•  Vrolijke gruwelsprookjes voor de volwassen lezer

    Zou het bescheidenheid zijn dat de debutant Martijn den Ouden (1983), die naar eigen zeggen nog nauwelijks poëzie had gelezen voor hij aan het schrijven van zijn debuut begon, koos voor de titel Melktanden? Melktanden zijn geen blijvertjes en minder sterk dan de tanden van een blijvend gebit. De brutaliteit en het lef die van de pagina’s spatten, onderschrijven zo’n hypothese van bescheidenheid allerminst. Iets anders dan: bij jonge dieren is het melkgebit scherper en jonge dieren zijn zich bij lange na nog niet bewust van de kracht van hun beet. Die daardoor vaak harder is. Uit speelsheid wel te verstaan. Dat zou al meer bij deze bundel passen.

    Het stadium van het melkgebit is ook dat van de onschuld, van het vrijblijvend vertoeven aan gene zijde van Goed en Kwaad. En als één ding na lezing van deze bundel wel duidelijk is, is dat de in deze gedichten verhaalde anekdotes zich niet gedragen naar de gangbare opvatting van goed en kwaad. Maar het stadium van onwetendheid lijkt al ruimschoots gepasseerd in deze gedichten. Er ligt dikwijls een nauwelijks verholen verlustiging in een wreed spektakel aan ten grondslag. De touwtjes lijken in handen van iemand die een sadistisch en kwaadaardig genoegen in de fatale afloop schept, in gruwelsprookjes.

    De bundel telt maar liefst 55 gedichten die ongelijk van lengte en over 4 afdelingen verdeeld zijn. Op twee wat liedjesachtige gedichten na, valt de afwezigheid van formele strofen en rijmschema’s op. Titels, hoofdletters en interpunctie zijn nagenoeg buiten de deur gehouden. Maar het poëtische middel van de herhaling op letter-, woord- en regelniveau wordt allerminst geschuwd. Opvallend is verder de hoeveelheid neologismen die dit debuut rijk is: er kan zomaar sprake zijn van ‘bloedgroeten’ ‘ketskoeien’ ‘zwiebeldijen’ of van ‘een bastbrekend bos’ dan wel van ‘een poepsterk wedstrijdpaard’. Een buitenbeentje in de bundel is het langste gedicht (twee en een half pagina) dat slechts uit 1 regel bestaat die maar liefst 85 maal herhaald wordt: ‘ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin’. Als een portie strafwerk van de bovenmeester. Ook jongetjes met melktanden moeten weten hoe het hoort.

    Er is bijna geen gedicht waarover niet de dreiging van geweld hangt, als een suspense. Er wordt al dan niet heimelijk gesmacht naar wreedheid, dan wel beschrijven de gedichten op quasi neutrale toon een macaber tafereel waarin, zoveel is zeker, geweld niet lang tevoren heeft plaatsgehad. Weerloze dieren of fabuleuze creaturen hebben het onderspit gedolven, door menselijk toedoen of door veronachtzaming. Soms ook is het slachtoffer een meisje of een kind. De huiveringwekkende, soms grotesk of absurdistisch aandoende verhalen worden op een montere, nonchalante toon opgedist, waardoor er niet alleen kwaadaardige onschuld doorheen sijpelt, maar ook de lach een kans krijgt.

    ‘het diertje is in de brandnetels gevonden

    is het een hoefdier?
    nee,
    hij pist over z’n schoentjes
    zwartgelakte balletschoentjes

    bij Harm deed ie een dansje
    verloor zijn hoed

    doe het hokje maar weer dicht
    straks is ie weg’

    Dit zou je enkel nog in Herenleed van Armando hebben kunnen vernemen.

    Elders is men toeschouwer van een niet nader geduid schouwspel waarbij overduidelijk lijdende voorwerpen betrokken zijn en leest men in het betreffende gedicht bij herhaling de zinnen: ‘wij lachen/ja wij lachen/wij hebben hier veel geld voor neergeteld’.

    De stijl is zelfverzekerd en trefzeker, ook in wat verzwegen wordt. Dat verhoogt de suggestieve lading. Maar deze poëzie is hiermee nog niet afdoende gekenschetst. Tussen droge, vaak niet mis te verstane, beschrijvende regels, kan opeens een onvervalste poëtische regel opduiken als: ‘de zee laat overdag haar honden los in mijn hoofd’ of regels als: ‘in de spiegelogen van het buitenzinnig vee/ schicht kanonvuur naar een traag tranende hemel // later in de lente / tranen zustersogen van netels in heldenhanden’. Het raadselachtig poëtische gedeelte kan soms ook bijkans het gehele gedicht behelzen. Laat ik hiervoor eens een misschien wat minder geslaagd gedicht citeren:

    ‘zonnegoud geschilderde handen
    begraven je tanden
    in braakliggende grond

    het stil gebaar van
    het heeft iets te betekenen
    melktandendokter

    wuift graanrijk over onze lieve aardemoeder

    op jouw leeftijd Laura
    – en je hebt je laten facefucken ?
    is het blijk en bloot dat je met bruidsnagels niet naar tanden graaft
    dertig centimeter kan diep zijn’

    De ongehoorde combinatie van hermetische dichtregels en platte rauwheid werkt verrassend goed. Ze overrompelt de lezer, pakt hem in. Ze maken de anekdote er misschien niet onschuldiger mee, maar benadrukken wel dat de angel van het gedicht in de taal en niet in het verhaal zit. Dat het eigenlijk niet meer is dan een spel met de woorden. Dat het plezier aan de taal het met gemak wint van de verhaalde gruwelijkheden, zegt veel over de poëtische kracht van deze gedichten. Martijn den Ouden draaft er niet mee over de gebaande wegen, maar zet op eigen kracht een zeer gewaagd spoor uit. En hij blijft daarbij verrassend genoeg overeind.

    Een typerend gedicht (maar ieder gedicht uit deze bundel lijkt wel een typerend gedicht, hoewel zeker niet ieder gedicht even sterk is in zijn geheel) is het gedicht op pagina 12.

    ‘bok hok bok
    met bekken dik mos keilgeiten melken
    ketskoeien
    buidelkatten

    bok hok bok
    vijf keer per dag
    gluren in ’t kippenlicht

    wit buigt de brug over het klein knikkerbad
    bok hok bok
    springt het van grafkuilen naar lentebloemen
    bekt in het zalig zuigen van de dingen

    een kom vol vissen draait mee in de pels
    radslag your ass
    sluierdier
    van grafkuil naar lentelicht’

    Wat hierin als regel misschien niet meteen te duiden valt, komt het verstaan van de wrange, suggestieve ondertoon als geheel haast ten goede. Terwijl je het gedicht leest, klopt het. Bij de versregel ‘radslag your ass’ was het me opeens volkomen duidelijk waarom juist Astrid Lampe op de achterflap deze bundel aanprijst.

    Van een lang elegisch getoonzet gedicht uit de laatste afdeling Straten die we overslaan (de afdeling waarin de minste slachtoffers vallen) citeer ik tot slot graag de eerste helft:

    ‘als de wind zo kalm als ze nu is, blijft liggen
    als ze niet meer, dan zo af en toe,
    heel zachtjes kucht, en de bloemen buigen.

    als alle dieren slapen of sluipen.
    als het water een spiegel is.
    als het vuur niets meer dan
    koude handen nog verwarmt.

    als de zon een wit laken is
    aan een boom in een weiland.

    als dit de waarheid is
    en de kinderen met hoofdtooien
    in het lange gras met vossen spelen
    tot het witte laken aan de boom verbleekt
    en het nacht is.

    als het zilver van de nacht
    in het slapend land
    naar de honden roept
    en de honden zich de wonden likken.
    en de regen langs de hemel glijdt,

    juist dan,
    breekt de rand van het dak van het huis waar ik ben grootgebracht.

    beneden veegt een man de stukken bij elkaar.
    met gesloten ogen en gevouwen handen
    prevelt hij voor zich uit:
    men zou het moeten bezweren en als stof zijn zij
    als stof zijn zij in de adem van het beest met de vuren ogen.
    (…)’

    Als het de jury van de C.Buddingh’-prijs, die jaarlijks aan een poëziedebuut wordt toegekend, er om te doen is de eer te gunnen aan de bundel die getuigt van de meeste lef, de sprankelendste en eigenzinnigste stijl, de minste navolging dan kan Martijn den Ouden alvast aan een dankwoord knutselen. Dit is een debuut waarvan je kunt gaan houden en waarvan het verleidelijk is er veel uit te citeren.

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Feelgoodpoëzie met plaagstootjes

    De debuutbundel van Bianca Boer (1976) kent veertig, niet al te lange en in een begrijpelijke taal gestelde gedichten, die ook al vanwege de bladspiegel duidelijk als poëzie herkenbaar zijn. Hoofdletters en interpunctie zijn opvallend gemeden. Haar prozadebuut maakte ze een paar jaar geleden met de verhalenbundel Troost en de geur van koffie die o.a. genomineerd werd voor de Selexyz Debuutprijs. Een alleszins vriendelijke titel, waarbij die van haar poëziedebuut zich makkelijk kan voegen. Het is een poëziedebuut dat, ik verklap het maar meteen,  het Nederlandse poëzielandschap niet een ander aanzien bezorgt. Daarvoor voegt de meerderheid van de gedichten zich te gedwee in het reeds bekende spoor. Ik ga eerst een minpuntje van dit debuut noemen, om met een duidelijk pluspunt te kunnen eindigen.

    Veel gedichten van Boer maken een min of meer montere indruk en geven van een anekdote net genoeg mee om die te begrijpen. Maar dat net genoeg kan vaak al iets te veel zijn voor poëzie. 

    Ze graven soms ook niet diep genoeg om een blijvend litteken achter te laten. Neem het gedicht:

    Middelbareschoolreünie

    ‘een buik vol bubbelgum
    tussen oranje linoleum en gevulde koeken
    als ik hem weer zie

    ruik ik verschaalde schoolfeesten
    kus hem eindlijk drie keer
    hij prikt door mijn gedachten

    woorden van toen wuiven
    helium in mijn longen
    ik piep lege spreekballonnen

    hij neemt ademloos zijn plek
    weer in mijn lichaam’

    Dit gedicht gaat nergens schuren of uit zijn voegen barsten, waarschijnlijk omdat het te direct herkenbaar is wat hier staat. De hele anekdote had even goed onderdak kunnen vinden in een column in de Flair. Het blijft braaf tussen de lijntjes van de goedaardige gevoelens.

    Of in Vroeger is een huis:

    ‘de eerste kleurenfoto’s
    waarop de echte wereld minder groen is
    dat huis ben jij

    van iedereen die je kende nam je iets mee
    het hangt aan de muren
    het staat in de kamers
    ik ben je vrouw

    ik krijg één nacht de bemoste bruidssuite
    waar wij het kind zullen maken
    dat nooit het huis uit gaat

    ik tuur zolang naar de foto
    dat ik zijn gezicht ? we hadden een jongen  gekregen ?
    achter een van de ramen zie

    het is de eeuwige zonneschijn
    die in de ruiten blikkert
    hem verjaagt’

    Ook hier wordt de werkelijkheid te weinig ontdaan van haar alledaagsheid.

    In dit soort gedichten mag een regel misschien een enkele schijnbeweging maken,  maar daarmee wordt de lezer meestal niet op het verkeerde been gezet, daar het gedicht daarvoor te weinig te raden laat.

    En toch hoef ik Boer niet aan te raden de oppervlakte te verlaten, want ze is in staat met schijnbaar oppervlakkige beelden tot een wat meer verontrustend geheel te komen.

    Dat levert een gedicht op als:

    nog een geluk dat het terras daar niet stond

    ‘van de Martinitoren stapt een jongen
    zijn val vanaf 56 m vanaf de tweede trans
    wordt vlak bij de grond gebroken
    door een lezende toerist

    in de toren loopt een meisje omhoog
    traptreden te tellen’

    Dit is een prachtig gedicht waarin op geslaagde wijze de collagetechniek is toegepast. Het suggereert meer dan het feitelijk prijsgeeft en dat werkt al meteen veel beter. Juist de triviale mededeling dat een meisje omhoog loopt, zet de tragiek van de val van de jongen des te meer aan. Dat is knap gedoseerd.
    In een ander collage-achtig gedicht komt een ander opvallend kenmerk van Boer tot uiting. Haar speelsheid
     

    zichzelf verklarend

    ‘de man met de radiostem
    heeft wenkbrauwen die bewegen op de maat van zijn lippen
    hij geeft de verklaring voor het spelen van rummikub
    als je oud wordt en lang samen bent

    er is het overleven van de winter door de langpootmug
    er zijn dagen waarop je moet uitslapen
    je neus te ruste leggen naast je hoofdpersoon

    vandaag is er een moment dat ik mooi meegenomen zal zijn
    ik maak een lijst van wensen
    op één staat het onderzoeken van een haastig hert
    eronder steltlopertjes zoemen leren’

    Dit is zonder meer een fraai feelgood-gedicht. De verhaallijn erin is te volgen, maar de toegevoegde waarde komt niet van het begrip, maar van de overrompelende inval aan het einde, die zijn eigen ‘logica’ ertegenover stelt.

    Als lezer stuit je in haar bundel veelvuldig op speelse invallen, zoals: ‘knalgroen is een groen woord/ gek genoeg want het woord groen / is grijs zoals rood blauw is.’ Of in een strofe van een gedicht dat verslag doet van een telefoongesprek: ‘we gaan elkaar binnenkort weer zien / voor die tijd denk ik niet aan de naakte vrouw / die op handen en knieën door het gras kruipt / of andere zaken die hun weerga niet kennen ‘. Die bevallen mij goed. Het zijn even zovele plaagstootjes tegen de braafheid van de verstaanbaarheid.

    Ik zou die speelsheid in een vervolgbundel daarom wat meer aangelengd willen zien met bizarre, ietwat vervreemdende invallen. Laat die twee om voorrang strijden. Er mag wat mij betreft iets meer afgedreven worden van de anekdote, om de speelsheid wat ongeremder te laten ontluiken.

    Vliegen en andere vogels

    Auteur: Bianca Boer
    Verschenen bij: Uitgeverij L.J. Veen (2010)
    Prijs: € 15,-

  • Formidabele bundel met waarnemingpoëzie

    De vierde bundel van Erik Lindner ziet er als volgt uit: over de voor- en achterzijde van de bundel loopt een grote foto. Een rood dienstwagentje met Chinese karakters op de voorruit staat op een parkeerterrein. Achter het wagentje staat een hoge muur, in volle breedte van de foto, de muur is wel een meter of zes, zeven hoog. Boven de muur een stukje lucht, een luidspreker, in de verte een viaduct met verkeer, gebouwen. Meer in de nabijheid een verkeerslicht op rood en een verkeersbord dat verbiedt links af te slaan. Links onderin de foto, aan de achterzijde van de dichtbundel dus, een deur die open staat, met een hek ervoor.

    Nu gaat het om de muur. Op de muur is een veel rustieker beeld geschilderd, of mogelijk zelfs in zeer fijn mozaïek ingelegd. Het is een gezicht op een park, oude bomen, gras, een pad, bankjes aan het water, in de verte – na het water – wel weer een stad.

    Het rode wagentje op het parkeerterrein staat zo geparkeerd dat hij ook geparkeerd kan zijn op het brede pad, dat in het park leidt, naar het vergezicht toe, het water met de bankjes. Wie de bundel vast heeft denkt een ogenblik naar het parkplaatje te kijken, dan verschuift zijn aandacht en ziet hij de muur, de stad die hij erachter vermoedt.

    Zo’n foto op een omslag zegt een aantal dingen: ‘We laten ons in de luren leggen door wat anderen willen dat we zien.’ ‘We hebben geen kennis van wat zich achter de muur bevindt.’ ‘We houden van bomen, maar leven in de stad.’ Maar ook: ‘voor wie goed kijkt staat er een deurtje open’. Of, ‘alleen al iets beter kijken toont in elk geval wat er boven de muur nog aan werkelijkheid overblijft.’

    Het is dit soort denken dat ook in de bundel in 27 gedichten steeds weer gestalte krijgt. De lezer neemt iets waar, maar is het dat wel? De poëzie van Lindner ontwikkelt zich tot een staccato bijna subjectloze waarnemingpoëzie:

    ‘De laadklep van het schip opent boven de kade
    schuift heen en terug over steen

    vlaggentouwen slaan tegen palen
    in een handpalm klikken kralen tegen elkaar

    een man dweilt met opgetrokken schouders
    de door televisieschijnsel verlichte winkelvloer

    een vrouw staat in een stoel om een kaars aan te steken

    wier opgehoopt in een baai
    een bestelwagen draait stationair

    kinderen zitten tussen plastic zakken
    hun knieën tegen de borst

    op de loopbrug rollen mensen koffers voor zich uit

    midden in de passage is een gat
    boven een tafel vol zaagsel

    vanaf een mast schijnt licht op het water
    scheepstouwen spannen voor de boeg.’

    Net als op de foto weet de lezer niet wat-er-achter-de-muur-is. Dat wil zeggen: de dichter somt op, dingen die hij ergens hoort en ziet. Het lijkt wat op zo’n omineuze scène in een spaghettiwestern, de wind beweegt het stalen uithangbord van de barbier, een dorre struik rolt door de wind aangedreven door de straat. De hoofdpersoon kijkt met tot spleetjes geknepen ogen hoe vlaggentouwen tegen de palen slaan. Ennio Morricone op de achtergrond. Lindner is de cowboy van hier en nu.

    Maar Lindner doet wat meer dan deze cowboy, Lindner neemt dingen waar die niet helemaal lijken te kloppen. Midden in de passage is een gat boven een tafel vol zaagsel? Dat klinkt als sabotage. En mensen die op een loopbrug koffers voor zich uitrollen. In een stoel staan om een kaars aan te steken?

    In het gehele eerste deel van deze bundel, Steiger en boeg wordt op deze aanstekelijke manier de lezer met een regen van waarnemingen overspoeld, waarvan de druppels tussen nek en kraag belanden. Lindner laat de lezer bijna zelf, authentiek, waarnemen, doordat hij zo gepast op afstand blijft. Dat is een kwaliteit. Dat maakt een verklarend slotakkoord aan die reeks bijna overbodig:

    ‘Herstel wat veraf is. Onderdruk wat
    vooraan staat. Kiept het kantelraam
    en duikelt de kijker in de tuin.’

    Het voorbehoud van  de dichter

    De drie afdelingen in deze bundel, ‘Steiger en boeg’, ‘Hoe je de stad ook uit loopt, je keert terug langs de rivier’, ‘Acedia’, worden elk voorafgegaan door een opmaat, 1 gedicht dat de toonhoogte aangeeft, of juist de lezer ontstemt. Het zijn bijvoegsels die het hooggestemde niet-weten van de bundel wat doorbreken, maar het zijn voor de gelegenheid niet de sterkste. Het sterkste blijkt Lindner in juist de acedia, ook de titel van de laatste reeks. ‘Acedia’ is de benaming voor de gemoedsgesteldheid waaraan asceten en solitair levende monniken wel eens gaan leiden. De staat van desinteresse in de eigen positie in de wereld, die leidt tot verzuim, maar ook goed gedefinieerd kan worden als een slordig soort gelatenheid. Het is in zichzelf al een voorbehoud de naam van deze afdeling. De dichter zegt: ik neem waar maar handel niet.

    ‘Drie ranke hoge bomen voor een laan
    bladeren buitelen er over de grond
    vogeltjes schieten los uit de struiken

    een man loopt met een lijst op de schouder
    zijn arm steekt er doorheen

    de draaiende ventilator bij het open raam
    de gordijnen die over het kleed waaien

    over de helft van de vierkante kamer
    wiegt het licht van een goudvissenkom.’

    Ook dit gedicht toont weer dat de dichter er nauwelijks bij wil zijn. Of in elk geval problematiseert hij nadrukkelijk zijn positie. Waar moet je staan om de drie ranke bomen voor de laan te zien, gordijnen die over een kleed waaien? Door de hele bundel lees je dit: de waarnemer is er wel, en hij ziet en hoort meer dan menigeen, maar zijn positie is onzeker. Ongewis is hoe hij zicht verhoudt tot het waargenomene. Dat is waar Lindner voor te prijzen is. Terrein materialiseert het vraagstuk van je eigen aanwezigheid, het perspectief. Je kunt de bundel lezen als een spervuur van waarnemingen, een tocht door de stad zonder dat je ging. Je kunt de bundel ook lezen als een geformuleerde vraag naar waar je eigenlijk bent als er iets gebeurt, en wat de wijze waarop je ernaar kijkt ermee te maken heeft. Op beide fronten heeft Lindner een formidabele bundel achtergelaten.

     

  • Het zijn bij hem vaak beelden waarin het woord het voor het zeggen heeft

     

    De tijd dat dichters bundeltjes met slechts 30 pagina’s konden afscheiden, ligt inmiddels achter ons. Menige dichtbundel van de laatste jaren daagt het formaat van een in boekvorm uitgegeven novelle uit. En ook de nieuwe en daarmee vijfde bundel van Jan Baeke, Brommerdagen, doet met 65 pagina’s een redelijke poging in die richting. Evenals zijn vorige Groter dan de feiten is ook deze van een in het oog springend voorkant voorzien: tegen een oranje achtergrond zien we het bovenste gedeelte van een plafondlamp, een zwevend televisietoestel met kamerantenne en iets wat op een gedateerd soort bom lijkt. Het oogt niet onaardig, zolang we die bom maar kunnen vergeten.

    De bundel is opgebouwd uit 2 reeksen: Blessures en Brommerdagen. Van elkaar gescheiden door het onheilspellende gedicht Ten slotte het diner dat met 4 pagina’s het langste van de bundel is. De andere gedichten zijn allen 1 of 2 pagina’s lang. In vrije versvorm. De ideale vorm, lijkt het, voor de meanderende stroom van beelden, en weerbarstige maar toch ook vaak vrolijke associaties, met hier en daar vileine weerhaakjes, waar Baeke het patent op heeft. De gebruikte woorden zijn stuk voor stuk alleszins begrijpelijk. Wat voor het gedicht in zijn geheel niet altijd het geval is, maar het is gelukkig meestal wel duidelijk waar Baeke jou wil hebben. Bovendien: het spoor bijster raken, dat mag best een beetje, want de achterflap meldt dat de vele personages, die in ontregelende monologen het woord voeren, zelf ook het spoor aardig bijster zijn geraakt. Maar vaak vallen de ogenschijnlijk losse eindjes bij nader inzien aardig aan elkaar te knopen. Daarbij is er ook niets op tegen om je op de associatieve toon van zijn gedichten te laten meestromen om op die verrassende wendingen te stuiten, zoals het slot van Respect: ‘Vuur is genadig, vuur is muzikaal /  Vuur hoor je niet zo gauw zeiken.’ Of op de laconieke melancholie in de laatste regels van Als de toekomst ter sprake komt: ‘We herinnerden ons / dat dergelijke avonden zo gewild zijn / om hun afscheid.’ En passant leert de lezer nog dat ‘vrolijkheid van bloemkool afstamt’. Tijdens de eerste lezing begon het mij al snel te dagen dat dit een bundel is voor een tweede en derde lezing. Om het gewone aan ongewoonheid te zien winnen en het ongewone aan gewoonheid. De tweede reeks vind ik niet de sterkste omdat in de eerste misschien een enkel gedicht staat dat mij niet zoveel deed, maar omdat ik in de tweede reeks op het allermooiste gedicht van de bundel stuitte:

    Tot het samenvalt

    Valt het oog van de moeder
    op de held die zij heeft grootgebracht
    ziet ze hoe oorlog hem de dossiers in sleurt
    en sloopt, tot hij samenvalt met grijs haar
    en een hand die zijn hart
    door zijn vlees heen tracht te steunen.

    Voor zijn kinderen een feestdag geknutseld. ’s Avonds, achter de verduistering, streept hij
    de woorden door die hem vergeten moeten
    mochten vragen volgen.
    Hij kijkt opzij, de spiegel in
    het stokken van zijn adem tegemoet.

    Op het tapijt zit altijd nog die vlek die lijkt.
    Het is nooit één woord dat het leven vergelijkt
    het zijn er vele, juist degene die over niets gaan.
    Zoals afgesproken praten wij, zijn kinderen
    vloeken dan of piekeren
    willen er de schuld van zijn.

    Een zeer geslaagd gedicht over een man die zich voorbereidt op iets clandestiens in de oorlog. Gezien het naoorlogse geboortejaar van Jan Baeke is het duidelijk dat het ‘wij’ in dit gedicht niet de dichter zelf impliceert. Het is vrij beeldend en suggestief, haast een scene uit een film. Het mooist vind ik misschien wel die vlek in het tapijt die vanwege zijn vertrouwdheid een baken van rust kan zijn te midden van de dreiging. Om zulke vondsten leest men poëzie. En Baeke blijkt ook in veel andere gedichten een geoefend oog te hebben voor veelzeggende vlekken in een tapijt. Het zijn bij hem vaak beelden waarin het woord het voor het zeggen heeft, zodat het ook bij herlezing boeien blijft. Ook een zin als ‘streept hij de woorden door die hem vergeten moeten / mochten vragen volgen’ is schitterend, zelfs al zou je niet meteen denken aan de situatie waarin een verzetsman voor verhoor wordt opgepakt. Zijn vorig poëtisch wapenfeit Groter dan de feiten kreeg een nominatie voor de VSB poëzieprijs. De concurrentie moet in 2010 wel met werk van uitzonderlijk hoog niveau voor de dag komen, wil het niet als verregaand onredelijk voorkomen indien deze bundel buiten het blikveld van een jury zou vallen.

     

     

  • Anna Enquist – Nieuws van nergens, gedichten

    In februari 2010 verschijnt bij Uitgeverij De Arbeiderspers de zevende dichtbundel van Anna Enquist. Zij brak weliswaar naar het grote publiek door met haar eerste roman Het meesterstuk, maar haar naam vestigde ze daarvoor al als dichter. Voor haar debuutbundel Soldatenliederen (1991) ontving zij meteen de C. Buddingh’-prijs en haar tweede bundel Jachtscènes  (1993) werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt prijs.  

    Zes jaar na De tussentijd, poëzie die doordrongen was van gemis en verlies na het overlijden van haar dochter, komt Anna Enquist met een nieuwe bundel gedichten. Hoewel dit op zichzelf een gebeurtenis van formaat is, lijkt de titel – Nieuws van nergens– het belang van de bundel nogal te relativeren. Schijn bedriegt. Weliswaar wordt het gewicht van het hier en nu in deze nieuwe gedichten ondermijnd, maar daarvoor komt iets anders in de plaats. In veel van de gedichten wordt de alledaagse werkelijkheid afgepeld tot haar kale existentie. Het naakte bestaan, dat is de actualiteit van deze bundel. Anna Enquist schrijft onverminderd elementaire poëzie. Over de seizoenen en het verstrijken van de tijd, over weer en wind, ouders en kinderen, taal en muziek, verdriet en hartstocht. Over alles wat het leven genadeloos en groots, bitter en zoet maakt.

  • Dansen op spijkers

    Door Benno Zuidenga

    Het is meer dan 20 jaar geleden dat de dichter des vaderlands Gerrit Komrij iets met muziek deed. Dit betrof een samenwerking van de dichter met Boudewijn de Groot. In 1976 schreef Komrij op muziek van Boudewijn de Groot een lied genaamd Kinderballade, dat een jaar later op single verscheen. Oorspronkelijk was het nummer geschreven voor de lp Zing je moerstaal welke uitgebracht werd in het kader van de kinderboekenweek.

    In  2009 leverde het tweetal Komrij en Gauthier een luister-cd af waar de gedichten  mooi samengaan met de popachtige en soms als rap klinkende muziek van Gauthier. De composities van Gauthier en het aparte stemgeluid van Komrij zijn een zeer verrassend samengaan van muziek en proza.

    De cd begint met een intro van Gauthier, dit openingsnummer is een instrumentaal muziekstuk en verraadt nog niet veel aan de stijl en toonzetting van de composities op de rest van de cd, maar weet wel gelijk een sfeer te scheppen.

    De compositie Avondje met de tantes laat een verrassende tempowisseling horen. Door de samenvoeging van de vrolijke muziek met de dichtregels van Komrij zie je de tantes bijna echt zitten op hun avondje, met al hun hebbelijkheden en onhebbelijkheden.

    De speciale toon en geluidseffecten van de muziek van Louis Gauthier brengen je helemaal in de sfeer van het gedicht van Gerrit Komrij, het ene gedicht is sexy en goor zoals Liefde waar in het intro het geluid van elektrische gitaar en kerkklok de heftigheid en sinistere sfeer al verraden, maar waar het uiteindelijk toch maar om één ding draait en dat is ‘liefde’, het andere dat reflecteert op de huidige tijd genaamd Twintigste eeuw. Deze compositie brengt je in ruim drie minuten door honderd jaar ups en downs in Nederland. In het titelnummer Zij danst op spijkers geeft de dichter mooi weer dat het leven van een dichter ook niet over rozen gaat.

    Louis Gauthier, geboren in IJsselstein op 4 maart 1981, is een jonge alleskunner. Hij is componist en werkte onder andere samen met de eenmans-band Spinvis, Ingmar Heytze en Henk Westbroek wat resulteerde in een aantal cd-singles.

    Gauthier werkt samen met diverse fotografische kunstenaars zoals Margi Geerlings, Bart van de Hulsbeek en Ramses Singeling. Louis heeft een studie afgerond aan de Universiteit in Utrecht en specialiseerde zich daar in theater-, film- en televisiewetenschap. Hij heeft meegewerkt aan prestigieuze radio- en televisiedocumentaires, zoals de radiodocumentaire over de Extra Beveiligde Inrichting in Vught welke bijna de RVU Radioprijs won in 2003.

    Gerrit Komrij,  dichter, schrijver, vertaler, toneelschrijver en criticus, heeft met Louis Gauthier componist, producer en ontwerper een luisterrijke en zeer verrassende cd afgeleverd. De poëzie en goed gearrangeerde muziek zijn mooi verweven en vullen elkaar goed aan. De cd is niet alleen een aanrader voor mensen die van aparte muziek houden, maar zeer zeker voor de liefhebbers van poëzie en Gerrit Komrij.

    De cd bevat bevat twaalf gedichten/composities en wordt geleverd in een mooi door Louis Gauthier ontworpen boekje met de teksten van de gedichten.

     

  • Poëziedebuut van Floor Buschenhenke: 'Eiland op sterk water'

    Kies exact. Of Floor Buschenhenke deze overheidscampagne uit de jaren tachtig gevolgd heeft is onbekend, uit haar debuutbundel Eiland op sterk water spreekt in elk geval een fascinatie voor meetinstrumenten en techniek. In het gps-systeem ontwaart Buschenhenke zelfs een nieuwe muziek der sferen. Maar toch moet zij constateren dat al die mooie meetapparatuur, als het erop aankomt, overal net naast kijkt. De gedichten in Eiland op sterk water gaan daarom tussen de harde feiten en cijfers op zoek naar momenten vol inzicht en overgave. De heldere taalvoering, de treffende beelden, maar vooral de milde, eigenzinnige stem die overal doorklinkt, maken Eiland op sterk water tot een debuut dat niets belooft maar gewoon direct prachtige poëzie levert.

    Floor Buschenhenke (1978) schrijft poezie en proza. Daarnaast is ze redacteur en schrijfcoach, bewonderaar en onderzoeker. Ze publiceerde eerder in diverse tijdschriften (Lava, Krakatau, Hollands Maandblad) en werd opgenomen in bloemlezingen. In 2006 ontving ze de Hollands Maandblad Schrijversbeurs. Haar website is www.woordheks.nl

    Floor Buschenhenke, Eiland op sterk water. Atlas, paperback, 60 p., € 18,50

  • De Poëziekoerier

    De Poëziekoerier is een uniek commercieel concept waarbij gedichten op maat per fiets aan huis worden bezorgd inclusief professionele voordracht. Bestel een gedicht op maat inclusief voordracht vanaf 50 euro excl btw!

    De Poëziekoerier is een origineel en persoonlijk cadeau voor vrienden, familie, bekenden en collega’s en geschikt voor elke gelegenheid.

    De Poëziekoerier stelt zichzelf ten doel meer oog en draagvlak te creëren voor gedichten en het poëtische in het algemeen.

    De Poëziekoerier is een initiatief van Fietsdiensten.nl (www.fietsdiensten.nl) en Stichting Poëtisch (www.stichtingpoetisch.nl)

    Voor meer informatie belt u Stichting Poëtisch: 024-8441452 024-8441452 of mailt u info@stichtingpoetisch.nl
    Bezoek onze site: http://www.gedichtenaanhuis.vpweb.nl

    Poëzie per fietskoerier.
    dag dauw, zal ik op je klimmen
    met mijn trappers de ochtend in?
    de grond geurt naar woorden
    en mijn voeten wortelen al
    kijk, ik spiegel in mijn fietsbel,
    ik regen poëzie vandaag
    dag dauw, zal ik je wakker maken
    en dit gedicht beginnen?
    mijn bagagedrager draagt reeds voor,
    ik ben op reis zoals je ziet.
    als straks de avond valt
    ben jij dan de inkt, ik de pen?
    dag dauw, ben je wakker?

    Gedicht: Marjolein Pieks
    Foto: Theo Jennissen

  • Water als corridor naar een andere werkelijkheid

    Recensie door Librije

    Liesbeth Lagemaat (Bergen op Zoom, 1962) studeerde Nederlands en Taal- en Literatuurwetenschap. Zij was onder andere werkzaam als journalist, reclametekstschrijver, actrice en docent Nederlands. In het tijdschrift De Tweede Ronde publiceerde zij in 1999 haar eerste gedichten en vervolgens verschenen haar gedichten ook in andere literaire tijdschriften.
    Haar debuutbundel Een grimwoud in mijn keel verscheen in 2005. Hiervoor ontving zij de C. Buddingh-prijs 2005. Er volgde al snel een tweede druk. In 2007 verscheen haar tweede bundel Een koorts van glas. Daarnaast trad zij geregeld op tijdens poëziefestivals. Deze optredens geven een extra dimensie aan haar poëzie. Voor wie (nog) niet in de gelegenheid was is er een bij te wonen: bij VPRO-boeken (http://boeken.vpro.nl/personen/22956314/)
    is een audio-opname van haar optreden in de Nacht van de poëzie 2006 te beluisteren waarin zij op haar zeer eigen, heel bijzondere manier, drie gedichten voordraagt.

    En nu, na weer 2 jaar, is haar derde poëziebundel een feit. Op 14 mei 2009 presenteerde zij (op de haar kenmerkende uitbundige wijze) de bundel Handlanger Het witte kind in het Schillertheater in Utrecht. Wie al eerder kennis maakte met de poëzie van Liesbeth Lagemaat, via een eerdere bundel of via een optreden zal ongetwijfeld enthousiast zijn over haar nieuwe bundel. Wie echter onvoorbereid en argeloos haar poëziebundel openslaat, zou danig in verwarring kunnen raken. Maar de lezer die open wil staan voor haar poëzie en de moeite neemt zich erin te verdiepen, staat een bijzondere belevenis te wachten.

    In een interview stelde Liesbeth Lagemaat: “Poëzie biedt geen troost, poëzie biedt poëzie”. En daarmee is meteen aangegeven wat zij tot nog toe in haar dichtbundels probeert te doen: zich te uiten in een vorm van kunst die poëzie heet. Een die een zekere verwantschap heeft met de expressionistische schilderskunst. Een poëzie die geen troostende mooischrijverij is, maar een bikkelhard gevecht om zuiverheid. Deze poëzie is de taal van de verbeelding die de werkelijkheid voorbij is, die de deur opent naar “een andere scherf van de tijd”.
    Naar aanleiding van haar tweede bundel vertelde de dichteres dat de eerste bundel min of meer bestaat uit losse gedichten die in kleine hoeveelheden verspreid over jaren geschreven zijn. Haar tweede bundel beschouwt zij wel als een echte eenheid: de gedichten zijn speciaal voor die bundel geschreven, hebben hetzelfde thema en ook de indeling binnen de bundel hoort bij het beoogde concept.

    Het is duidelijk dat ook deze derde bundel als een geheel gezien moet worden. De inleiding over wat de lezer te wachten staat, wordt gevormd door Vlugschrift. “Maar vandaag zeg ik u, is het tijd om uzelf uit te trekken en taal kapot te slaan tegen de muur. Er is geen woord dat klopt en bloedt hier aanwezig.” Om de zuivere taal van de verbeelding tot uitdrukking te kunnen brengen, moet de oude taal gezuiverd en wat vals is vernietigd worden. Daarvoor moeten we van niets af opnieuw beginnen en worden zoals Het witte kind: “Zoals het witkind, hand aan het gordijn, en het is nog niet eens ochtend, het moet nog allemaal alles beginnen ? Zo.” En dan ten slotte: “In een witte, wijde schedel wandelt, kalm en ernstig, een melodie.”

    Daarna volgt: Een triptiek in wit ? een visioen en de bundel eindigt ook met een driedelig gedicht: Opnieuw een leegte ? een visioen. Tussen de beide visioenen bevinden zich vier delen met elk een eigen titel en er binnen steeds zeven gedichten met een afrondend slotgedicht. Uit de titels van de hoofdstukken blijkt dat er strijd geleverd gaat worden: Het kamp ligt nog open, geen hoef is gestruikeld, geen bloed in het zand (deel 1).
    De visioenen tonen ons waar de dichteres op uit is: Ze herkent Het witte kind in de natuur om zich heen en ziet waartoe het in staat is en ze wil haar Handlanger zijn.
    “Noem ik mij: handlanger. Leg ik mij in de afdruk van het kind. De witte contouren mijn queeste. Staat het kind uit de vijver op en loopt, zal ik elke voetstap volgen.
    Vannacht nam het mij mee. De vijver een gang, corridor. Naar een andere scherf van de tijd.”

    Water speelt een belangrijke rol in deze bundel. De vijver is een corridor naar een andere werkelijkheid (zoals Alice in Wonderland via het konijnenhol) waar je spelend als een kind de wereld kan veranderen en de werkelijkheid los kunt laten. Zoals in:

    Botanisch uur:

    Aderen vertakken zich, als nerven. Kijk, je vingers nog
    in knoppen, handzaam spoor krioelt. De groene krullen

    op het laken, barokke stroom van bladgroen sop,
    in al je vaten stuwt en bruist het: jij? Gevuld met plantenvocht?
    ……

    Deze gedichten komen slechts tot hun recht in hun context. Meer voorbeelden geven heeft daarom niet alleen weinig zin, het zou zelfs de fascinerende werking die van de gedichten uitgaat teniet kunnen doen. Daarom alleen nog enkele zinsneden uit een gedicht dat naar mijn idee een sleutelfunctie vervult:

    Op dit onbewaakte moment

    Ik begin met niets. Misschien is er een korrel zand,
    de afstand tot de parel ? als er een parel groeit, ooit ?
    onzeker. Van onschatbare waarde? Misschien.
    …..
    De klanken weven een kleed om mij heen. Ik ben de schelp en ik rust.
    Ik open noch sluit. In mij is ruimte. Gevuld. Met niets.
    Ik ben een stulp voor het niets dat zich zingt en groeit en
    langzaam vermeerdert in mij.

    Er valt zoveel te ontdekken in deze bundel. Wie eenmaal de consequenties van haar ideeën begint te proeven, zal steeds meer ontdekken. Al laten niet alle gedichten zich even gemakkelijk doorgronden. Maar deze queeste is zo fascinerend, dat wie erdoor aangeraakt wordt door blijft zoeken en zo ook Handlanger van Het witte kind wordt.
    Uit het afsluitende visioen:

    Opnieuw een leegte

    ……En daar was het, het kind.
    Haar lichte vingers hadden een muur van stof,
    van dagen en nachten losgewoeld,
    ze had op de stenen getekend. Een woordeloze taal.
    In haar handen brak de tijd.

     

     

  • Publiek juicht terwijl gevestigde literaire orde de wenkbrouwen fronst

    Dat Simon Vinkenoog (1928) de tachtig is gepasseerd is maar moeilijk voor te stellen. Hij treedt overal op, danst en swingt, dicht en zingt en lijkt nog immer alom aanwezig. Dat uitgeverij Nijgh &Van Ditmar nu met zijn verzamelde gedichten komt lijkt een eerbetoon aan deze performer/dichter.

    Vinkenoog organiseerde Poëzie in Carré in 1966, een inmiddels legendarische bijeenkomst met een keur aan dichters, die na een copieuze maaltijd optraden in het stampvolle theater. Namen als A.Roland Holst, Ed Hoornik, Bert Voeten, Jan Hanlo en Cees Noteboom waren van de partij maar ook toenmalige nieuwkomers als Jules Deelder (in bloemetjesoverhemd!) en Johnnie de Selfkicker. Het was voor het eerst dat dichters zo massaal optraden, er waren in die dagen weinig performing poets. Vinkenoog was de animator en presentator en het luidde een nieuw tijdperk in met poëten, die op padia klommen. Vinkenoog was een exponent van De Vijftigers, samen met Campert, Lucebert, Kouwenaar, Schierbeek e.a. Hij bracht Amerikaanse Beatdichters als Ginsberg en Corso naar Nederland. Maar hij weekte zich in de zestiger jaren los. Toen ontwikkelde hij zich als geëngageerd dichter en later als een experimentele poëet. Een onafhankelijke dichter zonder club of stroming met een eigen geluid. Dat leverde veel optredens op, maar ook veel kritiek van de gevestigde orde. Men verafschuwde de Bresredacteur, de kosmopoliet, LSD-gebruiker, Zen Boeddhist en hippie. Hij schreef bovendien controversiële romans met veel drugs, sex en jazz erin.

    Misschien raakte men de kluts kwijt -niet verwonderlijk – want wie de rubriek Wereld in Beweging uit Bres nog eens raadpleegt, wordt duizelig van de associaties. Vliegende schotels, complotten, voedsel, landbouw, literatuur worden in een bonte warreling opgedist met een eindeloze lijst van namen. Want Simon Vinkenoog was overal en nergens. Oude opnames van het VPRO programma Hoepla (1967) tonen Vinkenoog enerzijds in meditatie bij een Zen Meester en tijdens een andere opname danst Simon stoned rond op de klanken van The Soft Machine. Hij leefde toen vooral volgens de uitspraak van Shakespeare: “All this life is but a play, be Thou the joyfull player!”

    Nu liggen er de verzamelde gedichten van Vinkenoog, bijeengebracht door Joep Bremmers. Dat zal een heidens karwei zijn geweest, de bundeling telt maar liefst 1228 pagina’s! En dan ontbreken er nog diverse verzen. Zoals het destijds in tijdschrift Ruim verschenen gedicht: Nederlandse Beeldenroute. De officiële bundels zijn er zoals Wondkoorts, De heren Zeventien en Tweespraak bij grote uitgevers als De Bezige bij en Stols en deze rij uitgaven gaat tot diep in de jaren ’70 door, maar daarna lijkt de belangstelling te luwen en komt Vinkenoog bij kleinere uitgeverijen terecht of geeft in eigen beheer uit, maar treedt vooral veel op. Hierin lijkt zijn carrière op die van Hans Plomp, de Ruigoordridder, die onlangs 65 jaar werd en toegezongen door Simon Vinkenoog, die Ruigoord, de kunstenaarsenclave bij Amsterdam een zeer warm hart toedraagt. Hans Plomp scoorde in de zestiger jaren hoge ogen met o.a. Het Amsterdams Dodenboekje, maar werd later in de ban gedaan omdat hij koos voor Oosterse wijsbegeerte en andere spirituele stromen. Nu staat hij op podia in België en Nederland en vertegenwoordigt hij een bijna vergeten generatie.

    In 1950 verschijnt Wondkoorts met een klassiek gedicht genaamd Afrekening: ik was de haat/ de adem van de dood/en andere grote woorden/die aan dit jonggestorven leven/als vrachtgoed toebehoorden/(…) Zinnen, die door Achterberg geschreven hadden kunnen worden. En iets later in de jaren ’50 in Koopman geeft Vinkenoog zijn bedoelingen prijs met het woord : ik vent een vracht / vol woorden voor mij uit/ door lege zonbedoelde straten/(…).
    In 1952 verschijnt de cyclus Land zonder nacht opvallend zijn de grote symbolen waar Vinkenoog voor kiest: (…) ver als de horizon ben je/ in de glazen kist van het weer geborgen/ beukend op blikken deksels/ van het najaar / ik zie de bliksem langs je lichaam trillen/en de regen loopt onrustig door je ogen/(..)
    Maar vanaf 1953 treedt de taal van de Vijftigers in. Het protest, de onmacht. Het rijmen lijkt even verdwenen. Bitter: (…) Als een heerser over glasheelal/ zie ik dame zie ik bloed en schaatsenrijden/ op de Noorse ijzers van betekenis./(…)

    De bundel Gesproken Woord uit 1964 vormt een cesuur in Vinkenoogs werk. De bundel werd in eigen beheer uitgegeven, maar is later in een bundeling van de Bezige Bij nog wel opgenomen. Vinkenoog is hier al de latere declameerdichter geworden. Tijd:U leeft allemaal/ in de onvoltooid verleden tijd/ in de voltooid verleden tijd /in de onvoltooid tegenwoordige tijd/ in de voltooid tegenwoordige tijd /in de onvoltooid toekomende tijd/ in de voltooid toekomende tijd /in de onvoltooid verleden toekomende tijd// in de voltooid toekomende tijd/in de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd/ in de voltooid tegenwoordige toekomende tijd/ Misschien ben ik een van u vergeten.
    Het is een geestige opsomming met een quasi filosofisch einde, maar op papier lezen we er snel doorheen. Je moet het Simon horen voordragen! Veel van de latere verzen gaan mank an dit euvel. Wat absoluut niet wil zeggen dat hij na 1964 geen mooie gedichten meer heeft geschreven. In 1972 bijvoorbeeld het vers J.C.1966 (J.C. staat voor Jezus Christus) uit de bundel Wonder boven Wonder: Schop mij een geweten/ schop mij een wereld binnen/ waarin ik niet langer mor/ en honger naar vergelding/ (…)
    In de cyclus over Vincent van Gogh in Louter genieten staan ook wonderschone zinnen: Je haalt de zon/ niet in, die/ ondergaat/ maar in je hoofd/ blijft het suizen/ is de kleur de kleur/ is de kracht de kracht/ is het leven/ weergegeven/ nog het leven?/(…)

    Als Dichter des Vaderland ad interim werd Simon Vinkenoog door het publiek gekozen in 2004, toen Gerrit Komrij onverwachts opstapte, maar de NRC erkende deze verkiezing niet. Symptomatisch voor de hele loopbaan van Vinkenoog, overigens. Publiek dat staat te dansen en te juichen, de gevestigde literaire orde, die zijn wenkbrauwen fronst. Hij maakte een paar gedichten in deze betwiste functie o.a. voor Mabel Wisse Smit, die in het huwelijk trad met Johan Friso van Oranje Nassau: Mabel en Friso: De werelden veroveren doe je met z’n tweeën/ Verliefd, verloofd, getrouwd,/ Nooit raak je uitgevreeën/(…) Vraag is of het echtpaar dit gedicht aan de muur heeft gehangen, maar het is wel een vers met een geestig begin. In 2006 kwam Zonneklaar uit bij uitgeverij Passage. De bundel is opgedragen aan Edith, de onafscheidelijke vrouw, die Simon inspireerde de laatste tientallen jaren. In deze bundel het vers Niets: ik wilde verhalen laten komen/ maar pijnbesprongen woorden/ wilden niet loskomen/(…) Misschien hadden deze woorden juist af en toe wel moeten loskomen, want ze vormen maar al te vaak de broodnodige ingrediënten voor dramatische poëzie zoals bijvoorbeeld destijds Cor Vaandrager kon maken. Simon Vinkenoog ziet het leven rooskleurig in, wit misschien, maar wit kan vergelen.

    Een eindoordeel vellen over deze gigantische bundel gedichten is moeilijk, zo niet onmogelijk. Daarvoor is er te veel van verschillend kaliber. Van zeer fraai tot oubollig. Op het verjaardagsfeest van Hans Plomp verzuchtte Simon Vinkenoog voor de microfoon: “Ben ik eindelijk verzameld, word ik niet besproken.” Onterecht en ook niet billijk. Een laagdrempelig fenomeen als Vinkenoog, verdient het besproken te worden! Maar een serieuze recensent moet zich dan niet door het omvangrijke oeuvre laten afschrikken. Misschien zou er een uitgebreide biografie van hem moeten verschijnen met veel- erg veel- over de ontstaansgeschiedenis van alle verzen, flarden en gedichten. Misschien moeten we het bij Vinkenoog Verzameld laten, het zien als een kunstwerk, meer nog dan een verzameling gedichten. En daarvoor dankbaar zijn als een Bikkhu, een bedelmonnik. Deze recensent knielt alvast met u mee. Maar wordt waarschijnlijk door de Zen Meester gestraft met een klap tussen de schouderbladen. Meditatie vereist namelijk contemplatie!

    Dat Vinkenoog een momentum is voor de Vaderlandse Dichtkunst en de podiumtijgers, waar we niet omheen kunnen, staat als een paal boven water. Sinds de beroemde bloemlezing Atonaal waarin hij experimentele dichters aan het woord liet is Vinkenoog nooit weggeweest van de podia, hoezeer het establishment het ook had gewenst. Of dit altijd verzen heeft opgeleverd, die we met een knijpbril op moeten lezen is de vraag. Moeten we Simon Vinkenoog vragen ze bij ons thuis te komen voordragen of is dat niet nodig? Op zijn website www.simonvinkenoog.nl kunnen we hopelijk lezen waar hij zo iedere dag uithangt en optreedt. In de tussentijd hebben we genoeg te genieten aan Vinkenoog Verzameld.
    Want: We lachen weer. De lucht is opgeklaard/ Wat stoom afgeblazen, de chaos bedaard,/ ik kan weer een gedichtje tikken,/ de telefoon opnemen, zeggen:/
    Ja, daar spreekt u mee/ Ik steek van wal./ Niets meer te onderdrukken.

    Karel Wasch

    (Auteur: Vinkenoog, Simon Uitgever: Nijgh & Van Ditmar Eerste druk: 1-10-2008 ,Verkoopprijs: € 45,00 ,Aantal pagina’s: 1228
    ISBN: 9789038890739)

  • Hollandse sermoenen H.C. ten Berge

    H.C. ten Berge in toptien 2008
    Hollandse sermoenen van H.C. ten Berge werd  door De Groene Amsterdammer verkozen als een van de beste bundels van 2008. Piet Gerbrandy schrijft: ‘Ten Berge kruipt in de huid van Occitaanse troubadours, bezingt Amerikaanse landschappen, gaat in discussie met mystici en Engelse dichters, identificeert zich met een verkrachte vrouw en observeert een fluitende pad in een karrenspoor. […] Dit is een imposant boek.’

  • Een zoektocht in woorden gevat

    Na de bundels Eindaugustuswind en Op de hoge lijkt dichter en essayist Willem Jan Otten in zijn nieuwe poëziebundel Welkom nog steeds niet te hebben gevonden wat hij zoekt. En dat hoeft ook niet, zo liet hij Vrij Nederland enkele jaren geleden weten, want: “Wie gevonden heeft, heeft slecht gezocht”. Maar toch is er een vorm van berusting: zijn gedichten zijn helderder en lichter van toon. Bovendien stelt Otten zijn vragen in deze bundel niet meer via omwegen maar rechtstreeks aan God. Het is of Otten je nu pas welkom durft te heten in zijn nieuwe denkwereld, die hij in de tijd rond zijn bekering in 1999 heeft leren kennen. Maar Otten is nog lang niet uitgedacht. Zijn bundel bestaat uit associatieve overdenkingen over afwisselende onderwerpen in gevarieerde stijl.

    Dat dit wederom een echte Otten is, lezen we direct in de eerste regel van het openingsgedicht van de eerste reeks gedichten met de titel ‘Ochtenden’: “Hoe kon ik, strekking, weten dat ik deze zin zou zijn”. Het woord ‘strekking’ kwamen we ook al tegen in het gedicht ‘Eindaugustuswind’ uit de gelijknamige bundel. Toen was de strekking het raadsel en nu de dorst; in beide gedichten gaat het om het gemis, maar er is iets duidelijk geworden: wát er gemist wordt. Als we verder lezen in de eerste reeks komen we meer van deze herkenbare taal tegen. Bijvoorbeeld bij de metaforen van een sneeuwvlok, wak en eiland (lees: Vlieland) en zinnen zoals “wat je wees dat was je zelf” of “laat allebei je fijn / besluitloze vleugels / los” uit het tweedelige gedicht ‘Via Negativa’. Of bij prachtige, zelf geconstrueerde samenstellingen in het gedicht ‘Kattenluik’: ‘kattenluikzwak’ en ‘beginzindun’. Tenslotte zien we ook duidelijk Ottens hand in het anekdotische gedicht over een man die een stok werpt voor zijn denkbeeldige hond Vidocq.

    Hij komt me tegemoet want nam
    het bospad andersom en losjes
    zwaait hij met zijn riem en roept
    met onbetwist gezag
    Vidocq,

    of werpt een stok die hij dan volgt
    met scherpe blik. Eén ding aan hem
    is vreemd, althans zo menen sommigen
    van ons: hij heeft geen hond.

    Een sprookjesachtig gedicht: je leest wat er niet is. Op deze manier slaagt Otten erin om zijn existentiële boodschap tot in het diepst van zijn poëzie over te brengen: de zoektocht naar het onmisbare, dat niet aanwezig hoeft te zijn om aan te nemen dat het er is.

    In de tweede reeks ‘Levenswerk’ zijn een aantal algemene gedichten samengepakt. Hierin wordt bijvoorbeeld een ode gegeven aan de linkerhand: de grote afwezige totdat de rechterhand uitvalt. Het gedicht is luchtig van toon, humoristisch ook:

    Nooit heb je terdege neus
    gepeuterd, nooit mijn rivaal
    de hand gedrukt, de bal geworpen
    naar de eerst honk.

    Otten gebruikt meer sportbeelden in gedichten over tennis, voetbal en wielrennen. In het gedicht over de wielrenner Bahamontes ga je met hem mee de berg op, terwijl hij zich al zwoegend afvraagt wie hem het zetje heeft gegeven. En ook hier weer de herkenbaar queeste van Otten. Wie begon met deze zwoegtocht? Gaf hij zichzelf het eerste zetje of deed iemand anders dat? Of, zoals Otten in een interview met het Nederlands Dagblad verwoordde: “Ik zoek, omdat ik word gezocht.”

    Otten schrijft geen belijdenispoëzie maar denkt, peinst en overweegt. Het meest concreet is hij in de derde reeks ‘Gerichte gedichten’, waarin hij poëzie en gebed met elkaar vermengt tot een zestal persoonlijke overdenkingen. Ottens denktocht eindigt in een oase van rust. Terwijl hij in zijn eerdere bundels nog vooral de schepping ondervroeg, de doop onderzocht en zijn bekering beredeneerde, richt hij zich nu rechtstreeks tot God. Niet meer vertwijfeld op zoek naar antwoorden, maar luchtig vragend in een berustende eenvoud en verklarende helderheid. Het meest geslaagd in deze cyclus is ‘Hoeveel weet ik van u’, waarin hij in een stapeling van beelden de ambiguïteit van zijn zoektocht weergeeft. Hij heeft gevonden, maar niet wat hij zocht.

     In het slotstuk van Ottens bundel, of zelfs van al zijn gepubliceerde poëzie, duikt het eilandbeeld weer op: voor Otten symbool voor een dichterlijke wereld, afgezonderd in taal en tijd. Het is stille zaterdag, de boot komt eens per jaar met Pasen. Op de boot staat de hoofdpersoon van het gedicht en hij ziet iemand op de kade wuiven. Hij wuift zelf ook. Maar wie begon met wuiven? Zie hier: weer het beeld van het begin van de zoektocht. Hij wordt in zekere zin aan het zoeken gezet, want vervolgens verkent de hoofdpersoon het eiland. Hij gaat op zoek naar het mysterie, waar hij alleen de taal van poëzie bij kan gebruiken. Het is een zoektocht waarin woorden worden gevonden, de rede wordt afgetast. Maar de rede heeft grenzen: het mysterie is niet verklaarbaar. En terwijl de hoofdpersoon zoekt, krijgt hij langzamerhand door dat er ook naar hem wordt gezocht. Aan het einde van de reeks namelijk een vergelijkbare situatie als aan het begin: nu staat de hoofdpersoon op de kade, op zoek naar degene die naar hem wuifde:

    Je moest de nieuwelingen aan de reling zien
    daar op de boot, eer je eindelijk begreep
    hoe ongeneeslijk welkom jij hebt willen zijn,

    toen jij daar wuifde, welkom als de zoon.

    Hij zoekt terwijl hij gezocht wordt. Hij was allang welkom geheten: op het moment dat hij met Pasen aankwam. Hierin vindt Otten het einde van zijn bekeringsproces. Terwijl hij in zijn vorige bundels nog deinde op open zee, is hij nu aangekomen op het eiland en: “Eenmaal / binnen zult u niet meer weg, / tot u omhelst wat u beseft.”

    Willem Jan Otten is er in deze prachtige bundel in geslaagd zijn zoektocht in woorden te vatten. Waarbij hij blijft afwegen, zoeken naar de juiste woorden, zinnen, beelden. Dat levert mysterieuze poëzie op, die je misschien tot op het bot kan analyseren maar waarvan het mysterie immer bewaard blijft. Poëzie die even mooi als kwetsbaar en bereikbaar is.