAT-relatie die zich al jaren voortsleepte zonder dat we er een einde aan wisten te maken.’ Ze logeren in drie verschillende hotels. Gezellig is het niet, het stinkt er. In elk hotel dezelfde stank, steeds sterker, dat wel. ‘We vonden een pittoresk hotel in Beaune. Maar daar was die gore lucht weer, die intussen tot een ziekmakende stank was toegenomen.’ Alsof ze het bij zich droegen. Die relatie komt tot een eind. Dat is het grappige van dit verhaal. ‘Ik schonk mezelf een glas vin jaune in en dacht: dit wordt een heerlijke kerst.’

    In het onhandige verhaal gaat een meisje met haar vriendinnetje voor kerst bij minderbedeelden op bezoek. Ze weten niets van armoede. Met een kerstboompje, een tas vol etenswaren bezoeken ze een vrouw. ‘Daar zat de oude vrouw. Achter haar zagen ze een bruin gordijn, daar zou de slaapkamer wel zijn.’ Er hing een benauwende lucht in de kamer, ‘van ongewassen lijven, urine, afval, bedorven eten en smerige kleren, schimmelig, aards en ziltig tegelijk, een zurige, vettige, onbekende lucht die als een bruine, onzichtbare mist in de kamer hing en alles bedekte.’ Ze wilden zo snel mogelijk die kamer weer uit, maar vragen of ze iets kunnen doen. ‘Afwassen, of de vloer vegen of zo.’ Ze mogen water halen. ‘Er stonden twee emmers bij de deur, ze pakten de emmers en gingen weer de zes trappen af, en met volle emmers weer naar boven. “Bedankt” zei de vrouw.’  Zo gauw de meisjes buiten waren, de eerste indrukken van zich afgerend hadden, vergaten ze de vrouw die later door de schrijver van dit boekje weer herinnerd werd. Op de tekening staan twee onhandige meisjes midden in het kamertje, de oude vrouw op de voorgrond, de rug naar hen toe.

    Het meest moest ik denken aan het verhaal van een meisje dat met haar ouders  in een stad aan zee woonde. Zomers gaan ze zwemmen. De vader met het meisje om zijn hals hangend. ‘ze hield hem goed vast, maar het water stroomde tussen hen in en ze zweefde hoog op het schitterende water’. De vader werd ziek, de oorlog achtervolgde hem. Er werd een nieuw medicijn op  hem uitgeprobeerd, cortisone. Toen werd de vader opgenomen. Het vrolijke kerstfeest wilde niet komen. De moeder huilde, het meisje ook. De schrijver ziet, ‘nu ik ouder word zijn de herinneringen veel scherper. De beelden komen dichterbij, ik maak het steeds opnieuw mee, steeds weer, als het tienjarige meisje dat ik toen was en tegelijk als de vrouw die ik nu ben.’

    Met kerst bezoekt dat tienjarige meisje haar vader. ‘Het rook vreemd in de kamer, weeïg en zoet en naar iets wat aan het rotten was. De lucht van de dood. (…) De lucht zette zich in mij vast, alsof die mij iets wilde vertellen.’ Verhalen aangezet door stinkende geuren. Stank als waarschuwingssignaal voor teloorgang, armoede, de dood. Er staat een getekende, magere vader in streepjes pyjama voor een raam waarachter het sneeuwt. Hij heeft het meisje bij de hand. Het meisje kijkt naar de sneeuwvlokken, de vader kijkt naar het meisje. Rondom hen een getekende kerstkrans van hulstbladeren waarin de dood in de vorm van skeletten als versiering is verwerkt. Dit boekje een kleinood met verhalen die me bijblijven.

     

     

    Drie kerstverhalen / Solange Leibovici / tekeningen Elisa Pesapane / Polak & Van der Kamp


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over alles wat ze leest.

     

  • Geen internet

    Geen internet

    Afgelopen weekend stond er een interview met Judith Herzberg in de Volkskrant. Het ging over muizen, schoenen, taart, woorden die goedkoop zijn, zoals ‘vreemd’. Herzberg is op haar achtentachtigste nog steeds een dichter die zoekt, schrijft, aarzelt, niet weet of het wat is. Of er nog dingen zijn, gezien haar leeftijd, die ze per se wil doen, werd er gevraagd. ‘Die zijn er de hele tijd’, zei Herzberg. En of er ook nog persoonlijke dingen spelen die opgeruimd moeten, ‘met mensen enzovoorts’. Dat vindt Herzberg van geen enkele relevantie voor het gesprek. ‘We moeten wel onderscheid maken tussen privé en werk in een interview, Dat moet. Dat wil ik altijd graag.’ En, ‘Het persoonlijke gaat vreemden geen barst aan.’ Ik bewonder haar pertinentheid. 

    Eind vorig jaar verscheen de bundel Sneller langzaam – reden voor dit interview – maar ze wil het er niet over hebben. ‘Ik ga toch niet met jou mijn eigen bundel bespreken? Ik heb het al geschreven.’, zegt ze tegen de interviewer. Direct gevolgd door: ‘Zullen we de bordjes wegzetten? Of wil je nog meer taart eten? Het is heel machtig. Denk dat de muizen er gek op zouden zijn.’ Wat zomaar een gedicht zou kunnen zijn. Herzberg heeft geen internet, moet ze ook niet aan denken zegt ze, ‘anders ging ik me de hele dag ergeren aan allerlei onzin.’
    Dan die muizen. Eerst was er een, toen waren er twee. Herzberg voorzag dat het er in korte tijd meer zouden zijn. Ze werden brutaler, een muis klom in de gordijnen, de ander kon haar zo aanstaren, midden in de kamer, zich afvragend, wat doet die vrouw hier?

    Een vriendin van mij kijkt altijd eerst naar iemands haarsnit en dan naar de schoenen. Het gaat vanzelf, het is een eigenschap. Herzberg kijkt naar schoenen. ‘Ik heb jouw schoenen ook al bekeken,’ zegt ze tegen de interviewer, ’toen je niet keek.’ Wat ze ervan vond. ‘Heel goeie schoenen.’
    Door Herzberg heb ik gedichten paraat die ik zo kan declameren:

    ‘Vraag
    Hoe is dat zo geworden
    Van altijd komen slapen
    Tot nooit meer willen zien?’ 

    Vorig jaar verscheen een uitgebreide versie van de overzichtsbundel Doen en laten uit 1994. Mooie uitgave, stevige kaft. Daarin staat het gedicht, ‘Het hart’. Over een donorhart dat het niet redt in een ander lichaam. Herzberg verplaatst zich in het hart, dat bij de begrafenis niemand aan dat hart denkt waar niks mee aan de hand was voor het in een ander lichaam werd geplaatst.
    ‘(…) niemand riep: Ho dat gaat zomaar niet, hier wordt een hart begraven in een borst die het verstoten heeft’. Haar gedichten ontstaan uit waarnemingen, overblijfselen van ervaringen van anderen, van haarzelf. Ze zegt daarover, ‘Het is allemaal gestolen. Het is toeval, het is toevallig waar je tegenaan loopt.’ Om van dat toevallige net dat juiste weer te geven waardoor het een typisch Herzberg gedicht wordt, dat is de kunst. Ik las het interview,(een van de mooiste dat ik in tijden las), meerdere keren. Er ontstond het sterke verlangen in navolging van Herzberg zonder internet te leven. Laat ik beginnen met te verdwijnen van Instagram en Linked-in. Judith Herzberg, mijn ‘influencer’.

     

     

    Interview door John Schoorl


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft op het snijvlak van literatuur en het gewone leven.

     

     

  • Gewoon doorroken

    Gewoon doorroken

    Op bezoek in het ziekenhuis zag ik een man in verfomfaaide nachtkleding door de ziekenhuisgangen naar de uitgang lopen, een infuus stellage voor zich uitduwend. Buiten liep hij naar een soort bushokje. Daar haalde hij met een hand, de ander werkloos op de infuus stellage, een pakje rookwaar uit zijn vestzak. Met zijn mond trok hij er een sigaret uit. Hij stopte het pakje terug, stak de sigaret aan, inhaleerde diep en keek bij het uitademen, alsof hij nu pas ontwaakte, om zich heen. In mijn hoofd klonk, ‘Sukkel, waarom stop je niet met roken?’ Alsof je de dood met een rookgordijn op afstand kunt houden. Zou het zo werken? Sigmund Freud zou het geweten moeten hebben. Toen hij zelf leed aan necrose in de mondholte, er een gat in zijn wang ontstond, bleef hij gewoon doorroken. We leven alsof er geen einde aan komt, tot er iets hapert en het begrip sterfelijkheid zijn betekenis krijgt. In de roman Alle mensen zijn sterfelijk van De Beauvoir vindt een ontmoeting plaats tussen een vrouw die het liefst onsterfelijk zou willen zijn, en een man die daadwerkelijk onsterfelijk is, al eeuwen leeft. Zijn grootste wens is dood te gaan. Dat wat we nog nooit ervaren hebben, te willen aangaan. Het zou iets voor een Bucketlist kunnen zijn.

    Schrijfster Katie Roiphe kreeg op haar twaalfde een ernstige longinfectie, de helft van haar longen werd operatief verwijderd. Ze raakte op die leeftijd geobsedeerd door boeken over volkerenmoord. Leest Elie Wiesel, Primo Levi, ontleent er een bepaald soort genoegen aan. ‘Ik wil kinderen zien sterven.’ Misschien omdat de dood haar zo dicht was genaderd dat ze wilde weten wat het is om te sterven. Later maakt ze een boek over het sterfproces bij schrijvers en kunstenaars, mensen met een verbeeldingskracht die de hare te boven gaat. Ze schrijft over de laatste dagen van John Updike, Maurice Sendak, Susan Sontag, Dylan Thomas. Ze las nauwkeurig hun brieven, dagboeken, aantekeningen, manuscripten. Alles om te weten of de dood omarmd danwel ontweken werd.

    Nadat Susan Sontag in 1974 tegen alle medische verwachtingen in borstkanker overleeft, verkeert ze tijdenlang in een roes. Ze zegt, ‘Het heeft mijn leven zoveel intenser gemaakt, heerlijk is dat.’ Dat je opeens weet waar je prioriteiten liggen, zin zich onderscheidt van onzin. John Updike schreef tot het laatste moment, zij het geen proza, maar gedichten over zijn laatste momenten. ‘leven, ja, dat is mooi, / maar niet leven – omgetrokken worden, / een nauwelijks hoorbaar knakje, / in bloei nog en nog altijd / naar het zonlicht uitgestrekt – / ook mooi, laat die fotosynthese toch, / het is mooi mooi geweest.’
    Als Maurice Sendak de tachtig nadert wordt hem gevraagd of hij geobsedeerd was door de dood, ‘Een beetje wel.  Het is zo’n curieus gebeuren.’ Dat in al zijn kinderboeken de dood aanwezig is. Max en de Maximonsters geen onschuldig kinderboek is.
    Roiphe had niet de moed om stervenden in een hospice of oorlogsgebieden te bezoeken. Haar eigen vader wilde ze niet zien toen deze overleden was. Als ze de ‘echte’ wereld wilde zien, sloeg ze altijd een boek open, schrijft ze. Ook daarin zit een obsessie, het voeden van de geest door een boek te lezen, of doorroken als het einde nabij is.

     

     

    Het uur van het violet / Katie Roiphe / vertaling Anne Jongeling / Uitgeverij Hollands Diep (2017)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft op het snijvlak van literatuur en het gewone leven.

  • Woest onrustig

    Woest onrustig

    In het oude jaar was er nog een afspraak met de cardioloog. Hij vroeg hoe het ging, ik lachte, zei goed. De cardioloog keek op zijn beeldscherm naar een hartfilmpje, vroeg om mijn pols. Sprak over hartschade, cardioversie (dat klonk als een eerste of tweede versie van een muziekstuk). Nadeel was mijn vrouw zijn, bepaalde leeftijd enzovoort, verder gezond, haha. Toch de kans op propjes in bloedbanen. En dat willen we niet, besloot hij. Nee, nee, dat willen we niet, zei ik hem na. U moet het rustig aan doen, zei hij. Ik moet het rustig aan doen dacht ik, wist even niet meer wie ik was. Ik voelde me goed, maar wie was dan die vrouw waar deze diagnose bijhoorde? Deuntjes van banger hart en bloedend hart speelden door mijn hoofd. Ik liep rustig door de ziekenhuisgangen naar de uitgang, wachtte rustig op de bus. Thuis liep ik in ‘slow motion’ door het huis, legde handdoeken op kleur, schoof wat met meubelen (rustig).

    In een van de vele brieven van Geer van Oorschot, wiens gezondheid niet best was (longontstekingen, hartinfarcten), schreef hij dat de dokter hem bevolen had het kalm aan te doen. Dat hij daar direct woest onrustig van werd. Van Oorschot was een gedreven briefschrijver, schreef soms achttien brieven op een dag, waarvan meerdere aan eenzelfde persoon gericht. Carola Kloos (wie is zij?), was een van de ontvangers van de brieven van Van Oorschot. Ze schreef dat de brieven van Geert een soort van ‘praten’ waren. De eerste brief schreef hij met aanhef, zogauw die op de bus was, schreef hij verder, zonder aanhef. Dat noemde hij ‘nog wat doorpraten’. Soms belde hij eerst op om de brief voor te lezen alvorens hem op de bus te doen. Hij was ook een dwingend schrijver. Aan Kees Verheul schreef hij eind 1975 over de voorbereiding van het januarinummer van Tirade, schrijvers hadden zich teruggetrokken. ‘Heb jij wellicht iets moois voor mij liggen en zo niet zou je dan een kleiner of groter stuk voor me kunnen maken? (Liefst een groter stuk!) Wil je me even bellen?’ 

    Rutger Kopland ontving ooit acht brieven op een dag. ‘Zijn brieven bestrijken een breed scala van toonaarden: dramatische bewondering, strenge vermaning, vriendelijke troost, alles trof ik er in aan.’, schrijft Kopland. Ook dat hij Van Oorschots latere brieven ervoer als geschenken. ‘Wie schreef daar en waarom?’ Ja, gaandeweg het lezen van zijn brieven begin ik me dat ook af te vragen, waarom schreef Van Oorschot zoveel brieven, wie was die man, wat moest hier vervuld worden?

    Op Tirade.nu vind ik een tekst van Carola Kloos. Dat Van Oorschot haar op een vrijdagmiddag in december 1987, twee weken voor zijn dood, belde. Drie maanden daarvoor had ze hem bezocht, had eigenlijk al afscheid van hem genomen. Toen zei Van Oorschot, ‘Ik heb nog twee weken te leven.’ Op die vrijdagmiddag in december, toen hij ver over zijn tijd van leven heen zat, belde hij haar. Het werd een ‘doodgewoon gesprekje’. Voor ze neerleggen, zegt hij, ‘Nou, het ga je goed’. ‘Jou ook, Geert’, zegt zij. En dat hij daar om lachen moest. ‘Ik lachte mee. Nou, daag, zei hij. Daag, zei ik. Dat men zo voorgoed afscheid neemt: daag.’, schreef ze. Dit was sterven in het harnas, ik bewonder deze uitgever, zijn gedrevenheid. En dat je woest onrustig wordt van het advies het rustig aan te doen, dat herkende ik wel.

     

    Uit: Brieven van een uitgever / Geert van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • Toergenjew en Cardoso

    Toergenjew en Cardoso

    Ik zocht naar de werkelijkheid, naar een verhaal, stoere verhalen, aards maar ook verheven. Meedogenloze winters, weemoedigheid, verblindende zomerdagen, de dood van een bedrieger. Ik begon in Jagersverhalen van Toergenjew, ‘Ik heb een buurman, een jong landeigenaar, die een enthousiast jager is.’ Ik heb niets met jagen, toch las ik verder. ‘Op een prachtige Julimorgen kwam ik te paard bij hem en vroeg hem, of hij zin had mee op korhoenderjacht te gaan. Hij voelde daar wel voor.’ Er wordt gerept van bonte spechten die met geweld tegen de bast van bomen timmerden. En, ‘tussen de struiken kwinkeleerden er tuinfluiters, fitisjes en sijsjes.’ Lezen is soms net als een gerecht bereiden waarvan je nog niet weet wat het worden moet, snufje van dit, snufje van dat. En tussendoor proeven of de verlangde smaak, textuur van het gerecht al bereikt is. Met Toergenjew was ik er nog niet.

    Ik nam Keerzijde van Dulce Maria Cardoso. Over een rijke Portugese vrouw, bijna zestig, die zich op een dag wanneer haar man met een jonge vrouw ergens in de stad in bed ligt, afvraagt hoe ze toch zo oud is geworden. ‘Alice kijkt op haar horloge en vervolgens op de pendule op het dressoir. De pendule op het dressoir loopt nooit gelijk met de andere klokken.’ Ze verveelt zich, denkt aan toen ze jong was. Dat komt door die pendule waar een mollig engeltje op een schommeltje als slinger dienstdoet. Ze kocht het bij een antiquair ‘tijdens haar eerste winter in deze stad.’

    Ze glimlacht tegen de spiegel, ‘Om te bevestigen dat ze nog een mooie glimlach heeft, nog een mooie vrouw is.’ Over een week wordt haar man zestig, ze wil hem een onvergetelijk cadeau bezorgen, maar kan niets verzinnen waarbij het woord ‘onvergetelijk’ zou passen. Op die dag dat Alice niet weet wat ze moet doen, verongelukt prinses Diana, het is dus 1997. Dat is mooi, dat je opeens ergens in zit waar je zelf ook herinneringen aan hebt. Ik was die zomer net terug uit Portugal, vier maanden zwanger van de jongste, toen ik het nieuws op de radio hoorde. Alice werd gebeld door een vriendin:
    ‘Prinses Diana ligt op sterven.’
    ‘Dat kan niet.’
    De vriendin herhaalt het.
    ‘Goh, wat naar, dat is wel heel triest’, zegt Alice
    ‘Een auto-ongeluk. Een verschrikkelijk auto-ongeluk.’
    Alice zucht. Haar vriendin heeft niet de juiste toon  getroffen. Zulk nieuws verdient de juiste toon.’
    Ik mag Alice wel, weet precies wat ze bedoelt. 

    Ik lees verder over de man van Alice. ‘Twee naakte lichamen liggen op een bed. Een oude man, Afonso, en een jong meisje, Sofía.’ Afonso is een machtig man maar weet geen gesprek te voeren met het meisje, ze weerlegt alles wat hij zegt, windt hem om haar vinger. Ze heeft een vriend, Júlio, die niet weet dat zij om geld met Afonso slaapt. ‘Ze lopen hand in hand. Ze lijken gelukkig. Ze lijken gelukkig omdat ze gelukkig zijn.’ (die herhaling!) Afonso wordt ergens in het boek vermoord, door Júlio. Alice wil een biografie over haar man laten schrijven (een mooi cadeau voor zijn zestigste verjaardag). De biograaf die ze daarvoor op het oog heeft is Gustavo, waarover te lezen in het hoofdstuk: ‘Als apen zich konden vervelen, zouden het mensen kunnen worden’, wat een geweldige titel is. Dit boek is dus precies goed, het verhaal groots, Cardoso een schrijver ‘sans scrupules’.

     

     

    Keerzijde / Dulce Maria Cardoso / vertaling Harrie Lemmens / Uitgeverij Prominent (2016)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • Dode zwaan en het meisje

    Dode zwaan en het meisje

    We vierden sinterklaas. Onze vier  kinderen, waarvan twee met hun kinderen, waren vanuit verschillende delen van het land gekomen. Oudste dochter gaf me het boek terug, Ik nog wel van jou van Elke Geurts, dat ik in de zomer had uitgeleend. We waren er beiden enthousiast over, hoe goed het in elkaar zat. Nadat mijn dochter het over de man had gehad die niet verder wil, maar ook niet vertrekt, noemde ik de dode zwaan op de voetgangersbrug. Oh jaaa, knikte dochter. Hoe dat kleine meisje, ging ik verder, met een dode zwaan in haar armen op die voetgangersbrug staat. De blik van dochter wazigde wat. Ik zei, die zwaan die tegen de reling was gecrasht? De mistflarden en hoe heftig het meisje reageert op de dode zwaan? Hmm, zei dochter. Ik beschreef de lange witte zwanenhals, hoe die vanuit de armen van het meisje omlaag bungelde. Dochter volgde me niet meer. Ik zag het aan haar blik. En er moest ook nog koffie, chocolademelk geschonken worden.

    Later vroeg ik me af of er wel sprake was van mist. Er was op dat punt in het verhaal wel veel in nevelen gehuld voor de vrouw. En die dode zwaan verwijst naar het uiteenvallen van iets, (zes jaar later het gezin). Ik denk aan W.F. Hermans die zei dat er ‘bij wijze van spreken geen mus’ zonder enige betekenis van het dak mag vallen. Dan is de betekenis van een neergestorte zwaan toch wel immens. Het kleine meisje wordt intens geraakt door het lot van de zwaan. Ik pak nu het boek er bij voor ik nog meer verzin wat er niet staat.

    Op bladzijde drieënveertig staat dat het stralend mooi weer is. Mannen lopen in bermuda’s, kinderen op slippers. Vader, moeder, baby en het meisje wandelden over IJburg, vinden de dode zwaan op de voetgangersbrug. ‘Het was ondraaglijk om naar zijn witte veren te kijken, de zon die erop weerkaatste, zoals op verse sneeuw.’ Het verhaal wil dat ook het zwanenvrouwtje, dat haar man zocht, tegen de reling van de brug vloog, stierf. Nergens iets over een meisje dat de zwaan droeg.

    Haar nieuwste boek, Wie is die vrouw? gaat over de ontdekking dat ex-man al jarenlang een relatie met een ander had op het moment dat hij zei, ‘Ik hou niet meer van jou’. Waarop het boek, Ik nog wel van jou ontstond. Kort na verschijning daarvan verneemt ze dat hij dus al jaren vreemd ging. ‘Ik had het heus wel kúnnen bedenken.’ schrijft ze. ‘Maar tot aan dat moment zou ik mijn leven ervoor hebben durven geven, en dat van mijn kinderen, dat het niet zo was gegaan.’ Voor het verhaal lijkt het onzinnig dit bedrog openbaar te maken, het is mosterd na de maaltijd. Zij  stelt voor dat hij haar de komende jaren regelmatig een doosje goede wijn stuurt en het er dan niet meer over hebben. ‘De volgende dag al werden er drie dozen goede wijn bezorgd. De weg was weer vrij. We gingen verder.’

    Maar sommige dingen laten zich niet afkopen. Er moet geschreven worden (dit boek gaat ook over schrijven). De bedrogen vrouw schrijft zich toe naar een vrouw die op zichzelf bestaat. ‘De mist tussen mij en de wereld trok (…) op.’ Geurts speelt met verschillende stijlvormen, versies van eenzelfde gebeuren. Alles om te onderzoeken hoe het had kunnen gaan, waar die vrouw toch was toen de dingen plaatsvonden. Geweldig boek!

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • Een marktplein

    Een marktplein

    Ik lees Onder literatoren, vijfentwintig schrijversinterviews die tussen 1970 en 1983 door Herman De Coninck geschreven zijn. Prachtige gesprekken. Zoals met Anton Koolhaas die bekend stond als onbenaderbaar, vertelt over zijn dierenverhalen, het heeft over, ‘Het begrijpen dat alle vragen dood.’ Intrigerend, een begrijpen dat allesomvattend wordt, stilstand tot gevolg heeft. Vragen brengen je vooruit, los van je achtergrond creëer je een andere wereld. Het zinnetje  ‘Ik had nooit nieuwsgierig leren zijn.’ is me uit het prijswinnende essay van de Joost Zwagerman Essayprijs, ‘Bruikleen’ van Falun Ellie Koos, bijgebleven. Net zo intrigerend als fnuikend. Je ontwikkeling bevriest als vragen niet gewoon zijn. Het allereerste interview van De Coninck was in 1970 met Jan Wolkers, het laatste interview in het boek is in 1983 met Breyten Breytenbach. Het zijn veelal (witte) mannen en (twee) vrouwen, niemand stelde zich daar toen vragen over.

    Schrijvers uiten kritiek op elkaar in de interviews. Jan Wolkers over Mulisch, ‘Hij is een van die kunstluizen die alleen maar naar Cuba gaan om bruin te bakken in zwembaden (…).’ En Mulisch over Wolkers, ‘… die schrijft altijd maar weer zijn Kort Amerikaans, en de ene keer heet dat Turks fruit en de volgende keer weer anders.’
    De Belgische dichter en kunstenaar Paul Snoek vindt dat dichter en kunstenaar Marcel van Maele teveel schrijft. Hij zou zijn energie beter moeten gebruiken: ‘(…) hij schrijft en hij schrijft maar. De energie die nu in tien gedichten zit, had hij in één gedicht moeten stoppen.’ En dan volgt een heerlijke jaren zestig/zeventig vergelijking: ‘Dat is zoals een huisvrouw die de hele week eten maakt met dezelfde dingen, die telkens weer haar overschotjes gebruikt, vandaag de restjes van gisteren met wat kaas en gratin erop, morgen de restjes van vandaag met weer een ander sausje. Ze blijven altijd aan hetzelfde dingetje peuteren.’ In de muziek noemen ze dat variaties ‘op’. De Coninck schreef honderden interviews voor het blad Humo, een tijdlang was Piet Piryns zijn compagnon, gingen ze samen op pad.

    Eind jaren zestig begon psychiater Dr. R.H. Hoofdakker als Rutger Kopland poëzie te schrijven. De Coninck vraagt, ‘Toen bent u beginnen te schrijven?’  Kopland zegt, ‘Ja, voor die tijd was het allemaal vanzelfsprekend. Ik was gewoon arts, en… nou ja, dat was ik dan. Maar sindsdien is alles in beweging gekomen, ook om me heen, en ik kan me aan die beweging niet onttrekken.. (…) Ik ben me vragen gaan stellen. Een heleboel zekerheden zijn onder de tafel geraakt.’ Vragen trekken dingen los, morrelen aan bestaande zekerheden. 

    Voor De Coninck betekende het interview met Kopland een kentering in zijn leven. Sinds de dood van zijn vrouw bij een verkeersongeval waagde hij zich niet meer aan poëzie. Kopland zegt dat wat in Poëzie werkzaam is, ‘de troost van de herkenning is’. Hij vertelt over een jongen die een paar dagen in dienst zat en het daar niet uithield. Die jongen zei: ‘Zolang ik die bundel gedichten maar bij me had, kon ik het wel verdragen, want ik had het idee van: die dingen zijn voor mij geschreven, voor mij bedoeld. Zie je,’ zei Kopland ‘het “ik” waar het in mijn gedichten om gaat, dat ben ik niet. het “ik” is een marktplein waar de mensen samenkomen.’ Het bracht De Coninck ertoe te gaan schrijven over zijn verlies.
    Op Cees Nooteboom na zijn alle geïnterviewden zijn overleden. Deze interviews doet ze spreken als waren ze er nog. En dat is mooi.

     

    Onder Literatoren, Vijfentwintig schrijversinterviews / Samengesteld en bezorgd door Thomas Eyskens en Piet Piryns/ De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

  • Goedkoop lezen

    Goedkoop lezen

    Afgelopen zaterdag was de jaarlijkse recensentenborrel bij Hinderickx & Winderickx aan de Oude Gracht in Utrecht. Een goede gewoonte. Ik toog erheen met snacks, vorkjes (er zou taart zijn), tafellinnen. Het was prachtig weer. Ik propte me in te korte treinstellen tussen een teveel aan passagiers. We deden het goed, schoven een beetje in, stapelden tassen op schoot, wurmden sjaals rond halzen los. Op station Amersfoort dromden we in een bewegende sliert naar de overkant van het perron om de trein, die op het punt van vertrekken stond, te halen. In Utrecht  haastte ik me met een OV fiets door de eindeloze voetgangerspassages (sinds wanneer worden fietsen geweerd?) langs de gracht. Net op tijd om het meegebrachte tafellinnen over de boekenkast te draperen ter bescherming van vetvlekken en rode wijn. 

    Wat zo leuk is aan een recensentenborrel, is dat je er met een of meerdere boeken wegkomt. Er is altijd het moment dat elke recensent, het hoofd zijwaarts gekanteld, langs de boekenkasten schuift op zoek naar een boek. Ik twijfelde bij winkeldagboek deel 3. Er lag een gebonden – en een paperback editie. Het verschil was tien euro. Ik koos de paperback, er moesten ook nog boodschappen gedaan worden, zo dacht ik. Terug in de trein naar huis werd dit gelijk afgestraft. René Hesselink, boekhandelaar, schrijft  op dinsdag 3 juni 2008, ‘Waarom begrijpen de mensen toch niet dat je, als je een een beetje bibliotheek wilt opbouwen, gebonden boeken moet kopen.’ Oei, oei, oei! Iets verder schrijft hij het slachtoffer te zijn van lezers die zo goedkoop mogelijk willen lezen. Ik voelde me met terugwerkende kracht gewogen en te licht bevonden door de boekhandelaar.

    Ik lees verder, over een klant. ‘Daar was die vreselijke Van der A. weer. Al jaren bezoekt hij onze winkel regelmatig, maar nooit koopt hij wat. Vaak heb ik me afgevraagd wat hij hier toch zoekt. Te veel tijd waarschijnlijk en dat probeert hij in onze winkel kwijt te raken.’ Ik lach besmuikt, maar weet ook: Verlaat nooit een boekwinkel zonder boek! Meesterlijk hoe beide boekhandelaren na publicatie van hun eerste winkeldagboek, de verwachting hadden dat het wel klanten zou trekken. Niets bleek minder waar. ‘Veel klanten durfden niet een boekwinkel te betreden waar je het risico liep in een boek terecht te komen. De lafaards!’ Ze maakten het goed door zichzelf in deel 2 ‘als net zulke beklagengswaardige sukkels’ te beschrijven als de klanten.

    Ach, en dan het overlijden van ‘kompaan’ Hans  Engberts in 2011. Het zoeken naar een nieuw evenwicht in het voortbestaan van de winkel. Twee weken na zijn overlijden schreef Hesselink, ‘Soms ben ik kwaad op hem dat hij ertussenuit is gepiept en mij in de steek heeft gelaten met die winkel en al het gedoe.’ En dan, ‘Gek idee, dat Hans deze regels nooit zal lezen. Voor wie schrijf ik eigenlijk nog?’ Gelukkig bleef hij schrijven, over klanten, inkoop van boeken, de stand van de literatuur, goede en slechte verkoopdagen, regenachtige dagen, en altijd die ééneurobakken.
    De laatste regels van dit winkeldagboek werden geschreven op 12 september 2022, het boek zit in de laatste redactieronde. ‘Het wordt een bijzonder leuk boek, evenals de vorige delen. Denk ik. Jammer dat ik het zelf geschreven heb. Ik zou het graag lezen.’ Dit is inderdaad een bijzonder leuk boek, moeilijk weg te leggen. 
    Was Hesselink geen boekhandelaar, dan was hij toch schrijver.

     

    H&W winkeldagboek 2007-2022 / René Hesselink en Hans Egberts / blz. 287 / Uitgeverij IJzer


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.