• Gevoelens van verlangen en onbehagen

    Gevoelens van verlangen en onbehagen

    Maarten van der Graaff (1987) debuteerde in 2013 met de bundel Vluchtautogedichten, waarvoor hij de C. Buddingh’-prijs ontving. In 2015  volgde Dood werk die bekroond werd met de J.C. Bloem poëzieprijs en in 2018 werd zijn debuutroman Wormen en Engelen genomineerd voor de Anton Wachterprijs. Van der Graaff is tevens medeoprichter van het online literaire tijdschrift Samplekanon dat in 2018 De Lokienprijs van de Sybren Polet Stichting mocht ontvangen.
    Het idee voor zijn derde bundel, Nederland in stukken, ontstond toen een linkse boekhandel in het centrum van Utrecht, De rooie rat genaamd, moest sluiten. Van der Graaff kocht op het nippertje een aantal oude pamfletten, tweedehands boeken en anarchistische blaadjes. Deze aankopen vormen de ‘stukken’ van Nederland, in de betekenis van juridische documenten, waarin de dichter zocht naar uitspraken die ook vandaag nog zouden kunnen gelden. Gedeelten uit deze aangekochte lectuur zijn door de dichter letterlijk geciteerd in de bundel, met inbegrip van verouderde spelling. 

    Opgelapte menselijkheid

    De titel zou kunnen betekenen dat Nederland in stukken uiteen is gevallen, zoals een sculptuur aan stukken kan vallen. In een interview met Van der Graaff onlangs in het NRC, wordt gerefereerd aan het monster van Frankenstein, dat uit verschillende stukken werd samengesteld als een opgelapte menselijke patchworkdeken.
    In de gedichten spreekt Van der Graaff over een Deltametropool, een begrip uit een beleidsdocument van twintig jaar geleden, dat zich tussen de aangekochte stukken van De rooie rat bevond. Het idee was om de gehele Randstad te verenigen tot één grote wereldstad: de ‘stukken’ van Nederland zouden samengevoegd worden.

    Gebaseerd op deze archiefstukken schrijft Van der Graaff zijn gedichten, alsof deze fictieve metropool daadwerkelijk tot stand gekomen is en zich als een levend organisme gedraagt; het doet denken aan Gotham City uit de Batmanfilms en levert poëzie op die zich laat lezen als science fiction. De dichter spreekt de Deltametropool rechtstreeks toe in de afdeling Word-document Nederland, waarin in negen ‘documenten’ in korte, in stukken gehakte en afgebeten zinnen een beeld wordt gegeven van een samenleving die op zijn zachtst gezegd vervreemd is van het individu en de leefomgeving en waar de groei van de economie het hoogste goed is. De verzakelijking heeft gezegevierd en het geld regeert. Het leven is niet meer dan een Word-document, waarin zoveel geknipt en geplakt is dat het overzicht verloren is geraakt.

    Onleefbare maatschappij

    Deze kille, dystopische maatschappij zou onleefbaar zijn als niet steeds menselijke gevoelens en gedachten overal doorheen probeerden te sijpelen: 

    ‘Soms voelen die mensen zoiets als verdrietige strijdbaarheid.
    Ik zeg dit zonder ze te kennen. Dit is fictie.
    Zij voelen iets in hun maag, onder aan
    hun nek. Jij onderschat ze. En ook jij bent fictie
    en ficties kunnen het elkaar moeilijk maken. Daar hoop ik op.’

    In de afdeling Index wordt het leven van het lyrische ik verweven met dat van de Deltametropool. Onder aan de bladzijde van elk gedicht staan een paar regels van het daaropvolgende, waardoor ze met elkaar verbonden worden. Veelvuldig komt het Latijnse woord ‘dolor’, consument, terug in de gedichten: de consumptiemaatschappij is de enige werkelijkheid geworden en: ‘Het individuele leven is de grootste leugen.’
    Maar het individu laat zich niet onderdrukken: er is sprake van gevoelens, seksuele verlangens, liefde en ongelukkig zijn. 

    Gehersenspoeld tot robots

    De gevoelens van verlangen en onbehagen zetten zich versterkt door in de volgende afdeling, De Nederlandse commune, nu gevoed door informatie uit het verleden. 

    ‘Er zijn vrienden. Ze vormen een commune voor een dag,
    dezelfde historische dag als gisteren, waarop ze ontzet
    en van elkaar bevrijd werden.
    Ze kregen nog een leven, neologismen voor iets anders.
    Ze hebben geen werk, maar toch vergaderen ze.’

    In de laatste afdeling, Residuen, zijn alle regels van één lang gedicht genummerd, van 1 tot en met 555. Het zijn disruptieve fragmenten die ogenschijnlijk weinig samenhang vertonen, alsof verschillende stemmen proberen een gesprek aan te gaan, maar desondanks langs elkaar heen blijven praten. De verwarring is compleet en normaal menselijk leven lijkt onmogelijk geworden: de dreiging van de Deltametropool heeft toegeslagen en mensen zijn gehersenspoeld tot robots.
    Er zijn veel verborgen verwijzingen en citaten uit literatuur en politieke toespraken aan te wijzen, zoals alles in deze bundel een grote politieke en geëngageerde lading bevat. 

    Rechtvaardigheid op alle fronten

    Een ander thema is de ontluikende biseksualiteit, waarvan de lyrische ik zich langzaam bewust wordt, tegelijk met zijn besef van ‘wokeness’, een politieke term van Afro-Amerikaanse oorsprong met betrekking op sociale en raciale rechtvaardigheid. Seksualiteit en rechtvaardigheid worden ingezet als ‘rage against the machine’, de machine waartoe de maatschappij verworden is. Het eerste gedicht van de bundel liep daarop al vooruit: Contract tussen man en jongen legt in kille zakelijke termen de overeenkomst tot aanranding vast, waarmee een jongen zich verplicht zich te laten betasten door een man: ‘de jongen verbindt zich gezond te worden / met uitzondering van wat hij schrijft’.
    Aanranding en geweld, verzakelijking en onmenselijkheid zijn ondanks alles niet in staat gevoel, liefde en individualiteit te onderdrukken.

     

  • Bloedende takken

    Bloedende takken

    Mijn druivenstruik bloedt. Ik had nooit gedacht dat het mogelijk was, maar er druppelt nu al een paar dagen een heldere vloeistof uit. In tuindersboeken las ik dat de druivenstruik bloedt omdat ik te laat ben geweest met het terugsnoeien van de ranken. Als je die niet inkort tussen december en januari, zal het sap in de stam gaan rijzen en zich verspreiden. Snoeien als die stuwing al begonnen is, maakt dat de struik gaat bloeden: hij wordt kwetsbaar voor ziektes, waardoor hij later in het jaar kan afsterven. Ik beken nederig schuld. Maar tot mijn verdediging moet ik zeggen dat ik niet echt te laat was, ik kon alleen niet bij de laatste paar hoge ranken komen met mijn schaar toen ik aan het snoeien was. Ik had mijn trap uitgeleend. Toen ik die weer terugkreeg, mocht ik eigenlijk niet meer snoeien. Maar ik deed het toch en nu vallen de druppels vocht van de snijvlakken, langzaam maar onophoudelijk, alsof ze me willen herinneren aan wat ik gedaan heb. Ze brengen een gedicht uit mijn geheugen naar de oppervlakte:

    Rondeel in de wijngaard

    ‘Wijngaardenier, hoe wordt de oogst dit jaar?
    De schrale snoeischaar van de westenwinden
    zag ik vanmorgen langs de trossen gaan.
    Wil de kwetsuren met honing verbinden,
    vlecht zwachtels van verdriet en venushaar.

    Wijngaardenier, ik sterf van dorst dit jaar
    en er zal niet genoeg zijn om te drinken;
    de raaf strijkt neer in lichaams druivelaar
    en oogst de wijn van minnaars en beminden:
    onder het lover der herinneringen
    streel ik het gras als eens haar donker haar.
    Geef mij je wijngaard om hem leeg te drinken
    en bid God om een goede oogst dit jaar.’

    Mattheus Verdaasdonk (1918 – 1966)

    Ik heb geprobeerd de wonden te dichten, maar niets hielp. Ik voel het gestage druppelen als een verwijt. Als ik langs de druivenstruik kom, durf ik niet op te kijken. De bloedende takken doen me denken aan de doornenkroon die Christus droeg. En ik ben niet eens gelovig meer. Maar ik kan er niets aan doen: een katholieke opvoeding en de wereldliteratuur hebben me voorgoed getekend. Ik heb te vaak de ‘Christuslegenden’ en ‘Kerstverhalen’ van Selma Lagerlöf (jawel, van Nils Holgersson) gelezen om niet te beseffen dat ik een vreselijke, heiligschennende daad heb begaan. Als het niet tegen Christus is, dan toch tegen de druivenstruik. Bid God om een goede oogst dit jaar.

     


    Hettie Marzak is poëzierecensente bij Literair Nederland en een groot lezer.

  • Stamelend

    Stamelend

    Ik trok een rustig baantje in het zwembad toen twee dames op me toe kwamen zwemmen. Het was duidelijk dat ze niet van plan waren om ook maar een duimbreedte te wijken, dus perste ik me tegen de wand van het zwembad zodat ze voorbij konden zwemmen. Ondertussen vervloekte ik mezelf. Waarom was ik, opzij gegaan? Dat hadden zij toch ook kunnen doen? De vaardigheden om me te laten gelden ontbraken mij, ik moest toch eens leren assertief te zijn.

    Niet veel later was ik op een boekenmarkt waar ik tegelijk met een dame de hand uitstaken naar hetzelfde boek. Ik was een fractie van een seconde eerder. Mijn goede voornemens betreffende  assertiviteit indachtig zei ik vriendelijk maar beslist dat ik het boek het eerst had gezien en het dus van mij was. Waarop de dame de tranen in de ogen sprongen terwijl ze zei dat ik daarom toch niet zo onaardig hoefde te doen? Ik was onaangenaam verrast. Net die éne keer dat ik mijn zelfrespect wil opkrikken, tref ik iemand die evenmin als ik geschikt is om het op te nemen tegen de rest van de wereld. Een grimmig gedicht van Hans Dorresteijn schoot me te binnen, het leek waarachtig wel voor mij geschreven.

     Hoe het niet moet

    ‘Het voordeel van over je heen laten lopen is
    dat je met niemand problemen hebt.
    Toen ik besloot mij niet meer in een hoekje
    te laten drukken, kreeg ik prompt onenigheid
    met vrouwen, vrienden, elektriciens, kleine
    kinderen en huisdieren. 

    (…)

    Soms verlang ik waarachtig terug naar vroeger.
    Er was vrede. De gesprekken verliepen gemoedelijk.
    Het ging van: ‘Tsjee, wat loopt het hier lekker
    zacht. Is dit soms een Perzisch tapijt?’
    ‘Nee, geen Perzisch tapijt, vriend. ik ben het.’
    ‘Goh, je zou toch zweren dat je over een Perzisch
    tapijt liep, zo zacht is het, heb je bezwaar
    als ik er even bovenop kom liggen? Met jouw vrouw?’
    ‘Wie ben ik dat ik bezwaar zou maken. Condooms
    vind je in de linker la van het buffet.

    Alles beter dan ruzie.’

    Er zat niets anders op dan knarsetandend te erkennen dat ik niet meer veranderen zou. Stamelend heb ik mijn excuses aangeboden, gezegd dat ik niet wist wat er over me gekomen was en dat ik normaal niet zo deed, wat helemaal klopte. Het boek heb ik wel gehouden.

     


    Hettie Marzak is poëzierecensente bij Literair Nederland en een groot lezer.

     

  • Zonder tamboerijn en trompetgeschal

    Zonder tamboerijn en trompetgeschal

    Kees van Domselaar (1954) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde, publiceerde in diverse tijdschriften over Nederlandse poëzie en was jarenlang als poëziecriticus verbonden aan het Utrechts Nieuwsblad. Poëzie van hem verscheen in literaire tijdschriften als Tirade en De revisor. De stille fanfare is zijn derde bundel en begint met een oxymoron (speciaal geval van de paradox) als titel: hoe kan een fanfare stil zijn? Die trekt gewoonlijk luid kletterend door de straten en speelt hard genoeg om iedereen wakker te doen schrikken. Maar dat doet deze stoet van gedichten niet: het zijn verstilde weergaven van observaties, meestal gebeurtenissen uit het verleden. Gedichten van een tevreden mens die met enige weemoed terugkijkt op zijn leven en in gedachten teruggaat naar zijn ouders, relaties, een denkbeeldig weerzien beleeft met mensen uit het verleden. 

    De titel kan verwijzen naar de grote optocht van bekende dichters die óf met name genoemd worden, zoals Wim Brands en Rutger Kopland – aan wie de derde afdeling uit deze bundel is opgedragen – óf wier werk geciteerd of geparafraseerd wordt. Zo zijn er dichtregels aan te wijzen die rechtstreeks uit het werk van bijvoorbeeld Hans Lodeizen, Jacobus Revius en zelfs Gerard van Maasakkers lijken te zijn opgenomen of enigszins in hun stijl bewerkt zijn; wat betreft de laatste, een Brabantse zanger, wordt duidelijk gerefereerd aan diens lied De fanfare van honger en dorst, wat in dit geval een wel zeer toepasselijke tekst is. 

    Status quo en het heden

    De bundel bestaat uit zeven afdelingen, waarmee echter niet perse een noodzakelijke of duidelijke verdeling van de gedichten is aangebracht. De eerste afdeling bevat gedichten die het heden en de status quo beschrijven:

    ‘de zon schijnt, de ramen open
    we zetten koffie, we eten wat
    ik zie de weelde van je haren
    je lacht een beetje
    je kijkt me aan
    het scheelt niet veel
    of er klinkt Bach’

    Terugblikken

    In de tweede afdeling begint het terugkijken naar wat geweest is. Het gedicht Dit moest nog is een duidelijke verwijzing naar het bekende gedicht van Gerrit Kouwenaar dat begint met de regel ‘Men moet zijn zomers nog tellen’. Van een leraar Nederlands hoeft het geen verwondering te wekken dat hij zoveel andere dichters aanhaalt, maar van de lezer kan wat teveel gevraagd worden wat belezenheid betreft, hoewel de gedichten ook heel goed leesbaar zijn zonder die extra informatie. 

    De vierde afdeling lijkt een eerbetoon aan de geliefde: de dichter mijmert weemoedig over het begin van hun relatie, de vakanties samen, de huizen die ze bewoond en verlaten hebben, ‘over de voorbije jaren / tussen jou en mij’. 

    Omringende wereld

    Pas in de vijfde afdeling wordt de toon anders. Gaat het niet meer over de dichter en zijn directe omgeving, maar worden er mensen en gebeurtenissen uit de omringende wereld onder de aandacht gebracht, zoals in De Vrede van Utrecht en Op het graf van Barones Blanckenhagen. De gedichten in deze afdeling worden niet gekenmerkt door tevreden gemijmer, maar hebben scherpe rafelrandjes gekregen. Het woordgebruik is niet lieflijk en zoet, maar lijkt soms regelrecht van de schutting af te zijn gekomen. Juist door die bitse toon in bijvoorbeeld een gedicht als Tot later, waarin een hangjongere wordt beschreven, of de donkere kant van de werkelijkheid in het gedicht Ruilverkaveling waarin een boer zich heeft opgehangen ‘met zijn pet op aan de balken’, zijn dit de interessantste en beste gedichten van de bundel. Het louter constateren van observaties is nu eenmaal minder boeiend dan het aanbrengen van een diepere laag waarin naar betekenis gezocht moet worden.  

    De dood

    De zesde afdeling valt dan, na die mooie vijfde, ook een beetje tegen; de gedichten die hierin zijn opgenomen, zijn niet erg spannend en lijken te veel op die van de eerste vier afdelingen waarin opnieuw herinneringen aan de ouders worden opgehaald. Hun levenseinde wordt onder de aandacht gebracht, of het bergafwaarts gaan door dementie. Opnieuw wordt een dode dichter tussen de regels binnengesmokkeld: ‘zo ruikt het kopland weer / naar hooi en mest / drinken de kinderen limonade / is er geluk onder de paarden’.

    In de zevende en laatste afdeling is de dood sterk aanwezig. De dood van de ouders, een broer, de diagnose van een terminale ziekte, de voorgestelde dood van de dichter zelf en de aankondiging van een gestorvene. Ook deze gedichten springen eruit wat kwaliteit betreft. Ellende en leed lenen zich blijkbaar beter om te bezingen dan stil geluk en tevredenheid. Ook hier zijn de gedichten minder simpel en eenduidig en is er meer werk gemaakt van beeldspraak die minder voor de hand ligt, origineler is dan in de andere afdelingen. Al met al had deze fanfare wat luidruchtiger van zich mogen laten horen.

     

  • Een ode aan de cyclus van het leven

    Een ode aan de cyclus van het leven

    Sinds het verschijnen van haar debuut De Appelmoesstraat is anders (1978) heeft de in Antwerpen wonende schrijfster Joke van Leeuwen een niet aflatende stroom van boeken geschreven, zesenvijftig in totaal. Haar nieuwste bundel Levenslust is in feite één lang gedicht, bestaande uit tachtig strofen van tien versregels. Vooraan in het boek staan vijf tekeningen van de auteur, terwijl als een rode draad een getekend lint door de bladzijden getrokken wordt om de afdelingen te markeren, met af en toe een knoop erin. Van Leeuwen is een veelzijdig auteur die zich op allerlei terreinen begeeft: schreef ze in het begin alleen voor kinderen, al gauw begonnen de leeftijdsgrenzen voor haar boeken te vervagen en nu schrijft  ze verhalen die door zowel kinderen als volwassenen zeer gewaardeerd worden. De illustraties verzorgt ze ook zelf.

    Haar werk is veelvuldig vertaald en bekroond in binnen- en buitenland. Ook legt ze zich toe op toneel, romans en dichtbundels, waarvan Levenslust haar achtste voor volwassenen is. Bovendien werd ze in 2015 uitgeroepen tot Dichter der Nederlanden. De functie, die bestaat naast die van Dichter des Vaderlands, is door het Algemeen Nederlands Verbond (ANV) in het leven geroepen om de verbondenheid tussen Nederland en Vlaanderen te stimuleren.

    Herinneringen en observaties

    De titel zegt genoeg: dit gedicht is een ode aan het leven. Joke van Leeuwen neemt de lezer mee vanaf het allereerste begin: de verwekking en de groei van een kind in de baarmoeder, de geboorte en de babytijd. De observaties zijn onpersoonlijk en van toepassing op iedereen; pas later worden ze gekleurd door persoonlijke herinneringen en ook dat is zoals het in het echte leven gaat: het geheugen van een kind komt pas later op gang. Maar zelfs dan worden de herinneringen algemeen gemaakt door het gebruik van de voornaamwoorden ‘men’, ‘wij’ als pluralis modestiae en een onpersoonlijk ‘je’:

    ‘je eerste bal toen je gekostumeerd
    komen moest kwam je als schemerlamp’

    De herinneringen die Van Leeuwen oproept, zullen herkenbaar zijn voor mensen van haar generatie. Wat volgt is een kolkende rondleiding door de cyclus van het leven: opgroeien, werken, verliefd worden en zelf weer nieuw leven scheppen, tot de dood erop volgt. Dit gebeurt niet chronologisch, maar willekeurig via invallen, gedachten, gebeurtenissen en associaties. Daarin is ook plaats voor ingrijpende en serieuze onderwerpen als oorlog, kindersterfte, natuurrampen. Ook God krijgt een stem en geeft zijn mening over het leven dat hij zelf geschapen heeft, overwegend of hij opnieuw zal beginnen.

    Van enkeling tot mensheid

    Naast het leven van een enkeling breidt Van Leeuwen haar beschrijving uit naar dat van de gehele mensheid en stipt ze de ontstaansgeschiedenis van de mensheid aan, beginnend in de oertijd en eindigend in de toekomst.
    Maar bij alle fragmenten staat het optimisme centraal, het aanvaarden van ervaringen en vooral verder gaan en opnieuw beginnen. Niet voor niets eindigt het gedicht met:

    ‘(…) – blijf nog
    blijf blijf, heb geduld als het wit
    van erkannogvanallespapier’

    Kenmerkend in het werk van Van Leeuwen is de humor en het jongleren met taal, wat soepele en originele vondsten oplevert:

    ‘(…) – napoleon, hem
    heeft die ingres zo weten te schilderen dat
    het verdwijnpunt het roodhermelijnpunt
    het zowilikzijnpunt precies is
    te vinden op keizermans pik’

    Levenslust is één lang gedicht, zonder hoofdletters of punten, slechts een enkele komma of een gedachtestreepje en af en toe een uitroepteken. Ook ontbreekt eindrijm, maar het consequent aangehouden metrum van de dactylus is zo ritmisch en zo melodieus, dat dit nauwelijks gemist wordt. De strofen zouden hardop gelezen moeten worden om ze volledig tot hun recht te laten komen:

    ‘(…) de dieren die gillend
    van slachtangst niet snappen met
    wat voor verlangen de vachtloze
    wezens met sierlijke klauwen hen
    rauw aan een haak willen hangen’

    Niets is toevallig

    Het gedicht is zeer doordacht geschreven, niets wordt aan het toeval overgelaten. De compositie is ingenieus, met lange zinnen die vaak doorlopen over meerdere strofen en met veel enjambementen. Dat werkt overrompelend, de stroom van woorden is overweldigend en maakt dat je (soms) naar adem moet happen. Er zijn weinig rustpunten in het gedicht: met behulp van de komma’s en de cadans moet de lezer die zelf aanbrengen. Bovendien gaat het om één lang gedicht en zou je alle strofen achter elkaar moeten lezen om te kunnen bepalen waar het over gaat.

    Het is niet wenselijk zomaar ergens te beginnen met lezen, dan is de samenhang tussen de strofen verdwenen en wordt het onmogelijk om te weten wat het onderwerp is van het betreffende fragment. De strofen zijn met elkaar verbonden als kralen aan een ketting, als je er eentje tussenuit haalt is de verbinding weg.

    Joke van Leeuwen heeft op een speelse manier een aantal serieuze zaken vorm weten te geven. Als een uitbundige gids voert ze de lezer mee langs niet alleen de toeristische trekpleisters van het leven, maar ook langs kleine, alledaagse en herkenbare gebeurtenissen die een mensenleven kenmerken en zonder meer belangrijk zijn.

  • De dichter een ander

    De dichter een ander

    Op de jaarlijkse boekenmarkt loop ik een goede Vlaamse vriend tegen het lijf die net als ik een fervent boekenliefhebber is. Het verwondert me niet dat hij er al zo vroeg in de ochtend bij is. In zijn mooie taal vraagt hij of ik al wat gekocht heb. Ik laat hem het boek zien dat ik van de kraam pakte waarbij we staan te praten: een biografie van de Belgische dichter Jan van Nijlen (1884-1965), wiens bekende gedicht Bericht aan de reizigers het Centraal Station van Antwerpen siert. Mijn vriend zegt in zijn Vlaamse idioom: ‘Dat is ook toevallig, ik bén van Nijlen!’ Waar een Nederlander zou zeggen: ik kóm uit Groningen!
    De kraamhouder heeft ons gesprek opgevangen en overduidelijk verkeerd geïnterpreteerd. Hij komt verheugd vanachter zijn boeken vandaan: ‘U bent Van Nijlen! U bent de dichter zelf! Wat geweldig om u te mogen ontmoeten!’

    We zijn te zeer overrompeld om het misverstand meteen recht te zetten. Mijn vriend geeft de man automatisch een hand en mompelt verlegen iets onverstaanbaars, terwijl de boekenverkoper door blijft gaan met het verkondigen van het geluk dat hij de dichter Van Nijlen in levende lijve mag leren kennen. Nu is het te laat, mijn vriend kan niet meer terug: er ontstaat een gesprek waarbij hij gaandeweg als vanzelf verandert in de dichter. Ik leg de biografie voorzichtig terug op de kraam: de portretfoto op de voorkant lijkt niet op mijn vriend. Als je al zo lang dood bent, moet je wel veranderd zijn.

    Eenmaal thuis zoek ik in mijn boekenkast naar de Verzamelde Gedichten van Van Nijlen: de bundel valt als vanzelf open bij een gedicht, waaruit blijkt dat Van Nijlen zijn werk zorgvuldig gescheiden hield van zijn dichterschap. Tegenover de plichtsgetrouwe ambtenaar – Van Nijlen was van 1919 tot aan zijn pensionering in 1949 ambtenaar bij het Ministerie van Justitie te Brussel – staat de dichter die zich uit de wereld had teruggetrokken en in zijn eigen schepping leefde.

    ‘’t Is Jan van Nijlen niet
    die zijn gedichten schreef,
    ik ben de dichter
    van de verzen die hij schreef.
    Ik was het die,
    terwijl Van Nijlen sliep,
    bij lente- en zomertijd
    door bos en weide liep,
    die kruiden zocht en bloemen
    en praatte met de dieren,
    en die, terwijl hij op een droog kantoor
    zijn ziel en zaligheid verloor,
    in zijn plaats naar de wolken keek.’

    De dichter is een ander. Dus toch.

     


    Hettie Marzak is poëzierecensente bij Literair Nederland en een groot lezer.

     

  • Ingehouden roekeloosheid

    Ingehouden roekeloosheid

    Iduna Paalman is schrijfster van proza, poëzie en toneel. Ze is tevens werkzaam als docent Duits en schrijft blogs over het lesgeven. In 2016 won ze de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd met haar korte verhaal Jij lijkt ons perfect en haar blogs werden gebundeld onder de titel Hee maisje. Tien jaar geleden won ze de jaarlijkse gedichtenwedstrijd Doe maar dicht maar. Dit jaar verscheen haar eerste poëziebundel De grom uit de hond halen, waarvan sommige gedichten eerder gepubliceerd werden in onder andere Het liegend konijn, De Gids en Kluger Hans en draagt ze voor uit eigen werk op poëziefestivals.

    De toon is gezet

    Angst en de wens om controle te hebben over datgene dat die angst aanwakkert, lijken op het eerste gezicht de voornaamste onderwerpen van deze bundel te zijn. Wat gevaarlijk is, moet teruggebracht worden tot iets dat geen kwaad meer kan. In het eerste gedicht stelt de dichter zich al voor: ‘Er bestaat een groep riskmanagers, ik ben er een van.’ Deze riskmanagers ‘taxeren de dreigingen’ en halen vervolgens ‘een schaafwond uit een tegel’ en ‘een grom uit een hond’, met als laatste regels: ’s avonds rapporteer ik: alles wat misging is voorkomen, alles wat / jankte kan rustig gaan slapen.’

    Hiermee lijkt de toon gezet: hoe om te gaan met dreiging is een thema dat voor de hele bundel geldt. Gedichten met titels als Geruststelling en Bescherming volgen in het getrokken spoor. Maar verrassend genoeg wordt het opgebouwde verwachtingspatroon dan weer doorbroken met gedichten die zich onttrekken aan wat in het begin geconstateerd was, zoals in In functie: ‘Zeven zeg ik, als op schaal van één tot tien / gevraagd wordt naar mijn vrolijkheid.’

    De dreiging onderzocht

    De gedichten gaan niet alleen over de angst voor gevaar, maar ook over het onderzoek naar de dreiging en de risico’s. En soms wordt het gevaar wel degelijk waargenomen, maar haalt de dichter laconiek de schouders op, omdat je je nu eenmaal niet tegen alles kunt indekken. Er wordt niet langer geprobeerd de wanorde van wat men waarneemt onder controle te krijgen, maar met een zekere mate van onverschilligheid wordt deze juist geaccepteerd. Soms wint de zekerheid en soms wint de angst.

    Deze nuchtere constateringen bieden een mooi tegenspel aan de gedichten waarin geprobeerd wordt greep te krijgen op alle onvoorziene gebeurtenissen in het leven. Er is een zekere mate van veiligheid gecreëerd, een schijnzekerheid, waarop je toch ook weer niet te veel moet vertrouwen: ‘Wat is geruststellen als niemand zich nog zorgen maakt’.

    Overzichtelijkheid als leidraad

    Deze tweedeling wat de inhoud betreft, wordt niet weerspiegeld in de indeling van de bundel: er is gekozen voor vier afdelingen, maar de keuze daarvan lijkt willekeurig te zijn gemaakt; thematisch is er niets dat wijst op een speciale samenhang tussen de gedichten of de vier afdelingen en dat is jammer, want nu lijkt de enige reden de overzichtelijkheid te zijn.

    Het contrast tussen angst en onverschilligheid  dat deze bundel kenmerkt, levert humoristische vondsten op, zoals in het gedicht Alles is fantastisch zegt de kapster:

    ‘Ze heeft net in mijn oor geknipt
    en oren mogen dan wel een zeer
    moeilijk te stelpen lichaamsdeel zijn
    geweldloze communicatie (mijn moeder
    heeft er een boek over) is in een kappersmantel
    uitgevonden’

    Zonder patroon

    Humor is een manier om de chaos van het dagelijkse leven tegemoet te treden; heldere taal en eenvoud zijn andere manieren: ‘[…] de simpelste omschrijving / van gras: voedsel voor grazers.’ Als de dingen simpel gehouden worden, zijn ze beter te overzien. Haar vergelijkingen zijn origineel en fris: ‘onze opa’s vertelden nog verhalen met de hand’ en ‘ergens was een kind dat stil onder het prikkeldraad / van de bedtijd door gerold, […]’.

    Een vast patroon is er niet te vinden in de gedichten: Paalman spreekt zichzelf regelmatig tegen in de keuzen tussen verzetten en aanvaarden en gunt zichzelf daarmee een vorm van vrijheid die ook in de gedichten weerspiegeld wordt. Net als de versvorm zijn ook de onderwerpen heel verschillend: er zijn gedichten over spam in je mailbox, over een middenberm die medelijdend toegesproken wordt, over Kafka en Maria de Medici. En niet te vergeten de Brief aan de schoonmaakhulp is overtuigend: ‘Je hebt er geen zin, dat zie ik.’

    Overtuigende stijl en stem

    Niet alle gedichten zijn zo helder van opzet of van taalgebruik. Bij een enkel gedicht kan de lezer slechts raden waar het over gaat en blijft het gedicht duister, maar daardoor neemt juist het gevoel van dreiging toe. Er staat iets te gebeuren, maar wat?

    ‘Bereid je voor op een journalist in een kist naar huis,
    een staatssecretaris  met een tweede kans, schrik,
    afschuw, thee, je bed. Bereid je voor op oude bekenden,
    een schipperstrui die ruikt naar de examenklas’

    Iduna Paalman weet met haar eerste bundel de lezer te overtuigen van haar eigen stijl en stem die helder opklinken uit de gedichten.

     

  • Boerengebrabbel

    Boerengebrabbel

    Toen mijn moeder stierf, nam ze mijn taal met zich mee. Ze was de laatste met wie ik kon spreken in het dialect van mijn kinderjaren: een scherpe en schurende streektaal, ondoordringbaar voor degenen die niet in onze stad geboren en getogen zijn, maar met een rijkdom aan uitdrukkingen en oude grammaticale structuren die nooit door het officiële Nederlands werden overtroffen. Mijn moedertaal heeft haar wortels diep in de geschiedenis.

    Als kind dacht ik dat ons dialect de standaardtaal was, want ik kende niemand in de hele buurt die iets anders sprak. Standaard Nederlands was ons even vreemd en ver als Russisch. Soms verdwaalde een vreemdeling in onze wijk, iemand uit het noorden van over de grote rivieren waar de mensen een taal spraken die deftig en vijandig klonk, met een gevocaliseerde r en een raspende gutturale g: zo iemand kwam ons vreemder voor dan een buitenaards wezen. Taal weet mensen te verbinden, maar sluit tegelijkertijd anderen uit.

    Dialecten hebben tegenwoordig een opgehoogde status gekregen en worden niet meer beschouwd als boerengebrabbel van volk met klei aan de klompen. Maar ik kan mijn vreugde daarover met niemand meer delen: niemand die ik ken verstaat nog de woorden waarmee ik mijn gevoelens het beste kan uitdrukken, en er is niemand meer die me noemt bij de namen die mijn moeder me zo liefdevol gaf. Ik rouw om de dood van mijn moeder en ik mis haar, maar net zo pijnlijk als het feit dat ze er niet meer is, is het besef dat ik samen met haar ook mijn taal ben kwijtgeraakt.

    ‘Waar niemand ooit nog thuiskomt, daar begint de poëzie’, zegt Ramsey Nasr. Ik vond troost bij een sonnet van Karel Jonckheere (1906-1993), waarvan de woorden mijn gevoel van weemoed en heimwee wisten weer te geven:

    Heimwee naar moeders woordenschat

    ‘Ach moeder, ik weet zoveel woorden meer
    en van de muze honderd lepe wetten
    om ze verbluffend naast elkaar te zetten
    tot schone larie over duister zeer.

    Maar als ik op een avond bij ruig weer
    de vangst bijeengaar uit mijn rijmennetten,
    de troost schudt uit de kuil van mijn sonnetten,
    vind ik mijn stem wel maar mijn hart niet meer.

    Geleerde vrienden, die het kunnen weten,
    hebben eens de armoe van uw mond geteld
    maar geen heeft mij dan tot nog toe vermeld

    hoe gij met twintig silben mild gemeten
    mij meer met wijsheid en geluk vervult
    dan mijn orkesttaal zwoegend mij onthult.’

     


    Hettie Marzak is poëzierecensente bij Literair Nederland en een groot lezer.

     

  • Derde Man Syndroom

    De eerste keer dat ik de stemmen hoorde, was toen ik ’s morgens mijn tanden poetste. Ik stond nergens speciaal aan te denken, toen ik me er ineens van bewust werd dat er mensen aan het praten waren. Luid maar niet duidelijk, zodat ik niet kon verstaan waar ze het over hadden. Het klonk alsof er verschillende mensen in een drukke conversatie gemengd waren en ze spraken allemaal tegelijk. Toen in de dagen daarna de stemmen bleven spreken elke keer als ik mijn tanden poetste, ging ik naar de dokter. Hij vertelde me dat ik misschien leed aan tinnitus, waarbij je een geluid hoort zonder dat er een geluidsbron aanwezig is. Later las ik over de ontdekkingsreiziger Ernest Shackleton: toen hij op zijn Antarctische expeditie was, dacht hij dat er nog iemand aanwezig was naast hemzelf en twee groepsleden: ‘Gedurende die lange en uitputtende mars van 36 uur over naamloze bergen en gletsjers van Zuid-Georgia leek het vaak alsof we met zijn vieren waren en niet met drie.’ Dit zogenoemde Derde Man Syndroom wordt verklaard als een ‘gecultiveerd innerlijk karakter’ in tijden van trauma en afzien.

    Ook Gerrit Achterberg moet het verschijnsel ervaren hebben, zij het op een iets andere manier:

    ‘Ik kwam in ’t park de jachtopziener tegen
    en vroeg hem naar de stand van het roodwild.
    Hij draaide er om heen en trok verlegen
    met een schoenpunt raadsels in het grint.
    Ik was hem sinds zijn aanstelling genegen
    en hij mij wederkerig goedgezind.
    Waarom werd ik opeens geheel ontsteld
    of hij reeds maanden iets had doodgezwegen?
    Er is er dikwijls één meer dan ik tel
    zei hij bezorgd en keek me in de ogen.
    Waanzin en waarheid lagen in de zijne
    voortdurend voor elkander te verschijnen.
    De bomen stonden naar ons toegebogen.
    Toen klonk ginds op het huis de etensbel.’

    Als ik mag kiezen, dan prefereer ik de verklaring van de Derde Man Factor boven die van de tinnitus, hoewel het woord een mooie klank heeft en me doet denken aan het ‘tintinnabulum’ van de componist Arvo Pärt. Als geen van de verklaringen voldoet, dan zal ik aan iets veel ergers moeten gaan denken. Daarom heb ik er van afgezien om mijn tanden ’s avonds te poetsen wanneer ik naar bed ga, om de stemmen te vermijden voor ik ga slapen. Het wordt dus óf de psychiater óf de tandarts die ik een bezoek moet brengen.

     

    Afbeelding: Ernest Henry Shackleton


    Hettie Marzak is poëzierecensent bij Literair Nederland en een groot lezer.

  • Verontrustende gedichten van een Portugees dichter

    Verontrustende gedichten van een Portugees dichter

    Vertaler Harrie Lemmens maakte uit een aanbod van drie dikke boekdelen orthonieme gedichten, (500 blz.) een keuze van 109 gedichten en stelde een tweetalige bundel samen met de veelzeggende titel Een spoor van mezelf.
    Fernando Pessoa schreef deze gedichten onder zijn eigen naam (‘orthos’ is Grieks voor ‘correct’ of ‘juist’). Zijn keuze lichtte Lemmens toe in het interview Gaandeweg ontstond een biografie in gedichten dat in juni op Literair Nederland verscheen. Eveneens schreef Lemmens een interessant en verhelderend nawoord en werd er een kleine chronologie van het leven van Pessoa in opgenomen.

    Ongrijpbare dichter

    Van alle Portugese dichters is Fernando Pessoa (1888-1935) zonder twijfel de bekendste en misschien wel de meest geliefde, ook in Nederland. Dat is zeker niet vanzelfsprekend, want zijn poëzie is niet gemakkelijk. Pessoa was een complexe en ongrijpbare dichter, die ervan hield om heteroniemen te bedenken, afsplitsingen van zichzelf, die hij voorzag van niet alleen een naam, maar ook een persoonlijkheid, een eigen schrijfstijl, handschrift en zelfs een horoscoop. Vijf of zes van deze heteroniemen zijn algemeen bekend, maar er zouden er inmiddels meer dan honderdzevenentwintig geteld zijn.

    ‘Als je het moe wordt
    om steeds op één plek te zijn,
    waarom dan niet ook
    om maar één mens te zijn?’

    Ontwikkeling

    De gedichten zijn opgenomen in de volgorde waarin ze geschreven zijn: het eerste gedicht dateert van 21 november 1909, het laatste is van 22 november 1935, bijna exact 26 jaar later. Duidelijk is te zien hoe de stijl van Pessoa veranderde naarmate hij ouder wordt: de vroege gedichten bevatten onder invloed van het Franse symbolisme veel doorwrochte vergelijkingen ( ‘Zacht als het hebben van een moeder en zusters valt de avondstond…’) en lijken met veel schaven en polijsten tot stand te zijn gekomen; ze maken een veel traditionelere indruk dan de latere gedichten die eenvoudiger van taal zijn, intiemer, alsof Pessoa de lezer deelgenoot maakt van zijn geheimste gedachten. Want elk gedicht gaat alleen maar over Pessoa zelf: het is een gedachte, een mijmering, een droom, geschreven vanuit het ik-perspectief, alsof de dichter in zichzelf praat. Deze gedichten lijken in één keer te zijn opgeschreven, alsof het geen moeite heeft gekost. Toch worden ze daardoor niet gemakkelijker om te begrijpen.

    ‘Zoals ik het lieg’

    Pessoa hield ervan zich te verhullen en raadselachtig te blijven, ook al verwerkte hij persoonlijke herinneringen, uit zijn kindertijd en latere leven, in zijn werk. Het is nooit duidelijk of de dichter iets echt zo bedoelt of dat het een pose is, een doen alsof. Alsof hij een personage in zijn eigen werk is, van wie de identiteit inwisselbaar is: ‘Mijn leven verloopt / zoals ik het lieg.’ En net als het lijkt alsof hij zijn ware ik toont, voegt Pessoa een opmerking toe die alles ontkracht of ontkent wat hij daarvoor gezegd heeft:

    ‘Niets van wat ik ben zal ik ooit zijn.
    Ik droom en in mijn wezen droomt alleen
    een droom van wat ooit van mij zal zijn,
    maar het is weg nog voor het verscheen’

    Vergankelijkheid als thema

    Terugkerende woorden in elk gedicht zijn dood, droom, leven, melancholie, met als overheersend thema de vergankelijkheid van alles. Deze onderwerpen worden echter niet vanuit het gevoel, maar vanuit het verstand benaderd. Voor Pessoa was schrijven een cerebrale bezigheid; het gevoel was eruit zodra hij het had opgeschreven. ‘Wat ik voel wordt gewoon niet / door mijn hart voortgebracht, / maar door mijn verbeeldingskracht.’, schrijft hij in Dit, een gedicht uit 1933, met in de laatste strofe: ‘Voelen? Voelen moet wie het leest!’ Maar ook dit moet een mystificatie van de dichter zijn, want waardoor ‘voelen’ de gedichten dan zo echt aan? Pessoa roept op onvergelijkbare wijze de sfeer op van zijn geliefde Lissabon in de schemering, de schaduwen aan de kade, de eenzaamheid van de cafés, de regen. Het onvertaalbare Portugese woord ‘saudade’ krijgt ineens betekenis.

    ‘Het vale licht van de wintermorgen,
    de kade en mijn verstand
    bieden niet meer en ook niet minder hoop
    aan mijn hart.
    Wat komen moet
    komt onherroepelijk, of ik dat wil of niet.’

    Hoewel er niets boven de oorspronkelijke taal van de schrijver gaat, hoef je als  lezer geen Portugees te kennen om onder de indruk te komen. Een vergelijking tussen de Portugese versie en de vertaling, laat zien dat Lemmens erin geslaagd is hetzelfde rijmschema en ritme aan te houden als in de originele gedichten. Bovendien heeft hij de inhoud weergegeven in soepele spreektaal, die dicht bij de lezer blijft.

    ‘Niets van wat ik ben interesseert mij.
    Als er in mijn hart al iets leeft
    dat haast heeft om zich vrij
    te maken, is die haast tevergeefs.’

    Weerslag van een leven

    Deze 109 complexe en verontrustende gedichten gaan allemaal over Pessoa’s verwondering over de absurditeit van het bestaan en het zoeken naar een identiteit. Hij schrijft over zijn leven, gekweld door de leegte in zichzelf en om hem heen, door twijfels bevangen over het mysterie van het leven. Misschien dat daarom – sinds in de jaren tachtig van de vorige eeuw, onder druk van de hectische maatschappij, zingeving in het leven steeds belangrijker werd – het werk van deze Portugese dichter zo’n grote betekenis heeft gekregen. Het zijn geen gedichten die even tussendoor gelezen kunnen worden. Al lezend word je deelgenoot van Pessoa’s verlangen zich terug te trekken, een beschouwelijk leven te willen leiden dat geheel in dienst staat van de literatuur. Daarvoor moet je wel bereid zijn afstand te doen van wie je denkt te zijn.

     

  • Zomerlezen – Drie mooie klassiekers

    De bot

    Voor de zoveelste keer herlees ik Der Butt (De bot) van Günter Grass uit 1977. Dit boek bergt zoveel in zich dat het lijkt alsof je meerdere boeken tegelijk leest: een kookboek, een sprookjesboek, een feministisch manifest, een schelmenroman, een geschiedenisboek. Hierdoor wisselt ook de leeservaring: nu eens is het hilarisch, dan weer ontroerend, af en toe wrevel verwekkend, maar altijd om van te genieten. Het is zo bont en veelomvattend, dat je bij herlezing steeds weer iets tegenkomt dat je eerder niet was opgevallen.

    De bot wordt in de Steentijd gevangen in de Oostzee op de plek waar later Grass’ geliefde Danzig zal staan. In ruil voor de vrijheid belooft hij de visser, Grass’ alter ego, onsterfelijk te maken en hem met raad en daad bij te staan in zijn pogingen in verschillende tijdperken om onder de heerschappij van de vrouwen uit te komen. Zij hebben de macht in de keuken en in het bed. In de 20e eeuw is het de schrijver die het verhaal van de bot vertelt aan zijn zwangere vrouw: in negen maanden doet hij verslag van zijn negen levens, terwijl de bot opnieuw gevangen wordt en voor een feministisch tribunaal gebracht wordt, waar hij wordt aangeklaagd als voorvechter van de onderdrukking van de vrouw.

    In 2007 werd de eerste zin van Der Butt uitgeroepen tot mooiste openingszin uit de Duitstalige literatuur: ‘Ilsebil salzte nach’ (Ilsebil voegde zout toe). Volgens de jury zou hieruit blijken dat het toch weer de vrouw is die betekenis toevoegt.

     

    De bot
    Auteur: Günter Grass
    Uitgeverij: Meulenhoff

    Kim

    Zojuist heb ik Kim van Rudyard Kipling weer gelezen: een boek om van te houden. Dit verhaal, dat in 1901 verscheen,  verbeeldt Kiplings eigen jeugd in India. Het is een avonturenroman, maar het belangrijkste is het inzicht dat het boek biedt in de verschillen tussen oost en west, tussen de culturen van Indië en die van het Verenigde Koninkrijk. Kim is een twaalfjarige weesjongen, zoon van een Ierse soldaat, die aan het einde van de 19e eeuw onder de Britse overheersing leeft in Lahore als een vis in het water. Kim beheerst alle dialecten en is van alle markten thuis. Daarom wordt hij ingezet als spion in ‘The Great Game’ van de Engelsen om de controle over India te bewaken. Maar Kim is bevriend geraakt met een oude Tibetaanse lama, die op zoek is naar een heilige rivier. Kim vertegenwoordigt zowel Oost als West: hij gaat met de lama mee op diens queeste, maar alleen in de periode wanneer hij niet naar school hoeft. Uiteindelijk moet Kim een keuze maken: Kipling schreef in een van zijn gedichten ‘East is east and west is west and never the twain shall meet’.

    Kipling wordt steun aan het imperialisme verweten (The White Man’s Burden) en een paternalistische houding ten opzichte van de bevolking. Hij zag de overheersing van de Engelsen echter als economische en morele ontwikkeling voor India. Wat vooral uit de roman blijkt, is Kiplings grote liefde en respect voor het land. Het is dan ook geen verrassing dat Kim zijn geliefde lama trouw blijft.

     

    Kim
    Auteur: Rudyard Kipling
    Uitgeverij: Athenaeum – Polak & Van Gennep

    Obsessie

    In 1990 verscheen Obsessie van Byatt, ik kocht het vanwege de intrigerende afbeelding op de voorkant en omdat het een lekker dik boek was. Ook hier zit een boek in een boek in een boek, als een Droste-effect: zeer complex en aantrekkelijk. Het is het verhaal van twee literatuuronderzoekers, Roland en Maud, en de twee dichters die het onderwerp van hun research zijn: R. H. Ash en Christabel LaMotte. De levens van Roland en Maud worden met elkaar verweven, net als de levens van de dichters, zoals ze bij toeval ontdekken: Roland vindt brieven van de dichter Ash, die zijn gericht aan LaMotte. In het hart van de roman wordt het liefdesverhaal van de twee dichters verteld. Byatt heeft er ook nog een literaire detective van gemaakt: de onderzoekers proberen het geheim van de dichters te achterhalen en worden daarbij lastig gevallen door andere academici die ook belang hebben bij het onderzoek.

    En daar tussendoor word je getrakteerd op poëzie, sprookjes, spiritualisme, beschrijvingen van landschappen en humor. Bovendien voert Byatt een aantal personen op die in totaal twee eeuwen bestrijken; ze laat de ingewikkelde verhaallijnen samenkomen zoals een jongleur zijn ballen in de lucht houdt: virtuoos.

    De roman laat de verschillende vormen zien waaruit obsessie kan bestaan: de kwellende drang om iets te bezitten, die mensen tot het uiterste kan drijven, waarbij het er niet toe doet wat het onderwerp van de hartstocht is: de geliefde, de zucht naar academische roem of het einde van een zoektocht.

    Obsessie
    Auteur: A. S. Byatt
    Uitgeverij: Uitgeverij Rainbow
  • Het is niet allemaal om te lachen

    Het is niet allemaal om te lachen

    De Vlaams dichter Norbert de Beule (1957) was gedurende zevenentwintig jaar godsdienstleraar. In 2004 besloot hij uitsluitend voor de poëzie te gaan nadat hij in 2003 bekendheid kreeg met zijn bundel YELLe!. Hij debuteerde in 1987 met de bundel Rockoco en sindsdien is hij gestaag blijven werken aan zijn oeuvre. Het lesgeven heeft hij inmiddels voor enkele uren per week weer hervat. Vigor anorexia is zijn negende bundel; een ruwe vertaling van de titel zou luiden: De kracht van het gebrek aan eetlust.

    Het gebruik van het Latijn laat zich verklaren door de ondertitel: Een misboek. Ook het openingsgedicht Kyrie en gedichten als Hymne, Eerste Lezing, Credo en Gloria wijzen in de richting van het opdragen van een katholieke mis. De titel van de bundel is dan misschien ook een referentie naar het vasten van Jezus in de woestijn, waar hij door onthouding van voedsel de kracht vond om de verzoekingen van de duivel te weerstaan. Dat zou geen vreemd motief zijn voor een dichter en godsdienstleraar, die zoveel verwijzingen naar de Bijbel en de christelijke heiligen in zijn bundel stopt. En ook deze haiku zou kunnen slaan op het weigeren van voedsel:

    ‘Dragend geraamte –
    om dichter bij God te komen
    leert men rekenen’

    Na het Kyrie kondigt het begin van de bundel en ook dat van de mis tevens het begin van een nieuw leven aan:

    ‘In den Beginne was het Vlees
    het klopte mij de ziel uit de kleren
    Ik durf nog nauwelijks ademhalen
    Pas later kwam het Woord’

    Zelfportretten

    Dit zijn de eerste regels van het portret dat de dichter schildert van zichzelf als Paus Benedictus. Er volgen door de bundel heen nog verschillende zelfportretten: als Jamie Olivier, als Franciscus van Assisi, als Marianne Moore en zelfs als ‘sardientje op een bord’.
    De overige gedichten houden de volgorde aan van het ordinarium van de katholieke mis, maar ook die van het leven van de dichter: herinneringen aan zijn jeugd, de handelingen van zijn vader en moeder, zijn spraakgebrek ( ‘Ik zal […] blaaf telug naal moeke gaan’), de puberteit (‘Onzen Norbert heeft haar op zijn piezewiezeken’), het verlaten van het ouderlijk huis, de eerste liefde en de dood van zijn ouders.

    De typografie van de bundel is opvallend: er is gebruik gemaakt van diverse lettertypes in variabele grootte, van vetgedrukte woorden en facsimile’s van boodschappenbriefjes. Ook geven bekende en onbekende mensen onderaan sommige van de gedichten commentaar en ‘likes’ zoals op Facebook gebeurt:

    ‘Simone Weil Ik ben niet iemand om je lot aan te verbinden.
    Norbert de Beule Heb ik je gevraagd om mijn moeder te zijn dan?
    Paul Engelbeen vindt dit leuk.’

    Hierdoor wordt de complexe inhoud van de bundel beter bepaald, ook al is het niet altijd mogelijk er een daadwerkelijke functionele betekenis aan te hechten. Dat geldt ook voor de grootgedrukte haiku’s die regelmatig tussen de andere gedichten worden weergegeven: hoewel ze geestig en goed overdacht zijn, is soms niet duidelijk wat ze met de rest van de bundel te maken hebben; misschien dat ze daarom helemaal alleen op een pagina staan.

    Vormconcept volgens Bruegel

    Het vormconcept maakt van deze doorwrochte bundel een bont en gevarieerd geheel als een schilderij van Bruegel. Het is alleen jammer dat een index ontbreekt.

    De gedichten worden afgewisseld met prozastukken die geschreven zijn in de stijl van de schrijver aan wie ze zijn opgedragen: Cyriel Buysse, Richard Minne, Anneke Brassinga, Gerrit Krol en nog vele anderen. De Beule laat hiermee zien hoe goed hij thuis is in het werk van vele auteurs: vooral de stijl van Gerard Walschap en die van Louis Paul Boon zijn feilloos geïmiteerd en zeer de moeite waard. Ook in de gedichten zelf zitten veel verwijzingen naar bekende gedichten van bijvoorbeeld Kopland, Hoornik (Het kleine dochtertje van Jaïrus wordt bij De Beule een klein ezeltje) en Nijhoff. Het Vlaams dat de dichter zijn personages – in dit geval de moeder – in de mond legt, draagt bij aan de sfeer van de gehele bundel: ‘Miljardenvlammenste millemiekeste nondedjuu / zoudt ge nu geen vlammen schijten, jong!’ 

    Vooral door zulke uitspraken kan een Nederlandse lezer het idee krijgen dat dit een leutige en  plezante bundel zou zijn, maar hoewel de humor in ruime mate aanwezig is, is deze af en toe behoorlijk wrang. Het is niet allemaal om te lachen.

    Anorexia

    Vooral ouders krijgen veel liefdevolle aandacht in de gedichten: de vroegste herinneringen aan vader en met name aan de kordate, kort aangebonden moeder worden met smaak en pret opgedist, maar over hun stervensproces is de dichter ernstig en teder. Moeder stierf aan kanker, ‘of beter nog aan magerzucht’. Bij de zoon ‘[…] zakte zijn broek af van magerte. […] Honger en verlangen naar hoger honger […]’. Waarmee de bundel weer terug is bij de titel.

    Net als de mis wordt de bundel afgesloten met het ‘Ite missa est’, bij De Beule: ‘Zending & zegen’ genaamd, de titel van een prachtig en ontroerend gedicht waarin nogmaals sprake is van de dood van de moeder, maar ook van de verrijzenis: ‘Gaat nu allen heen, het offer is voltrokken.’ Maar als allerlaatste is er een foto van een bladzijde uit een huishoudboekje uit 1963 te zien, waarop de afbetaling is bijgehouden van de prijs voor een paard, ‘20 duizend frank’ met 1000 frank per maand. Vader De Beule was kolenboer en trok met paard en kar langs de huizen om zijn waren te leveren. Hoewel er onder de rekening staat: ‘voledig betaald’ (sic),  is het totale eindbedrag van de aflossingen echter 15.000 frank. De rekening is nog niet voldaan.