• Waanzin

    Waanzin

    In ieder van ons schuilen ongewenste verlangens die de grens van het betamelijke overschrijden. In een flits (als ik nu een duw geef aan degene die voor me de stationstrap afloopt hoe wordt er dan gevallen?) kunnen bevreemdende gedachten de geest binnensluipen. Die je natuurlijk negeert, want je bent niet gek. In het boek Gevallen engelen – een titel die terecht ‘hoogmoed komt voor de val’ oproept – worden zulke verlangens tot uitvoer gebracht, waarmee ik niet teveel verklap. Vijf studenten, drie jongens, twee meisjes wonen eind jaren tachtig antikraak in een oud landhuis aan de Kromme Rijn in Amelisweerd. Ze hebben het goed met elkaar, maken afspraken (geen gebruikelijke corvee afspraken) over de omgang met elkaar: geen ongevraagde bemoeienissen, geen seks onderling, altijd zoeken naar de waarheid.

    De bijna vijftiger, ooit gesjeesd filosofiestudent, Michel van Bourbon Wittelsbach woont in een huisje naast het landhuis en hangt de leer van filosoof Foucault aan. De studenten in hun onbekommerde manier van omgang en Michel met de uitstraling van een kluizenaar, voelen zich tot elkaar aangetrokken. Er wordt gekookt en samen gegeten. Het landhuis heeft een gevulde wijnkelder waar gretig gebruik van wordt gemaakt. Onder invloed van Michel ontstaan er vijf opdrachten voor Paul, Breteler, Kim, Djoera en Hubert die hen zullen helpen hun waarheidsbevindingen te toetsen en elkaar beter te leren kennen. Michel observeert wanneer ze samen zijn, geniet en stelt dingen als: ‘De waarheid is de naakte waanzin van de mens.’

    Wanneer elk van de studenten hun diepste verlangen onder aanmoediging van Michel als wens opschrijft, is dit de laatste opdracht en luidt het einde van hun vriendschap in. Ook dit is geen spoiler, want het geheim van Gevallen engelen zit in de constructie en hoe het leest, als een verleiding. De man zonder eigenschappen van Robert Musil komt er in voor. Niet enkel als terloops genoemde titel wanneer Paul en Hubert dit boek in de bibliotheek zoeken. Het standpunt van Musil – dat het voldoen aan maatschappelijke verwachtingen je allerlei eigenschappen verleent maar tot vervreemding van jezelf leidt –  voert in Gevallen engelen de ondertoon. Een geweldig verhaal, met intrigerende karakters. En nee, we gaan het niet vergelijken met een ander geweldig  boek. Dit boek is zichzelf genoeg.

    John Cheever opent zijn boek Bijna een paradijs met een leesadvies: ‘Dit is een verhaal om in bed te lezen, op een regenachtige avond in een oud huis.’ Voor Gevallen engelen wil ik voorstellen het boek in tijdloze ruimten te lezen, zo gauw de kinderen naar school zijn of de baas het pand verlaat. Maar bij voorkeur in de ochtend trein van 06:17 uur richting Berlijn. Heb dan weet van het ritme en de trillingen van de trein alsook van de stopmomenten op tussenliggende stations waar de ochtendzon nog net onder de overkapping van het station doorschijnt. Wanneer je aankomt ben je een ander mens. En kun je, zoals de personages in Gevallen engelen nooit meer terug naar wie we waren. Anthony Mertens zou zeggen: ‘Lezen, man!’

     

    Gevallen engelen/ Almar Otten/ 414 pagina’s/ AFdH Uitgevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag en schrijft daarover.

     

  • Geluk met een hamer

    Geluk met een hamer

    Tussen de regels door ontstaat het inzicht, daar waar je het laat afweten verschijnt een witregel, naar behoefte in te vullen. Moeders zijn verantwoordelijk voor het geluk van hun kinderen en (oh nee) van hun man. Jawel, het komt (nog) voor dat vrouwen die gedachte aanhangen. Geluk moet zo nu en dan met een klap van de hamer uiteen geslagen worden om het contact met de werkelijkheid niet te verliezen. Ook het zoeken naar een betere, idealere versie van onszelf en de ander, het beter presteren, lief zijn en alles sans rancune, mag gestaakt worden.

    Andrea zit in het onderwijs en heeft samen met Tjibbe (oogarts, betweterig type) twee kleine kinderen. De compromissen, het eeuwige goede voorbeeld geven, de teleurstellingen, het venijn (altijd in de staart) die hun samenleven beheerst, maken Andrea wanhopig. Alles normaal, alle in orde, is het mantra waarmee ze haar leven op de rails houdt. Ze zegt enkel wat de ander wil horen. Haar gedachten zijn verontrustend. Zo laat ze in gedachten Tjibbe dood gaan in zijn slaap. Het zou haar het gedoe en de schaamte van een scheiding besparen. Ze zou oprecht verdrietig zijn, dat wel. Dan: als het werkelijk zou gebeuren, is het haar schuld, haar gedachte moet zijn dood wel in werking hebben gezet. Deze grenzeloze en moreel niet aanvaardbare gedachten geven aan hoe beklemmend het leven kan worden.

    In een van die opwellende gedachten ziet Andrea hoe ze haar tegenspartelende jongste van de commode afduwt of door  het openstaande raam naar buiten gooit. Weg ermee. Ze breekt een derde zwangerschap af zonder Tjibbe hierover in te lichten (wat niet weet, wat niet deert). Drie weken na de ingreep gaat ze naar een onderwijsconferentie in Helsinki. Op de ochtend van vertrek krijgt ze het stikbenauwd. Als een gewond dier verschuilt ze zich in het berghok op de zolder van hun huis. Drie tassen met boodschappen om de komende dagen (tot ze wordt terugverwacht uit Helsinki) door te komen, sleept ze mee naar boven. Terwijl Tjibbe denkt dat ze in Helsinki een conferentie bijwoont, ligt Andrea op zolder in een slaapzak op een matje haar leven te overdenken, scenario’s te bedenken over hoe nu verder en volgt ze gespannen de geluiden in huis als die opeens ernstig dichtbij komen.

    En dan is er de angst voor de onoverbrugbare afstand die ze tot Tjibbe voelt:
    ‘Ik kan die verwijdering niet benoemen zonder ons gezin kapot te maken. Alles is met elkaar verbonden. Zodra ik die worsteling woorden geef, is het onomkeerbaar, die woorden kruipen nooit meer terug in je strot. Ze zullen voor altijd de lucht doen trillen.’

    Onderdak van Elisabeth van Nimwegen is een beklemmende roman over samenleven, een gezin vormen. Zonder twijfel worden hier de benauwende gedachten van veel jonge mensen verwoord. Met een sterk en ja, hilarisch einde. Andrea zegt gewoon wat ze denkt. Wetend dat wat ze zegt niet is wat de ander wil horen.

     

    Onderdak werd uitgegeven bij Van Oorschot (2018).


    Inge Meijer is een pseudoniem. Ze leest de godganse dag en schrijft daarover.

  • Pokdalig

    Pokdalig

    Er ligt een man in spierwit pak met blauwe schoenen op een bankje in de wachtruimte van een station op het platteland. Een feestganger die de tijd verloren heeft. Het is zes uur in de ochtend, ik wacht op de eerste trein richting Zwolle. Bij het rinkelen van de bellen van de spoorwegovergang, komt de man overeind. Zijn rode gelaat contrasteert treffend met zijn witte pak. Het woord pokdalig komt in me op. Hij zit voorovergebogen op de bank, ellebogen op knieën, hoofd in handen. Verwoed gaan zijn handen over zijn gelaat (wangen knedend, neus plat- en opdrukkend naar boven, voorhoofd met vingertoppen wrijvend, gespreide vingers door haren). Daar zit een glimp van het nachtleven, de magie van het ochtendgloren.

    De Amerikaanse schrijfster Annie Proulx begint elke nacht om drie uur met schrijven. Tot een uur of zeven, dan zijn ’the powerfull observation’ uren voorbij. Dan spelen behoeften op, moet je de dag in. Proulx schreef drie prachtige bundels over ranchers, cowboys, pioniers, loners in Wyoming. Waar vrouwen kinderen baren, (daar veranderde het vrouwenkiesrecht dat in 1864 al van kracht was in Wyoming niets aan), mannen de deur uitgaan om verdwaalde koeien te vangen, wilde paarden op te jagen of rodeo’s te rijden. Vaders sterven door ongevallen, moeders aan ziektes en kinderen door onwetendheid. Het is de achterkant van het beloofde land Amerika dat de schrijfster onder de loep neemt. Daar, waar de minder succesvolle levens gestald zijn.

    Een jongen van zestien koopt voor honderd dollar een stukje grond voor zichzelf en zijn zwangere meisje van vijftien. Hij bouwt een hut met twee ramen, een deur en een tafel van in de lengte doorgezaagde boomstammen. Als er geen werk meer is, gaat de jongen op reis. Het meisje is een taaie, ze redt zich wel. Tot ze een miskraam krijgt en er geen levende ziel in de buurt is. Het enige wat ze heeft is een zilveren lepel, een familie-erfstuk van haar moeder. Daar graaft ze, liggend op de harde grond een ondiepe kuil mee om haar doodgeboren kindje in te leggen. Ze bloed dood en wordt na enkele seizoenen gevonden door een vriend van de jongen die een oogje in het zeil zou houden maar er niet was. De jongen is dan al gestorven aan een bloedvergiftiging ver van huis. Van elkaar hebben ze nooit geweten dat ze dood waren.

    Proulx begint dit verhaal van Archie & Rose, 1885 met de proloog: Men denkt wel eens dat de pioniers die het land in kwamen, een lap grond kregen, een zwaar leven leidden, een stel kleine schooiertjes opvoedden en zo een ranchdynastie stichtten. Sommigen deden dat ook. Maar verreweg de meesten leefden kort en werden snel vergeten’.
    Proulx verhalen over die levens brengt ze zonder een poging iets glad te willen strijken, het is Fine Just the Way It Is.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze leest de godganse dag en schrijft daarover.

     

  • Zelfmedelijden

    Zelfmedelijden

    Op zaterdag reisde ik met de trein via Deventer richting Vlissingen en weer terug om een broer te bezoeken. Eerder die week was ik een dag in Almere (God behoede me), daarna paste ik twee dagen op de tweeling kleindochters, mijn telefoon liet ik onderweg ergens liggen. Toen werd het moederdag. Er was geen spoor van moederviering (wat een onzin, daar doe je toch niet aan, moederdag) te bespeuren. Buiten guurde een koude wind en ik, de gekwelde moeder bleef in bed, verlangend naar een boeket blauwe Delphiniums en rode Pioenrozen.

    Goddank is er VPRO Boeken. De enthousiaste stem van schrijver Willem Otterspeer klinkt vanuit de op het bed liggende laptop. Otterspeer vertelt dat hij Herfsttij der middeleeuwen (een titel gelijk een boeket bloemen) voor het eerst zag in de bibliotheek op de middelbare school. Hij nam het uit de kast. De meester die het zag, zei: ‘Je mag het meenemen maar je gaat het toch niet begrijpen’. De meester had gelijk. ‘Ik begreep er niets van.’ Toen hij het later nog eens ging lezen, dacht hij het wel te begrijpen. ‘Maar’, zei Otterspeer bij VPRO Boeken: ‘Als je denkt dat je het begrepen hebt, heb je het nog niet begrepen.’ Kijk, daar veerde ik van op. Dat is nog eens een zegswijze die mij de oren doen spitsen en mijn brein prikkelt. Op slag vergat ik dat hele moederdag gedoe. Wie alles begrijpt, heeft niets meer te leren en kan zijn resterende dagen in bed doorbrengen. Zoals de grootouders in Sjakie en de Chocoladefabriek van Roald Dahl.

    Otterspeer spreekt zo gedreven over de historicus Johan Huizinga en het boek Herfsttij, dat ik het als een gemis ervaar dat ik het niet heb gelezen. Een boek dat als een vermenging van de geur van bloed en rozen omschreven wordt. Bloed voor de brute, ruwe kant van het leven, rozen voor de schoonheid van de kunsten en de geestelijke wereld. Huizinga en de tegenstellingen van het leven zelf. Volkeren worden uitgeroeid, kinderen leven onder erbarmelijke toestanden terwijl op hetzelfde moment de reparateur voor de afwasmachine gebeld wordt, er een feest te vieren is en we een reis voor de zomer plannen. Hoe dat kan, dat het leven doorgaat ondanks alles. Huizinga lezen lijkt opeens noodzaak.

    Otterspeer kan na de vijfde keer dat hij Herfsttij las nog niet zeggen dat hij het helemaal begreep. ‘Ik denk dat je iets pas echt begrijpt als je erover schrijft.’ En hij schreef het boekje De kleine Huizinga, een samenvatting van Herfsttij. Hij zei ook: ‘Als ik Huizinga lees raak ik zo enthousiast dat ik moet gaan lopen.’ Dat is zo waar, om iets te begrijpen is beweging nodig, het bed uit, de straat op, de wereld in, een boek kopen.
    Ik laat me eerst gidsen door De kleine Huizinga, dan door naar de grote.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Andere wereld

    Andere wereld

    Ik worstelde met een boek, ik begreep er niets van, dacht dat het aan mij lag. Ik kwam de deur niet meer uit, had slapeloze nachten. Het boek kon er niets aan doen. Het was een op het oog eenvoudig boek, korte genummerde hoofdstukken van anderhalf, twee bladzijden. Als iemand vraagt waar gaat het over, zou ik zeggen: over schuld en onschuld, online roddelen, bedrog en liefde en ja, ook over de dood. Er zat nog iets in dat boek wat ik er na drie keer lezen maar niet uit kreeg. Ergens bleef ik in gebreke, dat ergerde me. Toen was ook de Australische dichter Les Murray nog overleden. Hij zou dit jaar eenentachtig worden. Ik las ooit een stuk van Maarten Elzinga dat me direct voor de dichter innam.

    Elzinga verbleef in 1994 in een vertalershuis in Duitsland waar een collega-vertaler onderzoek deed naar koeien, voor de vertaling waar ze aan werkte. Elzinga’s nieuwsgierigheid was gewekt, hij spiekte over haar schouder: The Cows on Killing Day van Les Murray. ‘All me are standing on feed. The sky is shining. / All me have just been milked…’, en was verkocht. Dat doet de taal van Murray dus, je een ongekend gebied in trekken.

    Murrays gedicht Hantering van de nagelclipper vond ik een van de verrassendste gedichten toen ik zijn werk leerde kennen. Om dat ‘knor en oempf’ en ‘misduimd’ en dat het dus werkelijk over het knippen van teennagels ging. Om van een even banale als afstotende (ik gruw van nagelknippers in mijn bijzijn) verzorging van het lichaam iets ritmisch te maken. Je leest het nog eens en weer wordt met elk woord het bewustzijn aangesproken.

    ‘Na blootvoets, knor en oempf
    weerkaatst de teennagelclipper
    die bumpers knipt van buitennagels
    op de harde houten vloer.

    Het schuin afstaande hefboomroer
    ketst af, misduimd, van de overkaak
    buit weer toe en trimt a tempo
    de haken van middelst loopwerk.

    Tsjak! De hele tang schiet weg
    onder de bank – til die bank op
    graai met overdwarse arm
    herpak je om nog meer te knotten,

    een overzijdse knie omklampend
    toon je binnendij, en snoeit
    de hoornen uitwas die de planken
    met grijze kever-bix bestrooit.’

    Les Murray groeide op als enig kind op een boerderij aan de noordkust van Australië. Zijn moeder kreeg meerdere miskramen en  overleed toen hij twaalf was. Zijn vader leed aan depressies, verwaarloosde de boerderij. Als puber zwerft Murray veel buiten rond, jaagt op konijnen, denkt erover mee te vechten in Vietnam. Zo nu en dan schrijft hij een gedicht. Dan ontmoet hij zijn vrouw Valerie Morelli, ze krijgen vijf kinderen. In 1965 verschijnt zijn eerste bundel, The Iles Tree. Murray leed aan depressies en verdween soms wekenlang van de radar, rondtrekkend door Australië. ‘Een depressies kwam als een ongewenste gast die te lang bleef hangen’, zei hij tijdens een interview met de Bayerischer Rundfunk in 2014. Murray schreef zijn gedichten met de hand en op de typemachine. Een computer was nooit een optie geweest.

    Les Murray was er van overtuigd dat zijn gezin, de poëzie en zijn geloof hem voor een leven als paria en vijand van de ‘human’ behoed hebben. Hij publiceerde meer dan dertig bundels en werd jarenlang getipt (aan dovemansoren) als kandidaat voor de Nobelprijs.

    Opeens wist ik wat me in het boek met de korte hoofdstukken tot ergernis dreef. Bij iedere herlezing werd er iets nieuws ontdekt maar werd het verhaal diffuser. Bij herlezing van de lange en soms cryptische gedichten van Murray ontstaat er een helderheid die leidt tot iets op zichzelf staand. Ik hou van dingen die op zichzelf kunnen staan.

     

    In 2013 verscheen het omvangrijke en door Maarten Elzinga vertaalde De planken kathedraal (525 p.) bij De Harmonie.


    Inge Meijer is een pseudoniem. 

     

  • Wereldstad

    Wereldstad

    Er heerst een mazelenepidemie in New York. Burgemeester Bill de Blasio kondigde de noodtoestand af. De ziekte concentreert zich in de orthodox-joodse gemeenschap in de wijk Williamsburg. Het is waar de  joods-Amerikaanse schrijfster Deborah Feldman vandaan komt. Door haar boek Onorthodox heb ik de wijk op mijn persoonlijke kaart kunnen bijtekenen. Feldman werd geboren in het jaar 1986, vijf jaar na de geboorte van mijn oudste zoon en vijf jaar vóór de geboorte van mijn tweede dochter. Dit haal ik erbij om de realiteitszin van haar levensverhaal enigszins in perspectief te brengen.

    Feldman groeit als enig kind op bij haar grootmoeder (Bobie) en grootvader (Zeidy). Haar vader is verstandelijk beperkt. Haar moeder wordt uit Londen overgevlogen om met haar vader te trouwen en is onwetend over de verstandelijke vermogens van haar aanstaande. Het huwelijk houdt geen stand. Na haar geboorte verlaat haar moeder de gemeenschap. Haar vader zwerft over straat, debiele lach om de mond. Op een nacht wordt er door leden uit de gemeenschap een klopjacht ingezet op een inbreker. Haar vader wil laten zien dat hij er ook bij hoort. Nadat de inbreker is ingerekend, waar hij geen enkel aandeel in had, klopt hij bij zijn ouders aan.
    “’Ik ben ze achterna gegaan!” verkondigt hij. Bobie zucht. “Waarom heb je geen schoenen aangetrokken toen je ging rennen, Shia?” Er sijpelt bloed van zijn tenen op de deurmat, maar mijn vader merkt er niets van; de idiote uitbundigheid straalt van zijn gezicht. “Ga naar huis, Shia,” zegt Zeidy op trieste toon. “Ga naar huis toe, slapen.” Hij duwt de deur dicht in mijn vaders gezicht, zachtjes, bijna eerbiedig, en zijn hand blijft op de knop rusten terwijl mijn vaders voetstappen zich verwijderen in de gang.’

    De schrijfster groeit op in een wereldstad maar heeft geen idee. Als op 11 september 2001 even na acht uur in de ochtend twee gekaapte passagierstoestellen zich in de Twin Towers van het World Trade Center boren, is het feit dat de ramen op school gesloten zijn (terwijl ze in de zomer altijd open staan) aanvankelijk het enige dat de dag anders maakt. Rond het middaguur worden de kinderen naar huis gestuurd. In de loop van de middag dringt de impact van de ramp door. Volgens haar grootvader zullen de joden, zoals altijd, de schuld krijgen. Haar grootmoeder gelooft dat de joden niet genoeg boete hebben gedaan en er  weer een holocaust komt.

    Op haar zeventiende wordt de schrijfster uitgehuwelijkt, daar is niets romantisch aan. Op tweeëntwintigjarige leeftijd verlaat ze  de gemeenschap. Ze volgt literatuurlessen, leert Engels en begint met schrijven. Als haar levensverhaal Onorthodox is verschenen, wordt ze door de gemeenschap verketterd. Ze vinden haar erger dan Goebbels en ze zou met haar daad een volgende holocaust veroorzaken. Tegenwoordig woont de schrijfster in Berlijn en schreef inmiddels drie boeken.
    Ik ben er nog niet over uit wat de betekenis van een orthodoxe gemeenschap voor de joodse mensheid is. Onorthodox is een boek over ultra-orthodoxe joden, niet te verwarren met zionisten. Over een gemeenschap die jaarlijks de Israëlische vlag verbranden. Ik had geen idee.

     

    Orthodox van Deborah Feldman verscheen bij De Geus.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Juiste tools

    Juiste tools

    Nu de vrouw en de moeder in de afgelopen Boekenweek in openhartige en tedere portretten werd geëerd, keren we terug naar het leven van alledag, naar moeders die niet deugen. Moeders die niet over de juiste tools beschikken om het moederschap vorm te geven. Zoals de moeder in Moeders van anderen van Mirthe van Doornik. Een naargeestig boek over een alcoholistische moeder en haar dochters van twaalf en vijftien. Het enige waar de moeder zich verantwoordelijk voor voelt is plannen maken, het geld (dat er nooit is) en de boodschappen, wat inhoudt dat er van veel niets in huis is. Brood wordt besmeerd met bakboter, wc papier gebruikt als koffiefilter. En als moeder iets op het vuur laat staan terwijl ze dronken op het balkon zit, zijn de kinderen voorbereid. Ze hebben een vluchtkoffertje op hun kamer klaarstaan.

    Wel is er altijd wijn en bier en zit moeder vol verrassingen, beide door de meisjes verafschuwd. ‘Ik wil geen verrassingen meer. Elke keer als ze een goede moeder wil zijn gaat het fout, als we schoolspullen nodig hebben trakteert ze ons op de Chinees en wanneer we willen slapen neemt ze ons mee naar het café.’ Zo nodigt moeder de Roemeense accordeonist die altijd voor de buurtsuper staat uit op de verjaardag van de oudste. Of ze gaan op vakantie naar een vrijstaat, net buiten Amsterdam. ‘Een stuk natuur met tipi’s en allemaal mensen net zoals wij’ roept de moeder op een toon van ‘is dit niet leuk?’ Waarop een dochter herhaalt: ‘Mensen zoals wij?’ ‘Bohemiens, mensen die zich niet thuis voelen in deze maatschappij.’ De moeder droomt over een leven ver buiten haar bereik. Ze komt niet verder dan zich rijk te rekenen door wiet, die met vuilniszakken vol het huis wordt binnengebracht, te onttoppen.

    Het boek begint met de registratie van de twee meisjes in de metro van school naar huis (zwartrijders op bevel van moeder) en een vrouw die hen mee wil lokken. ‘Jullie moeten met mij mee naar huis komen, zegt de vrouw als de metro door de tunnel dendert. Vier haltes, dan zijn we er.’ De meisjes springen voortijdig uit de metro. Thuis vertellen ze het hun moeder, we volgen de blik en gedachten van de jongste:
    ‘Voorzichtig kijk ik naar de rookstoel waar ze waarschijnlijk al heel lang in zit, misschien de hele middag al. “De metro is zijn geld niet waard,” zegt mama. Met haar wijsvinger schraapt ze een bakje yoghurt leeg. “Dit is precies waarom ik er niet voor betaal.” Ze zet het lege bakje op de grond waar het zeil in grote plakken over elkaar ligt. Mama heeft niemand kunnen vinden die het mooi voor ons kon leggen, nu ligt het zoals plakken kaas op een broodje.’

    Man, man, man, wat een boek. Het speelt in de jaren negentig en die sfeer (een soort van interbellum) is zo voelbaar dat je er labbekakkerig van wordt als je het leest. De schrijfster is bekend met een drinkende moeder, een moeder die anders is. Ze zijn er, en Mirthe van Doornik schreef er een prachtig boek over.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zij leest de godganse dag en schrijft daarover.

     

     

     

  • Verbinding

    Verbinding

    De schreeuw om een geordende wereld spatte de afgelopen weken van het internet. Daarbij sloegen links en rechts elkaar bestraffend om de oren en dienden rampen zich aan. Ik droomde ’s nachts gewoon dat ik aan de arm van Remco Campert liep. Er was geen loper, er was geen feest. We waren een knap stel al ben ik geen schoonheid maar Remco Campert is toch een opmerkelijke verschijning. Het was een evenwichtig moment. Tegen de ochtend droomde ik dat ik met een kind, in een doek op mijn rug gebonden, van een stenen trap afliep. Het doek raakte los en het kind rolde zo langs me heen naar beneden, waar de trap in het water verdween. Ik werd wakker van een ernstig (droge) snikken. Ik begreep niet wat ik ermee moest. Ik ging naar beneden en zette in de keuken de radio aan, vulde een ketel met water.

    Op de radio de stem van een hulpverlener ter plaatse over de toestand in Mozambique. Het kan altijd nog erger. Een cycloon raasde op een nietsvermoedende vrijdagochtend over het land. De gevolgen zijn verschrikkelijk. Er is honger, gebrek aan schoon water, cholera heerst. De stem van de hulpverlener valt af en toe weg. Mijn gehoor staat op scherp, zie voor me een verwoest landschap, een modderig landschap. Ik vrees dat de omroepster, zoals bij de radio gebruikelijk is bij een slechte verbinding, zal zeggen: ‘Zeg, de verbinding hapert…, jammer maar we…’.

    Ondertussen zoek ik in mijn hoofd naar iets van een verbinding met Mozambique om dichterbij te komen. Iets dat me als een strak geworpen speer dwars door de feitelijkheden heen bij de kern der dingen brengt. Ik loop naar de boekenkast en zoek naar de Portugees/Mozambikaanse schrijver Mia Couto. Zijn eerste roman, Slaapwandelend land speelt in Mozambique tijdens de burgeroorlog in de jaren zeventig. Een hopeloze geschiedenis waarvan sommige beelden me bijbleven. Van een vrouw met een lichte huidskleur, een zeemeermin? Ik zoek het op. Een visser redde een vrouw uit zee. De visser was het niet van plan, maar zo gauw hij haar op het droge heeft en haar ongewone huid ziet, bindt hij haar vast op het strand. Wie haar lichte huid wil zien, moet betalen. De visser is blij met deze neveninkomsten. Maar de vrouw werkt niet mee. Er staat een bakje water en een schaaltje vis naast haar. Ze raakt het niet aan. De visser was een sluwe vos, schreef Couto. Verhalen zijn hoeders van de geschiedenis, maken de ondoenlijke werkelijkheid tot een overzichtelijk geheel.

     

    Slaapwandelend land / Mia Couto, Vertaling: Harrie Lemmens, Van Gennep (2009)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Vooruitgang

    Vooruitgang

    Ik moest aan Honder jaar eenzaamheid denken. Dat kwam door de toestand in Venezuela waar ze het al dagen zonder elektriciteit moeten stellen. In Trouw stond een artikel Langzaam rot alles weg in Venezuela. De verslaggever merkt op dat vlees, vis en andere bederfelijke waar niet meer verkrijgbaar zijn. Winkels en markthallen zijn onverlicht. Er wordt geplunderd, de plunderaars worden gewelddadig gestraft. Door hyperinflatie werden er voor de stroomuitval al geen bankbiljetten meer gedrukt, door de stroomstoring is pinnen niet meer mogelijk. Een man die een tros bananen koopt (‘een beetje groene’) moet beloven dat hij het eens zal betalen. Venezuela krult zich gedeeltelijk om Colombia, waar de schrijver Gabriel García Márquez vandaan komt en er begin jaren zestig Honderd jaar eenzaamheid schreef.

    Ik ben aanhanger van de gedachte dat afhankelijkheid eens bekocht moet worden. Als er één radartje uitvalt van het systeem waar we ons dagelijks leven op bouwen, zakt de boel in elkaar. Zoals een brug het niet lang houdt zonder die ene moer die het lostrillen van onderdelen moet tegengaan.
    Ik pak het boek erbij. ‘Vele jaren later, voor het vuurpeloton, moest kolonel Aureliano Buendia denken aan de lang vervlogen middag, toen zijn vader hem meenam om kennis te maken met het ijs dat de verrotting van bederfelijk voedsel zou tegengaan.’ Deze openingszin deed me toen beseffen dat een ijskast ooit een toekomstdroom was. De derde zin, ‘De wereld was nog zo jong dat vele dingen nog geen naam hadden en om ze te noemen, moest je ze aanwijzen met je vinger.’ verleidde me onherroepelijk tot doorlezen. Nog steeds, als ik deze zin lees, scherpt het mijn blik, alleen nu meer op het verleden waar het voorheen op de toekomst was gericht.

    De geschiedenis als tijdsbubbel waarin alles aanwezig is dat nodig is om het leven in beweging te brengen, ten goed of ten kwade. Waar soms wat van zolder wordt gehaald dat er eerder (ongewenst geacht of uit de mode) naartoe was verbannen maar toch weer dienst kan doen. In Honderd jaar eenzaamheid herhaalt de geschiedenis zich voortdurend zonder werkelijke vooruitgang of verbetering. De eerste generatie Buendia begint met Kolonel Aureliano, die na de dood van zijn grote liefde, de oorlog ingaat en tijdens zijn omzwervingen zeventien vrouwen zwanger maakt. Alle zeventien bevallen ze van een zoon, Aureliano genaamd. Vijf generaties later verliest de laatste Aureliano zijn vrouw tijdens de geboorte van hun zoontje. Hij raakt aan de alcohol en verwaarloost zijn zoontje, dat sterft. Daarmee eindigt het verhaal.

    Het artikel in de krant eindigt met de observatie van een vrouw die een paar zakjes ijs voor drie dollar per stuk koopt bij een vrachtwagen. Door gebrek aan functionerende ijskasten deden ijsblokjes bijeen gehouden in een zakje, het weer goed. De vrouw kan, dankzij het geld dat familie haar vanuit het buitenland stuurde, een paar zakjes kopen. Onder de verzuchting ‘Net de Middeleeuwen’ loopt ze ermee weg. In Venezuela bijt de vooruitgang zichzelf in de staart.

     

    De 73e druk van Honderd jaar eenzaamheid verscheen in 2017 bij uitgeverij Meulenhoff, vertaling Mariolein Sabarte Belacortu en C.A.G. van den Broek.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Saffraanperenboom

    Saffraanperenboom

    De tuinbonen staan te weken op het aanrecht. Het weekwater haalde ik gisteravond uit de regenton achter het huis. Vijfentwintig gerimpelde, tot in hun kiem verdroogde tuinbonen schudde ik vanuit een zakje in mijn hand en liet ze in het bakje glijden waar ze zich lispelend en knisperend volzogen met minuscule waterelementen. Straks gaan ze de grond in, vijf centimeter diep. Terwijl ik de tuin inloop denk ik aan de schrijfster wiens boek Moord op de moestuin diezelfde avond bij dwdd tot ‘Boek van de maand’ werd uitgeroepen. De boekverkoopster die het mocht onthullen liep over van enthousiasme: ‘het sleurt je naar binnen…, een whodunit…, droogkomisch…, met vaart…’, en eindigde tenslotte met: ‘Ik heb zó genoten jonge.’ (inderdaad zonder ’n’). En ik, die altijd geërgerd de stickers van gelauwerde boeken afpeuter, voelde geen aversie tegen dit Himmelhoch bewonderen.

    De karakters in Moord op de moestuin zijn, zoals in de Engelse detectiveserie Midsomer Murders, vormvast in hun handelingen. Met hier en daar een kleine afwijking in hun gedrag waardoor ze (oh heerlijke suspense) voor even de mogelijkheid van verdachte claimen. Er is een dertig jaar oude vermissingszaak en er vallen doden, al dan niet door moord. Bijzonder is de rol van een honderdjarige saffraanperenboom, de enige in zijn soort in Nederland. Ik had er geen weet van en zocht het op. In 1652  liet Jan van Riebeeck in Zuid-Afrika een park aanleggen voor groente en fruit om de VOC-schepen te kunnen voorzien van vers voedsel om scheurbuik te voorkomen. Anno 2019 staat er in het Van Riebeeckpark in Zuid-Afrika de oudste saffraanperenboom ter wereld, die blijkt uit Nederland afkomstig.
    Het voortbestaan van de saffraanperenboom in het moestuinencomplex is aanleiding tot een van de moorden.

    In de ik-figuur Judith is (voor wie de Faxen aan Ger gelezen heeft) de schrijfster te herkennen. Als de vrouw die zwijgen kan wanneer dit nodig is maar die, als ze spreekt, op het puriteinse af eerlijk is. Ook als Judith een herinnering wil delen en de anderen roepen: ‘Dat weten we al uit je boeken!’, is zo’n mooie verwijzing.
    Wanneer halverwege het boek de ontwikkelingen opeens wel erg snel gaan, deelt ze met onderstaand fragment een knipoog uit aan de lezer.
    ‘Tante Lidewij stierf nog diezelfde dag. Volgens Cora was zij over het hek rond haar bed geklommen omdat in haar verwarde geest toch iets was blijven hangen van de terugkeer van haar man [de schedel van haar vermiste man was gevonden]. Ook haar dood konden we hieraan toe schrijven, ze had gewacht tot hij terugkwam en toen het leven eraan gegeven.
    Het klonk allemaal wat al te mooi en ik zag dat Thijs bedenkelijk keek, maar het was toch troostrijk.’

    Ik stel me zo voor dat de man van de schrijfster, die in het boek de rol van Thijs kreeg, haar eerste lezer is. Dat hij bij deze passage de wenkbrauwen fronste en vroeg: ‘Is dit niet wat al te mooi?’ En inderdaad, dat is het. Maar door de manier waarop het er staat, wordt het Meesterlijk.
    Nu wil ik dus ook die dwdd sticker op mijn boek.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Een tirade van…

    Een tirade van…

    Het leek een leven geleden dat ik me onder flanerende wandelaars en fietsers bevond. Met geknepen ogen tegen het zonlicht fietste ik over de dijk. Halverwege knoopte ik mijn jas open, trok de sjaal los van mijn hals. Wat een lentedag. In de bocht van een landweg zat een zilverreiger in de berm. Toen ik dichterbij kwam, vouwde de reiger zich in een oogwenk om tot een liggende witte steen. Nu zag ik meerdere witte stenen, om een bocht in de weg te markeren. Een waarneming voor een gedicht. Het zou ‘origami’ kunnen heten. Maar ik ben geen dichter, wel een lezer van gedichten. In die hoedanigheid las ik een Tirade van eind vorig jaar. Lang voor de ‘Week van de Poëzie’ begon, was deze Tirade geheel gewijd aan poëzie. Je moet niet overal op in willen spelen zullen de makers van het blad gedacht hebben.
    In de laatste rubriek van het blad, ‘De tirade van…’ – waarin een schrijver zijn hart inzake de literatuur mag luchten – schrijft Alfred Schaffer ‘Poëzie mag best een beetje moeilijk zijn’.

    Schaffer gaat tekeer (nouja, tekeer,… hij is verongelijkt) tegen al diegenen die poëzie niks vinden. In het bijzonder tegen muzikante Eefje de Visser. Hij verwacht van Eefje – gezien haar teksten – enige affiniteit met poëzie te hebben. Dat heeft ze niet. Ze is oprecht wars van poëzie. Terwijl haar teksten pure poëzie zijn, meent Schaffer. Maar Eefje zou ze niet gedrukt willen zien, ze gelooft niet dat iemand dat wil lezen: poëzie. ‘Poëzie kan ik heel goed verdragen als het in popmuziek is verwerkt, maar poëzie lezen in een bundel vind ik maar zelden zeer interessant.’ Een opmerking te eenvoudig om je lang druk over te maken. Eefje is een niet-lezer van dichtbundels. Daar valt niets mee te beginnen als je het over poëzie wilt hebben.
    Zoals bij elke goede tirade, komt pas halverwege de aap uit de mouw, datgene waar het ten diepste om gaat.

    Bij Schaffer gaat het om de verwachting dat poëzie leesbaar en begrijpend moet zijn. Hij vindt dat poëzie niet alleen gericht op ‘directheid, verstaanbaarheid en instemming’ moet zijn. Dit onderstreept hij met een citaat van de Amerikaanse dichteres Dorothea Lasky: ‘Poets should get back to saying crazy shit. All of the time.’ Wat hij een (bijna) cliché vindt, maar ook: ‘clichés zijn waar’. Ik had nog nooit van Lasky gehoord, ook dit citaat was me onbekend. Als een gedicht teveel van me vraagt, blader ik door. Uit luiheid. Daar schaam ik mij nu wat voor, nu ik Schaffer over poëzie heb gelezen. En dan nog die laatste regels, waarin hij aanhaalt wat een leraar eens tegen dichteres Maud Vanhauwaert zei: ‘Maak jij maar iets waar niemand op wacht.’ Schaffer gunt iedereen zo’n leraar.
    Wie nu deze Tirade (nr. 473) in handen krijgt: lees eerst Alfred Schaffers tirade en dan de gedichten in het nummer. Want in het licht van Schaffer spelen er krachten mee die dwingen verder te kijken. Dan ga ik op zoek naar iets moeilijks, iets van Dorothea Lasky.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Iets ongemoeids

    Iets ongemoeids

    Een druilerige zondagmiddag dient om te lezen, boek op bank. Al wordt het steeds moeilijker onbevangen te lezen. Het gebeurt te vaak dat in één week een boek en zijn schrijver op radio/tv èn in de opiniebladen breeduit besproken wordt. Dat er nog andere boeken bestaan buiten die uitzonderlijk lovend en doorbesproken boeken, lijkt nauwelijks een mogelijkheid. De veelheid aan reacties op de nieuwe roman van Pfeiffer maakte mij uiteindelijk leesdoof (de betekenis kon ik niet zo gauw vinden maar het is zoiets als wanneer de inhoud van een boek zo vaak en meerstemmig geduid is, dat je niet meer kunt horen wat de schrijver vertelt). Ik zocht dus iets ongemoeids, een boek waarnaar niemand nog taalde.

    Vanaf de bank tuurde ik naar de stapels boeken op de grond, (de bank een boot, de boeken het water waarop ik drijf), en zag De wateraap. Een witte cover waarop een dierlijk schepsel met een vogeltje op zijn puntige oor op de rug van een goudbruine vis met kippenpoten zat. Wezens van een ander land. Een debuutroman van een mij onbekend auteur. Er zijn schrijvers die in hun proza lijken te roepen ‘kijk mij, kijk naar mij!’ En er zijn schrijvers die zich verbergen voor de lezer, die lijken van geen lezer te weten. Zoals het werk van Minke Douwesz en Miek Zwamborn, daar moest ik aan denken toen ik in De wateraap begon te lezen:
    ‘Naar de slapenden kijk je niet, naar de doden wel. Zonder schaamte. We vonden hem ’s ochtends, liggend in een krul alsof hij sliep, zomaar een ding geworden. Ko legde haar hand op haar smalle keel, alsof ze de groeven en plooien wilde beschermen, en zei dat het nu begonnen was. Ik keek weg. Ze zei het tegen zichzelf, niet tegen mij.’

    Die ‘mij’ is Elke, student biologie, die haar afstudeeronderzoek richt op het fruitvliegje en zijn alcoholadaptatie. ‘Waar het op aankwam was steeds maar weer bewijzen dat de evolutietheorie klopte.’
    Wat daar ligt, ‘in een krul’, is een dode vos. Ko is een zelfvoorzienende oudtante en woont in een huisje onderaan de dijk bij de IJssel. De vos, Ko en de rivier zijn de peilers in deze roman waar de wateraap zich omheen slingert.
 Elke logeert veel bij Ko en helpt met de groentetuin. Elke is zoekende, naar een huid waarin ze past, een identiteit, een oorsprong die haar ruggensteun geeft. Ze gelooft in de hypothese van de wateraap. Een hypothese die aanneemt dat onze voorouders lange tijd in water hebben geleefd. ‘…hoe hij ooit door het water had gewaad, rechtop, met trage passen, hoe zijn handen tot de polsen in het water hingen, de vingers gespreid,…’.

    Elke verlaat Ko en gaat op reis naar Wenen, waar ze de schrijfster van haar lievelingsboek over de wateraap zal ontmoeten. Het wordt een enorme deceptie, die het boek naar een intens mooi beschreven einde leidt.

    Daarbij heb ik nog nooit in de literatuur zo’n mooie echo van Rutger Kopland horen weerklinken als in De Wateraap:
    ‘Ik verzweeg hoe het was om op je knieën sla te oogsten. Wanneer je met een blikkerend mes de krop van de aarde lossneed, bleef het bittere melksap nog even doorstromen, de voldongen feiten tartend. Maar het was vooral de aanblik van een leeg geoogst bed dat ik slecht verdroeg.’
    Een boek om stil van te worden. Laat Mariken Heitman de lezer vergeten en verder schrijven.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.