• Niet begrijpen maar meegaan in de beweging

    Niet begrijpen maar meegaan in de beweging

    De Duitse sinoloog Richard Wilhelm (1873-1930) hield in 1923 voor Carl Gustav Jung (1875-1961) en zijn collega’s in de Psychologische Club te Zürich een lezing over I Tjing of Het Boek der Veranderingen. Dit oude Chinese wijsheids- en orakelboek gaat terug op bronnen tot 4000 v. Chr., vermoedelijk afkomstig uit de Han-dynastie. Kort tevoren had Wilhelm het boek in het Duits vertaald en van commentaar voorzien. Al vanaf 1913 kende Jung Wilhelm en zijn vertaling van het boek Het geheim van de gouden bloem, een ander Chinees levensboek. Na lezing daarvan kwam Jung tot de conclusie dat de wijsheid van het Oosten aan de mensen daar toebehoort en hem alleen datgene toebehoort wat uit hemzelf voortkomt. Maar de fascinatie voor het Oosten was wel bij hem gewekt.

    Hester Knibbe heeft het Boek der Veranderingen als uitgangspunt genomen voor haar nieuwe bundel Binnen in de aarde is een berg. Ook bij haar moet er door de lezing van de I Tjing iets van die fascinatie voor die geheimzinnige werkelijkheid zijn opgeroepen, maar ook de afstand daartoe. Het gaat haar niet zozeer om het orakelkarakter, maar om kennisname van teksten met eenzelfde scala aan driften, mogelijkheden en beperkingen waarin we ons in deze moderne tijd nog altijd kunnen herkennen. In het bijzonder heeft ze de titels van de hexagrammen als inspiratiebron gebruikt om te zien in hoeverre er verbazingwekkende coïncidenties ontstaan tussen gewaarwordingen en ervaringen in haarzelf. 

    Vanuit de bron en verder

    De bundel bestaat uit twee afdelingen en bevat vierenzestig hexagrammen en opent met een citaat van Louise Glück: ‘Who can say what the world is? The world / is in flux, therefore / unreadable’. Onze wereld is permanent in beweging en laat zich moeilijk in woorden vangen, maar mensen blijven zoeken naar een houvast te midden van die nimmer aflatende beweging. 

    De eerste afdeling is getiteld ‘Aan de voet van de berg ontspringt een bron’. Vanuit deze onnatuurlijke situatie is het mogelijk op een tegendraadse manier te denken. Het gedicht, voorafgaand aan de hexagrammen, spreekt over een vrouw die een denkbeeldig pad in haar geest harkt, en zo een creatief spoor creëert door de tijd heen. We volgen daarna in grote lijnen de ontwikkelingsgang van kindertijd naar volwassenheid. 

    Al in het eerste hexagram, in tweeregelige strofen geschreven, beseft de ik dat hij met zijn woorden niet gelooft ‘de waarheid te [kunnen] kennen’. Soms zingen de woorden rond: ‘bitterzoet soms als hemelse honing’. Maar een mens redt het niet alleen met de hemel. We hebben de aarde nodig, die door ons toedoen ‘verschraalt’, maar we willen ondertussen geen gemis ervaren in leven en liefde. Die afhankelijkheid ervan begint al op het moment dat een kind ter wereld komt. De daaropvolgende periode, ‘de jeugddwaasheid’ van de puberteit, behelst de zwerftocht naar geluk en liefde. 

    Vanuit het perspectief van de levenslange ontwikkeling heeft Knibbe een reeks gedichten gecomponeerd waarin een enorme vaart zit. Enjambementen en de snelle opeenvolging van beelden, gebiedende wijs en versregels zonder werkwoordsvormen, filosofische observaties als ‘Het uitzicht is nergens hetzelfde en zoeken duurt langer dan vinden’ dragen daartoe bij. Knibbe wil veel zeggen in zo min mogelijk woorden. De gedichten zijn gelaagd en compact van opbouw. Soms lijkt de inspiratie haar te overspoelen. 

    Spiegelende problematiek

    De gedichten spiegelen de actuele problematiek: klimaat, migratie, smartphone, armoede en eenzaamheid. Naast de aantasting van de natuur is er het probleem van de bedelaars op straat, terwijl er ‘een gloed / lente over het leven en de meeste passanten / leken tevreden’, is er ‘Het leger’ van ‘makkers voor even’ die luidkeels van zich laten horen en die dromen op ‘Plaza Utopia’. Ze klampen zich aan elkaar vast. Maar gelukkig is de temmende kracht van de smartphone die hen toelacht’ en die de jeugd zich machtig doet wanen. Dit kleine heelal waarin op beeld de wereld langskomt, doet sterk verlangen ‘naar een aardse omhelzing’. 

    Dat het egocentrisme hoogtij viert, blijkt voor de ‘spiegel van de maakbaarheid’ als iemand zich ontkleedt. Hij weet zich afgesneden van de wereld om zich heen. Hoe vind je dan ‘de vrede’, de moed, in zo’n geïndividualiseerde wereld om ‘een vreemdeling binnen te laten’. Hoe moeilijk is het in een ‘Gemeenschap van mensen’ ‘de Olympus [te] bestijgen // en […] de vlakte / met haar luie bedrijvige menigte // [te] mijden.’ 

    Een mens dient immers te weten dat hij ‘tot beiden: god / die een mens zoekt en andersom in één lijf // dat met de voeten stevig geplant op de grond / het niet nalaten kan naar de hemel te kijken.’ Deze dubbelzinnigheid lijkt mij de dualiteit waarom het in deze bundel draait. Die verscheurdheid is van alle tijden: hoe je welkom te weten in deze leegte: ‘die men ontwaarde in eigen en / andermans ogen en adem’. 

    In al het onmogelijke klinkt een positieve levensinstelling door. In ’De bekoorlijkheid’ zien we in het maken van het selfie boven op de denkbeeldige berg heel duidelijk de grootheidswaan en zelfzucht van de hedendaagse dalbewoner: ‘Het is / me gelukt! Voegt hij toe (met dat // uitroepteken erachter, hartje erbij).’ 

    Ondertussen moeten we de onschuld van onze kinderen afschermen tegen alles wat het leven tegenwoordig bedreigt, zoals de algoritmen op de telefoon: ‘O algoritme van de liefde red de gestrande reiziger! […] wat // liegen verhullend je enen en nullen? / Zeg het niet, zeg // tegen de eeuwige reiziger: / weet ik niet.’ In het innerlijk hooggebergte met al zijn veranderingen en verschuivingen ligt het gevaar op de loer. 

    De tweede afdeling ‘Op de berg is een vuur’ gaat over de inwerking van andere mensen op het leven van het individu gedurende zijn tocht door de bergen: ‘is het [dan] de geest die het lichaam / meesleept of neemt het lijf de geest mee op reis?’ Het leven zit vol schijnbewegingen en is een vuur ‘dat steeds hoger // en dieper vlamt. Misschien bestaat het grote / soms even uit samen.’ Er zit een optimistisch grondtoon in deze voortsnellende, observerende poëzie die de ironie van ons tijdgewricht niet uit de weg gaat. Knibbe toont haar meesterschap in haar metafoorkeuze. Ze gaat dilemma’s niet uit de weg: ‘Het is de wereld vandaag / die we veroveren moeten voor morgen’. Ze vraagt zich af of er wel voldoende aandacht voor het zwakke in onze samenleving, zoals al die ontheemde jongeren, voor wie het gezin ‘Het gezin’ zo wezenlijk is: ‘het hart [zou daarin] de basis [moeten] vormen / voor de verdeling’. Veel blijft voor Knibbe een vraag waarvoor geen oplossing voorhanden is, maar ze blijft zoeken en zich openstellen voor de routes omhoog uit het dal, op weg ‘naar het vuur’: ‘binnen in de aarde is een berg’.

    Deze bundel geeft een schets van een levensweg langs steilten en afgronden. Heel nadrukkelijk werpt Knibbe in deze tweede afdeling de vraag naar de zin van dit leven op: ‘Of ik besta is een vraag die niemand mij stelt. / Mijn wereld? Een raam met uitzicht op elders // en nergens’. Daarmee brengt ze de metafysica haar poëzie binnen. Wie zegt er eigenlijk ‘ik’ in mij? In ’De omwenteling’ rijst de vraag: ‘waarvan en waarheen”. Je ontwaakt in een andere droom, ‘steeds besta ik in een andere droom’. Het wereldnieuws klimt lomp door het raam: ‘Waar / gaan ze naartoe? We volgen de waan van de dag. Telkens blijkt dat ‘Een duider / duidt en een andere duidt // hetzelfde anders, ze spreken / de taal van zeker weten’. Het blijft een Babylonische spraakverwarring. 

    Toenemende verlatenheid

    Naarmate de tocht op de berg vordert, neemt de verlatenheid toe. De eenzame zwerver, de pelgrim, de doler, hij moet lenig van geest zijn. In ‘Innerlijke waarheid’ geeft Knibbe een prachtig portret van de dichter die verleidend zich de woorden en beelden toe-eigent: ‘salonfähige non in habijt / met hoog split, ik kuis mij klunzige // schaamte schrans taaloordeel / over komma en punt spreek // niet met gom in mijn mind.’ Ze zoekt naar waarheid en verblijft in leugenachtigheid. Door alles heen is ‘mijn weg […] goedgelovig en / louche van aarde, ik kijk naar de mier: is nijver // de basis van een solide / bestaan? 

    64 – Voor de voleinding

    Een vrouw harkt het grind in haar tuin, harkt
    het in banen in cirkel, harkt

    de golfslag van zee rond een steen, harkt
    aandachtig een pad

    in haar geest. Ze weet dat
    wind wat ze doet zal verwaaien, tijd

    het slordig zal wissen, één
    voetstap en de golf

    breekt, is het eiland opnieuw niet meer
    dan die steen. Ze weet dat 

    het grind geen betekenis heeft: het gaat
    erom dat de hand beweegt.

    Dezelfde vrouw als uit het openingsgedicht harkt haar tuin en sluit de cirkel: ‘Ze weet dat / wind wat ze doet zal verwaaien, tijd / het slordig zal wissen’. Het grind heeft geen betekenis: ‘het gaat /erom dat de hand beweegt.’ Knibbe laat het begrijpen van deze levensreis als mens en dichter voor wat het is, het gaat ‘erom dat de hand beweegt.’ Niet het waarom, maar het meegaan in de beweging waarin je gesteld bent, is waar het om gaat. 

     

     

  • Oogst week 3 – 2024

    Het enige kind

    Een oogst zou maar saai worden, als we slechts prijzen opnoemen die schrijvers in het verleden wonnen. Guadalupe Nettel, bijvoorbeeld, heeft een erelijst waarmee we een hele tekst kunnen vullen. Ze geldt als een van Amerika’s vermaardste auteurs. Bovendien verdient ze haar sporen als academica; ze promoveert op Taalwetenschappen in Parijs. Haar vierde roman, Het enige kind (La hija única), omschrijft het leven van vrouwen in Mexico-Stad. Klinkt simpel en droogjes. Wie zich echter mondjesmaat in de lokale cultuur verdiept, weet dat vrouwen daar dagelijks moeten vechten voor hun leven, alleen door vrouw te zijn. Moeders inclusief.

    We volgen vriendinnen Laura en Alina. Beiden diepgewortelde feministen, maar de één wil absoluut geen moeder worden en de ander… wellicht ooit wel. Moederschap brengt immers nogal wat teweeg, naast ‘gewoon’ een kind. Met heldere taal en kleurrijke bijfiguren laat Nettel zien welke offers moederschap vraagt: lichamelijk, sociaal en psychisch. Het complexe is, dat géén moeder willen worden, eveneens tot ongemak leidt. Het enige kind waarschuwt voor stelligheid; lonkt eenmaal de kans om voor een kind te zorgen, vertoont zelfs vrouwenactivist Laura moederlijke trekjes, waarvan ze altijd dacht die te moeten verafschuwen.

    Het enige kind
    Auteur: Guadalupe Nettel
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Het mensenschip

    Telkens wanneer een Portugeestalig meesterwerk in het Nederlands verschijnt, is Harrie Lemmens erbij betrokken. Dit geldt ook voor A barca dos homens van Braziliaan Waldomiro Freitas Autran Dourado, vertaald als Het mensenschip. Dourado (1926 – 2012) kiest als decor vaak zijn geboorteregio Minas Gerais, wat hij nu nalaat. Binnenkort geeft uitgeverij Koppernik ook Opera der doden (Opera dos mortos) uit. Uniek binnen de Braziliaanse literatuur is dat Dourado zijn romans gebruikt voor poëtische stijloefeningen. Zijn prozaïsche stijl reserveert hij voor de journalistiek en advocatuur.

    In Het mensenschip staat de jonge knul Fortunato centraal. Die naamkeuze zal ironisch zijn: Fortunato heeft bepaald geen geluk en lijdt aan een verstandelijke beperking. Op een avond verdenkt men hem ervan een pistool te hebben gestolen. Er volgt een koortsachtige klopjacht door de complete gemeenschap. Per hoofdstuk wisselt Dourado van vertelperspectief; bijna elk lid uit de nabije omgeving komt voorbij, inclusief Fortunato zelf. Zo veel mensen, zo veel manieren van uitdrukken… een perfecte aanleiding voor Dourado om zijn stilistische begaafdheid te laten zien. Wie houdt van een gezonde dosis barok, zit bij A barca goed.

     

    Het mensenschip
    Auteur: Autran Dourado
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Binnen in de aarde is een berg

    Wie een gedichtenbundel getiteld Oogsteen uitbrengt, mag in de oogst van Literair Nederland natuurlijk niet ontbreken. Al gaat deze vermelding niet over dat boek, maar over Binnen in de aarde is een berg. Hester Knibbe (1946), alom geprezen dichteres uit Harderwijk, schreef al meer dan vijftien dichtbundels, die haar bijna allemaal prijzen opleverden. De laboratoriumanaliste is er beroepsmatig al aan gewend om tot de kern te komen, wat ze in haar verzen doortrekt. Critici loven haar nieuwsgierigheid en oog voor detail. Bovendien oogst Knibbe bewondering vanwege haar interesse in vroegere culturen, waaronder de Klassieke Oudheid.

    Ditmaal vormt I Tjing haar voornaamste inspiratiebron. Het Oud-Chinese Boek der veranderingen geldt als één van de oudste orakelboeken van de mensheid. Meer dan in een tarotsessie of een halfbakken toekomstvoorspelling bedient de I Tjing zich tóch ook van wetenschap, hetgeen Knibbe zal hebben gewaardeerd. Ze gebruikt de hexagrammen uit I Tjing als titels van haar gedichten en actualiseert ze. Uit het oude Griekenland kennen we natuurlijk al het motto ‘Panta rei, ouden menei’. Binnen in de aarde is een berg trekt verder oostwaarts om verandering niet alleen te accepteren, maar ook te wórden: het principe van de Tao.

    Binnen in de aarde is een berg
    Auteur: Hester Knibbe
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Première getoonzette gedichten van Ida Gerhardt

    Première getoonzette gedichten van Ida Gerhardt

    Ida Gerhardt is in Nederland bekend om haar gedichten. Maar zij vertaalde, samen met Marie van der Zeyde ook het Boek der Psalmen vanuit het Hebreeuws. De Vlaamse historicus en theoloog Dick Wursten gaat tijdens zijn lezing in op een aantal typische problemen en uitdagingen waarmee elke vertaler wordt geconfronteerd die zich waagt aan de Hebreeuwse poëzie van het Boek der Psalmen. Waardoor het vertaalproject van Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde in een brede cultuur-historische context komt te staan.

    De avond wordt omlijst met muziek van Rosasharn (Roos van der Burg), zij zette zes gedichten van Gerhardt op muziek.
    Dichteres Hester Knibbe gaat in op het aspect van tijdloosheid in haar eigen gedichten en die van Gerhardt.

    Toegang: € 10,- voor donateurs en € 15,- voor niet-donateurs.
    Meer informatie op Ida Gerhardtgenootschap.

     

     

  • Nacht van de Poëzie wederom met vele hoogtepunten

    In de door blauwe en roze lampen verlichte zaal van Tivoli/Vredenburg, opende Maarten van der Graaff, die vorig jaar de nacht afsloot, de Nacht van de Poëzie met een stevige aftrap en meer als een Angry Youg Man die blijkbaar ook in hem huist. Waarna presentator Piet Piryns: ‘de romaticus van het abattoir’, Luuk Gruwez aankondigde die voordroeg uit zijn bundel Moeders. En hier begon het dat men het applaudisseren tussen de gedichten door, al niet laten kon. Was het bewondering of waren de dichterlijke gemoederen al te hoog opgelopen?

    Voorafgaande aan de Nacht vond er in een van de ruimten in de catacomben van Tivoli/Vredenburg de tv-opnamen plaats voor het VPRO programma Brands met Poëzie. Zo’n twintig plaatsen voor wie het wel eens wilden meemaken en hoe Wim Brands (hoorde ik naast me) in het echt is. Nu, hij was niet veel anders dan voor of tijdens de opnamen, luidde het oordeel. Wat klonk als een compliment. Er was een format: eerst leest de dichter iets voor uit zijn werk, dat ene gedicht zal de spil van het gesprek zijn. In afwachting van de opnamen, vraagt Brands of er iemand in het publiek een gedicht uit zijn hoofd kent. Een echte Brandsvraag, die de werking van geheugen en herinneringen in het schrijfproces, mateloos intrigeert: wat gaat er om in dat hoofd? Er werd voorzichtig wat geschoven op stoelen en evenzo gelachen. Ellen Deckwitz was er wel goed in, zowel uit eigen werk als uit het werk van anderen declameerde zij uit het hoofd. Vier mooie interviews met Pieter Boksma, Ellen Deckwitz, Hester Knibbe en K. Schippers.

    Verhalen en anekdotes

    De Nacht was vol verhalen en anekdotes, met dank aan de presentatoren Esther Naomi Perquin en Piet Piryns. Perquin vertelde dat zij eens met een bijna tachtig jaar oude dichter een museum bezocht. Dat zij die dichter onderweg kwijtraakte en na tientallen minuten zoeken, waarbij ze de suppoost inschakelde en bang werd, bij elke toiletdeur die zij opentrok, de dichter ineengezakt op de vloer zou aantreffen. Tot ze de dichter buiten in de zon zag zitten, een sigaret rokend. Zij vertelde hem hoe ze hem gezocht had en haar groeiende angst hem op de vloer 12027525_992788844076975_5632214561750089309_naan te treffen terwijl ze deur van het toilet opentrok. En de dichter, die aandachtig luisterde, vroeg: ‘En, lag hij daar?’ Met deze tekst werd K. Schippers aangekondigd die met verende tred het podium betrad en vanaf de katheter voorlas: Iemand elke dag zien/iemand toevallig zien/iemand af en toe zien/ iemand per vergissing zien/(…)/iemand nooit meer zien, uit zijn nieuwste bundel Fijn dat u luistert.

     

    ‘Thuis wil ik zijn, al is het maar een nacht.’

    Een dichtregel van Tsjêbbe Hettinga (1949-2013) waarop de Nacht van de Poëzie werd gedragen. Thuis was men zeker in deze Nacht, misschien wat al teveel. Het publiek was vlot en overweldigend met applaus, joelen en fluiten dat menig dialoog, dat eventueel had kunnen ontstaan tussen zaal en podium, in de kiem werd gesmoord. Nog voor de fragiel ogende Juliette Gréco één noot had gezongen, werd de zaal haast afgebroken  met stampen, roffelende handen op houten relingen en een overweldigend applaus. Haar zang en intonatie waren zeer beheerst en soms haast krampachtig, zoals bij ‘Ne me quitte pas’ van Jacques Brel. Het doorlopend fladderen van haar handen leek teveel een maniertje en bewogen steeds net een fractie van een seconde achter de tekst aan. Misschien was het bij een wat minder overweldigend onthaal wel tot een dialoog tussen haar en het publiek gekomen. 12032127_993690873986772_8240695244972306113_nDe ontdekking van dit jaar is Benjamin Clementine met zijn theatrale zangkunsten en intrigerende teksten. In zijn donkergrijze lange coat, stond hij min of meer achter de vleugel die hij merendeels bespeelde met één hand. De rechterhand bewoog mee op de tekst van zijn songs: ‘It does’nt matter any more. En het beroemd geworden Condolence, ‘I swear, you’ve seen me/You’ve seen me here before/before.’

     

     

    Tussen de golven van applaus en performance in, was het een verademing te luisteren naar Hester Knibbe, ‘liefde, liefde, het zit altijd vast aan iemand’ en Anneke Brassinga, één met haar gedichten in haar voordracht. Zij kregen ieder op hun wijze de zaal stil, aandachtig luisterend. Waarna het lachen was met de verzen van Ivo de Wijs, en de wat cynischer, maar daarom des te komischer poëzie van  Lévi Weemoed.

     

    11987199_992793087409884_8579969130201574497_nPeter Verhelst maakte indruk met zijn gedicht over de foto van de Syrische peuter op het strand. Afhankelijk van wat we zien hoelang dit op ons netvlies blijft: ‘Zelfs toen we niet meer keken bleef het liggen op het strand/zelfs toen het weggehaald was bleven we het zien liggen’.
    Na de dip van de Nacht, en zoals Piryns het zo treffend verwoordde dat ‘je het niet kon maken nu thuis aan te komen’,  blies Ilja Leonard Pfeiffer ( ‘Zij hadden mij de nacht beloofd’), de Nacht nieuw leven in met zijn verschijning en voordracht. Ook Pieter Boksma, maakte indruk. Hij  vond het tijd worden voor een revolutie en dan een dichtertje op de troon ‘zodat men weer genieten kan van dansende zonnevlekken op een bospad’.

    Ode aan dode dichters

    Deze Nacht waren drie dode dichters aanwezig. Mike Boddé bracht een ode aan Drs. P (1919-2015) door op aanstekelijke wijze over hem te spreken en zijn liederen te zingen. Dat deed hij op zo’n zelfde wijze, dat het leek of Drs. P himself aanwezig was. Ester Naomi Perquin las het gedicht God te zijn van Joost Zwagerman voor. En vertelde dat Rogi Wieg eindeloos kon bellen. De laatste keer dat zij met hem sprak zei ze na vier uur bellen: Rogi, ik heb ook nog wat te doen.’ Waarop Rogi zei: ‘Ja, naar mij luisteren.’ Indrukwekkend was de video waarvan hij en wij in de zaal ook, wisten dat hij op het moment van uitzending er niet meer zou zijn, en waarin hij hij licht geëmotioneerd zegt: ‘Ik ga nooit meer een gedicht schrijven.’

    Terwijl voor het podium op de vloer het publiek op kussens de laatste uurtjes van de Nacht doorbrengt, de geur van zweetvoeten zijn hoogtepunt bereikt, maakt Typhoon er 12049638_992786484077211_4116692214999661065_neen feestje van met een swingend einde. Waarna Charlotte Van den Broeck met een ongelofelijke woordkracht de zaal bezwoer en de Nacht waardig afsloot. Zoals Van den Broeck haar gedichten declameerde, zo zou je het willen. Eindelijk eens een gedicht uit het hoofd leren zodat, als bijvoorbeeld Brands erom vraag, je het zo op kunt zeggen. Van den Broeck verliet het podium met een mondig ‘Goedenacht’, waarin een glimlach hoorbaar was. Mooi was het.

     

     

    Foto’s: Charlotte Van den Broeck / Peter Verhelst / K. Schippers : Annemarie Sint Jago
    Foto’s: Zaal / Benjamin Clementine: Michael Kooren

     

  • Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    ‘Een kamer in het verleden’ werd vorig jaar door de VPRO uitgezonden bij het radioprogramma ‘De Avonden’. Vijftien auteurs werden om beurten naar het eilandje Senneroog op het Lauwersmeer gebracht waar ze op een woonboot een week in afzondering doorbrachten. ‘De kamer van J.H. Leopold’ deelt deze Tirade in tweeën.

    Zonder telefoon, geen internet, radio of televisie en afgesloten van elk menselijk contact met uitzondering van een zwijgende koerier, die dagelijks in zijn speedbootje de radiobijdrage voor die avond afhaalde. Dat ondervonden vijftien auteurs die op uitnodiging van de VPRO voor een week in afzondering leefden op een woonboot. De eenzaamheid opzoeken om daar verslag van te doen via de radio. Dat doet denken aan de jaren zeventig, toen  Godfried Bomans en Jan Wolkers ieder een week in volledige afzondering, kampeerden op Rottumerplaat. Bomans was aan het einde van zijn week een depressie nabij terwijl Wolkers steeds lyrischer werd.
    Vijf van deze auteurs kijken terug en doen  in deze Tirade verslag van hun bevindingen.

    Gerbrand Bakker nam zich voor aan een toneelstuk te schrijven maar kreeg geen woord op papier. Het eiland trok hem naar buiten, moest in cultuur gebracht worden. Paden vrijmaken en bewegwijzering aanbrengen. Atte Jongstra gooit zijn vele ikken in de strijd en met de Eerste Stokkensnijder bouwt hij verder aan waar Bakker mee begonnen was. Geschokt reageerden beiden op het ’terug aan de natuur’ plan van Wim Helsen die na hen kwam en die overmoedig alles vernielde wat zij hadden bewerkt en gevormd. Het hield de gemoederen nogal bezig.
    Maarten Doorman weet niet wat de stilte met hem gedaan heeft. Stilte bestaat zolang die hoorbaar is, volgens Doorman. De stilte op het eiland werd hoorbaar door het klapperen van het vlaggentouw tegen de mast en het zacht klotsen van het water. Mooi gevonden.
    Ook boswachter Jan Willems, die het hele project in zijn natuurgebied begeleid heeft, blikt terug met kennis van zaken.

    Het deel Een kamer in het verleden draagt op de cover een still uit de video Man op het wad van de NCRV uit 2002. Deze mysterieuze Duitse man, die erin slaagt  te overleven zonder amper een spoor achter te laten en die schijnbaar steeds bij toeval gevonden wordt, bevindt zich dicht bij het eiland Senneroog. Dit spreekt tot de verbeelding van Menno Wigman. Hij raakt zo geobsedeerd door het idee dat er rond het eiland  een man is die hij niet kan zien en die niet gezien wil worden, dat de organisatoren besluiten Wigman te vertellen dat die man niet bestaat. Dit lijdt tot grote woede bij Wigman. Hij was sowieso niet gecharmeerd van dat hele idee van afzondering. Hij begint zijn verslag dan ook met de bekentenis dat hij het een verschrikking vond. Hij was woedend op alles en iedereen en vooral op zichzelf. Dat hij zichzelf erin gelokt had, in de valkuil van een illusie.

    Maartje Wortel vond het wel prima eigenlijk. No big deal, lijkt ze te zeggen. Zes dagen eiland en dan weer naar huis. Ze zou Menno Wigman wel graag willen mailen dat de Duitse man echt bestaat, zo heeft ze vernomen van iemand die het weten kan. Maar ze durfde niet, omdat hij zo boos was, op iedereen leek wel. Nu is ze bang dat die boosheid zich op haar zal richten. Dus maakt ze van de gelegenheid gebruik zich in haar verslag tot Wigman te richten. ‘Maar Menno: het is dus echt waar, van die Duitser.’

    Door Een kamer in het verleden komen we via de andere kant van Tirade in De Kamer van J.H. Leopold. Dick van Halsema, biograaf van de dichter Leopold (1865-1925) is vooreerst bezig met het verzamelen van materiaal over het leven van de dichter.  Onlangs kreeg hij  via een familielid van Leopold deze foto in handen die de andere coverzijde siert van Tirade. Een foto van de werkkamer van J.H. Leopold gelegen aan de Van Oldenbarneveldtstraat te Rotterdam.  Werkkamers van schrijvers spreken tot de verbeelding. Op de website www.dekamervanleopold.nl wordt auteurs gevraagd te reflecteren op een element van deze foto. Dat leverde verschillende bijdragen op van o.a. Hester Knibbe, Miek Zwamborn en H.T.M. van Vliet.

    Volgens Anton Korteweg is het interessant je af te vragen in hoeverre de voorwerpen in de werkkamer van een schrijver in relatie staan tot de schrijver zelf. En ziet op de foto vooral wat ontbreekt: een zwart leren brievenmap, weet hij, waar de dichter de brieven van zijn favoriete leerling Latijn bewaarde, bevindt zich in het Letterkundig Museum.
    Barber van de Pol . associeert  de dichtkunst van Leopold met het knopen van een tapijt. Wanneer ze in Turkije of Marokko door de kashba of soek loopt en al die tapijten daar ziet hangen en liggen in hun betoverende aantrekkelijkheid, denkt ze altijd, ergens ver weg, aan Leopold.
    ‘(…) Leopold (…) als mede-onderdeel van het lila, het purper, het rood en het goud.’

    Verder Kroniek van de roman van Carel Peeters. Ditmaal over het romandebuut van de dichter Erik Menkveld, Het grote zwijgen. Afgezien van een prachtige kunstenaarsroman waarin het echte leven getoond wordt is het ook een cultuurfilosofische roman dat tot vergelijkingsmateriaal kan dienen voor de hedendaagse kunst, aldus Peeters.

    www.vpro.nl/eenkamerinhetverleden_podcast

    Tirade nr. 439 nu ook te koop als e-Boek € 8,00