• Hoop op heruitgave: Turkenvespers – Louis Ferron

    Louis Ferron (1942 – 2005) was een veelbekroond schrijver die niets ophad met de gevestigde literaire orde. Liever zat hij in een café de gewone man uit te horen, in ‘de hoop dat er onder die kromme redeneringen iets heel zuivers zit’ (De Groene, 6 april 1994). Hij moest niets hebben van ideologieën en de officiële cultuurgeschiedenis. In zijn romans zette hij de wereld op zijn kop, op zoek naar wat mensen werkelijk drijft. Freud was een belangrijke inspiratiebron. Omdat Ferron half-Duits was – zijn vader was een Duitse militair – was Ferrons blik vaak gericht op Duitsland. Ferron heeft zijn vader, die kort voor het einde van de Tweede Wereldoorlog omkwam, nooit gekend.

    Doordat in zijn romans de werkelijkheid werd ‘ontmythologiseerd’ en feit en fictie voortdurend door elkaar lopen, kun je ze tot het postmodernisme rekenen, een stroming die in onze letterkunde nooit echt is aangeslagen. Ferrons romans vertellen alternatieve geschiedenissen. Volgens postmodernisten was de historische werkelijkheid onkenbaar, omdat bronnen onbetrouwbaar zijn. Vanuit dit uitgangspunt is de geschiedenis voor een romanschrijver een heerlijke grabbelton.

    Fin de siècle

    Turkenvespers verscheen in 1977. Met Gekkenschemer (1974), Het stierenoffer (1975) en De keisnijder van Fichtenwald (1976) had Ferron toen al een reeks indrukwekkende quasi historische romans geschreven die zich alle afspeelden in een Duits verleden.

    Het decor in Turkenvespers is het Wenen van het fin de siècle. Hoewel er een hoop niet klopt. Zo wordt de stad belegerd door de Turken, terwijl het Beleg van Wenen in 1683 plaatsvond. Dit beleg zet het verval van de stad in gang. Of was de beschaving ook zonder de Turken aan decadentie ten onder gegaan? Het heeft er alle schijn van aangezien de heersende klasse zich te buiten gaat aan machtswellust en overspel. Verder wemelt het van de anachronismen en kan er in de negentiende eeuw zo maar een bommenwerper overvliegen.

    Kaspar Hauser

    Hoofdpersoon is Kaspar Hauser, of iemand die zich voor Kaspar Hauser uitgeeft. Daar begint de existentiële verwarring al mee. De echte Kaspar Hauser leefde begin negentiende eeuw en zijn leven is met vele mysteries omgeven: hij was een vondeling die als tiener opvallend laag ontwikkeld was en niet kon spreken. Hierdoor was hij een inspiratiebron voor wetenschappers en kunstenaars. Eén van hen was schrijver Peter Handke, die een toneelstuk (Kaspar, 1968) over hem schreef en wiens naam opduikt in Turkensvespers. Het ontbreken van een identiteit was Kaspar Hausers grote probleem. Hij wilde daarom iemand worden. ‘Maar hoe kun je iemand worden, als je niet eens wist wie je voorheen was?’

    Kaspar Hauser is een outcast. Hij probeert een bestaan als zakenman op te bouwen, maar het enige wat hij kan is muizen uit deeg kneden en poppetjes snijden. Ook speelt hij mondorgel. Daar zit niemand op te wachten. Kaspar wil niets liever dan bij een betere stand horen en dringt zich op aan ambtenaren en edellieden. Hij woont een tijd bij componist Korngold en wordt ingewijd in de liefde door diens vrouw Alma.

    Film

    Zelf noemt Kaspar zich een handelaar in illusies, die hij in zijn koffertje meevoert. Hij is begeesterd door stomme films, ‘een wereld naast de bestaande, met gelijke rechten en een evenwaardige logica.’ Dat is ook precies wat er gebeurt in Kaspars hoofd, waarin je een filmprojector kunt horen ratelen. Omdat hij overal buiten staat, verzint hij een eigen werkelijkheid en wordt zo de regisseur en hoofdpersoon van zijn eigen leven. Of zijn het de verzinsels van de Amerikaanse regisseur Sternheim? Of van de schrijver zelf? Van allemaal natuurlijk. Kaspar heeft het gevoel geleefd te worden: ‘Alles wat ik doe is door een ander bedacht, het is om moedeloos van te worden’. Typisch postmodernistisch onderstreept de schrijver het fictieve karakter van zijn proza. Als iemand vraagt wat Kaspar op een debutantenbal tussen de haute volée doet, antwoordt deze:

    ‘”Daar is geen chantage mijnerzijds aan te pas gekomen, heren. Ik ben er gewoon ingeschreven.”
    “Ingeschreven, ja, ja.”
    “Door mijn schrijver bedoel ik, een literaire ingreep.”
    “En nog vuile taal uitslaan ook.”

    Terwijl Kaspar zich in hogere kringen begeeft, belanden gevestigde namen in de goot. Zo treffen we in een bordeel een verwaarloosde en door iedereen verlaten Schubert aan.
    Verder ontmoeten we een bonte stoet aan personages die met veel gevoel voor detail worden beschreven. Ze duiken plotseling weer op, maken transformaties door.

    Romantiek

    Ondanks alle kunstgrepen is Turkenvespers meer dan een literair spel. Het is een roman die stof geeft tot nadenken, bijvoorbeeld over wat instituties waard zijn, vooral de ambtenarij krijgt ervan langs. Bovenal is het een roman over dromen en verlangens en het besef dat deze illusoir zijn. Dat kan elke lezer herkennen. Kaspar Hauser is een romantisch personage. Je voelt met deze verschoppeling mee.

    Hoewel de chronologie ontbreekt is er door Ferrons strakke regie geen sprake van chaos. Bovendien was hij een groot stilist: zijn zinnen zijn complex, maar nergens gekunsteld, en ze bezitten aforistische scherpte. Ook zijn (vileine) humor is altijd raak. Hij put uit alle taalregisters: van verheven tot vulgair. Turkenvespers is een ongelooflijk rijke en tijdloze roman die nieuwe lezers verdient.

     

     

  • De elzenkoning van Michel Tournier

    De Franse schrijver Michel Tournier, die in 2016 op 91-jarige leeftijd overleed, schreef een klein, maar indrukwekkend oeuvre, waarvan De elzenkoning (1970) de bekendste titel is. Lang werd Tournier genoemd voor de Nobelprijs. Tegenwoordig zijn in Nederland zijn boeken alleen nog antiquarisch te verkrijgen. Tournier studeerde filosofie en begon pas op latere leeftijd te schrijven. Behalve de filosofie spelen ook wereldliteratuur, bijbelverhalen, legenden, sprookjes en mythen in zijn boeken een belangrijke rol. Zo is zijn debuut Vrijdag of Het andere eiland (1967), dat verscheen toen hij 42 was, gebaseerd op het verhaal van Robinson Crusoe. Tournier geeft aan al die verhalen een nieuwe draai, volgens hem dé manier om ze levend te houden.

    De forie

    In De elzenkoning worden diverse mythen en legenden op ingenieuze wijze met elkaar verbonden. Allereerst natuurlijk Goethes ballade Die Erlkönig, die door Schubert op muziek werd gezet. Hierin voert een vader zijn zoon mee op zijn paard. Het kind, waarschijnlijk doodziek, wordt gelokt door de elzenkoning. Zijn vader probeert het angstige kind gerust te stellen; bij aankomst blijkt het echter dood. Een ander belangrijk verhaal is de legende van Sint-Christoffel, die het Christuskind een rivier overdroeg en de legende van de vijftiende-eeuwse Portugese conquistador Alfonso d’Albuquerque, eveneens een kinddrager.

    De forie, het dragen, in het bijzonder van een kind, is het belangrijkste onderwerp van het boek. Er komen nog vele andere dragers langs, zoals postduiven (boodschappen) herten (geweien), paarden (ruiters), fietsen en auto’s (berijders). Aanvankelijk wilde Tournier het boek La Phorie noemen, maar dit vond zijn uitgever niet commercieel genoeg.

    Tekens en symbolen

    Tournier verweeft deze drie verhalen met het levensverhaal van hoofdpersoon Abel Tiffauges, een simpele garagehouder uit Parijs, die gaandeweg het boek mythische proporties krijgt. Tiffauges is net als zijn bijbelse naamgenoot een herder, een nomade. Zijn naam ziet hij als een teken. Tiffauges heeft namelijk het bijzondere vermogen tekens en symbolen te herkennen, die nieuwe, bevrijdende gebeurtenissen inluiden en hem de weg wijzen op zijn levenspad. Intussen stevent hij af op een onafwendbaar noodlot.

    Deze duistere tekens en symbolen beschrijft hij in zijn ‘sinister dagboek’. Bijvoorbeeld die uit zijn jeugd in het internaat Sint-Christophorus. Gepest door zijn leeftijdsgenoten vindt hij onverwacht steun bij de zoon van de conciërge, niet toevallig Nestor geheten, die zijn leven richting geeft. Nestor is zowel fysiek als geestelijk een reus die hem als het ware draagt. Als hij omkomt bij een brand voelt Tiffauges dat Nestor in hem voortleeft. Hij verandert van een schriel ventje in een reus van een kerel: van gedraagde wordt hij drager. Dit soort omkeringen of inversies spelen een belangrijke rol in het boek. Hierdoor komt de werkelijkheid, die volgens Tournier niet eenduidig is, in een ander licht te staan, niet zelden kwaadaardig: de drager wordt gedood door wie of wat hij draagt. Denk aan Christus die het kruis moest dragen waaraan hij stierf. Tournier schept door al die in elkaar grijpende verhalen en inversies een magische wereld.

    Realisme

    De romanwerkelijkheid overtuigt onder andere door de vele details. Tournier hechtte sterk aan feiten en deed voor elke roman uitgebreid (veld)onderzoek, net als negentiende-eeuwse naturalistische schrijvers als Zola die zijn grote voorbeelden zijn. De paradox is dat de zeer realistische beschrijvingen zorgen voor een surrealistisch resultaat. We lezen uiterst precieze verhandelingen over bijvoorbeeld verschillende soorten hertengeweien, nazirangen en uitverkoren rassen. De elzenkoning staat vol onvergetelijke, soms gruwelijke scènes. Daarbij staan verheven (zoals heraldiek) naast laag-bij-de-grondse onderwerpen (bijvoorbeeld coprologie: het lezen van uitwerpselen). En dat alles in een glasheldere stijl, voortreffelijk vertaald door Jenny Tuin.


    Kinderen

    Als ‘drager’ zijn kinderen voor Tiffauges het allerbelangrijkst in zijn leven. Ze zijn behalve de belichaming van de onschuld het toppunt van schoonheid en intelligentie. Ze kunnen zich echter ook tegen hem keren. Een minderjarig meisje beschuldigt hem ten onrechte van verkrachting en voor Tiffauges dreigt een lange gevangenisstraf. Maar dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit en zijn gevangenisstraf wordt omgezet in een dienstplicht: in de frontlinie zou hij ongetwijfeld snel omkomen. Tiffauges wordt echter krijgsgevangene gemaakt en maakt zich vervolgens nuttig, om te beginnen als chauffeur en monteur.

    Daarna volgt een opmerkelijke opmars binnen het Duitse leger. Helemaal opgaand in zijn eigen bezielde verhaal gaat Tiffauges volledig voorbij aan moraal en vijanddenken. Het levert fascinerende Indiana Jones-achtige avonturen op, tegen de achtergrond van het jachtslot van nazi-kopstuk Hermann Göring en een zogenaamde ‘Napola’, een militair SS-opleidingsinstituut voor jongens, in het voormalige Oost-Pruisen (nu Polen). Tiffauges begint en eindigt dus in een internaat. Nu ronselt hij echter jongens, op zijn beurt gedragen door zijn paard Blauwbaard, de naam van een kindermoordenaar: al deze jongens worden opgeleid tot kanonnenvoer.

    Zo goochelt Tournier voortdurend met begrippen, verwijzingen en symbolen. Het knappe is dat dit nergens gekunsteld of afstandelijk overkomt: De elzenkoning is een gloedvolle, organische roman en Tournier natuurlijk een geweldige schrijver. Dit absolute meesterwerk zou – net als al zijn andere, even magische boeken, zoals De meteoren en De gouden druppel – opnieuw moeten worden uitgegeven.

     

    Bronnen:
    De elzenkoning, Michel Tournier. Meulenhoff, Amsterdam, 2010 (tiende druk). Vertaling: Jenny Tuin.
    – Een vlaag van bezieling, een autobiografie, Michel Tournier. Meulenhoff, Amsterdam, 1994. Vertaling: Jeanne Holierhoek.
    – Het verontrustende proza van Michel Tournier en In gesprek met een ‘geslaagd monster’, Rudi Wester. Literair Moment.  Meulenhoff, Amsterdam, 1987.

     

     

  • ‘Zo oud moest ik worden…’

    Mijn kat springt bliksemsnel naar het touwtje dat ik voor zijn neus laat dansen. Ik trek het niet vlug genoeg omhoog en hij slaat zijn klauwen in mijn duim. Een kleine, maar diepe snee, een stroompje bloed loopt onmiddellijk langs mijn pols. Als ik met mijn duim in mijn mond met mijn andere hand naar de pleisters graai, roep ik haastig naar mijn geschrokken huisgenoten dat het niet de kat zijn schuld is, hij kon er niets aan doen, ik had beter moeten opletten. Waar komt die haast vandaan om hem zonder voorbehoud te beschermen? Ik heb dit eerder meegemaakt, of waarschijnlijker, gelezen. Later die dag weet ik het plotseling: het komt uit een van de verhalen van Gerard Walschap, dat me zo dierbaar is: Het vosken.

    ‘Zo oud moest ik worden en nog altijd niet weten wat liefde is om het van het kleine meisje met het vosken te moeten leren.’ Zo begint het verhaal van Gerard Walschap (1898-1989) dat opgenomen is in de bundel Het kleine meisje en ik uit 1953, die zeven novellen bevat: Moord op het konijntje, Corruptie bij een schildpad, De twee katjes, De rashond, Speelgoed van Sint-Niklaas, Het vosken, De boodschappen voor het consulaat. Vijf van de verhalen handelen over dieren, geschreven voor zijn enige dochter Carla (1932), ‘omdat zij van zeer klein af vertederd hield van al wat leeft en beweegt.’ De novelle Het vosken verscheen al afzonderlijk in 1951 in het decembernummer van De Nieuwe Stem, maandblad voor cultuur en politiek.

    Voor de bijl

    Omdat het Walschaps bedoeling was dat zijn dochtertje zich in de verhalen zou kunnen herkennen, besloot hij om zich te houden bij bestaande personages en gebeurtenissen en zijn verbeelding zo weinig mogelijk te laten spreken.* Dus moet het echt gebeurd zijn: hij loopt met zijn dochter over de vogelmarkt in Antwerpen, zoals ze elke zondag doen, en ineens zien ze daar een man met een klein roodachtig hondje staan. Hoewel ze niet van plan zijn iets te kopen – ze hebben al een kat en een papegaai – maakt de vader een praatje met de man en verneemt dat het geen hond is, maar een vosje. In één enkele alinea doorloopt Walschap dan een scala aan gevoelens: ‘Een diepe afschuw deed ons hem de rug toekeren, een plotse vrees deed ons omkijken om hem in de gaten te houden tot wij weg waren, een hevige nieuwsgierigheid deed ons weer een beetje naderen en een onbegrijpelijke genegenheid deed ons vertederd van hem houden.’

    Er volgt een gesprek van voor- en nadelen van het houden van een vos, waarin de verkoper zijn vosje aanprijst: ‘Meneer, dat kunt ge niet geloven, hoe lief dat beestje is, wat vriendschap ge daar van hebt’. Vier pagina’s lang staat de schrijver in tweestrijd, uitvoerig wordt het verlangen van het hart afgezet tegen de tegenwerpingen van het gezond verstand. Uiteindelijk kopen ze het beestje en lopen in een gelukzalige roes naar huis, waar het grote meisje, de vrouw van de schrijver, hen in een verontwaardigd sermoen weer met beide benen op de grond zet. ‘Ik durfde het klein meisje onder het langdurig onweer zelfs niet aankijken, uit vrees onwillekeurig te glimlachen van vreugde omdat wij het vosken toch maar hadden.’

    Deze opmerking laat zien hoe goed Walschap zowel de rol van het kind als die van de ouder vertolkt. Tegenover zijn vrouw is hij de redelijke en verstandige volwassene, zoals hij dat ook was in het gesprek met de verkoper, maar in zijn hart is hij een kind, dat samenzweert met het kleine meisje om de grotemensenwereld te pareren. Dat deze wisseling van rol vaak in één zin gebeurt, getuigt van het kundige schrijverschap van Walschap.

    Arme Coco

    De kinderlijke vreugde om het vosje slaat al gauw om in volwassen zorgen: hoe lief Reintje ook is, het stelen kan hij niet laten. Er verdwijnen eieren, vlees en melk en een buurman komt klagen over het doodbijten van zijn sierduiven. De vader belooft dat hij de vos voortaan binnen zal houden. De scène levert een gesprek op dat zo levensecht is dat je denkt erbij te staan.

    En dan bijt de vos uit verveling of uit frustratie in een onbewaakt ogenblik de papegaai Coco dood. De verteller kiest in deze situatie de kant van de rede, van de volwassenen, en pleegt daarmee verraad aan de vos, aan het kleine meisje, maar zeker aan het kind in zichzelf: ‘Halt, zei ik kalm, nu hebben wij hem eindelijk op heterdaad betrapt, nu moet hij voelen wat hij misdaan heeft.’ Hij roept de vos bij zich, maar het dier, dat anders ‘op een vingerknip gehoorzaamt’, kruipt onder de kast, geschrokken van de stem die de vader opzet. ‘Daar het nu paedagogisch verkeerd is een vos te laten ondervinden dat hij zich geruime tijd aan een in de wind geslagen bevel kan onttrekken’, jaagt de man hem met de kachelpook onder de kast vandaan, de kamer door. Als hij het dier in een hoek gedreven heeft en het met de pook wil slaan, werpt het kleine meisje zich over de vos heen om hem te beschermen, maar in paniek bijt het beest in haar hand. En dan voltrekt zich het inzicht waarvan sprake is in de eerste zin:

    ‘Duizendmaal had ik gelezen van grote en kleine filosofen wat liefde is en nu zat de liefde daar zelf voor mijn ogen, nu begreep ik ze. Ik begreep dat liefde de zorg en onrust baart die het meisje om het vosken had geleden, ik begreep dat liefde de pijn veroorzaakt van zijn tanden in haar vlees dat toch zo bang van pijn is en ik begreep dat liefde ondanks dat alles de slagen van de stoofhaak opvangt.’

    Kleintjes

    Het meisje draagt de wond in haar hand als een ereteken van het verbod tussen haar en de vos: ‘Het was alsof hij nu meer van haar was, inniger met haar verbonden door zijn misdaad en haar vergiffenis.’ Maar de man wrijft de vos met zijn snuit door het bloed van de papegaai en zet hem daarna buiten. De vos verbergt zich in de tuin en vlucht als het meisje hem eten wil brengen. Ze hebben hem nooit meer gezien.

    Het verhaal zou hiermee een mooi einde vinden, maar Walschap gaat verder: het kleine meisje vraagt hem om een brief aan Reintje te schrijven, dan zal hij wel terugkomen. Deze brief is een van de ontroerendste epistels in de literatuur, kinderlijk eenvoudig, onopgesmukt en vol liefde. De vos mag gerust terugkomen, alles is vergeten en vergeven. En anders moet hij naar Polen of Rusland reizen, waar onbewoonde streken vol vossen zijn bij wie hij zich kan aansluiten. Misschien krijgt hij er ‘vele kleine vosjes, die van geboorte half tam zijn en zich misschien door een brave Pool uit het nest laten nemen en naar huis dragen. Het zou natuurlijk een duizendste geluk zijn, zegt het klein meisje, maar men kan het toch nooit weten, misschien staat nog eens een van de acht of tien kleintjes van Reintje op de vogelmarkt en dan kopen wij het direct.’

    Als Walschap dit bijzondere verhaal geschreven heeft in 1951, dan moet zijn dochter Carla 19 geweest zijn, jong genoeg om zich de episode te herinneren en oud genoeg om de liefde in het verhaal te herkennen. De novelle valt op in het oeuvre van Walschap als een bloem in het asfalt, want zijn bekende romans Houtekiet of Een mens van goede wil behoren op grond van hun inhoud tot het naturalisme van de 19e eeuw, realistisch en bruut als ze zijn. Ze kwamen op de index van verboden boeken terecht, waarvan ze pas in 1966 afgehaald werden.

    Dit verrukkelijke verhaal over de liefde voor een dier en een dochter is ontroerend, zonder valse schaamte, zonder sentimentaliteit. ‘De mensen, die ons eenvoudig verhaal van ons Reintje lezen en hem zelf niet gekend hebben, zullen met onze brief lachen, maar als zij eens heel veel van een dier gehouden hebben, dan niet’, zegt Walschap in zijn slotwoord. Zoals ik van mijn kat hou, denk ik, terwijl ik een nieuwe pleister op mijn duim plak, maar ik ben wat dat betreft ook nog maar een klein meisje.

     

    *Bron: Albert Westerlinck, Gesprekken met Walschap. Tweede deel: Van Soo Moereman tot Het Avondmaal. Heideland – Orbis, Hasselt 1970.

     

     


    Dit is een bijdrage over een boek uit de boekenkast van een van onze recensenten.

     

     

  • De magische wereld van Julien Gracq

    De Franse schrijver Julien Gracq (pseudoniem van Louis Poirier, 1910 – 2007) was een schrijver in de marge van de literatuur. Met opzet, want hij verafschuwde de uiterlijkheden van het literaire bedrijf: de coterieën, zoals die rond zijn tijdgenoot Sartre, de bals, de prijzen. Hij weigerde de Prix Goncourt, de belangrijkste Franse literaire prijs, voor zijn roman De kust van de Syrten (1951). Gracq wordt vaak bij het surrealisme ingedeeld – de surrealist André Breton was zijn enige literaire vriend. Breder kun je hem zien in de fantastische traditie, van Keltische legenden tot aan Edgar Allan Poe.

    Ongewis avontuur

    Gracqs boeken ademen de geest van het buitenstaanderschap. Vanaf de eerste bladzijden word je in lange, beeldende zinnen in een verveemdend literair landschap geworpen. Bij Gracq geen opbouw ‘volgens het boekje’ met keurige vooruitwijzingen, een helder plot en psychologische duiding, zoals de tegenwoordige lezer gewend is. Gracqs proza is een ongewis avontuur waaraan je je moet overgeven. Je belandt in een abstracte en tijdloze wereld. Gracq is niet geïnteresseerd in het vertellen van een verhaal, maar in het schetsen van sfeer, van gemoedstoestanden. Het verhaal moet je zelf invullen.

    Verval

    Hoewel de beschreven wereld aan de fantasie is ontsproten zijn er wel degelijk referenties aan de kenbare werkelijkheid. De Syrten waren in de klassieke oudheid twee inhammen van de Noord-Afrikaanse kust. Bij de stad Orsenna, waar hoofdpersoon Aldo van De kust van de Syrten vandaan komt, denk je onmiddellijk aan Venetië: een oude stad met statige paleizen waar de Sinjorie de dienst uitmaakt. De eigennamen zijn Italiaans. De stad is op het hoogtepunt van haar roem, rijk en decadent. Verval dreigt. Aldo, die zijn bestaan in Orsenna hol en leeg vindt, geeft bij de machthebbers aan dat hij naar de provincie wil en wordt aangesteld als Waarnemer aan de verre Syrtenkust, die de landsgrens vormt.

    De Admiraliteit waar hij terechtkomt is gevestigd in een oud, vervallen fort. Het gebouw wordt omgeven door een woestijnachtig landschap waar het snikheet is. Kapitein Marino zwaait er de scepter, net als alle andere Gracq-personages een raadselachtige figuur. Aldo weet niet hoe hij zich tot hem moet verhouden. Zijn houding varieert van afkeer tot bewondering. Er is een duidelijk verschil tussen de twee. Marino vertegenwoordigt de status quo: hij is wars van verandering. Aldo, jongeman en nieuwkomer, is daarentegen nieuwsgierig. Hij houdt ontdekkingstochten in het fort dat een doolhof is van vertrekken en kazematten. Vooral de kaartenkamer met oude zeekaarten trekt hem aan.

    Dreiging

    Met de ik-figuur verkeert ook de lezer in voortdurende onzekerheid. Net als Aldo voel je iets broeien: verandering hangt in de lucht, het einde van een tijdperk nadert. Maar wat deze verandering is of waardoor ze wordt veroorzaakt blijft duister. Alleen dat die iets te maken zal hebben met Farghestan. Er zijn minieme signalen dat de driehonderd jaar oude oorlog met dit buurland oplaait. Aldo ontwaart op zee een illegaal schip dat hij later bij een door de natuur overwoekerde ruïnestad terugvindt. De manschappen van de Admiraliteit zijn niet meer welkom op het landgoed Ortello, waar ze bij gebrek aan militaire urgentie werken. Onheilsprofeten duiken op.

    Vanaf een klein verlaten eiland ziet Aldo de vulkaan Tängri, die aan de overkant van de zee het vasteland van Farghestan markeert. Hij is naar dit Vezzano meegenomen door zijn jeugdliefde, de bekoorlijke, avontuurlijke en grillige Vanessa, afkomstig uit een beroemd adellijk geslacht, die net als hij de hoofdstad is ontvlucht. Aldo besluit de kust van Farghestan te gaan verkennen. Wat volgt is een doldriest, subliem beschreven zeeavontuur.

    Beeldend

    Gracq heeft een schitterende, suggestieve stijl. Zijn beschrijvingen zijn uiterst gelaagd en bezitten een enorme diepgang. Personages, steden en landschappen doemen messcherp voor je geestesoog op en zijn tegelijkertijd vol mysterie. Dit staat er bijvoorbeeld als de vulkaan opeens voor de bemanning oprijst: ‘Vóór ons hing, boven de zee, gelijk een verlichte vrachtboot die zijn achterschip voor het zinkt recht omhoog steekt, een als een deksel omhooggetild brok planeet, een verticale voorstad; doorzeefd, in verdiepingen verdeeld, en bespikkeld met zulke brandende braambossen en lichtende kroonkandelaars dat het de uitstraling en de vastheid van sterren benaderde.’

    Debuutroman

    Gracqs debuut Het kasteel Argol (1938) zette meteen de toon. Deze roman ademt de sfeer van oude sagen en legenden. Hoofdpersoon Albert, laatste telg van een adellijke familie en liefhebber van filosofie, koopt een verlaten gothisch kasteel met de bijbehorende bossen, landerijen en gebouwen. Een typisch Gracq-decor. Later voegen zijn dierbaarste vriend, Herminien, die hij bewondert om zijn kennis en kracht, en Heide, een betoverend mooi meisje, zich bij hem, beiden personages van mythologische proporties. Deze driehoeksrelatie zorgt voor spanning en inktzwarte ontwikkelingen.

    Gracq is een echte oeuvreschrijver. Steeds draait het bij hem om thema’s als isolatie, vervreemding, noodlot en avontuur. Een ‘ouderwetse’ schrijver misschien, maar je zou ook kunnen zeggen een tijdloze. Gezien de grote kwaliteit van zijn werk moet dit vertaald en herdrukt blijven worden.

     

     

  • De verhalen van Julio Cortázar

     

    ‘Michel maakte zich schuldig aan literatuur, aan irreële hersenspinsels.’ (Uit: Het kwijlen van de duivel)

    De Argentijnse schrijver Julio Cortázar (1914 – 1984) was een van de meesters van het korte verhaal. Hij schreef ook een aantal romans (waarvan Rayuela, een hinkelspel uit 1963 de bekendste is), dichtbundels en toneel, maar het waren vooral zijn verhalen die hem beroemd maakten. Cortázar behoorde met Márquez, Borges, Fuentes, Paz en Vargas Llosa tot de generatie grote Zuid-Amerikaanse auteurs die in de tweede helft van de vorige eeuw opkwamen. Zijn werk werd goed verkocht. Bovendien stond Cortázar, zoals meer intellectuelen en schrijvers in zijn tijd, bekend om zijn politieke stellingname. Hij sympathiseerde met linkse bewegingen in Cuba en Nicaragua en sprak zich uit tegen dictator Videla. Om die reden werd hem de toegang tot Argentinië ontzegd en werd hij Frans staatsburger. Ondanks zijn literaire faam en populariteit is Cortázar wat in de vergetelheid geraakt. Voor veel van zijn werk moet je je toevlucht zoeken tot antiquariaten, waar voor zijn Verzamelde verhalen hoge prijzen worden gevraagd.

    Surrealisme

    Cortázar werd in één klap beroemd met zijn eerste verhalenbundel, Bestiarium, uit 1951. Vooral het eerste van de acht verhalen, ‘Het bezette huis’, werd een klassieker. Het gaat over hoe onbekenden langzaam bezit nemen van een groot huis waarin een broer en een zus samenwonen. Het enige bewijs van de vreemde aanwezigheid zijn vage geluiden. Steeds barricaderen broer en zus hun overgebleven vertrekken, totdat ze uiteindelijk het huis moeten verlaten. Cortázar vertelde dat dit verhaal een bijna exacte weergave is van een nachtmerrie die hij had en die hij in één adem noteerde. Het verhaal is exemplarisch voor het soort fictie dat Cortázar schreef. Alledaagse situaties krijgen onverwachte wendingen en het fantastische mengt zich met het realistische, waardoor de verhaalwerkelijkheid een surrealistisch karakter krijgt. Voor Cortázar, die Jules Verne een van zijn leermeesters noemde, waren fantasie en werkelijkheid gelijkwaardig. Als lezer vraag je je voortdurend af wat waar is en wat niet.

    Literair spel

    Cortázar speelt een spel met de lezer. Er worden meerdere visies op de gebeurtenissen gegeven, vertellers zijn onbetrouwbaar, hij maakt gebruik van de monologue intérieur, de vertelwijze is niet-lineair. Steeds word je op het verkeerde been gezet. Cortázar hanteert een praatstijl, waarin zinnen soms alle kanten op gaan of hiaten bevatten. De lezer moet de werkelijkheid in elkaar puzzelen, zonder dat die uiteindelijk duidelijk wordt. In ‘De gesloten deur’ hoort een hotelgast van de gerant dat in de kamer naast hem een alleenstaande vrouw zit. Toch hoort hij ’s nachts een baby huilen. Beeldt hij zich dat in, of vertelt de gerant hem niet de waarheid? De hotelgast verzint een verklaring en grijpt in, omdat hij van het gehuil niet kan slapen. De volgende dag vertrekt de vrouw van haar kamer. Cortázars verhalen zetten, zoals alle goede literatuur, de verbeelding aan het werk. Zijn verhalen zijn multi-interpretabel.

    Illusie

    De schrijver schept een illusie van een werkelijkheid door op een zakelijke, gedetailleerde manier, maar ook in geuren en kleuren een wereld op te roepen. De hoofdpersonen zijn vaak ‘verslaggevers’: ze schrijven brieven, een dagboek, wetenschappelijke rapporten of nemen foto’s. Hun observaties zijn echter subjectief en vol fantasie. In ‘Het kwijlen van de duivel’, dat regisseur Antonioni inspireerde voor zijn film Blow-Up (1966), observeert een fotograaf een vrouw en een jongen. Moeder en zoon? Geliefden? Of misschien kindermisbruik? Er blijkt ook nog een man in het spel te zijn. Aan de hand van de enorme vergroting van de foto die hij van hen neemt laat de fotograaf zijn fantasie de vrije loop. In Cortázars verhalen worden vaak verwachtingen beschreven, die vervolgens niet uitkomen. Personages hebben een filosofische inslag.

    Fantastisch

    De verhalen bevatten veel fantastische, absurde elementen. In Bestiarium hebben die vaak betrekking op dieren. Mensen en dieren vormen samen een bestiarium, waarin hun eigenschappen worden beschreven. In ‘Brief aan een meisje in Parijs’ braakt de ‘ik’ konijntjes, die de maniakale orde in de flat waarop hij past letterlijk aanvreten. In ‘Hoofdpijn’ dragen fabeldieren, zogenaamde ‘mancuspias’ – een hybride van knaagdieren en vogels – neurologische aandoeningen over, die de werkelijkheid vertekenen. In het titelverhaal hangt boven de vakantie-idylle van een jong meisje voortdurend de dreiging van een op hetzelfde landgoed aanwezige tijger. Steeds is er in de verhalen sprake van dreiging. De drama’s, die zich voor een groot deel op de achtergrond afspelen, zijn vaak gewelddadig.

    Modern

    Cortázars verhalen prikkelen de geest. Ze geven een scherpe en genadeloze blik op de mens en zijn daden, die tot nadenken stemt. Door de experimentele vorm en onopgesmukte stijl ogen ze nog steeds fris en modern. Bovendien zijn ze in voortreffelijk Nederlands vertaald. Cortázar lezen is een avontuur waarin je als lezer alle ruimte hebt, zoals in alle grote literatuur. Hoog tijd dus voor een heruitgave van de Verzamelde verhalen.

     

    De verhalen van Julio Cortázar, Bestiarium. Meulenhoff , Amsterdam, 1984. Vertaling J.A. van Praag, Barber van de Pol.
    De mooiste verhalen van Julio Cortázar. Meulenhoff, Amsterdam, 1996. Vertaling Aline Glastra van Loon (ook naw.), Barber van de Pol, J.A. van Praag, Mieke Westra.

     

     

  • Hoop op vertaling: Berliner, Amsterdamer und ach – Jude auch

    Berliner, Amsterdamer und ach – Jude auch

    Hopelijk wordt er een Nederlandse vertaling gemaakt van het boek Berliner, Amsterdamer und ach – Jude auch, van de schrijver Konrad Merz (1908-1999), die eigenlijk Kurt Lehmann heette. Hij was een van de eerste schrijvers die Hitler-Duitsland ontvluchtten en van wie werk in het Nederlands verscheen. Merz’ boek Ein Mensch fällt aus Deutschland, uit 1936, kwam een jaar later in het Nederlands uit, onder de titel Duitscher aangespoeld (vertaling: Nico Rost).
    Menno ter Braak liet zich er lovend over uit.

    Later publiceerde Merz nog enkele andere boeken, die ook in het Nederlands zijn vertaald. Merz’ ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de jodenvervolging hebben zijn leven getekend. Hij bleef zijn leven lang in Nederland en werkte als masseur. Frappant in Merz’ werk is zijn humor, die cynisch is en vaak mild tegelijk. Zijn werk is geschreven in een eigenzinnige stijl, waarin de auteur vaak verrassende gedachtensprongen maakt. Berliner, Amsterdamer und ach – Jude auch uit 1998 is een autobiografisch boek en bevat blijkens de ondertitel herinneringen uit negentig jaren; toch is het ‘maar’ 192 pagina’s dik. Het lijkt me bij uitstek een boek dat ook in het Nederlands de aandacht zal kunnen trekken die deze schrijver ten volle verdient.

     

    Zie ook: Wikipedia Kurt Lehmann 


    Gedurende de zomer van 2022 schrijven verschillende recensenten van Literair Nederland speciale bijdragen over boeken die in hun ogen een herdruk of vertaling verdienen.

    Berliner, Amsterdamer und ach - Jude auch
    Auteur: Konrad Merz
  • Hoop op vertaling: De hoedsters

    Hoe geef je een boek een titel die recht doet aan het origineel? In dit geval Les Gardiennes van Ernest Pérochon. Het zou ook De bewaarsters kunnen zijn, of Zij die waakten zoals de titel luidde van de Nederlandse vertaling die verscheen in 1927 bij Bruna & Zoon Utrecht. Die vertaling was van Ellen Forest die eerder al van dezelfde auteur Nêne, Buiten eigen grenzen en De krotten onder handen had.

    De Groote Oorlog

    De volgende vraag is wie er op zo’n vertaling zit te wachten. Wellicht was Les Gardiennes (1924) wel geheel in vergetelheid geraakt als Xavier Beauvois het boek niet had verfilmd in 2017. Het waren de jaren van het grote herdenken, honderd jaar na de Eerste Wereldoorlog. Zozeer dat ook in Nederland eindelijk wat meer belangstelling ontstond voor deze oorlog die het lot van de wereld zo ingrijpend en voorgoed had bepaald. ‘We’ waren immers neutraal geweest. Waarbij voor het gemak vaak wordt vergeten dat Nederland op een eigen bevolking van zesenhalf miljoen één miljoen Belgische vluchtelingen herbergde en dat er vanwege de zeeblokkade ernstige voedseltekorten waren, met alle gevolgen van dien. Wat dat betreft hadden de vrouwen in Les Gardiennes het ietsje beter. Hoe hard het leven ook was, ze hoefden niet met honger naar bed.

    Misschien moeten we ons ook niet te veel blindstaren op die oorlog. Hoewel zeer bepalend, vormt die vooral de context voor het eigenlijke verhaal. Zonder de plot te verklappen, gaat het in grote lijnen over Hortense die met haar dochter, haar schoondochter en een oude invalide knecht haar boerderij draaiende houdt nu de zonen ten strijde zijn getrokken. In dat huishouden komt de wees Francine terecht die Hortense als hulp van de staat krijgt toegewezen.

    De problemen beginnen als een van de zonen met verlof thuiskomt en er tussen hem en Francine een liefdesrelatie ontstaat. Dan tuimelt het verhaal uit de knusse beslotenheid van het Franse platteland en worden motieven zichtbaar die we ook tegenkomen in andere literatuur uit de late negentiende en vroege twintigste eeuw.

    Patriarchale structuren

    Hoewel hier te lande nauwelijks bekend, was Pérochon in zijn tijd zeker een schrijver die meetelde. Voor zijn roman Nêne ontving hij in 1920 de Prix Goncourt. Ook toen al werd door zijn beoordelaars opgemerkt dat zijn werk – hoewel intiem en eenvoudig qua setting en thematiek – het niveau van zomaar een streekroman verre overstijgt.
    De problematiek die Pérochon aansnijdt, sluit moeiteloos aan bij werken van Hardy of Tsjechov.
    Wat daar gist tussen die vrouwen op die boerderij past in het grote verhaal van een samenleving die door en door patriarchaal is en waar vrouwen geen andere macht hebben dan het binnen dat systeem zo goed mogelijk benutten van de overgebleven speelruimte.

    Vooral bij plattelandsdrama’s – en daar dringt zich de vergelijking met Hardy en Tsjechov des te sterker op – gaat het om bezit waar vrouwen als het erop aankomt weinig of geen zeggenschap over hebben. Het enige waar de moeders, de schoonmoeders, de grootmoeders wel invloed op hebben, is de partnerkeuze van de volgende generatie, de huwelijken die er worden gesloten; wie gaat deze boerderij, dit landgoed, dit bedrijf straks erven? Aan wiens zorg en goodwill ben ik straks overgeleverd als ik oud en afhankelijk ben?
    Dan ontpoppen zelfs de meest zachtmoedige vrouwen zich als ware sekreten; dan verdwijnen er plots testamenten, brieven, kinderen zelfs; dan wordt er gelogen, bedrogen en gemanipuleerd dat het een aard heeft. Alles om maar dat kleine beetje macht in handen te houden.
    Voor echte macht, voor echte verandering van die eeuwenoude structuren wordt dan al wel door vrouwen wereldwijd strijd gevoerd. Maar stapsgewijs, en met vaak maar sobere resultaten.

    Chroniqueurs van het gewone leven

    Met alles wat zich in de negentiende eeuw had voltrokken en ontwikkeld, was er een omvangrijke middenklasse ontstaan die in meer dan één opzicht een echte ‘midden’klasse was. Niet langer werd de kloof tussen de adel en het plebs overbrugd door de clerus en een handjevol bestuurders, maar door een laag die enerzijds net als de hogere klasse goed onderlegd en geletterd was, maar die anderzijds wel veel dichter bij de laagste klassen stond. Met daarin een bijzondere positie voor de leraar en de dokter.

    Wat de hogere klasse niet wilde zien over de enorme sociale afstanden heen, en waarin de schrijvende clerus zich vanwege de eigen unieke situatie niet kón verplaatsen, kon van dichtbij worden waargenomen en beschreven door degenen die beroepshalve veel te maken hadden met mensen uit alle lagen van de bevolking en die bovendien zelf met werken aan de kost moesten komen, een gezin moesten onderhouden, huur moesten betalen.
    De effecten van armoede, ondervoeding, gebrek werden het eerst opgemerkt door artsen die vaak letterlijk voor een appel en een ei hun patiënten moesten behandelen. Net zoals de onderwijzer – of onderwijzeres uiteraard – op dagelijkse basis getuige was van het leven van het gewone volk; daarover kon nadenken en schrijven, en dat vaak ook deed.

    Daarin was Ernest Pérochon – in 1885 geboren op een boerderij in de Vendée – geen uitzondering. Behept met een zwak hart was hij al in 1914 vanuit de loopgraven terug naar huis gestuurd. Na het succes van Nêne kon hij het in de jaren twintig rustiger aan gaan doen. Niettemin is zijn betrokkenheid bij sociale kwesties altijd groot gebleven. Zodanig dat de Gestapo hem scherp in de gaten hield vanwege zijn kritische blik en al even kritische pen. Pérochon heeft geweten dat zijn leven gevaar liep maar heeft dat voor zijn familie stilgehouden. Hij stierf in 1942 aan een hartaanval, 56 jaar oud.


    Gedurende de zomer van 2022 schrijven verschillende recensenten van Literair Nederland speciale bijdragen over boeken die in hun ogen een herdruk of vertaling verdienen.

  • Hoop op vertaling: Perec, Mathews en Le Tellier.

    Ik denk eraan dat ik wel eens zou willen….

    Eén van de boeken die in 2021 het meeste indruk op me maakten, was Anomalie van Hervé Le Tellier. Een originele plot, veel humor, rijk aan literaire verwijzingen door citaten, pastiches en verschillende stijlen, maar ook een verdomd serieus thema als identiteit.
    Hervé Le Tellier is de huidige voorzitter van OuLiPo, de Franse werkplaats voor potentiële literatuur, waarvan ver vóór hem groten als Georges Perec, Italo Calvino en Raymond Queneau lid waren. Van Le Tellier is buiten Anomalie nog niets anders vertaald in het Nederlands. Wat mij betreft moet daar snel verandering in komen.

    Sommige titels van zijn boeken wekken onmiddellijk mijn nieuwsgierigheid. Neem Encyclopaedia inutilis, een ‘nutteloze encyclopedie’, die blijkt te bestaan uit verhalen over literaire en fictieve zonderlingen die gefascineerd waren door getallen en woorden.
    Tragikomisch is de briefwisseling (soms per ansichtkaart) die Le Tellier vanaf 10 september 1983 onderhield met de drie opeenvolgende presidenten François Mitterand, Jacques Chirac en François Hollande. Le Tellier schreef steeds over persoonlijke belevenissen, maar de antwoorden die hij kreeg waren (soms maanden later) steeds standaard: er werd bedankt voor de brief die uiteraard de volle aandacht zou krijgen en tot slot kreeg Le Tellier de beste wensen. Zelfs als hij zelf schreef dat hij het helaas te druk had om op het presidentiële antwoord te reageren kwam er dezelfde standaardbrief. Die hele correspondentie verzamelde Hervé Le Tellier in 2016, compleet met fotokopieën van de antwoordbrieven, in Moi et François Mitterand.

    Momenteel lees ik met tussenpozen La disparition de Perek. Dat boek verscheen al in 1997 en was lang alleen tweedehands verkrijgbaar tegen woekerprijzen. Gallimard kwam deze zomer gelukkig met een goedkope herdruk die in het zakje van mijn overhemd past. Grappige titel alleen al. Het is een thriller over de naspeuringen naar ene Philippe Perek (inderdaad met een k) die op gruwelijke wijze is vermoord. In de titel: La disparition (de verdwijning) van Georges Perec, de beroemde roman zonder de letter E (in het Nederlands verschenen als ’t Manco). In zijn voorwoord schrijft Le Tellier dat hij die titel gewoon grappig vond en dan maar op de koop toe neemt dat iemand met het gekochte boek thuisgekomen in woede ontsteekt omdat het, vanwege de vele E’s die erin voorkomen, barst van de fouten.

    Maar het meest zou ik willen pleiten voor een reeks vertalingen. En dan niet alleen van Le Tellier.
    Ik ga daarvoor eerst terug naar Perec. Die schreef in 1978 Je me souviens, een verzameling persoonlijke herinneringen die allemaal beginnen met ‘Ik herinner mij’. Hij deed zijn idee op bij de Amerikaan Joe Brainard die in 1970 volgens hetzelfde principe I remember schreef, waarin ook elke zin met ‘Ik herinner mij’ begint. Van Brainards boek verscheen begin dit jaar voor het eerst een Nederlandse vertaling (door Johannes Jonkers). Perec bleef tot nu toe onvertaald (de Arbeiderspers heeft er overigens wel plannen voor), maar in Nederland kwam in 1988 wel deel 151 uit in de serie Privé-domein waarin Nederlandse auteurs naar aanleiding van Perecs boek hun korte herinneringen publiceerden.
    Laat Je me souviens snel volgen.
    En voeg daar dan meteen twee andere soortgelijke boeken aan toe. Allereerst dat van Perecs Amerikaanse boezemvriend Harry Mathews, ook al lid van OuLiPo. Die schreef na de dood van zijn Franse vriend als eerbetoon The Orchard: A Remembrance of Georges Perec.

    Elke zin begint met ‘Ik herinner mij dat Georges Perec…’ De titel The Orchard (boomgaard) is ontleend aan de 123ste herinnering van Mathews, een ontroerend beeld van Perec, die in het laatste stadium van zijn longkanker verkeerde: ‘Uit het ziekenhuis, na een maand bij de familie van Catherine B. [Binet, zijn levensgezellin, AA] te zijn geweest, kwam hij bij ons in Lans-en-Vercors aan op 13 mei, net op het moment dat de boomgaard in bloei begon te staan. Hij zag er extreem bleek uit; ik kon maar moeilijk wennen aan zijn stekeltjeshaar en zijn verdwenen baard (hij legde die verschijning ondubbelzinnig uit als het begin van een nieuw leven); maar de berglucht deed hem snel goed, zijn gezicht kreeg weer kleur en zijn pas werd weer steviger’ (vert. AA).

    Ik moest aan die drie bijzondere memoires (Brainard, Perec en Mathews) terugdenken toen ik op nog een boek van Hervé Le Tellier stuitte: Les amnésiques n’ont rien vécu d’inoubliable (wie zijn geheugen verliest heeft niets onvergetelijks meegemaakt). Elke zin daarin begint met ‘Ik denk eraan…’ Ook in zijn zinnen, net als in die van zijn voorgangers, alledaagse herinneringen en mijmeringen. Natuurlijk komt Perec er in voor: ‘Ik denk eraan dat ik me niet meer precies herinner wanneer Georges Perec Je me souviens schreef. Was dat niet in 1978?’. En ik herken Le Telliers humor: ‘Ik denk eraan dat het maar gelukkig is dat alleen Orly en Le Bourget merknamen van panty’s zijn. Zie je jezelf al Charles de Gaulle dragen?’

    Wat zou ik ze graag op een rijtje naast Ik herinner me van Brainard in mijn boekenkast hebben staan, of op mijn nachtkastje hebben liggen: Ik herinner me van Perec, De boomgaard van Mathews en Wie zijn geheugen verliest heeft niets onvergetelijks meegemaakt van Le Tellier.

     

     


    Gedurende de zomer van 2022 schrijven verschillende recensenten van Literair Nederland speciale bijdragen over boeken die in hun ogen een herdruk of vertaling verdienen.

  • Hoop op heruitgave: De vermorzeling

    Toen Jo Elsendoorn in 2014 op 99-jarige leeftijd overleed, stond er op de website van de Theaterkrant o.a.: ‘Legendarische programmeur Jo Elsendoorn overleden. Jo Elsendoorn, oud perschef en programmeur van het Holland Festival, is op 99-jarige leeftijd overleden. Elsendoorn veranderde de Nederlandse muziekwereld, waarvoor hij in 1995 werd gehuldigd. In 1951 werd Jo Elsendoorn aangesteld als perschef van het Holland Festival. In de beginjaren van het festival bracht Elsendoorn, samen met festivaldirecteur Peter Diamand, grote internationale namen uit de muziekwereld onder de aandacht, onder wie bijvoorbeeld dirigenten als Leonard Bernstein en Herbert von Karajan en operasterren als Maria Callas en Elisabeth Schwarzkopf.’

    Oorlogservaringen
    Dat Jo Elsendoorn (1915-2014) ook een belangrijk boek over de oorlog schreef, is naar de achtergrond verdwenen. In 1979 verscheen bij Em Querido zijn boek De Vermorzeling. Het verhaal van een overlevende. Jo Elsendoorn beschrijft de periode 1940 -1945. Het verhaal begint met de inval van de Duitsers. Hij en zijn vrouw Riek Snel raken betrokken bij een verzetsgroep in Amsterdam. De groep vervalst Duitse stempels en pleegt aanslagen op Duitse goederentreinen op het Oosterdok. Uiteindelijk worden Jo en Riek verraden en opgesloten op de Weteringschans. Ze worden overgebracht naar concentratiekamp Vught. Jo weet te ontsnappen, maar hij wordt weer opgepakt en voor de tweede keer opgesloten in de Weteringschansgevangenis. Daarna wordt hij overgebracht naar concentratiekamp Amersfoort. Via briefjes probeert Jo met Riek in contact te blijven. Vanuit Amersfoort wordt hij op transport gezet naar Duitsland. Op een tussenstop in kamp Köln-Deutz ontmoet hij Thadeusz (spreek uit: Tadeejoesj), een zestienjarige jongen uit Polen met wie hij vriendschap sluit. Meerdere opvangkampen volgen, o.a. tuchthuis Ziegenhain. De gedachten aan zijn Riek houden hem op de been. ‘Bij het meer dan half ontwaken dacht ik altijd het eerst aan Riek. Zou die nog in Ravensbrück zitten? Zou ze mijn brief, die ik haar vlak voor het door mij zo gevreesde proces in de Weteringschansgevangenis had geschreven en die door de bewaker eruit was gesmokkeld, nog gekregen hebben? Nu ik haar niet meer schrijven kon, maakte ik het ene miniscule boekje van toiletpapier na het andere, niet meer dan vijf centimeter hoog om die achter mijn scrotum te kunnen verbergen.’ Tijdens hun gevangenschap krijgen ze te maken met mishandelingen, honger en angst. Af en toe horen ze nieuws over de ontwikkelingen aan het front. Thadeusz vertelt verhalen over zijn jeugd, o.a. een indrukwekkend verhaal over zijn grootmoeder die af en toe bezoek kreeg van een wolf. Het delen van dit soort verhalen geeft hen afleiding. Er volgen meerdere overplaatsingen, o.a. naar Rendsburg en Lübeck. Uiteindelijk wordt Jo in april 1945 door de Russen bevrijd. Na veel omzwervingen komt hij terug in Amsterdam en krijgt hij te horen dat Riek is vermoord.

    Schriftelijke getuigenis
    Jo Elsendoorn heeft zijn boek niet meteen na de oorlog geschreven. Op de achterflap staat dat hij het boek het liefst ongeschreven had gelaten. ‘Vooral wat er met zijn vrouw gebeurd is heeft hij al die tijd beschouwd als iets waarover niet te spreken viel, laat staan te schrijven voor het grote publiek.’ Na bijna vijfendertig jaar besluit hij zijn ervaringen toch op te schrijven. Over het waarom: ‘Om me heen luisterend en kijkend begreep ik dat de opmerkingen van de na mij komende generatie meestal wel geworteld waren in een overtuiging, maar niet in een diepgaande beleving./…/ Het op schrift stellen van een onontkoombare realiteit, waarin de optredende personen al of niet stuntelig handelen, leek mij zinvol. Om voor de lezer een bijdrage te vormen tot een nog verder uit te diepen inzicht: wat het niet in vrijheid uiten en gedragen betekent, wat racistische ideeën voor gevolgen kunnen hebben, welke dooddrukkende werking een allesbeheersende staatsmacht heeft.’

    Deze teksten komen uit een interview dat hij had met de Leeuwarder Courant op zaterdag 12 mei 1979. Via Delpher, het digitale archief waarin miljoenen krantenartikelen zijn opgeslagen, is het originele interview terug te vinden. Elsendoorn vertelt daarin ook hoe zijn boek tot stand is gekomen. Oorspronkelijk wilde hij een boek schrijven over Thadeusz, in het Engels. Het verhaal begon met hem en liep door tot in Polen, tot ver na de oorlog. Maar uiteindelijk werd dat boek niet uitgegeven. Elsendoorn maakte er een Nederlands verhaal van, ruim 800 pagina’s. Em. Querido wilde het boek wel uitgeven, maar dan in een kortere versie die begint en eindigt met de oorlog. ‘Ofschoon de Poolse jongen Thadeusz er een belangrijke rol in speelt, heet het boek niet “Thadeusz”, maar “De vermorzeling”, aanduidend hoe we in de jaren 1940-1945 langzaam maar zeker vermorzeld werden.”

    Brieven en briefjes
    Elsendoorn kon in zijn boek dicht bij de waarheid blijven door de boekjes die hij al die jaren bijhield tijdens zijn gevangenschap in concentratiekampen en tuchthuizen. Op reepjes wc-papier, ‘zo’n vier bij zeven centimeter, piepklein geschreven met een gesmokkeld potloodje, toch meer dan 100 woorden op zo’n minipagina, boekjes van zo’n 48 bladzijden.’ In totaal had hij een stuk of tien van die boekjes bij elkaar geschreven. Als basis voor zijn boek gebruikte hij ook de brieven die hij aan zijn vrouw Riek schreef toen zij in Vught gevangen zat. Die correspondentie is door vrouwen die daar ontslagen werden naar buiten gesmokkeld.

    Jo Elsendoorn: ‘In dit verhaal dat berust op feiten, hoefde niets verzonnen te worden om het “spannend” te maken. Er gebeurt meer in dan een auteur kan fantaseren. De realiteit was onvoorstelbaar.’

    Motivatie
    Terug naar zijn tekst op de achterflap: ‘Als het lezen van deze herinneringen iets bijdraagt tot waakzaamheid ter verdediging van de individuele, de medemens niet benadelende vrijheid en tot uitbanning van discriminerende opvattingen, tot een grotere persoonlijke verantwoordelijkheid in een door de politiek beheerste maatschappij, dan is mijn schrijven niet overbodig geweest.’

    Eenzelfde soort bewoordingen gebruikte hij in een interview met Klaas Peereboom (Parool 28 april 1979): “Ik heb me tot taak gesteld zo te schrijven dat jongere generaties zich ongeveer en beeld kunnen vormen van wat er gebeurd is en om, in het algemeen, duidelijk te maken dat hier twee mensen bezig waren die per dag hun leven in de waagschaal stelden omdat ze hevig verontwaardigd waren over wat er gebeurde met andere mensen, vooral met Joden. Ik heb duidelijk tot uitdrukking gebracht dat ik helemaal geen nationalist ben, dat vaderlandsliefde voor mij een vreemd idee is en dat mijn werkzaamheden in de illegaliteit ontstaan zijn uit het feit dat ik het niet pikte om werkeloos toe te kijken bij het oppikken van al mijn Joodse vrienden.”

    Archief
    Nationaal Monument Kamp Vught, opgericht in 1990, herdenkt de gevangenen van Kamp Vught. In de collectie bevinden zich ook documenten en objecten uit de nalatenschap van Jo Elsendoorn en zijn vrouw Riek Snel. De kleine boekjes die hij tijdens zijn gevangenschap schreef en naar haar opstuurde in voedselpakketten en een popje dat zij voor hem maakte, maken onderdeel uit van de vaste collectie.

    Uit een eerdere recensie
    C.G. van Zweden schreef in Trouw op 31 mei 1979: ‘Maar het meest ontroerend is dit boek wellicht omdat het een doorlopend eerbetoon bevat aan de vermoorde vrouw van de auteur, Riek Snel. Zelden zal men een man zo over zijn vrouw zien schrijven.’

    Tijd voor een herdruk
    De vermorzeling wordt antiquarisch maar zelden aangeboden. Bij boekwinkeltjes staat er nog eentje voor €15. Paperback in redelijk goede staat. Leesvouwen in rug. Scheef gelezen. Zeldzaam. In 2010 stond het bij Abebooks voor USD 195 op de website.
    Wellicht kan een herdruk gemaakt worden in een samenwerkingsverband tussen de uitgever en Nationaal Monument Kamp Vught. Het boek zou ook voorzien kunnen worden van een nawoord waarin o.a. de spaarzame interviews met de schrijver kunnen worden opgenomen.
    Het boek met actuele thema’s zoals het belang van vrijheid en de gevolgen van racistische ideeën verdient zo’n herdruk.

    Jo Elsendoorn
    De vermorzeling. Het verhaal van een overlevende
    Amsterdam Em. Querido’s Uitgeverij B.V. 1979
    ISBN 90 214 61412


    Gedurende de zomer van 2022 schrijven verschillende recensenten van Literair Nederland speciale bijdragen over boeken die in hun ogen een herdruk of vertaling verdient. Evert Woutersen houdt een pleidooi voor een herdruk met nawoord van het in 1979 verschenen boek van Jo Elsendoorn, De vermorzeling. Het verhaal van een overlevende.

     

  • Hoop op vertaling: Brieven van Markies De Sade over de Lage Landen

    Voyage de Hollande en forme de lettres

    Een aantal boeken met een uitgesproken immoreel en zeer scabreus karakter vestigde voor altijd de reputatie en de naam van Markies De Sade (1740-1814). Meer dan anderhalve eeuw na zijn dood bleek dat hij ook onschuldiger kost had geschreven. In 1967 werd voor het eerst Voyage de Hollande en forme de lettres gepubliceerd: een bescheiden geschrift – ruim twintig pagina’s druk – waarin De Sade verslag doet van zijn bezoek aan de Lage Landen tussen 25 september en 23 oktober 1769. De notoire markies reisde via Brussel, Antwerpen en Mordeque [sic] naar Rotterdam. Ook Delft en Den Haag werden bezocht. De Scheveningseweg vond De Sade de mooiste wandelpromenade die hij ooit in zijn leven had aanschouwd. Vervolgens werden ook Leiden, Haarlem, Amsterdam en Utrecht aangedaan.

    Alleen al om het feit dat het de befaamde De Sade was die de brieven schreef verdienen ze een Nederlandse vertaling (er is wel een versie in het Italiaans), ook al noemde de tekstbezorger ze in 1967 teleurstellend en ‘slechts een curiositeit voor de sadisten’ – waarmee niet gedoeld werd op wie doorgaans met dat woord worden aangeduid, maar op hen die geïnteresseerd zijn in leven en werk van Markies de Sade.


    Dit is een bijdrage in de rubriek Hoop op vertaling waarin de recensenten van Literair Nederland pleiten voor een vertaling van een buitenlandse uitgave.

    Auteur: Markies De Sade
  • Heruitgave gewenst van: De groene pad

    De groene pad

    Mijn vader las in zijn leven één boek: De groene pad. Hij was toen een jaar of twaalf of dertien en het boek heeft een onuitwisbare indruk op hem gemaakt. De groene pad stond bij ons thuis synoniem voor een van de spannendste en wreedste boeken dat ooit was geschreven. Mijn vader wilde er onder het avondeten weleens over vertellen. Althans over de eerste bladzijdes, want dat herinner ik me, zijn hervertelling ging nooit verder dan de eerste pagina’s. Dan legde hij zijn mes met een tik op zijn bord en zei: ‘Het is een gruwelijk boek! Je was nog niet op pagina drie of een handvol mensen was doodgeschoten, vermoord of op een andere manier om het leven gebracht.’ Waar het boek was gebleven, ik wilde het dolgraag lezen, wist hij niet meer. Misschien had hij het van iemand geleend en weer teruggegeven? Of het boek was met overige oud papier naar de voetbalclub gebracht?

    Ruim tien jaar geleden, bij zijn zeventigste verjaardag, begon mijn eigen zoektocht naar De groene pad. Het leek me zo leuk om hem te verrassen met een nieuw exemplaar van dit in onze familie iconische boek. Tot mijn verrassing kon ik het boek nergens vinden. Eerst kostte het mij moeite om de naam van de schrijver te vinden. Die bleek Walter S. Masterman te zijn, overleden in 1946 en auteur van een twintigtal detective, science fiction en horrorverhalen. The green toad uit 1929 is zijn vierde boek. De VN Detective en Thrillergids, die ook op internet is gepubliceerd, hielp me op weg. The green toad leek in hetzelfde jaar al in het Nederlands vertaald te zijn. Er is redelijk wat van Masterman vertaald. Je vindt afbeeldingen van boeken als Het vliegende monster, Terug uit het graf en De wreker slaat toe, maar het omslag van De groene pad blijft onvindbaar. Sterker, het boek lijkt nagenoeg van de aardbodem verdwenen, ook Boekwinkeltjes en andere platforms voor tweedehandsboeken bieden De groene pad nooit aan.

    Een andere ‘hit’ op internet is het Leeuwarder Nieuwsblad van maart 1941. Het is toch Boekenweek in de oorlog en in dat kader is er een advertentie gezet: Knip dit uit! luidt de oproep. Je hebt romans in prachtband, maar ook detectives en in die lijst staat ook De groene pad. Aan te schaffen voor f 0,69,-.  Zou het dan werkelijk vertaald zijn in 1929 en in 1941 zijn aangeboden? Of gaat het hier om een nieuwe druk? Allemaal vragen. Twee maanden na deze advertentie werd mijn vader geboren. Zwierf het boek toen al bij zijn ouders thuis? Natuurlijk kan ik The green toad aanschaffen, die is gewoon leverbaar, maar ik wil de Nederlandse versie in mijn handen krijgen, papiertje omheen en cadeau doen. Een herdruk anno 2022 is ook goed.


    Ook dit is een bijdrage in het kader van de rubriek Hoop op vertaling. Gedurende de zomer van 2022 schrijven onze recensenten bijdragen over boeken die zij opnieuw onder de aandacht willen brengen, of waarvan ze vinden dat ze het waard zijn om heruitgegeven of vertaald te worden.

    De groene pad
    Auteur: Walter S. Masterman
  • Hoop op vertaling: Het rusteloze graf

    Het rusteloze graf

    Een boek dat elke literatuurliefhebber zou moeten lezen en herlezen is het wonderlijke geschrift The unquiet grave dat in 1944 is gepubliceerd door Engelse criticus Cyril Connolly, onder het pseudoniem Palinurus. Het is een lucide boek over de verhouding van de mens tot de beschaving, met een accent op de letteren. Grotendeels opgebouwd uit citaten uit de wereldliteratuur en commentaar daarop, verraadt het de voorkeur van de auteur voor de Franse taal en cultuur. Het werk is niet zozeer ‘mooi’ of ‘leuk’, wel zeer indringend.

    Dit merkwaardige, compacte meesterwerk is in 1982 in het Nederlands vertaald als Het rusteloze graf door Joyce & Co. [= Geerten Meijsing en Keith Snell]. Van die vertaling bestaat maar één uitgave, in de reeks Privé-domein; antiquarisch is dit boekje moeilijk verkrijgbaar en doorgaans is het nog al duur. Terwijl het op ieders nachtkastje thuishoort – of toch tenminste voor velen een bron van inspiratie zou kunnen zijn.

     

    Zie ook:
    https://nl.wikipedia.org/wiki/Cyril_Connolly
    https://en.wikipedia.org/wiki/The_Unquiet_Grave_(book)
    https://nl.wikipedia.org/wiki/Joyce_%26_Co.


    Dit is een bijdrage van Reinder Storm die op ons verzoek om titels door te geven die een vertaling verdienen pleit voor een vertaling van The unquiet grave van Cyril Connolly.
    Binnenkort een pleidooi van zijn hand voor de vertaling van Berliner, Amsterdamer und ach, – Jude auch.
    Het rusteloze graf
    Auteur: Cyril Connolly
    Uitgeverij: De Arbeiderspers – Privé-domein