• Oogst week 37 – 2025

    Scènes uit een giftige relatie

    Vanaf de zijlijn is het makkelijk praten: giftige relatie? Stap eruit! Maar wat als je er middenin zit en dat niet lukt? In Scènes uit een giftige relatie van Diana Tjin, valt Hermine, zeventien jaar oud, als een blok voor Berend, student en vijf jaar ouder dan zij. Ze denkt dat ze in haar relatie met hem de akelige dingen uit haar jeugd zal kunnen vergeten, maar van haar droombeeld van hun leven samen — samen studeren, carrière maken, kinderen krijgen — blijft weinig over zodra ze samenwonen. Berend kleineert haar en Hermine wordt in een traditionele vrouwenrol gedrukt. Wat volgt is een gevecht met zichzelf.

    Diana Tjin (1961) is schrijver en werkt als Erfgoed catalografe bij de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Ze werd geboren in Amsterdam, is van Chinees-Surinaams-Joodse afkomst en studeerde Klassieke Talen aan de UvA. Eerder verschenen er meerdere romans van haar hand, waaronder Het geheim van mevrouw Grünwald en Noem me Calimero; of Carmen zo je wilt. Voor haar nieuwste roman, Scènes uit een giftige relatie, gebruikte ze haar eigen relatie uit de jaren ’80 als voorbeeld.

    Scènes uit een giftige relatie
    Auteur: Diana Tjin
    Uitgeverij: In de Knipscheer


    Geld verdienen

    Handelen met voorkennis. Ellie en Freya, die elkaar nog van de middelbare school kennen, hebben geld nodig en de beurs biedt uitkomst. Dat is het begin van Hanna Bervoets’ Geld verdienen. Een aandeel waarvan Ellie weet dat het waarschijnlijk snel meer waard wordt is te verleidelijk om aan je voorbij te laten gaan. Alleen, waarom wordt iedereen die het bezit getroffen door geheimzinnige en akelige kwalen? De vriendschap tussen Ellie en Freya komt onder druk te staan en Ellie moet een keuze maken, een onmogelijke keuze. 

    Hanna Bervoets (1984) is schrijver, essayist en scenarist. Ze studeerde Media & Cultuur, gevolgd door een master Journalistiek & Research en debuteerde in 2009 met de roman Of hoe waarom. Sindsdien publiceerde Bervoets romans, scenario’s, toneelstukken, korte verhalen en essays. Bervoets’ werk is meermaals genomineerd, voor de Gouden Boekenuil, de AKO Literatuurprijs en de Libris Literatuurprijs. Ook won ze in 2017 de BNG Bank Literatuurprijs voor haar roman Ivanov, en ontving ze de Frans Kellendonk-prijs voor haar gehele oeuvre.

    Geld verdienen
    Auteur: Hanna Bervoets
    Uitgeverij: De Pluim

    De brievenbezorgster van Puglia

    Het is 1934 als Anna met haar gezin naar Lizzanello verhuist, het geboortedorp in Zuid-Italië van haar man Carlo. Zelf is ze Noord-Italiaanse en een opvallende verschijning in het traditionele dorp, met de broeken die ze draagt, daar voorbehouden aan mannen, haar interesse in lezen en haar nieuwsgierigheid. Hoewel Carlo het afkeurt gaat ze aan het werk als de eerste vrouwelijke postbode van het dorp, gesteund door haar zwager, Antonio, die haar niet alleen begrijpt maar ook liefheeft. Niet zonder strijd bezorgt ze twintig jaar lang de post. Dat houdt meer in dan brieven bezorgen: ze kent alle geheimen van het dorp. 

    Francesca Giannone (1982) is geboren in Lecce, Italië. De brievenbezorgster van Puglia is haar debuutroman, waarin ze historische gebeurtenissen, de Tweede Wereldoorlog, het opkomende feminisme en het vrouwenkiesrecht, verweeft met een persoonlijk verhaal. Giannone won er de Italiaanse boekhandelsprijs mee. Het boek was twee jaar lang de bestverkochte roman van Italië en werd aan 24 landen verkocht, waaronder Nederland.

    De brievenbezorgster van Puglia
    Auteur: Francesca Giannone
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Het halfduistere verleden van een dwangarbeider

    Het halfduistere verleden van een dwangarbeider

    Levensverhalen doen het goed in de Nederlandse literatuur. De ‘memoirs’ over het eigen leven of dat van anderen, zoals familieleden, verschijnen met grote regelmaat. Het lijkt wel of de lezer meer en meer interesse heeft in ‘echte levens’ boven gefictionaliseerde literatuur. Dit uit de Engelse literatuur overgewaaide genre maakt furore, misschien wel omdat we steeds meer betekenis toekennen aan herinneringen aan ingrijpende gebeurtenissen. En een memoir is gewoonlijk korter en toegankelijker dan een vaak volumineuzere (auto)biografie.

    Zo’n ingrijpende gebeurtenis is het tewerk worden gesteld in Duitsland van de 18-jarige Fons van Stolwijk, vader van de auteur van dit boek, Elly Stolwijk. Zij is inmiddels iets over de 70, en beschrijft minutieus en invoelend het leven van haar vader, een dwangarbeider in Duitse dienst, zowel in de oorlog als, maar dan veel korter, erna. De eerste zin van het boek spreekt boekdelen: ’Fons is nog geen eenentwintig jaar jong als hij in de zomer na de bevrijding, de precieze datum is onbekend, terugkeert uit nazi-Duitsland waar hij gedurende de Tweede Wereldoorlog dwangarbeid had verricht in metaalfabrieken in Berlijn en Lauchertal, een ervaring waarover hij tijdens zijn leven nauwelijks kan spreken (…).’ De bladzijden beslaan steeds een hele lange zin, een stilistische keuze die Stolwijk vaker maakt en waarvan je je kunt afvragen wat de meerwaarde ervan is. Maar die keuze doet niet af aan het belang van dit boek over een minder bekende, maar toch omvangrijke groep Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog. Hun lot is vaak vergeten of op zijn minst veronachtzaamd, vermoedelijk omdat de schaal en omvang van slachtoffers “meeviel”: op de 500.000 dwangarbeiders zijn er 30.000 omgekomen. Nog een flink aantal, maar in geen verhouding tot slachtoffers onder de Joodse bevolking en andere categorieën slachtoffers. Bovendien hangt er om het fenomeen dwangarbeider toch altijd wel een sfeer van waarom zijn die mannen niet gaan onderduiken?

    Een klein stukje gewoon leven

    De eerste zin van het tweede hoofdstuk – de hoofdstukken zijn ultra kort – opent het verhaal: ’In de vroege zomer van 1943 reist Fons, ruim een maand voor zijn negentiende verjaardag, onvrijwillig met de trein naar Berlijn, het is zijn eerste buitenlandse reis, hij kan zich niet voorstellen wat hem te wachten staat en hoewel de levendige jongeman nieuwsgierig is naar de grote wereld, had hij deze beker liever aan zich voorbij laten gaan, immers, hij is door toedoen van zijn werkgever, de Rijksbelastingdienst, opgeroepen werk te verrichten in nazi-Duitsland, onderduiken is geen optie want dan zullen ze zijn pa meenemen, dus hij aanvaardt dit lot.’

    Deze zin staat voor de teneur van dit boek. Uiteraard worden belevenissen zo levendig mogelijk beschreven aan de hand van zowel opgespoorde bronnen als een geloofwaardige fantasie, maar nergens is er sprake van groot drama of superspannende avonturen. Het zijn kleine belevenissen, klein leed, zeker in verhouding tot het zo veel grotere leed in de concentratiekampen, van de hongerwinter, de vervolging, de misdaden tegen de menselijkheid enzovoort. Toch waren het schrale bestaan in slaapzalen bij fabrieken en de ontberingen een realiteit voor honderdduizenden Nederlanders (en andere nationaliteiten) die in Duitsland tewerk waren gesteld. Er is sprake van enige vrijheid, bijvoorbeeld om op zondagmiddag in Berlijn een biertje te gaan drinken. Mits je je maar op tijd meldt bij de fabriekspoort kun je een klein stukje ‘gewoon’ leven leiden. Maar het is ook een leven in permanente onvrijheid en met behoorlijk wat ontberingen. ‘Het is eind januari 1945 en de tijd lijkt stil te staan, de werkweken zijn tergend lang, de dagen grijs en koud, het sneeuwt vaak en er staat een schrale oostenwind, met gebogen hoofden lopen de arbeiders in de vroege ochtend naar de fabriek, met gebogen hoofden komen ze aan het eind van de dag terug, soms hoort hij zijn moeders stem, of die van pa, ineens lijkt het alsof hij moedert hoort huilen, hij schrikt van het wanhopige snikken en kijkt op, ziet de grote hal om zich heen draaien en moet, misselijk van de zure lucht van ijzervijlsel, steun zoeken van de draaibank, hij braakt gal (…)’. Met respect voor de lotgevallen van Fons, dit proza gaat eindeloos door met kleine variaties over meestal onvriendelijke bewakers, de ziekenboeg en de kameraden die elkaar erdoorheen helpen.

    De grotere gebeurtenissen zoals de overplaatsing van Berlijn naar een kleinere stad en natuurlijk vooral de bevrijding krijgen wel wat meer reliëf, maar het proza is helaas nogal monotoon en cliché. ‘Fons ervaart in een intens moment de aanwezigheid van de lente, die verwachtingsvolle, groenige geur, ijl (…). Er is ook nog een parallelle geschiedenis van Fons met een vrouw, er zijn interessante observaties over de productieprocessen in de voor de wapenindustrie werkende fabrieken, er zijn boeiende notities over het verschil in behandeling van de ‘laagste’ categorieën, Oekraïners, Polen en Russen versus de Nederlanders en Fransen.

    Zoeken om ervaringen te delen

    Stolwijk wil haar vader een stem geven en ‘ingeslikte, onverteerde woorden naar buiten brengen’. Op zichzelf een nobel streven. De auteur legt daarbij uitvoerig uit hoe ze haar onderzoek heeft uitgevoerd. Een reis op haar 23e naar het toen nog in Oost en West gescheiden Berlijn, een vakantie in 2012, twaalf jaar na de dood van haar vader in 2000, een vakantie in de Eiffel waar zij en haar partner een oude waterkrachtcentrale bezoeken. ’s Middags tijdens het bezoek krijgt ze opeens weke knieën, ‘iets logs dringt mijn borstkas binnen en neemt me over, terwijl tranen mijn blik vertroebelen’. ’s Avonds: ‘Ik probeer de gebeurtenis van die middag te begrijpen. In welk krachtenveld was ik terechtgekomen? De vlammen laaiden op en in een helder moment weet ik dat het onzichtbare veld toebehoorde aan mijn vader.’

    Tsja, en daarna begint een jarenlange zoektocht naar de vader. Na elk hoofdstuk documenteert Elly Stolwijk de met volharding uitgevoerde tocht naar het verleden van haar vader. Het eindresultaat is een kruising tussen historisch onderzoek en met enig pathos opgeschreven fictie. Honorabel en bij vlagen interessant, maar daarmee nog niet een meeslepend en pakkend boek. Wel een integere verantwoording van een zoektocht naar het halfduistere verleden van haar vader als dwangarbeider. Zijn leven daarna is gemengd: hij stichtte een gezin, ging weer werken bij de Belastingdienst maar werd nooit echt gelukkig. Hij verzweeg en verdrong het verleden, maar kreeg er ook last van: hoofdpijn, problemen op het werk, en zoeken naar een platform om ervaringen met andere dwangarbeiders te delen. Vervroegd pensioen, vergeefse pogingen om bij de Duitse bedrijven herstelbetalingen te krijgen, en overleden op 76 jarige leeftijd in 2000. ‘Het is vlak na middernacht, vrijdag 14 juli 2000, een revolutionaire datum. Fons is alleen met de duisternis en stikt,’ schrijft Stolwijk zonder nadere toelichting.

    Het boek is in essentie een treurig, helaas wat lang en saai verhaal met een hele goede bedoeling. Stolwijk wil haar vader 80 jaar na dato een stem geven over zijn leven van toen. Een integere poging om de Nederlandse dwangarbeiders in Duitse dienst in de Tweede Wereldoorlog kleur te geven, een weinig belichte groep, sommigen daarvan tussen slachtoffers en daders in. Het siert uitgeverij In de Knipscheer dat zij dit boek hebben uitgegeven. Een bestseller zal het niet worden, maar Fons Stolwijks verhaal is niet ongezien gebleven.

     

     

  • Zestig jaar schrijverschap Ton van Reen

    Zestig jaar schrijverschap Ton van Reen

    Een rijke oogst, Schrijver, verteller en wereldburger Ton van Reen is een kleurrijk uitgegeven vriendenboek voor de 83-jarige Limburger Van Reen. Het eerste deel behandelt leven, werk en opvattingen van Van Reen, deel twee bespreekt zijn werk in Afrika, de inspanningen voor het uitgeven van oorspronkelijk Afrikaanse literatuur en vertelt over zoon David. David zette zich ook zeer in voor de Afrikaanse zaak maar overleed tien jaar geleden op 45-jarige leeftijd. Het derde deel is met zeven hoofdstukken het omvangrijkst en bevat beschouwingen over Van Reens werk. Tien meer of minder bevriende collega’s, de meeste net als Van Reen zuiderlingen, hebben de bijdragen aan dit liber amicorum geleverd. Het resultaat is een mooi overzichtswerk voor ingewijden en een volledige en zeer gevarieerde kennismaking voor lezers die Van Reen en zijn werk (nog) niet zo goed kennen.

    In de eerste drie hoofdstukken wordt Van Reen zelf regelmatig aan het woord gelaten. Er wordt teruggeblikt op zijn zeventigjarige loopbaan en op zijn getormenteerde jeugd. De jonge schrijver houdt van verhalen (vertellen), groeit op in een Rijk Rooms leven en zijn tot dan toe vrij onbezorgde jeugd wordt op zijn tiende wreed verstoord door het overlijden van zijn vader en het feit dat zijn moeder daarna niet meer in staat is goed voor de kinderen te zorgen. De sociale cohesie in het dorp of om precies te zijn het vangnet dat sommige oplettende volwassenen om hem heen bieden legt de kiem voor zijn later zeer geëngageerde instelling. Na de basisschool had hij als oudste zoon van het gezin naar het klein-seminarie gemoeten, maar hij is al op zijn tiende van z’n geloof gevallen. Afkeer van missionarissen heeft hij niet: hij ziet ze als ‘avonturiers’ en ze maken hem nieuwsgierig naar het continent Afrika.

    Verteller en Afrikaan

    Van Reen is van jongs af aan gefascineerd door ‘verhalen’ zoals die van zijn grootmoeder, die een echte vertelster is. Hij komt uit een schrijversfamilie, is ‘geboren met de gave van vertellen’ en heeft volgens zijn moeder van Onze-Lieve-Heer twee porties taal gekregen in plaats van een portie rekenen en een portie taal. Dit blijkt overduidelijk uit het indrukwekkende oeuvre dat hij heeft opgebouwd. In 1965 debuteerde Van Reen met de poëziebundel Vogels en inmiddels heeft hij honderd titels op zijn naam staan: poëziebundels en vele volwassenen- en jeugdromans. Daarnaast hobbyden hij en zijn vrouw al vanaf 1970 met een eigen uitgeverij die in 1976 professioneel werd. Later splitste deze in een uitgeverij voor Afrikaanse titels (uitgeverij Lijster) en een voor Limburgensia en Brabantia (uitgeverij Corrie Zeelen).

    Het tweede deel van het boek beschrijft Van Reens liefde voor Afrika. Voor deze liefde lag er al een fundament door een missionaris-familielid en door de vele boeken over Afrika die hij heeft gelezen. Nadat de eigen uitgeverij vanaf de jaren ’70 titels van Afrikaanse auteurs is gaan uitgeven duurt het niet lang meer voor Van Reen zelf naar Afrika gaat. In Ethiopië en Kenia wordt hij gegrepen door de verpletterende armoede en gaat hij zich met een eigen stichting en projecten inzetten voor kansarme kinderen en betere leefomstandigheden. Van Reen ‘voelt zich Afrikaan’, zegt hij zelf. Hij kan zich erg boos maken over de kolonisatie en erfenissen daarvan, het westerse kapitalisme dat Afrika nog altijd leegzuigt, paternalisme en de vernietigende rol van de westerse religie in Afrika door de eeuwen heen. Ton van Reens zoon David wordt aangeraakt door zijn vaders betrokkenheid bij en liefde voor Afrika en hij gaat zich ook inzetten voor de stichting. Het drama van zijn ongeluk en overlijden krijgt een waardig eigen hoofdstuk in het Afrikagedeelte van het boek.

    De schrijver Ton van Reen

    In het derde deel wordt Van Reens werk besproken. Het wordt in de literaire context geplaatst, Wiel Kusters bespreekt Van Reens poëzie, en de thematiek in zijn romans wordt uitgebreid beschreven in een artikel van Rob Molin dat eerder in de essaybundel Terzijde van de vulkaan (2012) is verschenen. Ben van Melik wijdt een doorwrocht hoofdstuk aan de ‘surrealistische realist’ Van Reen en de jeugdromans krijgen aandacht in een al even overtuigend hoofdstuk geschreven door Adri Gorissen. Van Reens prozadebuut is de roman Geen oorlog die in 1966 verschijnt, volop aandacht van critici trekt en ‘heel veel deuren’ voor hem opent. Hij zit bij uitgeverij Meulenhoff en maakt even deel uit van de literaire wereld van Nederland. Hij werkt eind jaren ’60 korte tijd mee aan radioprogramma’s in Hilversum en komt bij literatuurfestivals, boekpresentaties en recepties. Van Reen voelt zich echter niet thuis in deze wereld, ze ‘was en is mijn wereld niet’, zegt hij. Hij vindt dat veel auteurs ‘alleen maar over zichzelf praten’, heeft niets met de gekkigheid van Reve die de bladen van zijn voorgelezen gedichten als propjes het publiek ingooit ‘en dat soort onzin’, en noemt zich ‘de enige Nederlandse schrijver die nooit bij Café Eijlders en Café De Zwart is geweest’.

    Het is jammer dat deze weerzin van Van Reen tegen de gevestigde literaire wereld in Nederland enkele malen verongelijkt terugkomt. ‘Grote prijzen krijg ik toch niet’, stelt Van Reen in het eerste hoofdstuk van de bundel, in gesprek met Adri Gorissen, ‘die worden verdeeld door de redacties van literaire tijdschriften en de recensenten van de grote kranten en bladen.’ De uitverkiezing voor Rijke levens (2018) tot beste katholieke roman ooit vindt hij ‘belachelijk’. ‘Ik had liever de P.C. Hooftprijs gehad, maar die krijg ik toch niet, want die wordt altijd door literaire vrienden onder elkaar verdeeld.’ Als de bundel Een rijke oogst iets laat zien is het wel de rijkdom en kwaliteit van de schrijver. Kusters noemt hem ‘primair een dichter’. Hij ‘ontwikkelt zich nog altijd’ stelt publicist Ben van Melick in zijn bijdrage over ‘de verteller’ Van Reen; ook nu zijn er alweer drie nieuwe titels in voorbereiding. En in 2003 is Ton van Reen benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw vanwege zijn verdiensten voor de Nederlandse literatuur.

    Een rijke oogst is uitgegeven in vele kleuren en rijkelijk voorzien van foto’s van de schrijver, zijn familie, Afrika en tientallen boekomslagen op glad, gesatineerd papier door de kleine, sympathieke uitgeverij In de Knipscheer. Deze is opgericht in 1976 en heeft vooral naam gemaakt als kleurrijke uitgever van multiculturele literatuur uit Suriname, de Nederlandse Antillen, Indonesië en Afrika en van de Rainbowpockets. Op haar vijftigste verjaardag op 26 maart 2026 zal In de Knipscheer helaas ophouden te bestaan.

     

  • Oogst week 4 – 2025

    Oogst week 4 – 2025

    Bloedboek

    Met hun debuut Bloedboek viel de Zwitserse Kim de L’Orizon meteen in de prijzen. Het boek won de Deutscher Buchpreis, de Schweizer Buchpreis en de Literatuurprijs Jürgen Ponto Stichting. De non-binaire verteller van Bloedboek is opgegroeid in een klein en conservatief dorp in Zwitserland, in een familie waarin vooral gezwegen wordt. Nu hun oma haar geheugen verliest, neemt de verteller hun jeugd onder de loep. Wat kan die ontdekken over het verleden van hun oma en haar jong overleden zusje? Bloedboek gaat over volwassen worden en over intergenerationeel trauma, over het doorbreken van een familiaire zwijgcultuur.

    Kim de L’Horizon (1992) is (toneel)schrijver en -acteur. Die werd geboren in Ostermundigen (Bern) en studeerde Duits, Film- en Theaterstudies aan de universiteiten van Bern en Zurich en Literair Schrijven aan het Zwitserse Literaire Instituut in Bern. Die is redacteur van literair tijdschrift Delirium, speelde in meerdere toneelstukken en was in 2021 en 2022 residentschrijver bij het Bern Theater. Naast de prijzen voor hun debuutroman, die L’Horizon in een periode van tien jaar schreef, won die meerdere prijzen, waaronder prijzen voor poëzie en voor een korte film.

    Bloedboek
    Auteur: Kim de L’Horizon
    Uitgeverij: De Geus

    Monique ontsnapt


    ‘Ze belde me halverwege de avond. Ze huilde. Ik was achtentwintig jaar toen ze belde en het was pas de derde, misschien de vierde keer sinds mijn geboorte dat ik haar hoorde huilen.’ Zo begint Monique ontsnapt van Édouard Louis. Het is zijn moeder die belt, hijzelf is in Griekenland. De man met wie ze samenwoont is dronken en agressief, hij scheldt en tiert. Helaas geen nieuwe ontwikkeling, ze heeft het geweld van haar partner lang verborgen gehouden voor haar zoon. Alleen gaat dat niet langer, ze heeft zijn hulp nodig, ook omdat ze jaren eerder zijn vader is ontvlucht vanwege huiselijk geweld. Het is echt het verhaal van zijn moeder dat Louis vertelt, een vrouw die vastzit in een wrede en onrechtvaardige wereld.

    Édouard Louis (1992) is een Franse schrijver en socioloog. Hij werd geboren in Hallencourt in Noord-Frankrijk en groeide daar op in een arm gezin dat, nadat zijn vader ernstig gewond raakte tijdens zijn werk als fabrieksarbeider, afhankelijk is van overheidssteun. Zijn moeder vond af en toe werk in de ouderenzorg. Hij is de eerste in zijn familie die naar de universiteit ging. Louis schrijft autobiografisch. Zijn boeken gaan over thema’s als armoede, racisme, alcoholisme en homoseksualiteit.

    Monique ontsnapt

    Auteur: Édouard Louis
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Het passeren van onmeetbare ruimten


    In haar eerste essaybundel, Het passeren van onmeetbare ruimten, onderzoekt Hester van Gent in vijftien essays de ruimte om ons heen. Ze werpt een onalledaagse blik op alledaagse dingen en laat zich meeslepen door visioenen, waardoor ons beeld van de werkelijkheid kantelt. Ook gaat ze op zoek naar het verborgene, naar onbekend terrein. Op zoek naar avonturen dus, naar kinderen die hun stad verkennen. Het boek is voorzien van afbeeldingen die zich op verschillende manieren tot de tekst verhouden. Verrassend bijvoorbeeld, of verhelderend.

    Hester van Gent (1971) is schrijver van journalistieke stukken en essays. Ook schrijft ze recensies over stedenbouw, architectuur en kunst. Ze werkt als stedenbouwkundige en studeerde Stedenbouw aan de Technische Universiteit Delft. Aan de Hogeschool Utrecht rondde ze de postacademische opleiding Wetenschapsjournalistiek af en ze volgde de masterclass Architectuurkritiek die werd georganiseerd door het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie en het Vlaams Architectuur Instituut. 

    Het passeren van onmeetbare ruimten

    Auteur: Hester van Gent
    Uitgeverij: In de Knipscheer
  • Prozagedichten en de sfeer van Zen-verhalen

    Prozagedichten en de sfeer van Zen-verhalen

    Dichter, vertaler, schrijver en muzikant Scott Rollins (New York, 1952) woont sinds 1972 in Nederland. In 2001 bracht hij een spoken word-cd met tekstboekje uit,  After the Beep getiteld. Na drie dichtbundels in zijn moedertaal was Grenstekens (2020) zijn Nederlandstalige debuut als dichter, in 2023 gevolgd door zijn de bundel Spiegelschriften.

    Op het omslag staat de titel met daartegenover de spiegeling van het woord gescheiden door een reeks voetstappen in het zand. Twee sporen waarvan het ene gaat en het andere terugkomt. De wijde hemel erboven en de horizon in de verte roepen een sfeer van meditatie en bezinning op. Ook de inhoud van deze bundel doet denken aan Zen-verhalen, die hun inspiratie uit het dagelijkse leven halen en als allegorieën dienen ter ondersteuning van levenslessen. De vergelijking gaat misschien niet helemaal op, maar de korte prozagedichten die hier in vier afdelingen bijeen zijn gebracht, lijken te zijn bedoeld als bespiegelingen, als reflecties die tot nadenken dwingen. De titel brengt tot uitdrukking dat de een zich gespiegeld ziet in de ander, evenals dat ervaringen en gedachten van anderen ons een spiegel kunnen voorhouden.

    Op reis door verschillende landen

    De gedichten zijn als korte verhalen van meerdere alinea’s van slechts enkele lange zinnen, die doen denken aan de zkv’s van A.L. Snijders. Ze bevatten een schets van een gebeurtenis, een dialoog, een beschouwing. De uiterlijke vorm heeft geen herkenbare kenmerken van een gedicht, maar de inhoud met zijn poëtische metaforen en ingeklonken taalgebruik wijzen erop dat deze filosofische schetsen tot de poëzie gerekend mogen worden.

    In de eerste afdeling, Spiegelschriften, neemt de dichter de lezer mee op een reis door verschillende landen: Servië, Klein-Azië, het Amazonegebied. Overal zijn er mensen die iets te vertellen hebben, het verhaal van hun voorouders, van hun huwelijk, de instorting van hun financiële zekerheid, een brand die een onverzekerd huis verteert: ‘Nu pas realiseert hij zich dat hij niet verzekerd is terwijl de / sneeuw onverschillig verder valt. Nu pas beseft hij wat er bijna / gebeurd is terwijl hij de verschroeide restjes van boeken in / zwarte polyethyleen zakken propt. Nu pas begrijpt hij dat de / bijtende nasmaak die hij met klodders slijmvliezen uit zijn keel / blijft ophoesten hem tot andere inzichten brengt. Nu pas ziet / hij werkelijk hoe dun de lijn is tussen warmte en kou, erbinnen / of erbuiten zijn, middenin de sneeuw die nu naar binnen stuift, / tot in de verkoolde hoeken van de kamer. // Hij kijkt naar de meeuwen die ogenschijnlijk in het niets naar / een voor ons onzichtbare bestemming vliegen. Thuis denkt hij, / zit in je hoofd, het is een denkbeeld, een flinterdun bouwsel dat / we maken om in vrede te wonen, terwijl meeuwen thuis zijn in / het zweven.’

    Hun gedeelte van de realiteit

    In de afdeling Hoofdstad zijn de bewoners van Amsterdam aan het woord die vertellen wat hen bezighoudt. Of het in een torenflat is, of bij een haven aan het IJ, overal zijn mensen eenzaam, ondanks hun pogingen in gesprek te raken met elkaar. Een visser, toeristen, een zakenman, een junk Raveman geheten, zij geven allen een ander aspect van de hoofdstad weer. Hun verhalen zijn universeel en stijgen boven het persoonlijke element uit door de blik waarmee de dichter hen beziet. 

    Het perspectief van waaruit verteld wordt, kan per gedicht verschillen: nu eens is een ik-figuur aan het woord van wie niet altijd duidelijk is of dat het lyrisch ik van de dichter is of dat een willekeurige passant zijn levensverhaal doet. Dan weer gaat het over iemand die zelf niet betrokken wordt als spreker. Verschillende stemmen klinken op om hun gedeelte van de realiteit weer te geven. Als lezer is het zaak om aan de hand van wat er staat, die realiteit vorm te geven en in een samenhangend geheel onder te brengen. Pas dan wordt het wereldbeeld dat Rollins aanschouwelijk maakt compleet en krijgt een diepere betekenis.

    De moderne, steeds veranderende maatschappij en de invloed daarvan op de mens – en vice versa – staan centraal in de afdeling Screenshots, waarbij oorzaak en gevolg steeds opnieuw kritisch onder de loep  worden genomen door de dichter om vast te stellen wat aanleiding en wat resultaat was. Of het nu om de coronacrisis gaat, het maken van selfies of de strijd voor een betere wereld, Rollins legt niets op, schrijft niets voor. Hij suggereert door zijn manier van beschrijven dat het de bedoeling is dat die op verschillende manieren bekeken dient te worden. Want er is niet één algemeen geldende waarheid, iedereen heeft zijn eigen visie op authenticiteit. Rollins spoort lezers aan om daarover na te denken en de visie van anderen te respecteren. Hoe verschillend we ook denken, uiteindelijk streven we allemaal naar geluk. 

    Uitbundig en intiem spel met taal 

    ‘Je groeide snel op en ging de wereld in. Televisie had veel fami- / liegeschiedenis overschaduwd. Een generatie geleden luisterde / men gezamenlijk naar de radio en daarvoor zat men rond het / vuur om verhalen te delen. Maar de buis had je grootgebracht, / je aan de waslijn gehangen, je verbeelding bijna weggespoeld / met allerlei soaps. Dus om jou te vinden, opa, moet ik vechten / om je te herscheppen uit de verhalen van mensen die nog net / leven, die je toentertijd hebben gekend. Luisteren naar hun her-
     / inneringen waarvan de ene nog vager was dan de andere, als / harten die je hoort kloppen ergens in een woestijn.’

    De laatste afdeling, Tijdcapsules, is de meest persoonlijke van de bundel. Het lyrisch ik lijkt samen lijkt te vallen met de dichter. Hij bezingt een oude vriend in een requiem, hij dicht lyrisch over het insect beekschaatsenrijder, zoals Guido Gezelle zijn ‘schrijverke’ bezong, hij observeert een muis die op zijn tenen loopt, ‘[…] uitzonderlijke gevallen/ waarin wij stervelingen even stil blijken te staan bij een kos-/ misch moment’. Kleine persoonlijke voorvallen groeien uit tot iets van universele omvang, wat ook de bedoeling is van een tijdcapsule, die evenals deze gedichten gevuld is met voorwerpen en informatie, bedoeld om mensen in de toekomst te helpen een beeld te krijgen van een bepaalde tijdsperiode.

    Vooral in deze laatste gedichten speelt hij een uitbundig en toch intiem spel met de taal, dat deze bundel bijzonder maakt, om te herlezen en opnieuw je gedachten erover te laten dwalen.

     

     

  • Oogst week 47 – 2024

    Een rijke oogst – Schrijver, verteller en wereldburger Ton van Reen

    De Nederlandse schrijver, dichter en journalist Ton van Reen zit 60 jaar in het vak. Hij debuteerde in 1965 als dichter met Vogels. Van halverwege de jaren zeventig tot 1984 had hij samen met zijn vrouw een uitgeverij voor voornamelijk Afrikaanse literatuur die toen nog alleen in het Engels of Frans beschikbaar was. Daarna werd Van Reen full time schrijver en journalist, voor welke job hij de wereld bereisde.

    Om het jubileum van zijn schrijverschap te vieren zorgden tien schrijvers en journalisten voor de uitgave van Een rijke oogst – Schrijver, verteller en wereldburger Ton van Reen. Het bevat twaalf verhalen, interviews en studies over leven en werk van Van Reen. Deze wist wel dat er een boek aankwam maar dat tien schrijvers en journalisten eraan werkten was nieuw voor hem. ‘Het is heel verrassend dat ze zoiets voor je maken,’ zegt hij. In het liber amicorum wordt zijn leven behandeld, vanaf zijn jeugd in Panningen tot nu toe. Ook zijn negentig boeken, waarin hij vrijwel altijd maatschappijkritiek verwerkte, en de boeken waaraan hij nu werkt komen aan bod. Veel van zijn romans en verhalen spelen in Noord-Limburg. Van de vier jeugdboeken over de Bokkenrijders is de tv-serie De legende van de Bokkenrijders gemaakt. Van Reen werkte zijn leven lang voor Afrika en de Afrikanen en ziet dat als zijn levenswerk, meer nog dan zijn schrijven. Samen met zijn zoon richtte hij in 1999 de stichting Lalibela in Ethiopië op om kansarmen te helpen.

     

    Een rijke oogst – Schrijver, verteller en wereldburger Ton van Reen
    Auteur: Samenstellers: onder meer, Wim van Grinsven, Hans Hendriks, Wiel Kusters
    Uitgeverij: In de Knipscheer 2024

    Revolutiekoorts – Onrust en oproer in november 1918

    In Revolutiekoorts – Onrust en oproer in november 1918 brengt historicus Wouter Linmans de lezer naar stinkende Amsterdamse grachten en rokerige lokalen waar arbeiders vergaderden, ruzie maakten en revolutionaire plannen smeedden. Direct na de eerste wereldoorlog ontstond er in Nederlandse steden als Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Leiden revolutionaire onrust, net als in Hamburg en Berlijn waar arbeiders staakten en militairen muitten, in navolging van de revolutie van 1917 in Rusland. In Amsterdam werd op 13 november 1918 in de Sarphatistraat met geweerschoten een einde gemaakt aan de dreigende socialistische revolutie.

    Het gebeuren wordt ‘Troelstra’s vergissing’ genoemd. Sociaaldemocraat Pieter Jelles Troelstra (advocaat, journalist, dichter, politicus) had in de Tweede Kamer opgeroepen tot een revolutie. Tevergeefs weliswaar, maar de onrust leidde wel tot de confrontatie tussen de revolutionaire demonstranten en het leger, waarbij doden en gewonden vielen.
    Linmans vertelt in Revolutiekoorts wat er precies gebeurde, wie er bij het oproer betrokken waren en hij gaat na waarom deze geschiedenis in de vergetelheid is geraakt.

    Revolutiekoorts – Onrust en oproer in november 1918
    Auteur: Wouter Linmans
    Uitgeverij: Atheneum 2024

    Een nieuw woord voor liefde

    Verliefdheid, huwelijk, kinderen, donkerte, scheiding, woede, verwarring, verdriet en uiteindelijk veerkracht. Voor velen herkenbaar, net als het daaropvolgende gevoel van bevrijding en toch weer ruimte voor liefde, al zoekt illustrator Marieke van Ditshuizen daar een nieuw woord voor. ‘Dat is wat ik nodig heb, dacht ik, toen de vader van mijn kinderen en ik uit elkaar gingen’ schrijft zij. Want de realiteit van nieuwe liefdes blijkt weerbarstig.

    Van Ditshuizen laat in Een nieuw woord voor liefdeEen graphic memoir over vallen en opstaan na een scheiding alle gevoelens en ervaringen passeren, niet alleen in woorden maar vooral in tekeningen.

    Autodidact Van Ditshuizen experimenteerde al jong met tekenen en schrijven van haar eigen verhalen; schrijven en tekenen gingen altijd hand in hand. Op de kinderboekenbeurs in Bologna liet ze haar werk zien aan uitgeverij Leopold, waarna ze haar eerste prentenboek mocht illustreren. Sindsdien maakt ze voor veel uitgeverijen  vooral illustraties voor kinderboeken en tijdschriftillustraties. Van Ditshuizen geeft ook cursussen kinderboekillustraties. Het autobiografische beeldverhaal Een nieuw woord voor liefde is haar eerste boek voor volwassenen.

     

    Een nieuw woord voor liefde
    Auteur: Marieke van Ditshuizen
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar 2024
  • Stukgescheurde sluiers van het bestaan

    Stukgescheurde sluiers van het bestaan

    Hoofdpersoon Asher knutselt bomvesten in elkaar. ‘Hij heeft nog geen concrete doelen gekozen’ maar overweegt dat ‘buitenlanders en andere Papoea’s’ een goed doelwit kunnen zijn. Evenals het Koninklijk Huis trouwens, ‘voor driekwart Duitsers.’ Schrijver Rob Verschuren geeft hiermee in ‘Vrolijk knallen de bomvesten’, het eerste verhaal uit de bundel Buitenlanders en andere Papoea’s, duidelijk zijn visitekaartjes af. Asher is een cynicus die niet meer in de goedheid van mensen gelooft. Hij is een boze nihilist en kritisch antikapitalist geworden, die na zijn ontslag uit de psychiatrische inrichting Dennenvreugd huisloos van Van der Valkhotel naar Van der Valkhotel trekt – er zijn er volgens dit verhaal 63 in Nederland – waar hij in anonimiteit zijn bomvesten maakt.
    De ‘hele wereld is een gekkenhuis’ en ‘iemand moet de mensheid wakker schudden’ vindt hij. Op tv ziet hij hoe de koning de eerste Elfstedenwinnaar van Papoea-Nieuw-Guinese afkomst feliciteert. Tien korte verhalen bevat de bundel en in vele daarvan is sprake van bizarre, absurde of op z’n minst vreemde personages en gebeurtenissen in een wereld vol waanzin en onverschilligheid.

    Rob Verschuren (geb. 1953, woonachtig in Vietnam) is pas op late leeftijd gedebuteerd. Hij heeft korte verhalen gepubliceerd in de literaire tijdschriften Tirade en Extaze (inmiddels ter ziele) en schrijft regelmatig mooie blogs voor Elders Literair die gewoon gratis online toegankelijk zijn. Verschuren heeft vier romans op zijn naam staan en deze uitgave is zijn derde verhalenbundel. Van de tien verhalen in deze bundel zijn er vier eerder verschenen in de genoemde tijdschriften en in een boekenweekeditie ‘Zin en Waanzin’ uit 2015.

    Zin en waanzin zijn ook thema’s in de verhalen in zijn nieuwe verhalenbundel. Een stukje waanzin bleek al bij Asher. Een ander hoofdpersonage, uit het verhaal ‘Epifanie’, is een schrijver die worstelt met een schrijfopdracht. ‘Wat wij de waarheid noemen’, laat Verschuren hem zeggen, ‘is iets wat te groot is om in zijn geheel te zien en iedereen ziet er een stukje van en het is de opdracht van de schrijver om al die stukjes te vertellen. Dit denk ik, en als gedachte lijkt het me diep genoeg.’ Verschuren schotelt ons in tien verhalen die zich afspelen op allerlei plaatsen in de wereld de nodige prikkelende stukjes werkelijkheid en waarheid voor.

    Worsteling met waarheid en waanzin

    In het langste verhaal, ‘De stem van de Roos’, wordt deze worsteling met waarheid, waanzin en onbegrip vormgegeven door Basel Lund die bij zijn ontslag uit de gevangenis een vreemde Jeroen Boschachtige stoet voorbij ziet komen. Hij kijkt naar de optocht ‘met een fascinatie die alles wil begrijpen’, maar het is ‘alsof het vermogen om te denken hem ontglipte’. Gevangen door de blik van de beenloze voorganger Chokhamela die zich verplaatst op een plank met wieltjes kan hij niet anders dan zich bij de groep aansluiten. Basel is dichter. Hij weet weinig ‘van de dingen van de wereld, maar alles van de zaken van het hart.’ Zijn eerste herinnering is die aan zijn moeder die hem voorleest uit een gedichtenbundel van Fakhr-al-Din Iraqi. Daaruit citeert hij een gedicht dat spreekt van ‘de stem van de Roos’, een motief dat verwijst naar liefde en de zoektocht naar geluk. Het gedicht staat in een verboden boek van een verboden dichter, begrijpt de jonge Basel later. Wat hij toentertijd vooral zag was de opvallend glimmende ogen en zoete stem van zijn moeder en wat hij nu verwoordt is woede over ‘seniele machthebbers’ en een ‘goddeloze God van het kapitaal’.

    De stoet trekt langs Bharuch in West-India naar Dost jo Tor, de Witte Woestenij, waar ze hevige ontberingen lijden. Een groteske karavaan terreinwagens bereikt hen daar met overbodige westerse consumptieartikelen en met een CNN-reportageploeg. Een rantsoen lauwe cola houdt de volgelingen nog even op de been maar als de filmploeg hen verlaat en ‘profeet’ Chokhamela komt te overlijden valt het ergste te vrezen. Overwegingen over de waarde van kunst, zoals Basels poëzieliefde, zijn ook beschreven in ‘Pietà’. Dit verhaal is gebaseerd op de waargebeurde en bizarre geschiedenis van de aanval van de Hongaarse Laszlo Toth in 1972 op Michelangelo’s Pietà, het wereldberoemde beeld dat het moment weergeeft waarop Christus van het kruis gehaald is en op de schoot van Maria ligt. Alle grote kunst roept meta-emoties op, legt curator Robert uit aan de ik-persoon, die kunstenaar is. Robert is bevlogen. ‘Grote kunst verandert ons’, zegt hij. De kunstenaar is wat nuchterder. Eén emotie die kunst oproept is agressie, zoveel weet ik ervan, overweegt hij.

    In veel verhalen wordt een defaitistische, nihilistische of nare werkelijkheid beschreven. In ‘Rumbonen’ is dat het ongeluk van hoofdpersoon Bella die zich niet meer aan de buitenwereld durft te vertonen en geregeerd wordt door angsten en eetzucht. In ‘Er is mij verteld dat u op zoek bent’ wordt een corrupte adoptiepraktijk beschreven en ‘Het dorp, de aardappelen, de oorlog’ beschrijft bloederig oorlogsgeweld. ‘Het dagelijks leven loert ons […] aan met zijn lelijke ironie’, beweert Verschuren zelf in een interview. Daar zijn veel van zijn verhalen een weerslag van.

    Zielen die het daglicht verdragen

    De weerbarstige werkelijkheid is soms pijnlijk, vaak bizar, maar de personages wekken ook sympathie door hun kwetsbaarheid en door een soort onverschrokken en uitgesproken onbevangenheid die hen siert. Het zijn mensen wier ziel het daglicht kan verdragen. Dat geldt voor Hai uit China, de schilder die het portret van zijn vrouw in ‘De Abrikozenzomer’ na haar overlijden nóg mooier wil maken, en ook voor Phan Than Gian uit ‘Riviermist’. Eigenlijk zou hij de Franse vijand moeten bestrijden in de Mekong Delta maar dat lijkt hem een zinloze missie. Na zijn ‘desertie’ gaat hij vasten en schrijft hij gedichten in de wetenschap dat hij door zijn keuze de keizer verraadt en dus een zekere dood tegemoet gaat. De Nederlandse gewezen wetenschapper en Nobelprijswinnaar Karel Steenveld uit het verhaal ‘Zeven x 6’ is nu met zijn ‘grootste project ooit’ bezig namelijk zeven keer zes gooien met een dobbelsteen. Deze Steenveld woont in het verzorgingshuis bij tante Corrie die met een handgebaar ‘de buitenwereld afkapte met al zijn waanzin en onverschilligheid en de rest.’ Zo dus.

    De bundel heeft een citaat van de Russische schrijver Isaak Babel meegekregen. ‘[…] alleen de wijze scheurt de sluier van het bestaan aan flarden met gelach.’ Dat is precies wat Verschuren zijn personages in de verhalen in deze bundel laat doen, met de nodige humor en in een verzorgde en poëtische stijl. Rob Verschuren zegt dat hij ondanks zijn buitenlandse bestaan een onavontuurlijk en kalm leven leidt. In zijn verhalen toont hij zich een schrijver die over grenzen en culturen kijkt. Het is een wijde blik, die ieders denken kan verruimen.

     

     

  • Oogst week 37 – 2024

    Heroides/Held…

    Een aspect van Homeros’ epos De Odyssee inspireerde Ovidius 700 jaar na dato, om achttien vrouwen van mythologische helden een brief te laten schrijven aan hun echtgenoten of geliefden. De brieven werden gebundeld in Heroides (Heldinnen). Tweeduizend jaar later heeft Harrie Geelen (1939) zich geïnspireerd gevoeld om daarvan een indrukwekkende vertaling te maken, die hij ironisch Held… noemt. In deze tweetalige uitgave schrijft Dido aan Aeneas, Helena aan Paris en Penelope aan Odysseus, in het Latijn Ulysses genoemd:

    Dit is een brief die Penélopé stuurt aan je, lakse Ulysses.
    (Nee, hoef geen brief terug,
    kom maar in eigen persoon.)

    Troje, dat wij Griekse meisjes zo haatten, ligt plat. Zo’n gedoe voor
    Priamus? Heel die stad?
    Had niet gehoeven voor ons.

    De geest van Ovidius waart door deze bewerking van de Heldinnenbrieven, maar de tweeregelige distichons van Ovidius heeft Geelen omgezet in drieregelige strofen, wat het lezen gemakkelijker maakt. Aan het begin van elke brief staat een korte toelichting over de inhoud.

    Naast schrijver en illustrator is Geelen ook componist en tekstdichter. Eerder vertaalde hij de Metamorphoses van Ovidius.

     

    Heroides/Held…
    Auteur: Harrie Geelen
    Uitgeverij: In de Knipscheer 2024

    De hartelijke poezen van Drs. P.

    Een jaar na het overlijden van Drs. P stierf ook zijn vrouw Mieke. In hun nalatenschap werden honderden ansichtkaarten gevonden, die Drs. P. gedurende zo’n dertig jaar lang twee à drie keer per week aan zijn vrouw verstuurd had, voorzien van een door hem geschreven gedicht. Alle kaarten droegen een afbeelding van katten op de voorkant, omdat beide echtelieden een grote passie voor deze dieren hadden. Geluidstechnicus Marc van Hecke vertelde tijdens de tv-uitzending ‘De terugkeer van Drs. P.’ in ‘Het Uur van de Wolf’ uit 2019 over de kaarten die gevonden waren: ‘Poezen op tafels, getekende poezen, geschilderde poezen, Japanse poezen, lapjespoezen, poezen in een strandstoel en poezen in een mandje:

    ‘We liggen met ons beiden in een mandje
    Dit kwam al eens ter sprake, dat is waar
    Maar ook al klinkt het als hetzelfde bandje –
    We vormen – daarvan hebben wij een handje –
    Na al die tijd nog een gelukkig paar.’

    Was ondertekend: Heinz.

    Dit boekje is een mooie aanvulling op de verzameling van zowel kattenliefhebbers als bewonderaars van het werk van Drs. P.

     

    De hartelijke poezen van Drs. P.
    Auteur: Drs. P.
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar 2024

    Uit hoofde van Jut

    In 1965 debuteerde Frans Kuipers met de bundel Zoals wij, waarna nog twaalf bundels zouden volgen. Inmiddels heeft de 82-jarige dichter een nieuwe bundel uitgebracht: Uit hoofde van Jut is een zeer persoonlijk verslag van een lang mensenleven: geboorte, kind zijn, een verliefde puber worden en je later afvragen of de angst om alleen oud te worden wel reëel is. Speels en optimistisch als altijd bezingt Kuipers het leven in de voor hem kenmerkende bruisende taal, vol van personificaties van dieren en dode dingen en vooral zijn neologismen zoals in het titelgedicht:

    ‘Ik ook wissel wat af en schrijf uit hoofde van jut
    —Zoals elk avontuur begint met een stap over de drempel
    en de ramp even zo goed plaatsvindt als je thuisblijft,
    — ik ook curriculumeer mij niet maar zin op ontzwemming’

    Hoewel de dichter de ouderdom met kwalen en pijnen niet ontkent en ook de dood niet uit de weg gaat, is het toch vooral een ode aan het leven geworden, een ‘kweetnietersliedboek’, zoals Kuipers het zelf noemt, omdat de verwondering zoals altijd hoogtij viert in zijn gedichten.

     

    Uit hoofde van Jut
    Auteur: Frans Kuijpers
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Aangename psychologische thriller

    Aangename psychologische thriller

    Harman Nielsen schrijft met Vrouw met litteken een zelfstandig te lezen vervolg op Impasto dat in 2008 verscheen. Daniel, voorheen diplomaat en nu fulltime kunstschilder en de ik-verteller, wordt tijdens zijn werk gestoord door Suzanne. Ze kennen elkaar van vijftien jaar geleden toen ze een korte affaire hadden in Sarajevo (Impasto), waar zij als juriste betrokken was bij een dodelijk ongeluk van een vrouw die Daniel heeft geschilderd.

    Daniel laat geen emotie zien wanneer hij Suzanne binnenlaat, of het moet het obsessieve schoonwrijven van de olieverf van zijn handen zijn. ‘”Je hoeft dit niet te doen,” zegt ze, op twee passen van mijn drempel en met haar rug bijna tegen de balustrade van de galerij, alsof ze erop rekent dat ze dadelijk weer zal moeten vertrekken. Ik sta in de gang, achter de deurmat, terwijl ik nog verf van mijn handen wrijf met de doek die ik ongeduldig van de ezel heb gepakt toen de bel ging.Een mooi voorbeeld van show, don’t tell. De ex-geliefden zijn duidelijk aan elkaar gewaagd, zonder veel woorden hernieuwen ze de vriendschap, die eigenlijk verdergaat waar hij destijds werd afgebroken: in bed.

    Onderzoek

    Suzanne komt met een missie. Ze heeft zijn hulp nodig. In Vrouw met litteken is er, net als in Impasto, ook een vrouw die na een ongeluk overlijdt. De vrouw van nu, Antonia van Staveren, beheerde in Den Haag een safe-house voor de AIVD, waar diplomaten of ambtenaren even konden onderduiken. Maar ze dreef er ook een bordeel en gaf bloemschikcursussen, als dekmantel. Wanneer Antonia van Staveren dood onderaan de trap van haar huis gevonden wordt, is er een verband met de zelfmoord van de schijnbaar onbeduidende ambtenaar Leonard Heemskerk, werkzaam voor de AIVD. Hij zou Huize Constance meermalen bezocht hebben.

    Daniel en Suzanne luisteren bij Gijs, eveneens oud-diplomaat en jurist en vriend van Suzanne, naar de bandopname waarin twee ambtenaren van de AIVD en BZ de zaak rond de ‘toevallige’ dood van de twee mensen uitleggen. De financiën en begrafenis van Antonia van Staveren worden afgehandeld door een majoor met onberispelijke staat van dienst. Suzanne krijgt de opdracht om het juridische deel voor haar rekening te nemen. ‘”Vragen jullie dus van me om een onderzoek te starten? Naar wat jullie hebben gedaan?” “Niet echt. Niet een onderzoek in eigenlijke zin en niet zo zeer naar wat wij hebben gedaan, Suzanne.” Joost Hofman. Hij schraapt zijn keel. “Volgens ons is onze positie namelijk juridisch over het geheel genomen in wezen gezond en bovendien vinden we dat de hele kwestie uit het oogpunt van veiligheid verder beter kan worden vergeten. Maar dat ene punt, Felix zei het al, blijft.”’ Dat ‘ene punt’ is de aanleiding voor dit verhaal, dat als thriller wordt aangekondigd, maar eerder een psychologische roman is. Hoewel Suzanne net haar ontslag heeft ingediend, raakt ze zo gefascineerd door het verhaal van Antonia van Staveren dat ze deze schijnbaar gewone vrouw beter wil leren kennen, de opdracht aanneemt en Daniel erbij betrekt. Waar haar fascinatie precies vandaan komt, blijft onduidelijk, zoals ook elders in het verhaal de lezer bepaalde aannames moet accepteren.

    Na het bezoek aan Gijs rijden Daniel en Suzanne met de sleutel van Antonia’s huis in Suzannes eend (Deux Cheveaux) naar Huize Constance. Die eend is wel een apart detail, welke juriste van middelbare leeftijd rijdt er nog in een eend, en zou de jongere lezer sowieso een beeld hebben bij deze auto? Het doet niet ter zake in het verhaal, maar het zorgt beslist voor sfeer en wellicht zegt het iets over Suzanne.

    Waarom zij Daniel betrekt bij haar onderzoek is omdat hij als kunstschilder beter zou kunnen kijken. En dat doet hij inderdaad, op een heel andere manier dan Suzanne. Bladzijden lang lopen de twee door het verzorgde huis en de goed onderhouden tuin met bloemenborders van Antonia van Staveren. Daniel doet minutieus verslag, terwijl ze de haar fataal geworden monumentale trap zo lang mogelijk vermijden. Antonia van Staveren hield van bloemen, overal staan grote boeketten. Het huis is duidelijk ingericht voor bloemschikcursussen, maar dat blijkt voor tweeërlei uitleg vatbaar. De ruimtes zijn ook ingericht om je intiem in te kunnen terugtrekken. En zijn de laag geplaatste kranen in de grote badkamer bedoeld om emmers met bloemen bij te vullen, of dienen ze als gemak voor de meisjes om zich van onderen te wassen? Daniel ontdekt andere zaken dan Suzanne, zoals een doos ‘voor de helft gevuld met in glanzend wit plastic verpakte condooms.’ Waarover hij de snedige opmerking maakt: ‘Alles voor het bloemschikken is voorhanden, dus ook een voorraad van de onmisbare rubber omhulsels waarmee wordt voorkomen dat tere bloemstengels hun kostbare sappen verliezen, waarna ze slap zouden hangen.’

    Beelden van Antonia

    De roman beslaat slechts twee dagen. Daniel en Suzanne gaan er vol in, maar hun aannames over hetgeen gebeurd zou kunnen zijn komen hier en daar wat uit de lucht vallen. Zoals de code voor de brandkast, en het grote geheim: het litteken dat Antonia van Staveren met zich meedroeg. Door haar fotoalbum bladerend trekt juriste Suzanne vlotweg de juiste conclusies.

    Ze bezoeken de achterbuurvrouw, een bloemenwinkel, de weduwe van de suïcidale ambtenaar van Buitenlandse Zaken die een bezoeker van Huize Constance was, en de huisarts. ‘”Ik wilde die huisarts maar bellen voor een afspraak. Tenzij jij vindt dat we voldoende weten. Kun je haar zien, Daniel?” Ik blijf staan en kijk naar de immense kalkwitte achtergevel, maar terwijl ik zopas alleen aan de keukentafel zat, werd me al duidelijk dat ik me Antonia nu wel in Huize Constance kan voorstellen: lang en bleek, met donker haar en grote donkere ogen omgeven door tinten groen, rood en grijs, terwijl ze traag dwaalt van haar kas naar haar piano en zich herinnert dat ze als meisje inschikkelijk met zich liet sollen waarna ze er geld voor vroeg…’ Bij de huisarts, die een bijzonder verhaal vertelt over lotsbestemming, vallen de beelden in Daniels hoofd samen. Hij ziet het schilderij dat hij van Antonia van Staveren zal maken al voor ogen.

    Later die dag doen ze aan Gijs uitgebreid verslag van hun wederwaardigheden. Het is Gijs die hier de uiteindelijke, juiste conclusies trekt en de dader bij hem thuis uitnodigt. Opnieuw via een bandopname, worden Daniel en Suzanne – en de lezer – tot in de details op de hoogte gesteld van het wel en wee van de dader, die ook slachtoffer is. De onthulling komt eigenlijk niet als een verrassing. Het is zijn motief dat het verhaal een diepere psychologische laag geeft, met als belangrijke thema’s liefde, eenzaamheid, verlies en verlangen.

    Doordat Vrouw met litteken vanuit Daniels perspectief wordt verteld, tonen sommige personages vlakke emoties. Het plot is wat vergezocht, omwille van de vaart worden enkele vlotte aannames gedaan. Desondanks is het een aangenaam verhaal dat een paar mooie beelden op het netvlies achterlaat en een uitnodiging om ook Impasto te lezen.

     

  • Oogst week 23 – 2024

    De bekentenis van Lúcio

    Sommige zelfmoordenaars halen de club van 27 net niet. Eén van hen is de Portugese schrijver Mario de Sá-Carneiro. In 1916 pleegt hij zelfmoord op 26-jarige leeftijd. In het semi-autobiografische De bekentenis van Lúcio (A confissão de Lúcio) schrijft De Sá-Carneiro over de 10 jaar die hij vastzat. Hij zou zijn beste vriend, Ricardo Loureiro, echter helemaal niet hebben vermoord. Maar hoe betrouwbaar is de hoofdpersoon eigenlijk, die gebukt gaat onder waanbeelden en depressies?

    De Sá-Carneiro gold na Fernando Pessoa als de toonaangevende Portugese dichter van de vroege twintigste eeuw. Onder meer Ted Hughes en Sylvia Plath verslonden zijn gedichten. In 2016 stond Portugal zelfs stil bij de 100ste sterfdag van de auteur. Naast De bekentenis van Lúcio schreef hij boeken als De vriendschap, De hemel staat in brand en Lieve Fernando Pessoa, een briefwisseling met de beroemde schrijver. Oud zou Mario dus niet worden. Een zoveelste jong talent, in de knop gebroken.

    De bekentenis van Lúcio
    Auteur: Mario de Sá-Carneiro
    Uitgeverij: Nobelman

    Molo Uku – Erfenis van de Gouden Eeuw

    Graphic novels zijn een perfect opstapje om jongeren aan het lezen te krijgen. Dit heeft docent, marketeer en schrijver, Erno Pickee, waarschijnlijk geïnspireerd tot Molo Uku. Dit stripboek vertelt over de VOC-tijd, maar dan vanuit het perspectief van twee Molukse jongens. Alfred Birney, die zich ergert over dat eeuwige Oeroeg van Hella Haasse en Max Havelaar van Multatuli op de ‘inclusieve’ boekenlijsten, kan zijn hart ophalen. Eindelijk een verhaal over ‘de Oost’, verteld dóór onderdrukten, en niet óver onderdrukten.

    Als een multinational waar Shell bij verbleekt, houdt de VOC huis in de zeventiende eeuw. De compagnie veroorzaakt hongersnoden, slavenhandel en duizenden doden onder de Molukkers. Nederland moet deze geschiedenis kennen en niet wegmoffelen onder het tapijt. Daarom geeft Pickee aan de InHolland lessen over integriteit en authenticiteit. Hopelijk levert Molo Uku, niet te verwarren met het mierzoete en eurocentrische tempo doeloe, een bescheiden bijdrage aan een zelfbewuster Nederland.

    Molo Uku - Erfenis van de Gouden Eeuw
    Auteur: Erno Pickee
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Voet in voet oog in oog

    Voet in voet oog in oog klinkt als een Bijbelse vergeldingsformule, maar dat is het niet. Elly Stolwijk beschrijft het lot van haar vader Fons, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in nazi-Duitsland tewerkgesteld is. Heel zijn leven zwijgt hij over deze zware jaren in Berlijn en Haucherthal. Ruim 450.000 teruggekeerde jongemannen doen hetzelfde tijdens de wederopbouw. Fons vertelt alleen dat hij iets deed in fabrieken met moertjes en schroefjes. Verder overheerst de schaamte om geen echt verzet te hebben gepleegd tegen de nazi’s.

    Elly Stolwijk, naast auteur ook kunstenares, schreef eerder al de poëziebundel Met liefde de vluchtige holte. Drie jaar geleden verscheen De laatste framboos, waarvoor het Poëziecentrum in Gent haar nomineerde voor de Poëziedebuutprijs. In dat werk kruipt Stolwijk in de huid van een vrouw die een kind verliest, precies wanneer de zwangerschap op haar eind loopt. Met Voet in voet oog in oog behandelt Stolwijk wederom een trauma: iets overleven zonder dat je er trots op wilt zijn.

    Voet in voet oog in oog
    Auteur: Elly Stolwijk
    Uitgeverij: In de Knipscheer
  • Oogst week 20 – 2024

    Het land achter de zee

    Midden in de grootste hedendaagse crisis tussen Israël en de Palestijnen is er een boek verschenen dat vertelt over de Joodse overlevenden van de Holocaust die na de oorlog naar Palestina vertrokken, destijds nog Brits mandaatgebied. Het land achter de zee is gebaseerd op een ooggetuigenverslag dat historisch letterkundige dr. Frans Blom een aantal jaar geleden in handen kreeg.

    Het is niet alleen een hoofdstuk uit de pijnlijke geschiedenis van het Palestijnse volk en Israël, het laat ook het verband zien met huidige vluchtelingencrises. De Joodse vluchtelingen werden beschouwd als illegale migranten en geïnterneerd in kampen op Cyprus waar tienduizenden werden opgesloten. Dat deze kampen hebben bestaan was al lang bekend, maar persoonlijke verhalen over dit drama waren dat nog niet of nauwelijks.

    Het ooggetuigenverslag is van de hand van de Joodse Amsterdammer Emil Pimentel (1923-1988), die twee jaar in zo’n kamp heeft vastgezeten en die in 1988 in Israël is overleden. Zijn zoon bezorgde het materiaal dat Emil had geschreven. Het was heel veel: dagboeken, gedichten, brieven en korte verhalen. Niemand had het ooit gelezen. Dat heeft zijn familie pas dertig jaar na zijn dood gedaan.

    In voorwoord ‘Tot de lezer’ staat: ‘Het verhaal van Emiles migratie is een essentieel onderdeel van de Joodse naoorlogse geschiedenis en de ontwikkelingen in het Midden-Oosten. Tegelijk kan het een spiegel zijn voor het heden. Het grootste conflict van het Midden-Oosten, dat door de migratie na de Holocaust voor het eerst hevig oplaaide en nu bijna dagelijks het nieuws beheerst, is na 75 jaar strijd zo diepgeworteld en zo complex dat er ondanks herhaalde pogingen nog geen begin van een oplossing in zicht is.’

    Het land achter de zee
    Auteur: Frans R.E. Blom, Vivian Beekman
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2024)

    Wat onbesproken bleef

    In Wat onbesproken bleef doet Daniël erg zijn best om met zijn vader in gesprek te gaan om zo achter een hoop geheimzinnigheid te komen. Maar het gaat moeizaam, zeker als Daniël vraagt over de oorlog en zijn Joodse moeder.

    Pas als hij een map met aantekeningen van zijn vader uit de oorlog vindt, krijgt hij iets meer beeld over zowel het leven van zijn vader, die als soldaat in het Duitse leger diende, als dat van zijn moeder.

    Nog even had iedereen gehoopt dat Niek Bremen de presentatie van zijn laatste boek Wat onbesproken bleef zou kunnen bijwonen, maar helaas. De Limburgse schrijver Niek Bremen overleed half maart van dit jaar, zijn boek is onlangs, op 11 mei jl. postuum gepresenteerd. Bremen begon pas laat met schrijven, op 72-jarige leeftijd debuteerde hij met zijn roman Bang voor de liefde. Ook heeft hij verschillende verhalenbundels geschreven. Over Wat ons raakt uit 2021 schreef Daan Lameijer op deze website: ‘Bremen raakt ons ontegenzeggelijk, maar richt zijn pijlen niet op de onderbuik. Liever schotelt hij ons een wonderlijke combinatie voor van gitzwarte nationale historie, niet waargemaakte dromen en een lachwekkende nietszeggendheid.’ Lees hier de hele recensie.

     

     

     

     

     

    Wat onbesproken bleef
    Auteur: Niek Bremen
    Uitgeverij: Uitgeverij In de Knipscheer (2024)

    Van licht naar duisternis

    Aan het begin van de twintigste eeuw bloeiden in Wenen de kunsten en de wetenschap als nooit tevoren. Als we aan bekende namen denken uit die tijd, betreft dat in vrijwel alle gevallen mannen. Alsof de vrouwen niet bestonden of geen belangrijke rol speelden. Met Van licht naar duisternis brengt Kris Lauwerys daar, voor in ieder geval drie vrouwen, verandering in. Het gaat om Emilie Flöge, Milena Jesenská en Veza Taubner-Calderon (Veza Canetti).

    Emilie Flöge was een succesvol modeontwerpster. Gustav Klimt was haar vriend en bewonderaar die haar o.a. afbeeldde in haar eigen ontwerpen op zijn nu zo beroemde werken.
    Milena Jesenská was schrijfster en journalist. Naar aanleiding van haar verzoek aan Kafka om zijn werk te mogen vertalen, onstond een uitgebreide briefwisseling. Kafka’s brieven aan haar zijn bewaard gebleven en werden in 1952 uitgegeven onder de titel Briefe an Milena.

    Veza Taubner-Calderon publiceerde onder pseudoniem en het is ook bekend dat ze meeschreef aan het werk van haar echtgenoot Elias Canetti, zonder daar ooit waardering voor te krijgen. Haar eigen werk werd pas postuum onder haar  naam (Canetti) gepubliceerd en wordt gezien als van groot literair niveau.

    Er zijn meer boeken die over de bloei en neergang van het Wenen uit die tijd gaan. Maar Lauwerys kleurt de stad in mede aan de hand van deze drie vrouwen en hun omgeving en dat is een eigentijdse en hoognodige invalshoek.

    Van licht naar duisternis
    Auteur: Kris Lauwerys
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2024)
  • Ode aan de heimwee

    Ode aan de heimwee

    In De Madurese vriend reist schrijver Kees Ruys over de Indonesische archipel met als eindbestemming Pasir Putih, een badplaats op Oost-Java waar hij al vaak was. Het is misschien niet zijn laatste reis, maar wel een betekenisvolle. Hij beschrijft zijn terugkeer in een afscheidsbrief aan Djaman, een Madurees met wie hij veertig jaar bevriend is en met wie hij verstandhouding en vertrouwen heeft opgebouwd, maar die hij nog altijd niet begrijpt en dat is wederzijds. De auteur is melancholiek gestemd, want dit keer zal Djaman hem niet opwachten en tegemoet treden met de woorden dat hij hem al in zijn droom zag naderen.

    De auteur heeft geen haast. Traag, op het ritme van de hete dag in Java, reist hij langs ‘de oude Grote Postweg’. Deze duizend kilometer lange weg werd in 1908 in een jaar aangelegd. ‘Een recordprestatie, die het leven eiste van twaalfduizend Indonesiërs, onder wie honderden koelies (…) waarna opzichters hun hoofden, ook bij Pasir Putih, langs de weg als kerstballen in de bomen hingen.’

    Afscheidsbrief

    Ruys haalt herinneringen op aan voorgaande reizen, waaronder anekdotes over mensen die hij gekend heeft, zoals Yanto, een andere Javaan met wie hij ook veel beleeft heeft. Hij beschrijft de mensen levendig, met veel oog voor detail. Het is een caleidoscoop aan belevenissen die Ruys samen met Djaman en Yanto ervoer, waarover hij nu schrijft in de afscheidsbrief. Een mooie vorm waarin de auteur zelf, de ik, zijn vriend met je aanspreekt. Hij toont zijn kwetsbaarheid en voegt persoonlijke beschouwingen in, hij vraagt dingen aan Djaman, die geen antwoord geeft, maar soms lijkt het een dialoog. De brief is een zoektocht naar wat hun vriendschap inhield.

    Waarom zijn ze altijd zo mild gestemd over de Nederlanders, die toch vreselijke dingen hebben aangericht. De auteur vindt het vreemd dat hij zelden negatieve sentimenten over Nederlanders opgevangen heeft. ‘Jullie herinneringen aan mijn landgenoten zijn niet alleen verser dan die aan de Japanners, maar in veel opzichten ook onthutsender (…) Is het een vorm van praktisch denken: toen is toen? De superioriteit van de uiteindelijke overwinnaar?’

    Dat Djaman ziek is, wordt al snel duidelijk, en is reden tot zorg. De stief-kleindochter van Djaman houdt Kees Ruys in Nederland met video’s per mobiele telefoon op de hoogte van het voortschrijdend ziekbed. Niets te vrezen, de berichten zijn vooral hoopvol, maar het is voor Ruys wel een reden om deze reis te ondernemen.

    Tussen de persoonlijke mijmeringen komen historische gebeurtenissen in Indonesië aan bod. Het Nederlands kolonialisme, zij het in mondjesmaat, maar ook de islam. ‘Van oudsher is de Indonesische islam een milde variant op de Arabische, verweven als hij is met invloeden uit het boeddhisme en het hindoeïsme, met gewoonten en gebruiken en met animistisch (bij)geloof. (…) Er waren er maar weinig die vijf keer per dag tot Allah baden. Jij vormde op dit beeld geen uitzondering. Gelukkig niet.’ Schrijft Ruys aan Djaman.

    Sinds de jaren zeventig reisde de auteur met grote regelmaat door Indonesië en vooral de laatste twintig jaar, sinds 9/11, zag hij de tolerante, humorvolle samenleving radicaal veranderen. Hoewel ze het zelden over politiek hadden, weet Ruys dat Djaman het met hem eens was, maar dat kon zijn vriend steeds minder in het openbaar zeggen. ‘Maar toch ben jij, juist jij, een van de redenen waarom ik vasthoud aan mijn overtuiging dat de wereld iets kan leren van de buigend-bamboe-houding van de Indonesiër…’

    Ware Vriendschap

    De lezer leert Djaman en Yanto en vele andere vrienden, hun vrouwen en kinderen kennen. Er zijn talloze verwikkelingen en vetes, en herinneringen aan een verloren, moeizame liefde. Ruys reisde verschillende keren samen met de mannen en kwam zo dichterbij hun rituelen, angsten en (bij)geloof. Hij ging heel ver om zich gelijkwaardig te kunnen voelen aan Djaman en zijn vrienden Hij deed mee aan séances, en organiseerde bierfeestjes waarna hij zich weer schuldig voelde, want een Javaan zal gratis bier niet afslaan en dus waren ze al snel ladderzat. Schuldgevoel, omdat hij een witte Nederlander was tegen wie zij altijd opzien en zich onderdanig gedragen.

    De auteur idealiseert Indonesië niet, soms is er haast sprake van een haat-liefdeverhouding, de hitte, de regens, de kakkerlakken en muggen, de armoede en de corruptie. Hoewel onder die corruptie en diepe armoede niemand echt lijkt te lijden, er is altijd weer hulp vanuit de gesloten gemeenschap.

    Leunstoelreizen

    Ruys verstaat de gave om zijn lezer mee te nemen op reis. Beelden, geuren, hitte, het zijn innemende, fraaie sfeerbeschrijvingen, nooit te zwaar, maar wel met diepgang. De boeiende Indonesische cultuur spat van de bladzijden. De Madurese vriend is een ode aan een vriendschap, een melancholiek en meeslepend reisverhaal, dat moeilijk weg te leggen is. ‘Als ik aan Pasir Putih denk (…) is het er nog steeds een rommeltje, en onverdraaglijk heet, en gebeurt er zo ontstellend weinig dat je er op doordeweekse dagen evengoed een foto als een video kunt maken.’

    Tegen de achtergrond van hedendaags Indonesië met herinneringen aan weleer meandert de auteur tussen de vele personages en hun levensverhalen en verkeert hij met hen tussen hitte, stof en armoede en probeert hij de kracht van de vriendschap te ontdekken, maar kan die uiteindelijk niet echt in woorden vangen. En misschien hoeft dat ook niet, als het een zuiver gevoel is.

    De Madurese vriend is deel vier in de serie De Randgebieden. Vier boeken over Indonesië die onafhankelijk van elkaar te lezen zijn. Het is een bundeling van sentimenten, hallucinerende ervaringen en prachtige portretten van gewone mensen, maar ook van sferen en impressies van steden en dorpen en belevenissen tijdens Ruys’ tochten.