• De zomerboeken van Evert Woutersen

    De zomerboeken van Evert Woutersen

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden.

    Evert Woutersen gaat deze zomer de volgende vijf boeken lezen:
    Bart Chabot, Mijn vaders hand, en Hartritme van Chabot
    Kazuo Ishiguro, Klara en de zon
    Tamsin Calidas, Ik ben een eiland
    Esther Verhoef, De nachtdienst

    ‘Bart Chabot schrijft aan een driedelige roman-biografie, over zijn jeugd en een vader met losse handen. Chabot zei daarover: ‘Mijn vader was een carrièreman en hij kreeg een zoon die niet wilde deugen en zich tegen conventies verzette. Met
    terugwerkende kracht heb ik wel bewondering gekregen voor dat kind, dat het allemaal overleefde.’ Hartritme gaat over de
    vriendschap met Herman Brood, Jules Deelder en Martin Bril. ‘Vriendschappen met drie mannen zorgden voor inspiratie en aanmoediging.’ Zijn ouders en vrienden leven niet meer, ik ben benieuwd hoe hij hen tot leven brengt in deze romans. Klara en de zon wil ik lezen omdat ik nooit iets van deze Nobelprijswinnaar heb gelezen. Tamsin Calidas schrijft over het roer omgooien. Ze verhuist van London naar een boerderij op een Schots eiland. Zelf droom je daar wel eens van, maar zet nooit door. Benieuwd hoe het haar vergaat, of ze zich daar gaat thuisvoelen. In een interview zei ze: ‘Het leven is een primitief touwtrekken tussen erbij horen en ontworteld raken.’ Tot slot de nieuwe Esther Verhoef, (‘Een mysterieuze patiënt verstoort je nachtdienst.’), zij stelt nooit teleur, en een spannend boek tijdens de vakantie is altijd fijn!’

     

    Lees hier meer over Evert Woutersen.

     

  • Een kind meer of minder

    Een kind meer of minder

    Stel je bent donorkind en je gaat, nieuwsgierig geworden naar je afstamming, op zoek naar je biologische vader. Waar moet je beginnen? En wil je mogelijke vader jou en zijn mogelijke andere kinderen wel kennen?  Of verschuilt hij zich liever achter zijn recht op privacy? Christiaan Alberdingk Thijm heeft dit gegeven gebruikt voor zijn nieuwe roman De familie WachtmanChristiaan Alberdingk Thijm schrijft in zijn nawoord dat hij negen jaar aan zijn roman heeft gewerkt en dat alle gebeurtenissen volledig uit zijn brein zijn ontsproten, ‘al deed de actualiteit gaandeweg haar best de fictie in te halen.’

    Fictie 

    Philip Wachtman (45 jaar) werkt al jaren als universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde ooit op het recht op anonimiteit van de spermadonor. Als autoriteit op dit gebied is hij een graag geziene gast in televisieprogramma’s. Hij geeft colleges over de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting.  Daarvoor gebruikt hij steeds dezelfde powerpointpresentatie. Hij hoeft alleen zijn USB-stick in de computer te steken om college te geven. Tot zijn college een keer anders verloopt dan verwacht. Studente Vera Hartog stelt vragen over het arrest van Rasmussen waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een streep heeft gezet door de belangen van zaaddonors. Wachtman heeft zich niet in dit arrest verdiept en reageert geïrriteerd: ‘Rasmussen is niet verplicht voor het tentamen.’

    Na het college vraagt Vera of hij haar wil begeleiden bij haar scriptie, maar hij houdt de boot af, omdat – zoals hij zegt – ze bij de vakgroep maar 0,8 fte beschikbaar hebben voor onderwijs en scriptiebegeleiding. Later blijkt dat Wachtman al jaren geen scripties meer begeleidt. De doorbreking van de anonimiteit van de zaaddonor zet zijn wereld op zijn kop. Op werkgebied omdat het onderwerp van zijn colleges hiermee in één klap achterhaald is. En privé, omdat hij al jaren spermadonor is. Volgens schattingen van de spermabank zou hij tot wel 411 nakomelingen hebben. Zijn vriendin Freya de Koning (39 jaar) is niet op de hoogte van zijn donorschap, van zijn ‘parallelle leven.’ Zij heeft een kinderwens en probeert al anderhalf jaar zwanger te worden. ‘Ze wil een kind. Een kind van hem. “Een klein roodharig hummeltje,” had ze gezegd.’ Opvallend in dit verband: Freya is de naam van de noordse godin van de vruchtbaarheid. Nu het haar niet lukt om zwanger te worden, heeft ze een afspraak gemaakt bij de gynaecoloog voor onderzoek. Wachtman gaat met tegenzin mee, omdat er volgens hem niks mis is met zijn zaad…

    In afwisselende hoofdstukken lezen we over de belevenissen van Philip en Freya, vanuit zijn – en haar perspectief. Philip hoopt op een benoeming tot hoogleraar, maar dat gaat niet zoals hij verwacht. Er is meer tegenslag: hij moet zich verdedigen tegen een aanklacht van een studente. En hij wordt beschuldigd van plagiaat in zijn proefschrift. Bij tegenslag en teleurstelling vindt Philip troost in het doneren. Hij neemt dan contact op met de kliniek met de vraag of hij nog even kan langskomen: ‘Ik heb het nu echt even nodig. Er is iets gebeurd. Het gaat even helemaal niet goed.’ In de kliniek vindt hij rust, na al ‘die momenten waarop hij boos de deur achter zich dichttrok omdat hij niet werd begrepen.’ Het is een boosheid ‘die alleen te koelen is door te verdwijnen.’ Ook al kent hij zijn donorkinderen niet, ‘ook al heeft hij geen band met ze, hij voelt een diepe verwantschap.’ Het idee dat hij zoveel nakomelingen heeft, geeft hem een gevoel van veiligheid. ‘Al die kinderen van hem staan eigenlijk voor alle momenten in zijn leven dat er even niemand voor Wachtman was.’

    Universiteit versus theater

    Alberdingk Thijm schetst een mooi tijdsbeeld van hoe het eraan toe kan gaan op een universiteit: de voortdurende druk om te publiceren, het gedoe rondom het aanvragen van subsidies voor onderzoeksprojecten, kostenbesparingen en reorganisaties, #metooprotocollen en het azen op promoties. Zijn beschrijvingen van de universitaire wereld lijken een hedendaagse variant van Onder Professoren (1975) van Willem Frederik Hermans.  Bij Hermans ging het over de universiteit van Groningen, bij Alberdingk Thijm over de Universiteit van Amsterdam. Hermans’ hoofdpersonen Rufus Dingelam, Knellis Tamstra en Andreas Ballingh, heten bij Alberdingk Thijm Philip Wachtman, Maaik Dammers en Theo Niemantsverdriet.

    De hoofdstukken over Freya vertellen hoe zij Philip heeft leren kennen, over haar studie aan de toneelacademie, haar afstudeerrol als Martha in Edward Albees toneelstuk Who’s Afraid of Virginia Woolf bij een groot toneelgezelschap. Ook hier heeft Alberdingk Thijm zich laten inspireren door de actualiteit, zoals seksueel misbruik en intimidatie in de theaterwereld. Freya heeft succes als stemactrice voor het  populair karaktertje, Felicity. ‘Het leven straalt als iedereen een zonnetje is.’

    Amsterdam

    Het decor van de roman is Amsterdam. Bekende plekken zoals de Oudemanhuispoort, Rokin, Athenaeum boekwinkel, Buiksloot in Amsterdam-Noord, het Boven IJ-ziekenhuis.  Het verhaal speelt zich af rond de bouw en de opening van de Noord/Zuidlijn op zaterdag 21 juli 2018.

    Alberdingk Thijm schreef in een soepele stijl een roman met veel vaart. De verhouding tussen dialogen en beschrijvingen is goed in balans. De structuur met het wisselende perspectief Philip/Freya werkt goed. Wat dat betreft zou het een Nicci Frenchboek kunnen zijn: de een schrijft vanuit de man, de ander vanuit de vrouw. Maar Alberdingk Thijm heeft beide perspectieven voor zijn rekening genomen. De beeldspraak die hij gebruikt, past bij de stemming van de hoofdpersonen. Als Philip zich niet goed voelt lezen we: ‘Wachtman lijkt tot zijn middel in een vat beton gegoten.’ En als Freya de kinderen van haar vriendin afhaalt bij school: ‘Voortdurend het beeld om me heen van het leven dat ik zou willen leiden, de reflectie van wat had kunnen zijn, zo dichtbij, maar slechts een spiegeling in het water.’

    Alberdingk Thijm schrijft in het nawoord dat hij voor zijn roman de Wet over de donorgegevens verplaatst heeft naar 2012. In werkelijkheid was 2004 het jaar waarin anoniem doneren verboden werd. De tegenstelling recht op privacy van de donor tegenover het recht op kennis over afstamming van het donorkind heeft hij knap uitgewerkt. Voordat je er als lezer erg in hebt, komen alle lijntjes in de roman als in een stroomversnelling samen in een verrassend slot tijdens de opening van de Noord/Zuidlijn. Alberdingk Thijm heeft met De familie Wachtman à la Nicci French een echte pageturner geschreven. Alleen de sticker ‘De nieuwe Alberdingk Thijm’ ontbreekt op de omslag.

     

     

  • Hoeders van El Hacho

    Hoeders van El Hacho

    De berg El Hacho maakt onderdeel uit van de Sierra de Grazalema, een bergketen in Andalusië in Zuid-Spanje. Het is een ruig gebied waar het zomers heel heet kan zijn en waar in het najaar veel regen valt. De dunbevolkte streek met amandel- en olijfboomgaarden ligt ten noorden van Malaga. Luis Carrasco situeert hier zijn debuutroman El Hacho die in 2018 in het Engels verscheen. Jona Hoek maakte voor Uitgeverij Koppernik een prima vertaling en gaf het de titel Het hellen van een leven mee. Anna Raspopova voorzag de roman van een mooi omslag met een gestileerde olijfboom.

    De korte roman beschrijft in zestien hoofdstukken hoe twee broers Curro en Jose-Marie (Marie) met de erfenis van hun voorouders omgaan: een olijfboomgaard tegen de helling van de berg El Hacho. Samen bewerken zij het land van hun ouders in de verzengende hitte van de zomerzon. Zij kunnen leven van de opbrengst van de boomgaard. Curro woont met zijn vrouw in het voorouderlijk huis en Jose-Marie in een dorpje verderop.
    Het boek opent met een herinnering van Curro aan het bezoek van een man uit Malaga, in het boek omschreven als de Malagueño, die bij de vader van de broers langskomt met een bod op de olijfboomgaard op El Hacho. In de woorden van de man: ‘De berg is voor ons meer waard in steen dat het u ooit aan vruchten zal opleveren.’ Maar de vader wijst het bod af.  ‘Zou u een slager vragen om zijn hakblok te verkopen, zei hij, of een timmerman zijn beitel en schaaf? Zonder die bomen ben ik alleen maar een man, en dat stelt niet veel voor.’ De vader vertelt dat hij nergens anders gelukkiger kan werken dan op zijn berg. En hij ‘zei hem niet terug te keren tenzij het was om samen een beker wijn te drinken en het niet over geld te hebben.’ Curro was toen nog klein; hij reikte ‘niet hoger dan de lusjes van zijn vaders riem’.

    In het begin van het boek zijn de broers samen aan het werk in de boomgaard. De omstandigheden zijn zwaar. Het heeft al lange tijd niet geregend en de zon brandt op de olijfbomen. De vruchten blijven klein en de wind waait het zand weg tussen de wortels van de bomen zodat ze dreigen om te vallen. Hun ouders zijn inmiddels overleden en begraven op El Hacho. Curro zorgt voor bloemen op hun graf. Hij herinnert zich de woorden van zijn vader: ‘dat het beter is een kaars aan te steken dan te klagen over het duister.’ Curro: ‘Ik weet dat jíj niet zou klagen. Daarom breng ik nog steeds de bloemen. Dit is mijn kaars.’
    Net als zijn vader voelt Curro zich sterk verbonden met zijn geboortegrond.  Zijn jongere broertje Jose-Marie heeft dat veel minder. Hij komt steeds minder vaak naar de boerderij om zijn broer te helpen. In het dorp zit hij in de kroeg en in het weekend werkt hij als taxichauffeur in Ronda.

    Spaken in hetzelfde wiel

    Curro lijkt op zijn vader als het over geld gaat. Een herder uit de buurt laat zijn geiten in de olijfboomgaard grazen. En geeft Curro daar dan af en toe een kaasje voor. Broer Jose-Marie wil voor het laten grazen van de geiten geld vragen, maar Curro ziet daar het nut niet van in: ‘Waarom zijn geld aannemen om kaas te kopen als hij ons liever kaas geeft?’ De broers hebben verschillende opvattingen over de manier waarop de olijfboomgaard gerund moet worden. Curro knapt liever het oude pad in de boomgaard op dan dat hij geld leent om een tractor te kopen. Ook de oude netten waarmee de olijven onder de bomen worden opgevangen repareert hij ieder jaar weer in plaats van krediet aan te vragen om nieuwe te kopen. Het levert interessante gesprekken op tussen de twee broers, over geld en over de verschillende manieren waarop zij naar andere mensen kijken. Curro haalt graag aan wat hun papa zei als ze een beetje krap zaten: ‘Betaal als je het geld hebt en werk als je de tijd hebt.’ Ook al is Curro het niet eens met zijn broer, hij klopt hem liefkozend op zijn buik en zegt dat hij zijn verlangen naar een ander leven wel begrijpt.

    Keuzes maken

    Er komt een nieuw bod op de olijfboomgaard, maar Curro legt zijn broer uit waarom hij geen afstand kan doen van de familiegrond. Voor hem voelt het land als een verlengstuk van zijn eigen lichaam. Het land ‘in de steek laten zou betekenen dat ik mezelf in de steek liet.’
    Curro houdt van zijn broer en stemt ermee in dat zijn broer het bedrijf verlaat. ‘De erfenis houdt een verantwoordelijkheid in die je nooit begrepen hebt, maar dat neem ik je niet kwalijk. Ik heb een paar dagen gehad om hierover na te denken en als je het land niet wilt hebben om te bewerken, dan moet je gecompenseerd worden /…/.’

    Nu heeft Curro voor het eerst een schuld, maar de opbrengst van de olijfboomgaard hoeft hij niet meer met hem te delen. Zijn vrouw maakt van de konijnen die hij vangt handschoenen die verkocht kunnen worden aan toeristen in het dorp. Zo kiezen de broers allebei een eigen levenspad. Curro: ‘Een man kan zich niet echt vrij voelen totdat zijn leven is gevormd naar zijn eigen keuzes. Dat heeft Marie nu en hij zal er even gelukkig mee zijn. Mijn angst is dat de keuzes de verkeerde zijn. Voor hem.’ Curro is gelukkig met zijn eigen keuze: ‘Ik heb nooit meer gewild dan de gezondheid om met mijn olijfbomen in de weer te zijn met de zon in mijn nek en het gekwetter van de alpenkraaien in mijn oren. Geef me dat en de kans om met mijn geliefde een beker wijn te drinken op het terras terwijl we naar de sterren kijken en ik ben tevreden. Dat is pas rijkdom.’

    Hitte en regen

    Curro staat er alleen voor in de olijfboomgaard. Hij werkt op het land als de zon nog niet op is, ‘voordat de engel van leven en dood zich onverbiddelijk boven de vallei zou verheffen en de dunne bladeren zou verschroeien.’  Het wordt heter en heter en Curro verzucht over de brandende zon: ‘Eén dag zonder jou op mijn nek, kreng.’ De zon is bijna een personage in het boek geworden; een ‘meedogenloze gele bol’, ‘de grote woedende bol’, de ‘withete toorn van de zon’, de ‘zon scheen verbolgen.’ De olijfbomen en de vruchtjes lijden zwaar onder de hitte.

    Als het november is, komt er eindelijk de regen, in de vorm van een enorme onweersbui: ‘hij zag de oprukkende paarse en antracietgrijze leviathans zich verstrengelen en hun razernij uitbrullen /…/.’ De regen doet de oogst goed. De vruchtjes zwellen op en Curro kan gaan oogsten. De olijfboomgaard is veranderd in een modderpoel en Curro glijdt uit in de kletsnatte blubber. Bevend van ellende en woede schreeuwt Curro tegen El Hacho: ‘Wat wil je van me? Heb ik niet van je gehouden? Heb ik je niet beschermd toen ze je wilden afbreken?’ El Hacho antwoordt niet. Uiteindelijk klaart het op en Curro voelt de warmte van de zon op zijn nek en rug. Hij krabbelt overeind en gaat verder met het oogsten van de olijven.

    Het hellen van een leven is een verhaal over trouw aan familie en tradities, over gehechtheid aan geboortegrond en liefde voor de natuur; een verhaal over economische verandering, over wijsheid, maar bovenal over de liefde tussen twee broers. Carrasco heeft in een soepele stijl met originele beeldspraak een prachtige roman geschreven.

     

     

  • Het leven aanvaarden, ‘dapper en glimlachend – ondanks alles’

    Het leven aanvaarden, ‘dapper en glimlachend – ondanks alles’

    Bij Van Oorschot verscheen een herziene uitgave van de Brieven van Rosa Luxemburg, onder de titel Ik voel me in de hele wereld thuis. De eerste uitgave verscheen in 1958; de nieuwe bevat extra brieven, aanvullingen en illustratiemateriaal zoals o.a. aquarellen van Rosa Luxemburg. Joke J. Hermsen schreef een uitgebreid nawoord.

    Strijdbaar en kritisch

    Rosa Luxemburg (1871-1919) groeit op in Warschau. Als joods meisje mag ze bij wijze van uitzondering naar het gymnasium. Ze slaagt met de hoogste cijfers, maar de daarbij behorende onderscheiding, de gouden medaille, krijgt ze niet uitgereikt. Haar ‘oppositionele opstelling tegen het gezag’ is de officiële reden, maar feitelijk is het vanwege haar joodse achtergrond. Joke Hermsen schrijft in het nawoord hierover ‘het zou haar kritische bewustzijn al vroeg scherpen.’ In Warschau ziet ze de armoede, de achterstelling en de politieke onderdrukking van de arbeidersklasse. Als vijftienjarige wordt ze lid van de Poolse revolutionaire partij. Ze vlucht ‘onder een lading stro op een boerenkar’ naar Zwitserland als de leden van deze partij worden opgepakt. In Zürich, de enige Europese stad waar vrouwen tot de universiteit worden toegelaten, studeert ze summa cum laude af op filosofie, rechten en economie. Daarna vestigt ze zich in Berlijn waar ze actief wordt binnen de Sociaal Democratische Partij (SPD). Ze raakt o.a. bevriend met politici zoals Clara Zetkin, Franz Mehring en Karl Liebknecht. Duitsland is dan nog een keizerlijke militaire staat met veel sociale achterstanden.

    Rosa schrijft meerdere artikelen met voorstellen voor hervormingen: Sozialreform oder Revolution? (1899). Ook in haar toespraken toont ze haar strijdlust. Dat brengt haar meermaals in conflict met de autoriteiten. In 1906 wordt ze gearresteerd; ze wordt ervan beschuldigd dat ze verschillende klassen van de bevolking stimuleert om geweld te plegen. Op 13 maart 1906 schrijft ze daarover aan Karl en Luise Kautsky vanuit de gevangenis dat het ‘menens is’. Aan het einde van de brief: ‘Onder andere de obstructie, die latere tijden tot voorbeeld zal dienen, is ons werk.’ De obstructie brengt ze in praktijk als ze later, op 26 maart 1913, oproept tot verzet tegen de dreigende oorlog. Haar eigen partij stemt in met het regeringsbesluit de oorlogskredieten te verhogen. Ze wordt veroordeeld voor ‘oproepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid’; later voor ‘landverraad.’ Haar gevangenisstraf zit ze tijdens de Eerste Wereldoorlog uit in Berlijn, Wronke en Breslau. Ze wordt meerdere malen overgeplaatst; op 20 juli 1917 schrijft ze vanuit Wronke aan Sophie Liebknecht: ‘Tot ziens in mijn negende gevangenis.’

    Hartstocht

    Deze nieuwe brievenuitgave bevat de brieven die zij tussen juni 1896 en januari 1919 schreef aan uitgevers, familie, vrienden en partijgenoten. Met veel enthousiasme schrijft ze over allerlei onderwerpen, over haar politieke strijd, maar ook over schilderkunst en literatuur (van Goethe tot Shakespeare en Dostojewski), astrologie, plantkunde, ornithologie en geologie.

    Vanuit haar cel observeert en beschrijft ze de natuur; over de pimpelmees die zij broodkruimels voert door de tralies, over de in bloei staande bomen en over de planten die op de binnenplaats van de gevangenis groeien. Over het herkennen van de plantjes schrijft ze: ‘Wat ben ik blij dat ik me drie jaar geleden plotseling op het botaniseren heb geworpen, als op alles, meteen met al mijn geestdrift, met mijn hele ik, zodat de wereld, de partij en het werk van me afvielen en slechts die ene hartstocht mij dag en nacht vervulde /…/’ Op deze manier heeft ze zich de kennis van het ‘groene rijk’ eigen gemaakt: ‘Ik heb het me veroverd – in storm, in hartstocht, en wat men zich aldus met geestdrift eigen maakt, schiet diepe wortelen.’

    Dezelfde hartstocht legt ze aan de dag voor geologie: ‘Ik zit nu diep in de geologie. Dat zal je wel een zeer droge wetenschap lijken, maar dat is een dwaling. Ik lees haar met koortsachtige belangstelling en hartstochtelijke bevrediging, ze verwijdt de geestelijke horizon enorm en verschaft een zo’n afgeronde alomvattende voorstelling van de natuur als geen enkele wetenschap het kan.’

    Dierenliefde

    Aan Sophie Liebknecht schrijft ze in 1917 dat ze vaak het gevoel heeft dat ze geen ‘echt mens’ is, maar ‘ook in zekere zin een vogel of een ander dier in mensengedaante.’ Vandaar dat ze zo blij wordt van ‘tsitsi bé tsitse bé’, de roep van de pimpelmees. Maar in de natuur vindt ze vaak ook zaken die haar verdrietig maken. Bijvoorbeeld een mestkever die liggend op zijn rug door mieren opgevreten wordt. Ze voelt de pijn van buffels die zware karren trekkend afgeranseld worden door soldaten: ‘Ach, Sonitschka, ik heb hier iets dieptreurigs ondervonden.’

    Liefde voor de mens

    Rosa Luxemburg voelt zich in de gevangenis soms erg verdrietig, vooral op zondagen. ‘Vandaag is het zondag, dus een voor mij van oudsher noodlottige dag.’ Om aan te geven hoe ze zich voelt, citeert ze de dichter Arno Holz ‘so arm und so verlassen, wie jener Gott aus Nazareth.’ (brief 7 januari 1917).

    Als ze kritisch reageert op brieven, dan blijft ze ‘ondanks alles’ vergevingsgezind. Aan Mathilde Jacob schrijft ze ‘Wees gerust, ondanks dat je me zo dapper gepareerd hebt en me zelfs de oorlog verklaart, blijf ik je even genegen als voorheen. /…./ Daarmee zullen we “de debatten afsluiten”. Je vriendin blijf ik graag.’ Vanuit de gevangenis heeft ze troostende woorden voor haar vrienden: ‘Wees ondanks alles rustig en vrolijk. Zo is het leven en zo moet men het aanvaarden, dapper en glimlachend – ondanks alles.’

    Uit brief van 28 december 1916, aan Mathilde Wurm: ‘Zorg dat je mens blijft. Mens zijn is vóór alles de hoofdzaak. En dat betekent: vastberaden en helder en vrolijk zijn. /…./ Mens betekent blijmoedig zijn hele leven “op de grote weegschaal van het lot” werpen, als dat zo zijn moet, zich tegelijkertijd echter verheugen over elke heldere dag en iedere schone wolk.’

    In een brief van 5 maart 1917 schrijft Rosa Luxemburg over voornaamste gebod dat zij voor haar leven heeft gesteld: ‘goed zijn is hoofdzaak! Eenvoudig en oprecht goed zijn, dat slaakt en bindt alles en is beter dan schranderheid of betweterij.’

    Nawoord

    Schrijver en filosoof Joke J. Hermsen schreef een gedetailleerd nawoord bij deze herziene uitgave. Zij leerde het werk van Rosa Luxemburg kennen via het boek Men in Dark Times (1968) van Hannah Arendt. Eerder schreef ze al over de overeenkomsten tussen Rosa Luxemburg en Hanna Arendt in Het tij keren (2019). Hermsen beschrijft hoe beide politieke denkers kritisch waren op de kapitalistische maatschappij en wezen op het belang van politieke participatie van de bevolking. Arendt neemt in haar boek Over revolutie (1966) de voorstellen van Luxemburg voor een ‘radendemocratie’ over. Hierbij krijgt de bevolking inspraak en beslissingsbevoegdheid via burger- of volksraden. Zo ontstaat een vorm van directe democratie ‘die niet alleen de gemeenschapszin en de politieke betrokkenheid van de bevolking kan bevorderen, maar ook gevoelens van ‘niet gehoord’ worden kan wegnemen en daarmee de wind uit de zeilen van extremistische leiders kan halen.’ Zowel Luxemburg als Arendt huldigden de opvatting dat politieke kwesties ‘veel te belangrijk (zijn) om alleen aan politici te worden overgelaten.’ In 2020 is dit nog steeds actueel.

    Kort na haar vrijlating uit de gevangenis wordt Rosa Luxemburg tijdens de volksopstand op 15 januari 1919 in Berlijn vermoord. Zo kwam haar voorspelling uit dat ze op haar post zou sterven: ‘in een straatgevecht of in het tuchthuis.’ (brief van 2 mei 1917). Haar nalatenschap bestaat uit haar politieke werk en uit brieven die nu opnieuw gelezen kunnen worden. Prachtige brieven waaruit de liefde voor alles wat leeft spreekt. De titel van de bundel komt uit een brief aan Mathilde Jacob, vanuit de gevangenis van Wronke, 16 februari 1917: ‘Ik voel me in de hele wereld thuis, waar er wolken en vogels en mensentranen zijn.’ Een prachtig citaat waaruit liefde voor de natuur en menselijkheid blijkt. Zij eindigde haar brieven vaak met ‘Ik omarm je duizendmaal, je Rosa.’ Deze brievenbundel verdient het om door de lezer omarmd te worden. Wat een krachtige vrouw, wat een prachtige brieven!

     

     


    Podcasts SLAA

    Bij het verschijnen van de nieuwe brievenuitgaven heeft de SLAA (Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam) een audioreeks RE: Rosa Luxemburg gemaakt. In de eerste aflevering geeft Joke Hermsen een college over Rosa Luxemburg; in de volgende afleveringen schrijven Arnon Grunberg, Maarten van der Graaff, Miek Zwamborn en Edna Azulay aan de hand van de thema’s vriendschap, natuur, gevangenschap en vrijheid, en politiek een brief terug aan Rosa Luxemburg.

     

  • Pieter van Os wint journalistieke Brusseprijs en Nina Polak jongerenprijs De Inktaap

     

     

    De afgelopen week werden er twee mooie literaire prijzen uitgereikt, De Brusseprijs 2020 voor schrijver en journalist Pieter van Os en De Inktaap voor schrijver Nina Polak.

    Honderdzevenennegentig boeken werden er ingezonden voor de Brusseprijs, de jury had er een hele kluif aan en koos uiteindelijk uit de vijf overgebleven titels voor Liever dier dan mens als winnaar. De prijsuitreiking vond afgelopen zaterdagavond plaats tijdens een uitzending van het radioprogramma Met het oog op morgen. Juryvoorzitter Saskia Belleman zei over Liever dier dan mens, dat ’te zien is hoeveel onderzoek en grote schrijfkracht erachter schuilgaat.’ En ook, ‘Een journalistiek boek van dit verhalend-literaire niveau zie je zelden.’

    Liever dier dan mens gaat over de nu 94-jarige Mala Rivka Kizel (1926), hoe zij uit het getto van Warschau ontsnapte en de oorlog overleefde door steeds andere identiteiten aan te nemen. In tegenstelling tot haar hele familie van wie ze na de oorlog niemand meer terugvond.

    Pieter van Os was jarenlang redacteur van het NRC, woonde een tijdlang met zijn gezin in Polen en is nu woonachtig in Tirana, Albanië. Vanwaar hij zijn journalistieke stukken schrijft voor het NRC en De Groene Amsterdammer.

    Op Literair Nederland verscheen in april van dit jaar een  recensie van Evert Woutersen van het boek. Waarin hij van mening was dat, ‘Het bijzonder is te zien hoe sommige boeken een bestseller worden, terwijl andere boeken nauwelijks worden opgemerkt. Liever dier dan mens is zo’n boek. (…) Het is een boek dat vele lezers verdient.’

    De Brusseprijsis een jaarlijkse prijs voor het beste Nederlandstalige journalistieke boek. Aan de prijs is een geldbedrag van € 10.000 verbonden.

    Lees hier meer over De Brusseprijs van dit jaar.

     

    De Inktaap is dé literaire jongerenprijs van de Nederlandse literatuur en wordt uitgereikt door scholieren. Vele jongeren (dit jaar 1187), in de leeftijd van  van 15 t/m 19 jaar, lezen de winnende titels van de Libris Literatuur Prijs, (gewonnen door Rob van Essen), de BNG Bank Literatuurprijs, (gewonnen door Nina Polak) en de BookSpot Literatuurprijs, (gewonnen door Tommy Wieringa) en kiezen daaruit hun favoriet. Naast Gebrek is een groot woord van Nina Polak waren ook De goede zoon van Rob van Essen en De heilige Rita van Tommy Wieringa genomineerd.

    Nina Polak ging uiteindelijk met de eer strijken en krijgt voor haar roman Gebrek is een groot woord De Inktaap 2020. Dit werd maandag 15 juni bekendgemaakt in de speciale podcastserie van De Inktaap. In totaal lazen 1187 juryleden (scholieren) deze editie van De Inktaap de drie genomineerde titels.

    De winnaar werd bekend gemaakt via een podcast, hier te beluisteren.

    Beoordeling

    Hieronder een greep uit de bevindingen van de juryleden over Gebrek is een groot woord:
    ‘Nina Polak geeft je als buitenstaander het gevoel dat je er toch een beetje bij hoort, dat je onderdeel van de familie bent. Daarom is zij volgens ons de terechte winnaar van de drie. Welkom in onze Inktaapfamilie Nina Polak!’
    ‘Polak schetst duidelijke beelden met haar woorden, veel beeldvorming, maar tegelijkertijd ook heel direct. Poëtisch kan Polak ook zijn, moeilijke woorden zijn er niet in overvloed, wat het boek zeer toegankelijk en fijn om te lezen maakt. Polak is literair gezien het complete pakketje.”
    Gebrek is een groot woord verdient het om door vele ogen geliefkoosd te worden.’

    De Inktaap is de opvolger van de Jonge Gouden Uil, een Vlaams-Nederlands leesbevorderingsproject in de vorm van een literaire prijs, dat liep van 1997 tot en met 2000. Bij de Jonge Gouden Uil lazen jongeren de boeken die waren genomineerd voor de literaire prijs De Gouden Uil en kozen daaruit hun winnaar.

     

    Klik hier voor meer informatie over dit literaire jongeren project.

  • Een verhaal even onwaarschijnlijk als waar

    Een verhaal even onwaarschijnlijk als waar

    In Liever dier dan mens. Een overlevingsverhaal vertelt Pieter van Os het levensverhaal van Mala Rivka Kizel (1926). Mala, geboren in een groot chassidisch-joods gezin in Warschau, is dertien als in september 1939 de Duitsers de stad bezetten. Ruim een jaar later, in oktober 1940, verhuizen alle Joden, en ook Mala naar het getto. Driehonderdduizend mensen worden op die manier geïsoleerd, uitgehongerd en vermoord. Ontsnappen is bijna niet mogelijk, om het getto is een muur gebouwd. Op het noorderlijkste puntje echter bestaat de muur uit een rijtje huizen. Daarin zit het gat waardoor Mala uit het getto kan ontsnappen. Net op tijd want in juli 1942 ontruimen de Duitsers het getto. Elke dag worden er Joden afgevoerd naar de kampen.

    Mala vindt onderdak bij een boerenfamilie, maar is daar niet veilig. De kans om te overleven op het Poolse platteland is minimaal voor Joden. Duitsers organiseren met hulp van de lokale bevolking klopjachten op Joden. Mala ontsnapt naar Duitsland en komt uiteindelijk met Duitse identiteitspapieren – als Volksduitse – bij de nazi-familie Möller in Zerbst (niet ver van Maagdenburg) terecht. Daar verblijft ze totdat de Amerikanen het stadje bevrijden.
    Ze reist naar Warschau om haar familie te zoeken, maar vindt niemand meer. Warschau ligt plat, van het getto rest niks meer. De omslag van het boek, waarop een beeld van het verwoeste getto, is‘dat deel waar Mala’s ouderlijk huis heeft gestaan.’ Mala beseft dat alles weg is, de foto’s van haar ouders, broers en zussen, elk aandenken, er is niets. Dan verhuist ze naar Palestina, naar Lydda. De Israëlisch dopen het stadje om tot Lod. Later verhuist ze met haar man, werkzaam bij El-Al, naar Amstelveen.

    Reis door de tijd

    Op basis van gesprekken en haar memoires Zo heb ik de oorlog overleefd maakte journalist Pieter van Os een ‘reis door de tijd’ – ‘speurend naar steden, dorpen, mensen en gebouwen die in haar verhaal voorkomen en naar documenten, boeken en getuigenverslagen die het aanvullen.’ Het bleef niet bij een reis; het werden vele reizen (meestal met tolk of gids), omdat het nog niet zo eenvoudig bleek de ‘oude wereld’ van Mala terug te vinden. Hij reist daarvoor o.a. naar Polen, Oekraïne en Duitsland. Het is geen gemakkelijke zoektocht naar ‘bevestigingen in het heden van dit verhaal uit een ver verleden’ – veel personen, plaatsen en gebouwen zijn gewoonweg ‘verdwenen in de geschiedenis.’

    Historisch perspectief

    Pieter van Os maakt gebruik van veel bronnen. Zijn belangrijkste bron is het Joods Historisch Museum in Warschau. Hij noemt dat het ‘epicentrum’ van zijn onderzoek. Het museum is opgericht na de vondst van een aantal opgegraven melkbussen waarin de historicus Emanuel Ringelblum samen met een team van medewerkers zoveel mogelijk informatie heeft verzameld over de Joodse gemeenschap in Polen, in het bijzonder die in Warschau: ‘Om objectiviteit en een zo accuraat en zo breed mogelijk beeld te bereiken van de oorlogsgebeurtenissen in het Joodse leven hebben we geprobeerd om hetzelfde incident door zoveel mogelijk mensen te laten beschrijven. Door het vergelijken van de verschillende verslagen is de historicus in staat om bij de historische waarheid te komen, de feitelijke gang van zaken.’ De proloog draagt een motto van Ringelblum: ‘Verzamel zo veel mogelijk. Na de oorlog kunnen ze het uitzoeken.’

    Voor het brede perspectief citeert Van Os meerdere malen de Amerikaanse historicus Timothy Snyder, uit zijn boek Bloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin (2011). Snyder schrijft in het voorwoord: ‘In het midden van de twintigste eeuw zijn in Midden-Europa door de nazi’s en het Sovjetregime zo’n veertien miljoen mensen vermoord. Het gebied waar al die slachtoffers vielen, de bloedlanden, strekt zich uit van het midden van Polen tot het westen van Rusland en loopt door Oekraïne via Wit-Rusland naar de Baltische Staten. In deze ‘bloedlanden’ woonden de meeste Europese Joden.’

    Naast de verhaallijnen over het leven van Mala en de historische gebeurtenissen is er een derde verhaallijn, namelijk het leven van Salomon (‘Sally’) Perel. Van Os noemt hem ‘Mala’s mannelijke evenknie.’ Hij deed zich net als Mala voor als Volksduitser. Net als zij overleefde hij de oorlog. Zijn levensverhaal is verfilmd: Europa, Europa (1990). De film is gebaseerd op Sally Perels boek Ik was Hitlerjongen Salomon.

    Belang van historische achtergrond

    Ieder hoofdstuk – elk met een riviernaam als titel – begint met een citaat, daarna een schets uit het leven van Mala en een deel historische achtergrond van de plaats waar zij op dat moment is. Ten slotte een verantwoording, ‘in plaats van voetnoten.’ Het nadeel van deze opzet is dat je als lezer hoofdpersoon Mala af en toe kwijt bent. Maar kennis van de historische achtergrond over antisemitisme, nationalisme, identiteit, het getto van Warschau en de pogroms is onmisbaar om al die gebeurtenissen uit die tijd te begrijpen.

    Altijd bang voor ontmaskering

    Na de oorlog vertelde Mala dat ze altijd vreesde voor ontmaskering: ‘Ik was altijd bang, altijd.’ Opvallend zijn twee momenten in het boek waarbij Mala in haar slaap praat. In Wolmirstedt was Mala een van de dienstmeisjes. Daar was ook Iwan, een Oekraïner die ook Duits sprak. Bij het ontbijt ’s morgens zegt Iwan opeens: ‘Jij bent een Jood. Jij sprak Jiddisch in je slaap.’ Na een paar dagen blijkt dat Iwan naar de politie is gegaan. Mala wordt opgepakt en overgebracht naar een strafkamp waar ze moet blijven zolang het onderzoek naar haar afkomst niet is afgerond. De politie vindt dat ze er niet Joods uitziet met haar blonde haar en blauwe ogen. Ze vragen haar of ze ‘Volksduitse’ is. Ze antwoordt daar bevestigend op. Haar nieuwe levensverhaal: Ze komt uit een dorp in het oosten. Haar hele leven woonde ze in Warschau met een Poolse vader en een Duitse moeder. Ze ging naar een katholieke school, vandaar dat ze ook uitstekend Pools spreekt. Dat blijkt ook uit de gesprekken van Van Os met haar. Mala kent de tekst van het Poolse versje Liever dier dan mens – titel van het boek is daaraan ontleend  – na 80 jaar nog uit haar hoofd.

    Als ze jaren later bij de Möllers in huis is, gebeurt er iets soortgelijks. Als het luchtalarm afgaat, probeert de familie haar wakker te maken. ‘Aan haar bed hoorden ze dat de Volksduitse een vreemde taal sprak, geen Duits, maar ook geen Pools. ’s Morgens vertelden ze haar: ‘Je spreekt een raar taaltje in je slaap.’ De Möllers hadden nog nooit een jood ontmoet en herkenden het Jiddisch niet. Van Os schrijft hierover dat hoe dichter je bij het vuur zit, hoe kleiner de kans op ontmaskering is.

    Groot lezerspubliek

    In de epiloog wijst Van Os erop hoe belangrijk het is om de ander, of een ander volk te leren kennen, dat dat de belangrijkste les is uit Mala’s overlevingsverhaal. De laatste zin zegt alles: ‘In één zin: pas als de ander zich succesvol kan voordoen als een van de jouwen, kan die rekenen op enige menselijkheid en mededogen.’

    In de aanloop naar de viering van 75 jaar vrijheid zijn er relatief veel boeken met oorlogsherinneringen verschenen, denk aan Het Hooge Nest van Roxane van Iperen, Eindstation Auschwitz van Eddy de Wind en Mijn naam is Selma van Selma van der Perre. Deze boeken kregen veel media-aandacht en kwamen in de Boeken top 10 terecht. Pieter van Os heeft met zijn historische zoektocht op basis van Mala’s levensverhaal een zeer mooi boek afgeleverd. Het blijft bijzonder te zien hoe sommige boeken een bestseller worden, terwijl andere boeken nauwelijks worden opgemerkt. Liever dier dan mens is zo’n boek. Op knappe wijze voorziet Van Os Mala’s levensverhaal van historische achtergronden en voegt er andere verhaallijnen in. Het is een boek dat vele lezers verdient.

     

     

  • Hernieuwde aandacht voor Witold Gombrowicz

    Hernieuwde aandacht voor Witold Gombrowicz

    De Poolse schrijver Witold Gombrowicz (1904-1969) is vooral bekend geworden door zijn boeken Ferdydurke (1937), Pornografie (1960) en Kosmos (1965)Minder bekend bij het grote publiek zijn zijn dagboeken die hij speciaal voor publicatie schreef. Paul Beers maakte er in 1986 een integrale Nederlandse vertaling van, Dagboek 1953-1969. Dit dagboek is alleen nog antiquarisch te vinden. Om die reden maakte Huub Beurskens er een selectie uit die onlangs is verschenen onder de titel Met mijn smoel in mijn handen.

    Gombrowicz verblijft in Argentinië als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. ‘Ik was door een toeval naar Argentinië vertrokken, slechts voor twee weken, en als door een speling van het lot in die twee weken de oorlog niet was uitgebroken, zou ik naar Polen zijn teruggekeerd /…/’. Het werd geen verblijf van twee weken, maar van 24 jaar. Pas in 1964 keert hij terug naar Europa, naar onder andere Berlijn, Barcelona en Parijs. Het laatste deel van zijn leven, tot 1969, woont hij in het Franse Vence, op twintig kilometer van Nice.

    Dagboeken

    Huub Beurskens maakte een selectie uit de drie dagboeken, die van 1953-1956, 1957-1961 en 1961-1969. In zijn Argentijnse periode werkte Gombrowicz zeven jaar als directiesecretaris bij Banco Polaco, de Argentijnse tak van de Poolse bank Pekao SA Bank. Ondertussen werkte hij aan romans, toneelstukken en aan zijn dagboeken. In 1953 verscheen het eerste deel.

    Gombrowicz schrijft in zijn dagboeken over talloze onderwerpen, over schilderkunst (Da Vinci, Titiaan), klassieke muziek (Mozart, Bach, Beethoven, Schönberg), literatuur (Dante, Barthes, Sartre, Proust) en ook over literaire kritiek. Over critici: ‘Werp met woede en trots alle kunstmatige superioriteit van u af die uw positie u verschaft. Want literaire kritiek is niet beoordeling van de ene mens door de andere (wie gaf u het recht daartoe?), maar een treffen van twee persoonlijkheden die absoluut gelijke rechten hebben. Dus, oordeel niet. Beschrijf slechts uw reacties. Schrijf nooit over de auteur noch over zijn werk – alleen over uzelf in confrontatie met het werk of de auteur.’

    Raak

    Gombrowicz weet vooral te raken met zijn observaties over kunst. Over zijn bezoek aan het Louvre schrijft hij onder meer: ‘Dat gedrang aan die wanden, die dom, vlak naast elkaar opgehangen schilderijen. Je krijgt de hik van die opeenhoping. Een kakofonie. Kermis.’ De bezoekers in de zaal met de Mona Lisa vergelijkt hij met schildpadden die elk jaar de zee verlaten om op een verlaten strand hun eieren te leggen: ‘Zo verzamelt zich elke dag, al vijf eeuwen lang, een kleine menigte voor dit schilderij om het als een stelletje ezels aan te gapen… Klik! Een Amerikaan met zijn camera. De anderen glimlachen toegevend, zonder te begrijpen, de gelukzaligen, dat hun milde toegevendheid niet minder dom is. Over het algemeen heerst er domheid in de zalen van het Louvre.’ Alsof er niets veranderd is… toen de Amerikaan met zijn klikkende camera, nu de talloze mobiele telefoons en de selfies voor het beroemde schilderij van Da Vinci.

    Uitersten

    Gombrowicz houdt van vergelijken en contrasten. Zo zet hij Sartre, Proust en Borges tegenover elkaar. De ene schrijver bewondert hij, de andere verguist hij. ‘Sartre, weet u, is op alle fronten passé.’ Hij formuleert het zo: ‘Onze bewondering voor een kunstenaar heeft veel weg van de goedheid van een oude tante die een kleine jongen een complimentje geeft om hem geen verdriet te doen.’

    De jaren in Argentinië zet hij tegenover de jaren in Europa. Terug in Berlijn realiseert hij zich dat de omschakeling naar het leven in Europa niet eenvoudig is: ‘Ik voelde nu, ik wist, dat dat allemaal niet vanzelf zou gaan, dat die Europese reis van mij iets veel gevaarlijkers was geworden dan ik me had kunnen voorstellen toen ik in Buenos Aires mijn koffers sloot. Een schrijnend element van wanhoop was in mijn reis geslopen /…/ Sinds ik Argentinië had verlaten, was ik de draad kwijtgeraakt…’

    Chronologisch in het dagboek lezen is niet nodig. Sla het boek op een willekeurige bladzijde open en je blijft lezen. Als lezer word je meegenomen in zijn vreugde en zijn wanhoop. Geniet van zijn verhalen over Argentinië en huiver bij zijn beschrijvingen van Parijs en Berlijn.
    Het is jammer dat het boek geen namenregister bevat. Het is fijn als een lezer op naam kan zoeken in het dagboek. Positief is de toegevoegde beknopte bio- en bibliografie.

    Aanvulling op de dagboeken

    Bij deze uitgave verscheen tegelijkertijd een boek van Paul Beers, Witold Gombrowicz door de jaren heen. Het is een mooie aanvulling op de selectie uit het Dagboek 1953-1969 van de Poolse schrijver. Het bevat o.a. een deel van de briefwisseling van eind jaren zestig tussen Beers en Gombrowicz, plus essays en interviews en beschrijvingen van de bezoekjes die Beers bracht aan de schrijver in zijn huis in het Franse Vence.

    Beers is een energiek pleitbezorger van zijn werk. De schrijver wist dat ook te waarderen, getuige de opdracht die hij voorin een van zijn werken voor Beers schreef: ‘A Paul Beers qui me torture avec ses questions /…/’  Het laatste artikel in het boek is de tekst van een voordracht van Beers uit 2004, ‘Opkomst en neergang van Gombrowicz in Nederland’. Het bevat de constatering dat Gombrowicz ‘voor een algemeen publiek dood is in Nederland.’

    Bijzonder is dat Paul Beers het werk van Gombrowicz vertaalde op basis van de Franse en Duitse vertalingen uit het Pools. Beers zei daar in zijn voordracht over dat het ‘iets ongemakkelijks’ heeft ‘de vertaler te zijn van een van de grote moderne Poolse schrijvers zonder diens taal te beheersen.’ Gombrowicz vond dat geen probleem. Hij liet Beers weten dat hij liever een goede vertaling via het Frans en het Duits zag dan een middelmatige vertaling uit het Pools.

    Dit doet echter in het geheel niets af aan het feit dat beide boeken Wiltold Gombrowicz opnieuw onder de aandacht brengen. Huub Beurskens, Paul Beers en uitgeverij Koppernik verdienen alle lof daarvoor. Het is te hopen dat hierdoor een opleving voor het werk van deze belangwekkende schrijver zal ontstaan.
    Gombrowicz verdient het om gelezen te worden. In zijn eigen woorden: ‘Dat mijn werk sinds dertig jaar niets aan levenskracht heeft ingeboet, dat een boek als Ferdydurke vandaag, net als toen, met een vreugdekreet begroet kan worden door een Italiaan, een Deen, een Canadees, een Paraguyaan – dat is voor mij belangrijk!’

     

  • Zomerlezen -Lezen en kijken

    Misdaad en straf

    Hans Boland maakte een nieuwe vertaling van Schuld en boete, de roman die Fjodor Dostojevski (1821 – 1881) in 1866 schreef. Boland koos voor de titel  Misdaad en straf die Jan Meijers in 1956 introduceerde voor de toenmalige Van Oorschotuitgave.

    Student Raskolnikov vermoordt de gluiperige pandjesweduwe Aljona Ivanovna met een bijl. Hij wil met haar geld goede daden doen en vindt daarom zijn daad moreel verantwoord: de vrouw was oud en gierig en anderen kunnen haar geld goed gebruiken. Raskolnikov rechtvaardigt zijn gedrag op allerlei manieren, o.a. met zijn theorie over geniale en middelmatige mensen. Geniale mensen staan boven de wetten die zijn gemaakt door de middelmaat. Het boek gaat om vragen als: Mag je voor een nobel doel iemand doden? Komt Raskolnikov weg met zijn daad of wordt hij uiteindelijk toch gestraft? Het boek is deels een psychologische roman – waarom heeft Raskolnikov de oude Aljona Ivanovna vermoord en kan hij verder leven met zijn schuld? – en deels een detective – zal hoofdrechercheur Porfiri Petrovitsj erin slagen Raskolnikov te ontmaskeren als moordenaar?

    Het verhaal uit 1866 komt niet gedateerd over, qua thematiek is het boek nog steeds actueel: mag men zich boven de wet stellen op basis van een ideologie? In onze tijd zou het gaan om de vraag: Is Raskolnikov een terrorist of een verwarde man?

    Echt een aanrader dit boek. Het is schitterend uitgegeven in de Russische Bibliotheek van uitgeverij Van Oorschot. Het boek leest door de nieuwe vertaling als een trein, alsof het niet ruim 150 jaar geleden maar vorige maand is uitgebracht. Een schitterend boek voor de vakantie.

     

    Misdaad en straf
    Auteur: Fjodor Dostojevski
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    I am

    Fotograaf Erwin Olaf is in juli 2019 zestig jaar geworden. Op zijn verjaardag werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Om het jubileum te vieren zijn er meerdere tentoonstellingen en binnen- en buitenland. Tot juni was er in het Gemeentemuseum en in het Fotomuseum Den Haag een dubbeltentoonstelling over zijn werk. Tegelijkertijd verscheen I am, een vuistdik boek met een uitgebreid overzicht van zijn fotowerk.

    I am is een overzichtsboek van het belangrijkste werk van deze vermaarde fotograaf. I am bevat bovendien beschouwingen over zijn fotowerk en een uitgebreid interview dat Laura Stamps (conservator Moderne Kunst bij het Gemeentemuseum Den Haag) met hem had. Hieruit blijkt dat Olaf met zijn werk reageerde op ingrijpende gebeurtenissen, zoals de moord op Theo van Gogh (2004) en de aanslagen op het WTC in New York in 2001, Charlie Hebdo (2011) en de Bataclan (2015). Olaf in dat interview: ‘Al mijn foto’s hebben te maken met de vrijheid, die sinds de jaren zeventig, en zeker sinds de millenniumwisseling, meer en meer op het spel staat. /…./ Wij die in de vrije wereld leven, moeten onze waarden en normen steviger gaan verdedigen, want voor je het weet is het fragiele vrijheidssprookje uit.’ Vandaar ook de titel van het boek: I am. Olaf: ‘Ik besta in vrijheid, dus ik ben.’ Met zijn foto’s laat Olaf zien hoe belangrijk de vrijheid van het individu is.

    De dubbeltentoonstelling in Den Haag is afgelopen, maar het Rijksmuseum presenteert ter gelegenheid van de overdracht van Olafs kerncollectie – ca. 500 werken uit zijn 40-jarig oeuvre – 12x Erwin Olaf (t/m 22 september 2019).

     

     

     

    I am
    Auteur: Erwin Olaf, Mattie Boom, Francis Hodgson, W.M. Hunt, Lesley A. Martin, Laura Stamps
    Uitgeverij: Hannibal

    Lust for Life

    Fotograaf en filmer Ed van der Elsken (1925-1990) werd in de vorige eeuw bij het grote publiek vooral bekend door zijn programma’s op de VPRO-televisie. De kijker zag hem in de straten van Amsterdam aan het werk als fotograaf. Van der Elsken ging in gesprek met de mensen die hij op de foto zette. Op youtube zijn daar nog fragmenten van te vinden, zoals bijvoorbeeld Ed van der Elsken: straatfotograaf avant la lettre. Hij cirkelde om zijn onderwerpen heen, praatte met de mensen en hij maakte zijn foto’s. Ze hadden direct contact met de fotograaf en kijken recht in de lens. Als kijker zie je wat Van der Elsken door zijn lens zag.

    Van der Elsken was niet bang om mensen ‘lastig te vallen’. Door die manier van fotograferen en de manier waarop hij zijn foto’s afdrukte in diepzwart met grove korrel kregen zijn foto’s een Ed van der Elskenstempel. Het zijn foto’s uit de tijd dat de lichtgevoeligheid van de filmrolletjes nog werd uitgedrukt in DIN en ASA.

    Maar Van der Elsken maakte al die tijd ook kleurenfoto’s en dia’s. Hij had thuis een enorme verzameling van ruim 45.000 dia’s. In de vochtige kelder van zijn huis in Edam lagen die te verschimmelen. Het Nederlands Fotomuseum heeft de dia’s vanaf 2015 gerestaureerd en gedigitaliseerd. Het was het grootste fotorestauratieproject ooit. Nu, vier jaar later, is er een overzichtstentoonstelling met bijbehorend boek van het belangrijkste kleurenwerk van Van der Elsken. Geniet opnieuw van de prachtige foto’s van onder meer Amsterdam in de jaren zestig en zeventig.

    Lust for Life, Ed van der Elsken t/m 6 oktober in Nederlands Fotomuseum Rotterdam.

     

     

    Lust for Life
    Auteur: Frits Gierstberg, Loes van Harrevelt, Katrin Pietsch
    Uitgeverij: Lecturis
  • Fotosynthese 8 – Dichteres aan de kade

    Fotosynthese 8 – Dichteres aan de kade

    Aan de IJsselkade in Zutphen staat sinds augustus vorig jaar een bronzen standbeeld van dichteres Ida Gerhardt (1905-1997). Het staat op het punt waar IJssel en Berkel samenkomen. Beeldhouwster Herma Schellingerhoudt maakte het slechts 1.65 meter hoge beeld. In De Stentor van 31 augustus wordt José van der Donk, secretaresse van Gerhardt, geciteerd. Zij vindt dat Schellingerhoudt haar goed getroffen heeft. ‘Ik herkende haar al toen ik alleen nog maar de rug zag, met die regenjas.’  De kenmerkende bril van Gerhardt heeft Schellingerhoudt afgebeeld als een soort vooruitstekende wenkbrauw. Mooi hoe zij Gerhardt in ‘brons vereeuwigd’ heeft. Toen de beeldhouwster in 2017 de opdracht kreeg voor het maken van het beeld, zei burgemeester Annemieke Vermeulen: ‘De betekenis van Ida Gerhardt voor onze stad is groot. Ze heeft de stad identiteit en kleur gegeven. Zutphen, Gerhardt en haar gedichten worden sterk met elkaar geassocieerd. Het beeld is een uiting van waardering en een waardevolle toevoeging aan de IJsselkade en Zutphen.’

    Op de kademuur achter het beeld van Gerhardt staat een van haar dichtregels: Er stond een kind op de kade. Het is afkomstig uit de laatste strofe van het gedicht Het schip. Het gedicht luidt als volgt:

    ‘Er kwam een schip gevaren;
    het kwam van Lobith terug,
    met grint en rivierzand geladen.
    Het richtte zijn boeg naar de brug.

    De scheepsbel was helder te horen,
    de brugwachter kwam al in zicht;
    een halfuurslag viel van de toren.
    Het schip voer door schaduw en licht.

    Met boegbeeld en naam kwam het nader,
    de ophaalbrug ging omhoog;
    een deining liep door het water
    dat tegen de schoeiing bewoog.

    Er stond een kind op de kade
    -ik was het, ik was nog klein-
    het had niets meer nodig op aarde
    om volkomen gelukkig te zijn.’

    Gerhardt schreef over deze Hanzestad ook eens de zin ‘Hoezeer heeft deze kleine stad allure’. Op meerdere gevels in Zutphen zijn teksten van haar te vinden. Ze werd geboren in Gorichem en overleed in Warnsveld. Waarom staat haar standbeeld dan in Zutphen? Wat was haar speciale band met de stad? Was zij ‘volkomen gelukkig’ in Zutphen?

    Het antwoord is te vinden in de bundel Dolen en dromen uit 1980, over o.a. een herfstwandeling in Zutphen en langs de IJssel. Bij de presentatie van de bundel zei Gerhardt: ‘Dolen en Dromen’ is geen hommage aan Zutphen, ondanks mijn gehechtheid aan deze stad; en evenmin een hommage aan een harer burgers. /…/ Het gedicht gaat over een wijze van ervaren die de mens soms – bij hoge uitzondering – ten deel mag vallen: het bekende en vertrouwde opent zich voor hem. Het onthult zijn wonderen en verborgen samenhangen en geeft nochtans zijn laatste geheimenis niet prijs.’

    Deze ervaring beschrijft ze in het betreffende gedicht als volgt: ‘Anderhalf etmaal ben ik omgegaan / -mijzelf ontkomen, eindelijk mijzelf- / dolend en dromend in een kleine stad, / waar àlles stem kreeg, àlles open ging. / Steeds wetend: zó kan het maar / éénmaal zijn’.

    Het was om deze mystieke ervaring dat Ida Gerhardt van Zutphen en de IJssel hield. De stad Zuthpen is trots op deze dichteres. Met het bronzen beeld, de teksten in de stad en de speciale Ida Gerhardt wandelingen wordt de herinnering aan haar én haar poëzie levend gehouden.

     

    Foto: Evert Woutersen


    In deze rubriek vernoemd naar Rudy Kousbroeks genre-idee Fotosynthese, gaan beeld en tekst een verbinding aan.

     

  • ‘een ongrijpbare pracht ‘ 

    De Familie telt vijf personen, de Vader, de Moeder, de Dochter, de Oom en de Zoon. De laatste verblijft al een tijdje in het buitenland. Ze wonen in een huis met een stenen trap, zeven luiken en vijf deuren. Modesto dient het huis al negenenvijftig jaar. Iedere ochtend wekt hij ‘van oudsher’ de leden van de Familie. Aan het licht van de dageraad ziet hij wat voor dag het zal worden. Als een priester verkondigt hij het begin van de dag: ’Goedemorgen. Versluierde zon, lichte bries.’ Of: ‘Goedemorgen, drukkende hitte en hinderlijke vochtigheid.’ De gezinsleden ontbijten zeer uitgebreid, al dan niet in het gezelschap van talloze bezoekers.

    ‘Uiteindelijk trekken ze zich tegen drie uur ’s middags terug naar hun kamers en een half uur later komen ze daar stralend en fris uit tevoorschijn. […] De centrale uren van de middag besteden we aan zaken.’ Het avondeten is de inleiding voor de nacht. ‘Zonder afscheid te nemen gaan we vervolgens naar het onbekende van de slaap, dat ieder op zijn eigen wijze bezweert. Al honderddertien jaar lang is namelijk iedereen ’s nachts gestorven in onze familie.’

    Op een dag staat er een jong meisje met een koffer voor de deur: ‘Zij werd niet verwacht op deze dag, of misschien ook wel, maar dan waren ze het vergeten. Ik ben de Jonge Bruid, zei ik.’

    De Zoon en de Jonge Bruid hebben elkaar leren kennen, toen zij vijftien en hij achttien was. De wederzijdse families hebben afgesproken dat zij zullen trouwen ‘zodra haar achttiende jaar voltooid was’. Alleen, de Zoon is nu in Engeland: `Het was irritant te moeten toegeven dat de Zoon feitelijk gezien niet aanwezig was.’

    De Familie stuurt de Zoon een telegram: ‘Jonge Bruid teruggekeerd. Opschieten.’ Wachtend op zijn terugkeer slaapt zij zo lang bij de Dochter. De Zoon ‘begint met arriveren’ – er komen allerlei spullen aan uit Engeland, een ‘Deense pianola, in onderdelen’, de volgende dag ‘twee rammen van het ras Fordshire uit Wales’. De Jonge Bruid vraagt zich af of hij nu wel of niet komt. Volgens de Dochter arriveert ‘hij elke dag een beetje, over een maandje zal hij klaar zijn met arriveren.’

    De Jonge Bruid leert alle huisgenoten en hun geschiedenis kennen. Modesto met zijn betekenisvolle kuchjes, de Dochter met haar handicap, de Moeder met haar ‘syllogismen’. Als de Familie op hun jaarlijkse vakantie gaat, blijft de Jonge Bruid alleen achter in het huis om op de Zoon te wachten. De Oom die de hele tijd slaapt, komt eerder terug van vakantie: ‘Hij kon zich al slapend scheren, en niet zelden had men hem zien slapen terwijl hij pianospeelde, al kwamen de staccato noten wel met een lichte vertraging. Er waren zelfs mensen die beweerden dat ze hem diep in slaap hadden zien tennissen: kennelijk ontwaakte hij alleen wanneer er van speelhelft werd gewisseld.’

    Bij al deze ontmoetingen verschuift het vertelperspectief van de derde persoon naar de eerste persoon. Meestal is de ik-figuur De Jonge Bruid, soms ook de schrijver van het boek. Hij licht zijn verteltechniek toe. Hij meldt dat hij ‘om redenen die [hem] op dat moment geraffineerd technisch voorkomen’ van vertelstem verandert, met als resultaat dat hij ‘het leven voor de lezer compliceert.’ Van ‘sommige paginaatjes’ verwacht hij dat die op de redacteur ‘als volkomen nutteloos en helaas weinig functioneel voor het verloop van het verhaal’ zullen overkomen: ‘Met gepaste hoffelijkheid zal hij me aanraden ze te schrappen. Ik weet nu al dat ik dat niet zal doen […]’.

    Het is een knap spel met de lezer. De schrijver laat zijn boek over De Jonge Bruid aan zijn minnares L. lezen: ‘Ze zei intelligente dingen over wat ik schreef, terwijl we ons terugtrokken in hotelkamers om elkaar lief te hebben.’ Zij vindt dat hij wel erg veel over seks schrijft: ‘[…] al die seks […] hier is het een obsessie.’ Als ze bij hem weggaat, zegt ze: ‘Jij verandert ook nooit, he?’. De schrijver vraagt zich af wat het verhaal van een familie die tot drie uur ’s middags zit te ontbijten, of van een oom die de hele tijd slaapt, in godsnaam te maken kan hebben met ‘de plotselinge verbrokkeling die bezig is mij van de aardbodem weg te vagen.’ Hij besluit op reis te gaan naar het Zuiden. Daar verliest de schrijver zijn laptop met zijn boek erop. Maar hij heeft het hele verhaal nog in zijn hoofd. Het is een ‘gelaagde optelsom van alle zinnen’ die eerst zijn bedacht, daarna opgeschreven en vervolgens herinnerd. ‘Objectief gezien was ik niet alleen mijn boek niet kwijtgeraakt, maar in zekere zin had ik het juist in al zijn volheid teruggevonden, nu het onstoffelijk was geworden en zich had teruggetrokken in het winterverblijf van mijn geest. Ik kon het op elk gewenst moment naar de oppervlakte halen […] en dan kwam het tevoorschijn met een ongrijpbare pracht tegenover welke de nette orde van een gedrukte pagina blijk gaf van de starheid van een grafsteen.’

    Het boek bevat meer mooie vergelijkingen, o.a. over de schoonheid van de vrouw. De Dochter heeft de schoonheid van de Moeder, en bovendien nog ‘het gulden patina van de fortuinlijke leeftijd’. Dit beeld komt indirect terug in een langere beschrijving. De schrijver observeert zijn minnares terwijl zij zijn manuscript leest: ‘Al die tijd zat ik naar haar te kijken terwijl ik zocht naar een naam voor dat dunne laagje dat achterblijft op de vrouwen die we hebben liefgehad wanneer de tijd is verstreken, terwijl we nooit echt uit elkaar zijn gegaan, of elkaar gehaat hebben, of ruzie hebben gehad […]’. Die naam ontglipt hem al jaren: ‘Telkens als ik hem bijna te pakken heb kruipt hij in een onzichtbare spleet in de muur.’ Een soortgelijk beeld komt terug: ‘We zaten verstopt in een plooi van de schepping.’ Gebeurtenissen worden opgetekend in ‘het grootboek van het leven.’ Een combinatie van de twee beelden is een herinnering van De Jonge Bruid aan een vreemde nacht, ‘die door de scheur van de wereld was gekropen, onvindbaar in het grootboek van de levenden […]’. Fraai ook is de beschrijving van een herinnering aan een nacht in het bos: ‘De rest van de nacht lijkt me nu, als ik hem in mijn herinnering laat opkomen, een meer zonder begin of einde, waarin elke weerschijn nog altijd ligt te glinsteren, maar elke oever verloren is, en de bries onleesbaar.’

    Mooie beelden en herinneringen. Maar het belangrijkste motief van het boek is het wachten op de Zoon. De vraag of hij een Godot is of niet wordt pas op de laatste bladzijde van dit prachtige boek met een onvergetelijke slotzin beantwoord.

    Alessandro Baricco (1958) is een succesvolle hedendaagse Italiaans auteur. Zijn werk is meermaals bekroond met internationale prijzen. Oceano mare (vertaald: Oceaan van een zee, 1995) won de Premio Viareggio in 1993. Voor Châteaux de la colère (de Franse vertaling van Castelli di rabbia, 1991), in het Nederlands vertaald als Land van glas (1996), ontving hij in 1995 de Prix Médicis étranger. Zijde (1997) werd in 1998 uitgeroepen tot Booksellers International Book of the Year.

  • Werken in vrijheid

    Werken in vrijheid

    Op 15 september 1997 lieten Larry Page en Sergey Brin Google.com registreren als domeinnaam. Google is een woordspeling op het woord ‘googol’, een wiskundige term voor een één met honderd nullen. Het verwijst naar de missie van Google: ‘Alle informatie ter wereld organiseren en universeel toegankelijk en bruikbaar te maken.’

    Een jaar later nemen Page en Brin hun eerste werknemer aan.  In 1999 heeft Google acht medewerkers. In 2006 treedt Laszlo Bock in dienst bij Google als Senior Vice President bij de afdeling People Operations. Het bedrijf heeft op dat moment zo’n 6.000 ‘Googlers’ in dienst en groeit door naar 60.000 medewerkers in 2015. Google scoort wereldwijd hoog op lijsten van ‘Meest aantrekkelijke werkgevers’. Fortune heeft Google al zes keer uitgeroepen tot beste werkgever ter wereld.

    Per jaar ontvangt het bedrijf pakweg twee miljoen sollicitaties. Het aantal nieuwe werknemers, ‘Nooglers’, ligt per jaar rond de vijf duizend. Google neemt slechts een kwart procent aan van wie zij de geschiktheid beoordelen. Bock op Youtube: ‘We sort of have to kiss a lot of frogs before we find a prince or princess.’ Het is moeilijker aangenomen te worden bij Google dan bij de gerenommeerde universiteiten Harvard en Stanford.

    Laszlo Bock schrijft in De toekomst van werk, inzichten van Google die je kijk op het leven veranderen dat het aantrekken van nieuw personeel in de beginjaren van Google een kostbaar en tijdrovend proces was. Google heeft een systeem ontwikkeld waarbij analyse van data steeds belangrijker is geworden. Sollicitatiegesprekken zijn gestandaardiseerd. Verborgen vooroordelen, zoals over naam, geslacht, afkomst en leeftijd van de sollicitant, zijn uitgefilterd. Zo komen beslissingen tot stand op basis van objectieve gegevens, niet op basis van meningen. Het doel van de procedure is te voorspellen hoe kandidaten zullen presteren als ze eenmaal zijn aangenomen. Een verschil met de traditionele manier van werven is dat de inhurende manager niet beslist. Bock: ‘We ontnemen managers doelbewust een deel van hun zeggenschap over medewerkers.’ Een sollicitatiecommissie doet een aanbeveling voor de Senior Leader Review die al dan niet besluit tot een voordracht. Uiteindelijk beslist Larry Page.

    Google kent geen traditionele afdeling personeelszaken met HR-professionals. Bock: ‘In te veel bedrijven is HR de afdeling waar de aardige mensen terecht komen die elders niet succesvol zijn’. HR bij Google heet People Operations en is opgebouwd volgens het ‘driederdemodel’. Slechts eenderde van de medewerkers heeft een HR-achtergrond. Het tweede derde bestaat uit consultants en de laatste derde uit analytici. De consultants en de analisten vormen de bron van de technologische kennis binnen Google. Bij de dynamische benaming ‘Operations’ klinkt ‘de belofte van wiskunde’ door: het werken met data. Dat is met name aantrekkelijk voor softwareontwikkelaars. De afdeling fungeert zo als een ‘ingebouwd consultancy kantoor’.

    Larry Page en Sergey Brin hebben de basis gelegd voor het wervingssysteem van het bedrijf. Zij willen alleen de allerslimsten als medewerker, geen ‘nerds’ die alles weten van een speciaal onderwerp, maar slimme generalisten. Als een bedrijf groeit, is de kans groot dat nieuwe wervers vrienden aannemen of familieleden van een belangrijke klant. Op deze manier lever je altijd in op kwaliteit. De ‘regels’ voor de selectie van nieuwe medewerkers zijn o.a.: ‘Leg de lat hoog, ga zelf op zoek naar kandidaten, beoordeel kandidaten objectief en geef de kandidaten een reden om voor jou te werken.’

    In meerdere hoofdstukken vertelt Bock hoe Google er al jarenlang in slaagt een cultuur te creëren waarin mensen graag werken. Hij deelt zijn ideeën over hoe je de beste mensen kunt vinden, ‘te laten opbloeien en aan het bedrijf te binden in een sfeer van vrijheid, creativiteit en ontspanning’. Elk hoofdstuk sluit hij af met ‘regels’, een lijstje met aanbevelingen.

    Het laatste hoofdstuk van het boek bevat een overzicht van de veertien ‘werkregels’ waarmee je je bedrijf en werkomgeving kunt veranderen. De belangrijkste ‘werkregels’ zijn de regels om een geweldige cultuur te creëren: ‘Geef je werk betekenis’ en ‘geef je medewerkers vertrouwen.’ Het gaat erom net iets meer vertrouwen, vrijheid en beslissingsbevoegdheid te geven dan waarbij je je prettig voelt. ‘Rules’ vertaald als ‘regels’. Het klinkt nogal streng, maar als je regels opvat als ‘tips’ of ‘aanbevelingen’, dan valt het mee. Overigens relativeert Bock deze ‘regels’ in zijn inleiding: ‘Bij Google hebben we maar weinig regels en handvesten, dus wat ik hier vertel betreft niet het officiële bedrijfsbeleid. Het zijn niet meer dan mijn ideeën over het waarom en hoe van het succes van Google […].’

    Het thema van het boek is onvrijheid tegenover vrijheid. Bock vluchtte in 1974 met zijn ouders uit het communistische Roemenië naar de Verenigde Staten. Roemenië was in die tijd het land van de geheime diensten en afluistersystemen. De tegenstelling met zijn nieuwe land kon niet groter zijn. Bij Google, een bedrijf waar vrijheid, creativiteit en transparantie hoog in het vaandel staan, voelt hij zich op zijn plaats. De vrijheid herkent  hij in de missie van het bedrijf,  het toegankelijk maken van alle informatie.

    Volgens Bock zijn er twee extreme modellen van hoe je een bedrijf kunt leiden: ‘Het ‘onvrije’ model is het bedrijf dat opdrachten geeft, zijn werknemers onder de duim houdt en kneedt, zodat ze zich voegen naar het bedrijf. Het ‘vrije’ model gaat uit de van vrijheid en vrijwilligheid, respect voor werknemers en voor hun ideeën hoe het bedrijf zich verder kan ontwikkelen.’ Beide modellen kunnen winstgevend zijn, maar getalenteerde mensen maken liever deel uit van een organisatie die vrijheid voorstaat: ‘de vrije bedrijven profiteren van de inzichten en toewijding van hun medewerkers en zullen daardoor veerkrachtiger zijn en blijvend succesvol.’ De ‘regels’ van Google kunnen je helpen bij het opbouwen van een bedrijf waar vrijheid en creativiteit voorop staan.

    Bock legt de nadruk op de successen van Google, maar ook missers krijgen een plaats. Hij schrijft in zijn voorwoord dat dit boek ook vertelt ‘wat jij kunt doen om mensen op de eerste plaats te zetten en om je een heel andere manier van leven en leidinggeven eigen te maken.’

    De toekomst van werk, inzichten van Google die je kijk op het leven veranderen is de vertaling van Work Rules!  Insights from Inside Google to Transform How You Live and Lead. De Nederlandse titel De toekomst van werk is te algemeen en heeft een stelligheid die de Engelse titel niet heeft.  Jammer dat de dubbele betekenis van Work Rules! niet te vertalen is. Inzichten die je kijk op het leven veranderen is niet hetzelfde als transform how you live and lead. Het leidinggeven ontbreekt in de Nederlandse ondertitel. ‘Je kijk op het leven veranderen’, is te passief. Het gaat er ook om hoe jij zelf de regels van Google kunt toepassen.

    Laszlo Bock heeft een zeer lezenswaardig boek geschreven, met anekdotes en voorbeelden uit de praktijk. Hij verwijst veelvuldig naar gedragseconomisch en psychologisch onderzoek, met een handig notenoverzicht tot slot.

    De toekomst van werk, inzichten van Google die je kijk op het leven veranderen

    Laszlo Bock (1972) studeerde aan Yale University School of Management (MBA) en Pomona College (BA). Hij werkt sinds 2006 als HR-manager bij Google (‘SVP, People Operations’).  In 2010 riep HR Executive Magazine hem uit tot ‘Human Resources Executive of the Year‘. Eerder werkte hij als management consultant bij o.a. bij General Electric en McKinsey & Company.