• Oogst week 42 (2018)

    Een Bijlmerliedje

    Een mooie oogst deze week: een coming of age roman van Diana Tjin; de laatste – en naar gezegd wordt zijn beste – roman van Charles Dickens; een familiegeschiedenis door Bart Meuleman en de jeugdherinneringen van de Franse schrijfster Alba Arikha.

    Cartograaf en schrijfster Diana Tjin debuteerde in 2017 met de historische roman Het geheim van mevrouw Grünwald. Haar tweede boek Een Bijlmerliedje is een coming of age roman over het meisje Sheila dat opgroeit in de jaren zeventig in de Bijlmer, waar ze op tienerleeftijd met haar ouders en drie broers is komen wonen. Een verhaal over het belang van vriendschap, rivaliteit, het verlangen mee te tellen en het zoeken naar erkenning als meisje met een Surinaamse achtergrond. Een prettig leesbaar verhaal, dat ook een mooi beeld schets van het Amsterdam in die jaren, de eerste metro, de verlatenheid van die grote flatgebouwen in de Bijlmer.
    In fragmentarische hoofdstukken schetst Tjin de ontwikkeling van een jong meisje waarbij elke ervaring, levensles op speelse wijze gerelateerd worden aan een muzieknummer uit die tijd. Zoals onder andere: ‘Both Sides Now’ van Joni Mitchel, ‘Take Time to Now Here’ van Percy Sledge en ‘To Love Somebody’ van Nina Simone.

    Een Bijlmerliedje
    Auteur: Diana Tjin
    Uitgeverij: In de Knipscheer

    Onze wederzijdse vriend

    Een naar het buitenland geëmigreerde Engelse jongeman krijgt bericht dat zijn vader, die ook wel de Gouden vuilnisman genoemd wordt, is overleden. Hem komt een enorme erfenis toe, mits hij trouwt met een door hem onbekende, en door zijn vader uitgekozen bruid. De jongeman vertrekt per boot naar Londen en sluit tijdens de zeereis vriendschap met een bootsman. De jongeman neemt de bootsman in vertrouwen en vertelt hem van zijn erfenis en de daaraan verbonden voorwaarde.
    Na aankomst in Londen zoeken zij samen onderdak en spreken af om onopvallend op zoek te gaan naar de bruid, om haar te kunnen gadeslaan. Maar de bootsman heeft andere plannen en wil de erfgenaam vergiftigen om dan zijn plaats in te nemen.

    Dan ontwikkelt zich een verhaal met een keur aan personages zoals we die kennen in de verhalen van Dickens. Zoals een wees, een goedhartige arme vrouw, een sluwe arbeider, een geheimzinnig figuur, een gierigaard, het zit er allemaal in. En zoals gezegd, volgens velen overtreft dit werk alle voorgaande werken van Dickens.

    Onze wederzijdse vriend
    Auteur: Charles Dickens
    Uitgeverij: Athenaeum

    Hoe mijn vader werd verwekt

    Bart Meuleman (1965) is toneelschrijver, regisseur en dichter en schreef met Hoe mijn vader werd verwekt zijn tweede roman. Zijn vader werd als baby bij zijn moeder weggehaald omdat ze ongetrouwd zwanger werd. Naar aanleiding van een foto die hij vindt van een vrouw met zijn vader als kind op schoot: – ‘Het was een oude vrouw zoals er duizenden zijn, maar in haar kwade ogen en aan haar grauwe vel zag ik op slag al het slechte waartoe ze in staat was geweest. Ik zag het des te beter omdat op haar schoot, in een wollen truitje en met glimmende schoentjes met riempjes, mijn vader zat, met een blik, verschrikt, die mij vreemd was.‘ – besluit hij op onderzoek te gaan naar zijn grootmoeder.

    Als jong meisje werd zij na de Eerste Wereldoorlog vanuit de Kempen naar Brugge gestuurd om in een gegoede familie de huishouding te doen. Ze raakt zwanger en het kind wordt onder de hoede van een bejaarde engeltjesmaakster gesteld. Aan de hand van materiaal dat Bart Meuleman in de archieven vindt, vermengd met zijn verbeelding geeft hij deze jonge vrouw een stem.

    Hoe mijn vader werd verwekt
    Auteur: Bart Meuleman
    Uitgeverij: Querido

    Herinneringen aan een verloren wereld

    Alba Arikha studeerde vele jaren piano voordat ze zich tot het schrijven wendde. Ze heeft inmiddels vier boeken geschreven en is in vijf talen vertaald. Herinneringen aan een verloren wereld (2012) is haar derde boek en speelt zich af in de jaren tachtig in Parijs. Het appartement waar Alba Arikha en haar zus opgroeiden was het centrum van literaire en artistieke ontmoetingen. Samuel Beckett was haar peetoom, haar vader was de schilder Avigdor Arikha, haar moeder de dichter Anne Atik.

    Arikha’s eigen herinneringen spelen zich af tegen de geschiedenis van haar Joodse familie in oorlog en ballingschap en de altijd aanwezige nagalm van de holocaust. Ondertussen probeert ze zich als opgroeiende tiener halsstarrig te ontworstelen aan haar afkomst.

    Het boek werd in The New Yorker geselecteerd als een van de beste boeken van 2012.

    Herinneringen aan een verloren wereld
    Auteur: Alba Arikha
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Olieverf

    Olieverf

    Ik hou ervan als de ene kunst over de andere spreekt, het is een mooie manier om de intensiteit van het verhaal dat is beschreven of uitgebeeld te laten groeien. Wat mooi te zien is bij Johannes Vermeer of Oscar Wilde. Niemand kan inniger lezen dan Vermeer’s Brieflezende vrouw en geen enkel geschilderd portret is zo gelaagd als Wilde’s Portrait of Dorian Gray. Twee meesterwerken die desalniettemin in bepaalde opzichten overtroffen worden door Charles Dickens’ Little Dorrit. Omdat Dickens hierin met het woord een schilderij citeerde.

    Het schilderij dat Dickens citeerde is The fighting Temeraire van William Turner uit 1838. Op het doek had Turner op ongeëvenaard indringende wijze het einde van de macht van oorlogszeilschepen vastgelegd. De Temeraire had met zijn achtennegentig kanonnen tijdens de Slag van Trafalgar Nelson’s vlaggenschip ontzet en daarmee een cruciale bijdrage geleverd aan de overwinning van de Britse marine. Maar de komst van stoom luidde het einde in van deze grootse oorlogsbodem. Een lot dat Turner vereeuwigde door de Temeraire ontdaan van zeilen tegen een geel-rossige zonsondergang naar haar laatste sloopplaats te laten slepen. Door een kleine stoomsleepboot nog wel, symbool voor de nieuwe tijd.

    LN20170402 The fighting TemeraireHet schilderij maakte diepe indruk op Dickens. Wat opvallend is, aangezien we van Dickens’ jongste dochter weten dat haar vader geen fan was van de late Turner omdat hij in de klodders rood, geel en blauw nooit de werkelijkheid kon herkennen. Maar de The fighting Temeraire vond Dickens geweldig. Zo geweldig zelfs dat hij er een kopie van had. Misschien wel vanwege het krachtige maar weemoedige beeld van dat grote onttakelde slagschip dat door een klein onooglijk sleepbootje definitief uit de tijd gesleept wordt. Een beeld dat Dickens ‘letterlijk’ in woord vertaalt als hij in hoofdstuk XIII de held van zijn roman, Arthur Clennan, de op geldbeluste Patriarch (Mr. Casby) en zijn assistent Pancks ontmoet. Een ontmoeting die Dickens even kleurrijk beschrijft als Turner schildert. Clennan ziet de Patriarch met zijn glimmende schedel op zich afkomen;

    “And that, much as an unwieldy ship in the Thames river may sometimes be seen heavily drifting with the tide, broadside on, stern first, in its own way and in the way of everything else, though making a great show of navigation, when all of a sudden, a little coaly steam-tug will bear down upon it, take it in tow, and bustle off wit hit; similarly the cumbrous Patriarch had been taken in tow by the snorting Pancks, and was now following in the wake of that dingy little craft”.

    Turner’s visie op de Temeraire krijgt zo – als citaat in Dickens’ roman – een tweede leven. Het op sleeptouw genomen slagschip is niet langer louter uitbeelding van de teloorgang van de zeilmacht, maar evenzeer van de snuivende assistent die zijn baas dweperig vooruitsnelt. Olieverf is woord geworden.

     

     

  • Steenhouwers en Leeglopers

    Steenhouwers en Leeglopers

    De geschiedenis van de schilderkunst is grotendeels een geschiedenis van rijke mensen. Wat logisch is, want als je moet buffelen om je kostje te winnen heb je weinig tijd om te schilderen. Laat staan geld om een schilderij te kopen, een luxeproduct. Met als gevolg dat, wat schilders uitbeelden lange tijd net zo luxueus was als de klanten waarvoor ze schilderden, zelfs als ze bittere ellende schilderden.

    Maar er kwam een moment dat het gewone leven zijn intrede deed in de schilderkunst. Toen Vlaamse schilders zoals Jan van Eyck hun religieuze voorstellingen in gewone, huiselijke omgevingen plaatsten. Al bleef er ook toen wel wat verheerlijking in de uitbeelding van het gewone leven over. Maar dat veranderde bij Gustave Courbet. Hij gaf arme mensen in zijn schilderijen een hoofdrol op een wijze die daarvoor nog niet was getoond. Een prachtig voorbeeld hiervan is de Steenhouwers uit 1849, geschilderd één jaar na de publicatie van het Communistisch Manifest van Marx en Engels. Hier is de armoede verre van verheerlijkt en Courbet schilderde het leven van arbeiders meedogenloos realistisch. Wat misschien voor hedendaagse ogen niets bijzonders lijkt, maar in zijn tijd vernieuwend was. Courbet toont het harde leven van twee steenhouwers zonder opsmuk, waarbij de ene steenhouwer toch echt te jong en de andere te oud lijkt voor het zware werk. Het schilderij is zo ruw geschilderd dat het in alles een aanklacht lijkt te zijn tegen de barre omstandigheden van arbeiders (en van de gepolijste academische schilderkunst van die tijd). Alsof Courbet tot in zijn penseelstreek de ruwheid van het leven wilde laten zien.

    In de literatuur zie je volgens mij een vergelijkbare ontwikkeling. Ook daar kom je in de vroege literatuur niet echt veel arme sloebers in een ongepolijst setting tegen. Zo zijn de meeste hoofdpersonen uit Shakespeare’s verhalen misschien wel ongelukkig, maar niet onbemiddeld. Ook hier kwam een omslag, geïnspireerd op de ellende van de industriële revolutie. Charles Dickens wijdde er vrijwel zijn gehele oeuvre aan.

    Ook bij Giovanni Verga staat in De Leeglopers (1881) de onderkant van de samenleving centraal. Deze roman is de literaire tegenhanger van Courbet’s Steenhouwers. Net als Courbet is Verga meedogenloos en realistisch in zijn uitbeelding van het harde lot van de vissersfamilie, Leegloper. Ook hier zijn de hoofdpersonen veelal te oud of te jong voor de vele ongelukken die hen treft. En net als bij Courbet is het taalgebruik van Verga, zijn ‘penseelstreek’, direct en zonder opsmuk: “Hebben jullie het dan soms beter, met al dat gewerk en dat zinvolle gesloof? Het is ons ellendige lot!”

    Een lot dat dan misschien ellendig is, maar wel weergaloze literatuur oplevert. Want het leed van de Leeglopers mag dan verschrikkelijk zijn, het levert net als bij de Courbet’s Steenhouwers een prachtig kunstwerk op.

     

     

  • Oogst week 42

    Oogst week 42

     

    Schuld
    …schuldig bin ich
    Anders als Ihr denkt.
    Ich musste früher meine Pflicht erkennen;
    Ich musste schärfer Unheil Unheil nennen;
    Mein Urteil habe ich zu lang gelenkt…
    Ich habe gewarnt,
    Aber nicht genug, und klar;
    Und heute weiß ich, was ich schuldig war.

    Dit is een gedicht uit de Moabiter Sonette die Albrecht Haushofer schreef tijdens zijn gevangenschap in Nazi-Duitsland.

    ‘Wat schrijven mensen in het uur van de waarheid? Hoe verhoudt zich dat tot andere literatuur die in volkomen afzondering is geschreven?’ vraagt Maarten Asscher zich af in een interview in De Volkskrant van 16 februari 2013.
    Het is onderwerp van de dissertatie waarop hij eind oktober hoopt te promoveren. Aan de hand van de autobiografische getuigenissen van Silvio Pellico, Oscar Wilde en Albrecht Haushofer gaat Asscher op deze vragen in.
    Tegenover deze drie schrijvers plaatst hij drie schrijvers die de gevangeniservaring als onderwerp kozen voor hun literaire verbeelding: Stendhal, Charles Dickens en Jan Campert. Welke categorie boeken – de getuigenis of de verbeelding – draagt de benauwenis van de gevangeniservaring het sterkst op de lezer over?

    Het uur der waarheid, over de gevangenschap als literaire ervaring, Maarten Asscher, Atlas/Contact, 408 pagina’s, € 24,99

     

    In datzelfde interview vertelt Asscher dat hij zo’n hekel heeft aan het woord ‘leesschuld’. Het is inderdaad een vreselijk begrip, maar wel één dat iedere lezer meteen begrijpt. Gelukkig gaat hij verder: ‘Ik heb sterk het gevoel dat je op een gegeven moment aan die boeken wel toekomt, over een maand, een jaar of over twintig jaar.’
    Dat moment is nu misschien aangebroken voor al die lezers die nooit De vreemdeling van Camus lazen. In zijn wereldberoemde roman over moordenaar Meursault gaat alle aandacht uit naar deze hoofdpersoon. Aan de vermoorde man wordt enkel gerefereerd met de woorden ‘de Arabier’.

    Algerijn Kamel Daoud geeft deze man een naam in zijn debuutroman Moussa, of de dood van een Arabier. Hierin probeert MoussaHaroen de moord op zijn broer te verwerken.
    Maar het is veel meer dan een verwerkingsroman. Het is een roman die kritisch is op De vreemdeling, kritisch op godsdienst, kritisch op geweld en kritisch op het kolonialisme van het Westen. Tegelijkertijd zijn er veel raakvlakken met het werk van Camus dat van directe invloed is geweest op het leven van Daoud. Als jongen raakte hij in de ban van islamistische groeperingen. Het lezen van o.a. De mens in opstand en De mythe van Sisyphus veranderden zijn kijk op het leven.
    Kamel Daoud won met deze roman Prix Goncourt voor Debutanten.

    Moussa, of de dood van een Arabier, Kamel Daoud, vertaald door Manik Sarkar, Ambo Anthos, 114 pagina’s, € 18,99

     

    Winter in Gloster HuisIn Winter in Gloster Huis van Vonne van der Meer gaat het over kiezen. Kiezen tussen dood en leven. Deze keuze wordt gesymboliseerd door twee hotels elk aan de andere kant van de oever van een meer. Aan de ene kant een hotel waar je waardig en omringd door aandacht kunt sterven, aan de andere kant Gloster Huis waar je terecht kunt als je op het laatste moment toch twijfelt aan je doodswens. Het ene hotel is van Richard, het andere van zijn broer Arthur. Arthur zegt: ‘Zijn kracht ligt in het willen, de mijne in wachten.’
    Het is een roman die de discussie over het vrijwillig levenseinde weer zal doen aanwakkeren.

    Winter in Gloster Huis, Vonne van der Meer, 
Atlas Contact
, 144 pagina’s, € 17,99

  • Over Engelse en Tasmaanse hartstocht

    Over Engelse en Tasmaanse hartstocht

    De Tasmaanse Flanagan noemt dit boek geen historische roman, maar hij liet zich wel ínspireren door bepaalde personen en gebeurtenissen uit het verleden, zoals Charles Dickens en een verdwenen pool-expeditie van John Franklin. Het verhaal speelt zich behalve in Londen af op de eilanden rond en op Tasmanië in de tijd van de kolonisatie en de kerstening van de Aboriginals (1850).
    Hoofdpersoon van de tweede verhaallijn is het meisje Mathinna, dochter van een stamhoofd, die door de regent Robinson wordt gekaapt, nadat een eerdere verzoeningstocht op niets is uitgelopen. Robinson neemt haar in een groep gevangengenomen Aboriginals mee naar Flinders eiland, geeft haar een christelijke naam en een dito opvoeding. Later wordt ze opgemerkt door Jane, de vrouw van John Franklin die tussen de poolexpedities door het eiland bestuurt. Jane, die zelf geen kinderen kan krijgen, adopteert het meisje, maar mag van zichzelf geen enkele affectie tonen. Later raakt ook gouverneur John Franklin van het levendige meisje begeesterd, zozeer dat hij zijn werk verwaarloost en liever met haar vogels gaat vangen. Hij krijgt daardoor de kolonisten op Tasmanië tegen zich, wordt ontslagen en begeeft zich weer op expeditie.

    In de verschillende hoofdstukken worden fragmenten over Dickens en over Mathinna afgewisseld. De schrijver zegt in het nawoord dat hij ontdekte dat hun levensverhalen met elkaar verbonden waren. Hij kreeg daardoor het idee ‘van een meditatie over hartstocht ? de prijs van het verdringen ervan, het belang en de invloed ervan bij menselijke betrekkingen.’ Dat, en niet de geschiedenis, is het ware onderwerp van Verlangen.
    Ik zet vraagtekens of Dickens’ bandeloze hart, het verlangen van Jane naar een kind en de magische wereld van de Aboriginals die door de Engelsen op een vreselijke manier van hun cultuur werden beroofd, onder één noemer gebracht kunnen worden.
    De Engelse titel Wanting wordt mijn inziens niet adequaat vertaald door het fletse Verlangen.

    Toch heb ik zeer genoten van de magische sfeer in het boek. Het was boeiend om in de huid te kruipen van Charles Dickens, die zijn huwelijk vergeleek met het tevergeefs vinden van een doorgang voor de doorvaart langs de zuidpool, ‘een bevroren kanaal naar liefde, dat altijd voor hem lag en waar geen doorgang mogelijk was.’
    De afstand wildheid en beschaving bestond volgens hem in de mate waarin we overgaan van lust naar logisch denken; zijn leven was een toonbeeld van het beheersen van hartstochten; die uitte hij wel in zijn werk. Hoewel hij bang was dat zijn werk zijn ziel zou verteren, liet de hartstocht zich er toch niet onder krijgen.
    ‘En hij, een man die een leven lang had geloofd dat toegeven aan begeerte het kenmerk van een wilde was, besefte dat hij het verlangen niet meer kon negeren.’
    Ook zeer de moeite waard waren de beginhoofdstukken over de goedbedoelde maar vergeefse pogingen van Robinson om het inheemse volk te verbeteren. De regent die eerder timmerman was, zocht tijdens het schrijven in zijn dagboek naar woorden, ‘die in de juiste vorm konden worden gegoten, zoals hij in een ander leven hout in de juiste vorm had gebogen en gewrongen. Hij zocht naar een serie woorden die, als een plank, een bedekking kon vormen voor een of andere onverklaarbare maar beschamende vergissing.’ Hij kon er namelijk niet bij dat er zoveel Aboriginals dood gingen in de kampen waarin ze onderdak en goed voedsel kregen.
    En dan heb ik het nog niet eens over Mathinna die in haar leven veel ellende meemaakt.
    Ook als we met onvergelijkbare grootheden te maken hebben en dat het uitgangspunt misschien niet klopt, blijven de verhalen vol magie een prachtige sfeer uitstralen.

    Door Rein Swart

    Richard Flanagan, Verlangen. Anthos, paperback, 288 p., € 19,95. Vertaald door Ankie Blommesteijn.