• De diepere betekenislaag in Jansma’s gedichten

    De dichter Esther Jansma is op 23 januari van dit jaar overleden. Haar laatste bundel, We moeten ‘misschien’ blijven denken, zal haar allerlaatste blijven. Haar dood zet de gedichten misschien niet in een ander licht, want ze leed al lang aan kanker, wist dat het einde onvermijdelijk naderbij kwam en beschouwde deze bundel als haar afscheid. Maar eens te meer valt op hoe groot haar moed was en hoe afwezig haar zelfbeklag. Nergens maakt ze duidelijk dat de gedichten autobiografisch zijn, het lyrisch ik mag niet automatisch vereenzelvigd worden met de dichter zelf. Toch is het overduidelijk dat zij veel van zichzelf in deze bundel verwerkt heeft.

    Zo haalt ze regelmatig de personages Romanticus, Oud en het hoofd van stal: deze drie protagonisten maken allen deel uit van de dichter zelf en leveren commentaar op de kanker, het aftakelingsproces en het gevoel dat daarbij opgeroepen wordt. Waar de dichter zich terughoudend opstelt en de aspecten van de ziekte niet alleen op zichzelf betrekt, maar algemener maakt, stellen deze drie zich harder op en verbloemen niets. Ze brengen daardoor ook een vreemd soort van humor en troost, omdat ze op een andere manier omgaan met de werkelijkheid. Voor het eerst traden ze op in haar bundel Picknick op de wenteltrap (1997) toen de ouders van de hoofdpersoon gescheiden waren en daarna de vader overleed. Ook nu zijn ze nodig bij verdriet en leed om te zorgen dat er steeds opnieuw een begin gemaakt kan worden, ook al loopt het op niets uit. 

    Elk jaar opnieuw een begin van iets

    Daar wijst ook het mooie gedicht ‘Hoop’ uit de Proloog op, waarin iemand elk jaar opnieuw een bougainville plant, ook al overleeft die de winter niet: ‘[…] en sterft al/ en het jaar daarop weer en het jaar daarop weer./ Iemand denkt: ik handel uit hoop, ik leer het nooit’. Hoop is gekoppeld aan ‘misschien’ denken. 

    Dat doet ook de foto op de omslag: een ei dat kapot gevallen is. Of heeft het kuiken dat erin zat, zich een weg naar buiten gebaand? Gaat het om dood of om leven, als Schrödingers kat? De kwetsbaarheid van dat kapotte ei, dat nog vaker terug zal keren in de gedichten, laat zich zonder voorbehoud verbinden met het menselijk lichaam met al zijn gebreken, de kanker en de hoop. De dichter geeft aan dat alles wat ons overkomt, willekeur en toeval is, maar als mens nemen we daar geen genoegen mee, we blijven zoeken naar oorzaak, reden, schuld. Ieder van ons wil iemand zijn die zich onderscheidt van de anderen:

    Zoek

    Wie van ons is waar, vraagt een eitje en breekt
    vraagt het koppie van het natte grijsverig
    kuiken dat eruit steekt, brutaal vraagt het: wie?

    Ik weet niet waar we zijn, is een antwoord.
    Ik ben hier, zegt het eitje, zie je me niet
    ik vraag wie van ons echt is, wie dan?

    We zijn meervoud, met velen, we zijn massa’s
    geworpen door oneindig toevallig zwart
    op zomaar een erf in zomaar een schuur

    die we nu en aarde en melkweg noemen
    waar we al vallend ons licht in schijnen
    en glimpen van zien, dat noemen we waarheid

    is een antwoord. Maar niet voor Eitje, niet
    voor het koppie van het kuiken. Het piept:
    vreemde weter, antwoordgever, wie ben ik?

    Veelzijdigheid van dichter en meer

    Deze bundel gaat niet alleen over ziekte en dood, zoals de dichter niet alleen maar kankerpatiënt was. Jansma was dichter, dendrochronoloog (een wetenschapper die zich bezighoudt met het dateren van houten voorwerpen of archeologische vondsten aan de hand van in de voorwerpen herkenbare groeiringen) en was feministe. In het nawoord van deze bundel vertelt ze hoe vaak het feit dat iemand vrouw is de overhand heeft bij het beoordelen van haar werk: ‘Ik heb tijdens mijn werkende leven lang geloofd dat de kwaliteiten van literair en wetenschappelijk werk eenvoudig herkenbaar zouden zijn. Maar helaas overschaduwt het vrouw-zijn van makers en denkers nog steeds de wijze waarop hun werk wordt beoordeeld.’ In een aantal gedichten in deze bundel brengt ze dat op humoristische, maar wrange manier naar voren, zoals in het volgende gedicht:

    Start

    In de fabriek voor porseleinen poppen
    maken ze beentjes en hoofdjes en armpjes
    en buikjes die allemaal zo intens wit zijn

    zo frêle dat je bijna de dag erdoorheen
    kunt zien gloeien en die hoofdjes
    en die doorschijnende glooiingen van hun hoofdjes

    och, daarvoor moeten de penselen haarfijn zijn
    hemelsblauw voor de oogjes, rozerode likjes
    op de lipjes, de haartjes een webje van goud –

    dan ijzerdraad om het beschilderde vanbinnen
    onzichtbaar houtje-touwtje finaal te verknopen
    tot: zo, dit is een lief en mooi meisje, dus af.

    Het veelvuldige gebruik van verkleinwoorden werkt eerst vertederend, maar wanneer de laatste versregel spreekt van ‘meisje’, wordt het denigrerend. Het brute ‘ijzerdraad’ staat in schril contrast tot al dat liefelijks. En hoe moeten de laatste woorden ‘dus af’ geïnterpreteerd worden? Als: klaar, niets meer aan doen? Of als: af als in een toneelaanwijzing, wegwezen, je rol is uitgespeeld? 

    Meerduidige beelden

    Bij Jansma krijgt alles in haar gedichten een diepere betekenislaag, alle beelden zijn meerduidig. Begin en einde en opnieuw een begin, daar gaan haar gedichten over, zoals in ‘Weet’: ‘Je beweegt door het leven/ tot je daar weg bent// en het hele leven blijft en begint.’ Veel gedichten hebben een imperatief als titel: ‘Weet’, ‘Herneem’, ‘Wens’, ‘Stop’, alsof de dichter zichzelf bevelen heeft gegeven die betrekking hebben op de manier waarop zij met haar ziekte en haar leven om moest gaan. De hoop die daaruit spreekt, heeft niets te maken met het genezingsproces, want daar was geen sprake meer van, maar met berusting en vrede. In het laatste gedicht, ‘Word’, dat voor de epiloog is opgenomen, lijkt ze die vrede bereikt te hebben: 

    Overal is water en alles zingt, wolken
    bewegen in de diepte van plassen
    op straten die de wolken niet kennen
    en de hemel heeft geen weet van de aarde

    vingertoppen van bomen, die van gevoel
    dat sterft in de herfst en er nu nog is
    zijn klankkastjes voor al die vingers van regen

    overal schuilen mensen en iemand
    loopt door tijd die al bijna verdwenen is
    koud watergetokkel op het gezicht

    en weet: de wolken weten niet van de regen
    het water weet niet van de bladeren
    waaruit het muziek slaat, ritmes, taal

    en de snelle zilveren aanrakingen
    die leven heten en beweging
    kennen de druppels op mijn gezicht niet

    en straks ben ik dit allemaal.

    De gebiedende wijs ‘weet’ is hier niet alleen aan haarzelf gericht, maar zeker ook aan de lezers, de achterblijvers, die zich getroost kunnen voelen door de gedachte die in dit gedicht is uitgedrukt. Opvallend is ook dat er nergens in het gedicht een punt staat, alleen achter de allerlaatste versregel ‘en straks ben ik dit allemaal.’ Pas dan is het afgesloten, het leven zoals we het kennen. En elk einde is een begin, zegt Esther Jansma.



  • Oogst week 7 – 2025

    Postkamer

    Ingmar Heytze (1970) schrijft brieven in zijn nieuwe bundel Postkamer. De dichter richt zich tot alle mogelijke wezens, dingen en begrippen. Het resultaat is een verzameling brieven in dichtvorm aan de mist, presentatoren, het stotteren, halfvergeten feestdagen, dasspeldmicrofoons en zo verder. Zelden kroop een dichter in één bundel in zoveel verschillende huiden, want wie je een brief schrijft ben je zelf. Het resultaat is een even breed als bont brievenboek in gedichten; Postkamer is de meesterproef van een van de vitaalste dichters van Nederland. Echtgenote en dochters spelen een prominente rol in zijn gedichten, evenals het dagelijkse leven, de dood en het kleine geluk.

    Heytze begon met dichten toen hij vijftien was. Zijn debuut De allesvrezer dateert van 1997 en sindsdien heeft hij een groot aantal dichtbundels gepubliceerd en enkele prozawerken. Bovendien was hij sportcolumnist, is medewerker van de Eenzame Uitvaart en trad op een een band. In 2009 werd hij de eerste officiële stadsdichter van Utrecht. Hij kreeg in 2008 de C.C.S. Croneprijs toegekend, de literatuurprijs van de stad Utrecht voor zijn gehele oeuvre, en in 2016 de Maartenspenning.

    ‘Ik denk wel dat ik van je hou, regen,
     omdat je nu al zolang valt en niemand
     raapt je op. Het stormt vandaag. Zojuist
     veranderde je mijn geschminkte dochters

     in verlopen clowns. Ze huilden, ze begrepen niet
     wat voor geschenk je bent geweest, de avond
     dat hun moeder maar bleef slapen
     toen jij viel en viel en viel

     tot na de laatste trein.

    Uit: Liefdesbrief

     

     

    Postkamer
    Auteur: Ingmar Heytze
    Uitgeverij: Van Oorschot

    De weg naar huis

    Juliën Holtrigter (1946), pseudoniem van Henk van Loenen) is dichter en schilder. Tot 2007 was hij leraar Beeldende Vorming in het middelbaar onderwijs. Hij publiceerde gedichten in Maatstaf, Tirade, Liter, Awater en de Poëziekrant en debuteerde in 2001 met de bundel Omwegen bij Mozaïek. Daarna volgden zes dichtbundels die in toenemende mate getuigen van zijn melancholie, zijn hang naar mystiek en zijn gevoel voor humor en ironie, samengebracht in lucide, beeldrijke taal die bij het lezen meteen beelden oproept. Gedichten van hem werden in meerdere bloemlezingen opgenomen.

    In De weg naar huis schrijft Juliën Holtrigter met humor en zelfspot over zijn dagelijks leven. Met verwondering maar ook met steeds meer verbijstering kijkt hij naar de wereld. Daarbij refereert hij aan Bijbelse figuren: ‘We hebben de dromer verkocht, onze zakken gevuld, wat smerig is noemen we schoon, we stelen, verhullen, misbruiken.’ Jeugdherinneringen moeten de dolende dichter thuisbrengen, maar de weg daarnaartoe zit vol gaten.

    ‘Van alles wat je onthoudt weet je dat het voorbij is,
     vergeeld, achterhaald. Wat je vergeet kom je
     onverwacht tegen: de donkere kant van jezelf.

     Schrijf het allemaal op voordat het verdwijnt.
     Wat al staat geschreven, heeft plaatsgevonden:
     in een stad, in een straat, in je hoofd.’

    Uit: Wat geschreven staat

     

    De weg naar huis
    Auteur: Juliën Holtrigter
    Uitgeverij: De Harmonie

    René Huigen

    In Noem mij David biedt René Huigen aan de meest uiteenlopende personen een podium, waaronder de Chinese dichter Yu Jian en John Milton. Ook klinken het lied van de o’O, de uitgestorven honingvogel, en de stem van David, niet de Bijbelse koning met zijn lier, maar het standbeeld dat Michelangelo van hem maakte. Verlangen naar onsterfelijkheid als opstap naar het tegendeel, zo worden we aangeraakt door het paradoxale bewustzijn dat in de bundel tussen de regels waart. De toon van de gedichten van Huigen zijn wisselend: soms grappig, soms anekdotisch, af en toe filosofisch, bespiegelend of ernstig.

    René Huigen (1962) is naast dichter ook romancier en in de jaren negentig doceerde hij aan de Schrijversvakschool ’t Colofon Amsterdam poëzie en proza. In 1999 doceerde hij poëzie aan de universiteit van Michigan. Hij maakte oorspronkelijk deel uit van de groep De Maximalen, maar verliet deze al snel. Hij concentreerde zich steeds meer op de vraag wat poëzie eigenlijk is en waarom poëzie betekenis heeft.

    Tussen 2013 en 2019 verscheen het poëtisch drieluik Steven!, in 2021 gevolgd door de roman De man die alles zag. De bundel Geen muziek & geen mysterie (2003) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.



    René Huigen
    Auteur: Noem mij David
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Prozagedichten en de sfeer van Zen-verhalen

    Dichter, vertaler, schrijver en muzikant Scott Rollins (New York, 1952) woont sinds 1972 in Nederland. In 2001 bracht hij een spoken word-cd met tekstboekje uit,  After the Beep getiteld. Na drie dichtbundels in zijn moedertaal was Grenstekens (2020) zijn Nederlandstalige debuut als dichter, in 2023 gevolgd door zijn de bundel Spiegelschriften.

    Op het omslag staat de titel met daartegenover de spiegeling van het woord gescheiden door een reeks voetstappen in het zand. Twee sporen waarvan het ene gaat en het andere terugkomt. De wijde hemel erboven en de horizon in de verte roepen een sfeer van meditatie en bezinning op. Ook de inhoud van deze bundel doet denken aan Zen-verhalen, die hun inspiratie uit het dagelijkse leven halen en als allegorieën dienen ter ondersteuning van levenslessen. De vergelijking gaat misschien niet helemaal op, maar de korte prozagedichten die hier in vier afdelingen bijeen zijn gebracht, lijken te zijn bedoeld als bespiegelingen, als reflecties die tot nadenken dwingen. De titel brengt tot uitdrukking dat de een zich gespiegeld ziet in de ander, evenals dat ervaringen en gedachten van anderen ons een spiegel kunnen voorhouden.

    Op reis door verschillende landen

    De gedichten zijn als korte verhalen van meerdere alinea’s van slechts enkele lange zinnen, die doen denken aan de zkv’s van A.L. Snijders. Ze bevatten een schets van een gebeurtenis, een dialoog, een beschouwing. De uiterlijke vorm heeft geen herkenbare kenmerken van een gedicht, maar de inhoud met zijn poëtische metaforen en ingeklonken taalgebruik wijzen erop dat deze filosofische schetsen tot de poëzie gerekend mogen worden.

    In de eerste afdeling, Spiegelschriften, neemt de dichter de lezer mee op een reis door verschillende landen: Servië, Klein-Azië, het Amazonegebied. Overal zijn er mensen die iets te vertellen hebben, het verhaal van hun voorouders, van hun huwelijk, de instorting van hun financiële zekerheid, een brand die een onverzekerd huis verteert: ‘Nu pas realiseert hij zich dat hij niet verzekerd is terwijl de / sneeuw onverschillig verder valt. Nu pas beseft hij wat er bijna / gebeurd is terwijl hij de verschroeide restjes van boeken in / zwarte polyethyleen zakken propt. Nu pas begrijpt hij dat de / bijtende nasmaak die hij met klodders slijmvliezen uit zijn keel / blijft ophoesten hem tot andere inzichten brengt. Nu pas ziet / hij werkelijk hoe dun de lijn is tussen warmte en kou, erbinnen / of erbuiten zijn, middenin de sneeuw die nu naar binnen stuift, / tot in de verkoolde hoeken van de kamer. // Hij kijkt naar de meeuwen die ogenschijnlijk in het niets naar / een voor ons onzichtbare bestemming vliegen. Thuis denkt hij, / zit in je hoofd, het is een denkbeeld, een flinterdun bouwsel dat / we maken om in vrede te wonen, terwijl meeuwen thuis zijn in / het zweven.’

    Hun gedeelte van de realiteit

    In de afdeling Hoofdstad zijn de bewoners van Amsterdam aan het woord die vertellen wat hen bezighoudt. Of het in een torenflat is, of bij een haven aan het IJ, overal zijn mensen eenzaam, ondanks hun pogingen in gesprek te raken met elkaar. Een visser, toeristen, een zakenman, een junk Raveman geheten, zij geven allen een ander aspect van de hoofdstad weer. Hun verhalen zijn universeel en stijgen boven het persoonlijke element uit door de blik waarmee de dichter hen beziet. 

    Het perspectief van waaruit verteld wordt, kan per gedicht verschillen: nu eens is een ik-figuur aan het woord van wie niet altijd duidelijk is of dat het lyrisch ik van de dichter is of dat een willekeurige passant zijn levensverhaal doet. Dan weer gaat het over iemand die zelf niet betrokken wordt als spreker. Verschillende stemmen klinken op om hun gedeelte van de realiteit weer te geven. Als lezer is het zaak om aan de hand van wat er staat, die realiteit vorm te geven en in een samenhangend geheel onder te brengen. Pas dan wordt het wereldbeeld dat Rollins aanschouwelijk maakt compleet en krijgt een diepere betekenis.

    De moderne, steeds veranderende maatschappij en de invloed daarvan op de mens – en vice versa – staan centraal in de afdeling Screenshots, waarbij oorzaak en gevolg steeds opnieuw kritisch onder de loep  worden genomen door de dichter om vast te stellen wat aanleiding en wat resultaat was. Of het nu om de coronacrisis gaat, het maken van selfies of de strijd voor een betere wereld, Rollins legt niets op, schrijft niets voor. Hij suggereert door zijn manier van beschrijven dat het de bedoeling is dat die op verschillende manieren bekeken dient te worden. Want er is niet één algemeen geldende waarheid, iedereen heeft zijn eigen visie op authenticiteit. Rollins spoort lezers aan om daarover na te denken en de visie van anderen te respecteren. Hoe verschillend we ook denken, uiteindelijk streven we allemaal naar geluk. 

    Uitbundig en intiem spel met taal 

    ‘Je groeide snel op en ging de wereld in. Televisie had veel fami- / liegeschiedenis overschaduwd. Een generatie geleden luisterde / men gezamenlijk naar de radio en daarvoor zat men rond het / vuur om verhalen te delen. Maar de buis had je grootgebracht, / je aan de waslijn gehangen, je verbeelding bijna weggespoeld / met allerlei soaps. Dus om jou te vinden, opa, moet ik vechten / om je te herscheppen uit de verhalen van mensen die nog net / leven, die je toentertijd hebben gekend. Luisteren naar hun her-
     / inneringen waarvan de ene nog vager was dan de andere, als / harten die je hoort kloppen ergens in een woestijn.’

    De laatste afdeling, Tijdcapsules, is de meest persoonlijke van de bundel. Het lyrisch ik lijkt samen lijkt te vallen met de dichter. Hij bezingt een oude vriend in een requiem, hij dicht lyrisch over het insect beekschaatsenrijder, zoals Guido Gezelle zijn ‘schrijverke’ bezong, hij observeert een muis die op zijn tenen loopt, ‘[…] uitzonderlijke gevallen/ waarin wij stervelingen even stil blijken te staan bij een kos-/ misch moment’. Kleine persoonlijke voorvallen groeien uit tot iets van universele omvang, wat ook de bedoeling is van een tijdcapsule, die evenals deze gedichten gevuld is met voorwerpen en informatie, bedoeld om mensen in de toekomst te helpen een beeld te krijgen van een bepaalde tijdsperiode.

    Vooral in deze laatste gedichten speelt hij een uitbundig en toch intiem spel met de taal, dat deze bundel bijzonder maakt, om te herlezen en opnieuw je gedachten erover te laten dwalen.

     

     

  • Structuur van een tragedie

    In de ouverture van de derde bundel van Max Greyson, Dramaturgie van het loslaten word je direct meegenomen in het meeslepende liefdesspel dat het ik met zichzelf en de ander opvoert. Je voelt direct de behoefte om te weten hoe dit drama afloopt. Greyson heeft voor deze bundel als dichter en theatermaker de klassieke vorm van de tragedie gekozen met een opbouw van vijf bedrijven, een ouverture, een epiloog en een interlude na het derde bedrijf. De drive die hij zijn verzen meegeeft, laat zich goed begrijpen vanuit zijn ervaring als spoken word performer. In verschillende verzen maakt hij gebruikt van parallellie en opsomming. Met het motto van Maya Angelou: ‘One paints the beginning/ of a certain end// The other, the end of a sure beginning’ illustreert Greyson hoezeer de personages in dit levensdrama staan, al cirkelend rond zichzelf en elkaar. Gedurende de opvoering van dit drama koesteren ze voortdurend een oprecht en intens verlangen naar elkaar. 

    In de ouverture ‘Chanson’ bespeurt het ik ‘het milde gebaar’ om afgewezen te worden. Er is op dat moment al tussen de geliefden een spatie zichtbaar ‘tussen geest en drift’.  De betovering van de ander zit voor het ik in haar manier van bewegen. In zijn nadering betrapt hij zichzelf op vluchtgedrag. Greyson is er een meester in om met aansprekende personificaties en metaforen je een voorstelling te geven van het proces waarin het ik en de jij zich begeven. Daarbij zet hij wat het ik wel en niet bekoort tegenover elkaar. Zo kan de schoonheid van ‘de gouddooraderde ogen’ niet de bekoring van het ik voor de jij doen verminderen, maar wel haar ‘trage sier’ van schouders. 

    Opbouw van het drama

    Het eerste bedrijf ‘jij’ is als een Genesismoment. Daarin ontspint zich de intrige van het spel van aantrekken en loslaten. Een woord als ‘bindingsangst’ valt, maar ook de uitspraak ‘we maken ons op om te spelen’. In ‘Fiat lux’ bevinden het ik en de jij zich op het toneel en voeren elke avond hun dialoog in de spotlights op. Er is plankenkoorts, schroom om zich aan zichzelf, elkaar en het publiek te tonen. Het ik heeft er moeite mee ‘dezelfde vanzelfsprekendheden schuldig te blijven’ en heeft behoefte aan ongrijpbaarheid. Ze zoeken naar de juiste houding tijdens hun repetities. Zodra ze op het toneel staan, bevriezen ze in de stilte.  Ze zoeken naar dekmantels voor hun ware gevoelens door middel van beeldspraak: ‘De zin van dit rekken is vrijlaten/ zonder los te raken, in het rafelen/ niets van mezelf verliezen’. 

    In het tweede bedrijf ‘zij’ lezen we het verhaal van de pleegdochter. Zij vertelt aan het ik hoe in haar ogen de wereld draait. Met de ‘tedertalige vorm van medeleven’ van het ik heeft ze moeite. Het gebruik van deze nieuwvorming illustreert dat nog eens. Haar werkelijkheid is te pijnlijk voor woorden. Gevlucht uit haar dorp in Afghanistan vertelt ze van haar ‘spooktocht’ naar een veilige haven. Ze merkt hoezeer ze is getekend door haar cultuur en voorgeschiedenis, waar ze moeilijk van kan loskomen, zoals ‘de man aan wie ze was uitgehuwelijkt’. Haar lichaam vergeet niet wat ze heeft doorgemaakt. Ze ervaart haar dingelijkheid en weet dat de werkelijkheid niet deugt. In het laatste gedicht ‘Oost West’ gebruikt Greyson de typografie om de twee werelden waarin de pleegdochter leeft uit te drukken door links, rechts en door het midden tekstfragmenten af te drukken die haar innerlijke gespletenheid tonen. Het loslaten van de Afghaanse en het ingroeien in een Vlaamse cultuur strijden om de voorrang.  Uiteindelijk is haar wens vrij te zijn en niemand toe te behoren. Wereldproblematiek van de vluchteling spiegelt zich hier aan de persoonlijke tragedie tussen het ik en de jij. 

    Koor van tussentijds commentaar

    Het derde bedrijf ‘wij’ staat in het teken van de intensieve verkenning van elkaars werelden. De ontaarding in de liefde lag op de loer. Nu het ik en de jij bij elkaar zijn is bij haar de vrees voor de Blauwbaard in de ander. Er is afstand tussen de geliefden. Athene en Parijs. Sms-contact als teken van af- en aanwezigheid. Er schuilt iets van de Persephone in de jij bij de halfjaarlijkse afwezigheid van het ik. De jij is bang voor die afstand en vreest dat het ik een ander zal zijn als hij terugkomt. Ze weten zich omringd door de grote boze buitenwereld. Het ik probeert echter deze ‘ontwijkende wijs’ te omzeilen. Toch is er dan nog het ‘zwijgen’ van de ander als was zij ‘De stomme van Portici’. Tot slot dromen ze samen ‘terug de kamer in’ en wegen hun geheugen, laten zich wiegen ‘als een lied’. En dan is er de constatering dat ‘een lichaam […] beter [weet] dan een hoofd/ wat het moet onthouden en vergeten’. Telkens speelt bij de jij de gedachte aan het rollenspel, dat leven heet, te willen ontsnappen. 

    Zoals in tragedie gebruikelijk is, geeft het koor tussentijds commentaar op de gebeurtenissen. In de interlude kijken anderen naar het ik en de jij. We hebben elkaar in de wereld mandaat gegeven om te praten, maar dat leidt helaas tot de conclusie, dat het leven ‘een dialoog van doven’ is. ’Eerst aan zee’ is zo’n gedicht waarin Greyson met de repeterende versregel ‘Er is een feest aan zee’ de huiver, vrees en angst die bij de ‘toneelspelers’ leeft, kracht bijzet. Zo doet het ik in ‘Onenightstand met Amsterdam’ een (zelf)verkenning bij een hoer, om tot de conclusie te komen: ‘hoe graag ze gebonden wordt, maar [ze] zich niet bindt’. Hij ervaart in haar onervarenheid van het vertragen, opnieuw zijn eigen moeite in het loslaten. In het gedicht ‘Woke’ toont Greyson zich waakzaam en kritisch om ‘de westerse geschiedenis van haar opsmuk’ te ontdoen. Hij spreekt in ‘Generatiepact’ een mild oordeel uit over de voorgaande generatie, wetend dat de volgende het niet veel beter zal doen, kortom, laat je oordeel los. 

    Zo steekt loslaten in elkaar

    In het vierde bedrijf ‘Zij’ (de moeder) komt een bewustwording tot stand. Telkens komt ’s nachts in haar dromen de overleden moeder van de jij haar opzoeken. Ooit is ze zoekgeraakt. Hoewel het ik en de jij een vorm van zwijgen hebben gevonden omtrent haar, trilt nog altijd: ‘je moeders stem […]/ in het gips van de muren’. Weemoed heeft de jij bevangen: de ik ‘hoorde tussen het fluiten van je adem door/ hoe herinneringen visioenen werden’, als het gaat om de moeder. Dat verleden, heden en toekomst ononderbroken doorlopen geeft Greyson aan door de ontbrekende leestekens. Steeds duidelijker wordt dat de dingen nooit de dingen blijven onder invloed van het ‘flirten met de dood’. Het kost de jij moeite om de moeder los te laten. 

    Telkens blijft in het ik de verleiding bestaan de jij ‘liever te vergeten, dan naar […][haar] te moeten kijken’. In elke ervaring speelt de relativiteit een rol. Het zelfinzicht neemt toe. De mentale omslag nadert, zoals te lezen in het gedicht ‘Na de komma’:

    ‘De toegift, de complimenten, de buiging
     krommend knikken
     uit beeld verdwijnen en weer terugkomen
     de buiging nog net iets dieper,  iets langer aangehouden

     Wie elkaar kwijtraakt, komt elkaar pas weer tegen
     wanneer de een niet zoekt en de ander niet wacht’ 

    Pas wanneer de ontspannenheid over het opgaan in elkaar er is, kan het loslaten leiden tot meer vrijheid: ‘maar dichter, je zal zingen op papier of je zal zwijgen/ hou op, ze slaapt in een andere kamer/ ze is verwijderd, ze heeft je losgelaten/ je bent vrij’. Zo steekt voor Greyson de dramaturgie van het loslaten in elkaar.

     

     

  • Poëzie als levenselixer

    Vertaler, dichter en filosoof Jabik Veenbaas publiceerde een achttal bundels. De thematiek van zijn nieuwe bundel Kamermuziek (2024) sluit aan bij die van zijn eerdere bundel Mijn vader bad (2015). De voornaamste onderwerpen zijn de wereld van zijn jeugd, de zee, de natuur, het gezin waarin hij opgroeide en een vader die in zwijgzaamheid zijn oorlogservaringen verwerkt. Het eerste gedicht, ‘Een droom’ gaat over een ingesneeuwd ouderlijk huis. In de huiskamer schuiven de gezinsleden de stoelen dicht bij elkaar. Er spreekt een gelatenheid en overgave uit die aan vroeger doet denken en tegelijk doet verlangen naar een opnieuw mogen beleven. 

    Het ik herinnert zich zijn liefde voor orgelmuziek en vraagt zich af waarom hij geen organist is geworden. Blijkbaar viel met de preek over Beëlzebub de denkbeeldige ‘schaduw’ Gods over hem heen en deed hem dat zijn geloof verliezen. Gelukkig waren er daarnaast de ‘mythologische’ voorbeelden van mensen uit zijn directe omgeving die hem tot voorbeeld waren hoe mens te zijn: ‘onsterfelijk waren ze niet / en ze hadden hun tekorten / toch als ik een mens zou worden als zij / dan was mijn leven geslaagd’. 

    Standvastigheid en geluk

    Tijdens het spelen met buurjongens en het vangen van stekelbaarsjes toont het ik zijn standvastigheid: ‘ze kunnen smeken wat ze willen / mijn stekelbaarsjes krijgen ze nooit’. Geregeld treedt tussen de rietpluimen de dominante vader ‘met zijn onmachtige woede’ op de voorgrond. Veenbaas is openhartig over zijn voorgeschiedenis. Hij bekent dat hij iets ongemakkelijks ervoer bij het noemen van zijn naam, maar zijn grootvader die met een ‘demon’ vocht en deze niet aankon, was de eerste naamgever. Een voorbeeld van een man die ook net als het ik ‘taaie hoop / op moeizaam bereikbaar geluk’ ervoer. Naast deze donkere beelden is er ook de lichte herinnering aan Baukje die hem de beker vol goedhartigheid wist aan te reiken. In een ‘broederlijk gesprek’ komt de gezelligheid van het samen spelletjes doen weer boven, maar ook de ‘armoede en onmacht’ in het gezin. 

    Het titelgedicht ‘Kamermuziek’ geeft een prachtige inkijk in de atmosferische zwaarte die het ik ondergaat. Mogelijk speelt daarin het aanstaande moment van afscheid, omgeven door melancholieke cellomuziek. De accordeon brengt enige ontspanning terug. Zie de oude angsten onder ogen is de opgave, en zie de liefde die er was maar nu pijn doet. Als de liefde verdwijnt, blijft eenzaamheid over. Met gebalde vuisten wordt er geluisterd naar beide muzikale werelden. Die van hoop en die van innerlijke pijn die echter langzaam lijkt weg te ebben.

    ‘Kamermuziek
    terwijl wij in de kamer staan
    klaagt zachtjes aan het raam
    de cello hoe de hoge bomen
    schaduwen worden een kleine
    zwarte vogel valt

     en de accordeon antwoordt altijd
    keer je terug naar je oude angsten
    de liefde die een pijn wordt als
    ze verdwijnt een eenzaam zijn
    aan het eind

     ik zoek je gezicht we drijven nu
    steeds verder uit elkaar
    ik luister de vuisten gebald
    maar roerloos als de bomen buiten
    die zoals de cello kalm buiten
    de matte ogen sluiten’

    Zoeken naar het levenselixer

    Herinneringen vormen het wezen van deze bundel. In ‘Romance’ herinnert hij zich de eerste kennismaking met zijn vrouw. ‘Het lijkt alsof zij sneeuwvelden in haar ijsblauwe ogen heeft waar poolvossen in rondslopen’. Ze vonden elkaar in het lezen van Rilke. Dit duiken in het verleden geeft deze bundel het karakter van een zelfonderzoek. Hier verschijnt voor even de filosoof in de dichter. Maar naast deze ernstig stemmende observaties komt er in ‘Bestemming’ opeens een serveerster op een zonnig terras langs die ‘in wijze rijmen’ orakelt. 

    Het ‘Requiem voor Ilse’ memoreert aan een gezamenlijk poëzie optreden met Ilse Starkenburg (1963 – 2019) in de stad waar gewelddadigheden rondom een voetbalmatch plaatsvonden. Het ik herinnert zich de hinder die ze had van het hooligangeweld. 

    ‘ik zag je schrijven
    en ving een glimp op van je poëzie
    formules waarmee je zocht
    naar een levenselixer een
    oeroud alfabet angstvallig
    geëtst in eenvoud en
    eenzaamheid

    In deze poëzie opvatting van Starkenburg herkent Veenbaas zich. Het zoeken naar een levenselixer om tegen het leven bestand te zijn. Dichten is blijkbaar ook voor hem een manier om te overleven.

    Liefde voor het leven

    In menig gedicht werkt Veenbaas naar een pointe toe, zoals in het gedicht ‘De oude’ waarin een oude vrouw langzaam maar zeker ‘zou verdwijnen in een aardster of een madelief’. Deze wederopstanding in de vorm van een denkbeeldige bloem of en ster herinnert aan de vroegchristelijke discussie over de tegenstelling tussen een nieuw, geestelijk, opstandingslichaam en een weer tot leven gewekt oud-stoffelijk lichaam. De zee is de favoriete plek van deze dichter. Hij voelt zich verwant met de zeezeiler die een walvis waarneemt. Door alles heen proef je dat Veenbaas het leven liefheeft. Als hij over Emily Dickinson mediteert en zich voorstelt op haar kamer te zijn, dan ziet hij voor zich hoe zij haar ‘witste’ jurk aantrekt ‘om licht en leven te vieren’. 

    Dat alles neemt niet weg dat ook de harde realiteit getoond wordt. Zoals het vluchtelingenkamp Yarmouk waar een Palestijns-Syrische pianist speelt te midden van de puinhopen. Hoe de zangers in de Laurenskerk te Alkmaar lijden onder het verstrijken van de tijd. Hun stemmen weggedragen als ‘de engelen onder het orgel’. En ondanks het coronavirus dat voor ons de muren tot metgezellen maakt, blijft de ziel zoeken naar houvast. We blijven echter denken aan het onverwachte, ‘zelfs aan dingen die voorgoed onmogelijk waren geworden / zoals de zuiverheid van onze ziel’. 

    De gedachte aan reïncarnatie, het leven na de dood, het verlangen naar de wereld van vroeger met zijn momenten van stilstand en overgave laten een dichter zien die blijft zoeken naar het levenselixer van de non-dualiteit. Hij weet die wereld in zijn gelukkige en ongelukkige momenten aansprekend uit te beelden. Zijn taal blijft aldoor helder en verstaanbaar.



  • Een voorbereiding op wat komen gaat

    In deze bundel wordt al snel duidelijk, ook zonder de achterflap  gelezen te hebben, dat iemand aan het woord is die afscheid neemt. Van zijn verleden, van zijn dierbaren, van het leven zelf. Bij de dichter Koen Stassijns (1953) is longkanker vastgesteld. Zijn bundel Het huis waar alles verdwijnt bestaande uit drie afdelingen, is een reflectie op deze diagnose. Het huis uit de titel is een metafoor voor het lichaam en voor het leven zelf, waarvan de bestaande zekerheden hem een voor een ontvallen. Hoewel zijn ziekte slecht één keer bij name wordt genoemd in het eerste deel van het gedicht ‘Herinneringen’, als een arts de diagnose stelt, is de hele bundel een voorbereiding op wat komen gaat. 

    In de eerste afdeling, ‘Nieuwe hemelingen’ is een verwijzing naar zijn bundel Hemelingen (2019). Hemelingen zijn overleden mensen. Zij zijn gaan ‘hemelen’ en zijn engelen geworden. Stassijns schrijft gedichten over zijn eigen hemelingen en over het bestaan dat hij voortaan zonder hen moet leiden. Ze helpen hem in moeilijke tijden en beloven hem te begeleiden als het zo ver zal komen wanneer hij zelf aan de beurt is om een hemeling te worden.

    De angst te verliezen

    De dichter herinnert zich zijn ouders, zijn geboortedorp en schooljaren. In pakkende beelden zonder sentimentaliteit beschrijft hij voorvallen alsof hij er al afstand van heeft genomen en hij een buitenstaander is die naar de film van zijn eigen leven kijkt. Hoogte- en dieptepunten worden beschreven: ‘ik kan ze alleen bewaren in schamele woorden’, zegt hij in gedicht ‘2. Mijn moeders’. Hoewel de dichter aangeeft niet bang te zijn voor de dood, lijkt dat gezegd te zijn om zichzelf moed in te spreken, zichzelf te troosten.

    De angst die wel degelijk door de bundel waart, is niet zozeer om te sterven als wel om alles al te moeten verliezen voordat het werkelijke einde zich aankondigt. Dat begint al vroeg: als kleine jongen aan moeders hand beseft hij al dat wij als mensen weerloos zijn tegen de grote overmacht die ieder van ons beheerst. Hij verliest vrienden, een echtgenote, zijn ouders; is het niet door de dood, dan wel door het leven dat mensen uiteen slaat. Alles en iedereen is een herinnering geworden.

    ‘Wat heb ik te verliezen. Ik ben er goed in
     geworden. Drie vrouwen, drie dochters ben
     ik kwijtgeraakt, mijn abonnement op God,
     ten slotte vele vrienden. Ik ben een vod
     geworden, een aftandse vlag zonder land.’

    Dicht hij in de eerste strofe van ‘Mijn hemelingen’. In de laatste strofe, waarin ‘Hij’ de dood voorstelt, wordt de indruk gewekt dat de dichter zelf alles van waarde ontdoet om er gemakkelijker afscheid van te kunnen nemen:

    ‘Hij gomt de hartstocht weg uit mijn herinnering.
     Wat heb ik te verliezen? Een lichaam, een vriend,
     een vrouw die me bedroog, een God die me blind
     misbruikte toen ik een onooglijke jongen was?
     Of een leven dat zijn zin in het vergeten vindt.’

    Oefeningen in sterven

    In de tweede afdeling, ‘Het huis waar alles verdwijnt’, worden gebeurtenissen, voorwerpen en mensen van hun belang ontdaan. Soms klinkt dat bitter en gedesillusioneerd alsof de dichter bij leven al koud en ongevoelig tegenover wat hem eigenlijk lief moet zijn, staat. Het lijkt een afweermechanisme tegen pijn en angst, de dood voor willen zijn om als het erop aan komt van tevoren afgedaan te hebben met alle aardse zaken. Het huis staat centraal en is een symbool voor alles waarop de dichter dacht te kunnen bouwen: zijn lichaam, zijn leven, zijn ouders, zijn relatie met een vrouw.  ‘Mensen willen weten wat ze aan elkaar hebben/ maar wij vergissen ons zo vaak.’ Maar ook: ‘we hebben geleerd// om ook ons huis van tegenslagen te bouwen.’ De herinneringen kunnen ook troost bieden, niet alles was verkeerd, al blijven er meer vragen dan antwoorden over.

    De laatste afdeling, ‘De laatste meters’ bevat gedichten met titels als de kleine cyclus ‘Oefeningen in sterven’ en ‘De verlossing’. De naderende dood lijkt niet meer zo afgrijselijk, maar eerder een ‘één worden met het wit’. De dood wordt zelfs liefkozend toegesproken met een zelfbedacht koosnaampje, ‘Doodjedood’, een ‘maatje’, en er is sprake van ‘rusten in de schoot van de dood’. De dichter lijkt zich verzoend te hebben met zijn nabije einde: ‘Het komt, het nadert, het glijdt op me af,/ het wacht nog even en het neemt zijn tijd./ Ik weet dat het niet lang meer duurt, het tuurt/ voortdurend naar een kwetsbaar ogenblik.’ 

    Verhalend en melancholiek

    De gedichten zijn melancholiek en verhalend, zoals een droom die na het ontwaken werd opgeschreven, of als een sprookje, een oud verhaal. Dat wordt nog versterkt doordat de dichter begrippen uit de Griekse mythologie in zijn gedichten verwerkt, zoals de hellehond Cerberos, de rivier de Styx die de grens vormt tussen de boven- en de onderwereld. Of de Lethe, de rivier in de onderwereld die alles doet vergeten als je van het water gedronken hebt. Het meest veelzeggende gedicht is het allerlaatste uit de bundel, waarin alles samenkomt wat de dichter eerder heeft aangeroerd.

    ‘Het dode kind

     Ik hield een dood kind in mijn armen en wist niet
     waar het vandaan was gekomen, uit welke kamer
     van mijn hart. Ik zag dat ik niet droomde, het lag
     daar stil, verstard, ik stutte zijn hoofd met een hand
     en voelde een lijfje dat in zichzelf verzonk.

     Ik wiegde het, als om iets goed te maken, zong
     een liedje waarop het gaandeweg in zou slapen.
     Ik zong van lammetjes en hun wollige schapen
     die, eens geschoren, wolken werden die de sprong
     naar de hemel en de eeuwigheid zouden wagen.

     Maar het kind verdween niet uit mijn schoot, het bleef
     hier liggen, met zijn verglaasde ogen halfopen.
     En hoezeer ik het wou overdragen aan de tijd,
     het haakte zich vast. Toen keek ik het aan en trok
     bleek weg. Het leek als twee druppels water op mij.’

    Wie geconfronteerd wordt met de dood van zichzelf of van een ander, kan troost en herkenning vinden in de gedichten van Stassijns, maar ook de bevestiging van angst en onwetendheid. De opdrachten die hij zichzelf geeft of die hij opgelegd krijgt door een innerlijke stem zijn bedoeld om te helpen het sterven te vergemakkelijken. Hij brengt zichzelf dichter bij de dood door in zijn gedichten te onderzoeken wat er allemaal bij komt kijken als je sterft. Of dat voor iedereen geldt, is nog maar de vraag. Sterven is een eenzaam proces, net als geboren worden. Dat de dichter met deze bundel een dappere poging heeft ondernomen zich met de dood te verzoenen, is duidelijk.

     

     

  • Oogst week 49 – 2024

    Hout

    Erik Lindner (1968) heeft inmiddels twee romans en zes dichtbundels geschreven. Lindner is tevens oprichter van het tijdschrift Terras. Daarnaast schrijft hij recensies voor onder meer Ons Erfdeel, is adviseur en coördinator van het literaire programma van de Jan van Eyck Academie en docent poëzie van de Schrijversvakschool Amsterdam. Dit jaar verscheen zijn zevende bundel Hout. Het losse gedicht Hout verscheen al in 2021 bij Uitgeverij Druksel. 

    Lindners poëzie is bedachtzaam en schenkt aandacht aan wat zich aan hem voordoet. Zijn observaties worden in woorden vastgelegd zoals verf wordt aangebracht op een schilderij, ogenschijnlijk neutraal en afstandelijk, maar met verborgen emoties.

    ‘Klei fluit
     als je er water op gooit
     Ignace, de schep boven zijn hoofd
     staand in de put die hij voor zich groef
     met zijn spade een skelet doorklievend, het uitgravend
     het zwarte polshorlogebandje rond de tattoo op zijn arm
     materiaal dat geen vorm krijgt maar geluid maakt
     de regen valt op zijn rug als hij stuit op de klei
     die diep in de grond naar hem fluit

     een trein die bijna is aangekomen waarvan
     de slag over de bielzen vertraagt

     vuur laait manhoog op uit de put
     vlammen slaan om elkaar naar de lucht’



    Hout
    Auteur: Erik Lindner
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Jullie weten niet wat liefde is

    Raymond Carver (1938-1988) is vooral bekend als schrijver van bondige en schijnbaar laconieke short stories, maar zijn poëzie doet daarvoor niet onder. Zelf zei hij dat hij als dichter begonnen was. Zijn gedichten kennen dezelfde minimalistische stijl als de verhalen en worden gekenmerkt door het fundamentele verlangen naar liefde en acceptatie. Jullie weten niet wat liefde is werd vertaald door Joris Iven.

    Opgegroeid in armoede was Carver tot zijn veertigste verslaafd aan alcohol, maar na een ommekeer in zijn leven schreef hij in tien jaar de verhalen en gedichten die hem tot een van de grootste Amerikaanse auteurs maakten. Zijn werk gaat meestal over mensen aan de onderkant van de maatschappij, relaties die stuklopen, de uitzichtloosheid van het leven en de troost van de drank. Carver was een van hen en hij vergat nooit waar hij vandaan kwam.

    Ook toen hij zijn leven veranderd had, bleef hij zich betrokken voelen bij deze mensen, over wie hij schreef zoals nooit iemand eerder had gedaan. Joris Iven is dichter en vertaler van poëzie. Hij vertaalde van Carver al eerder de bundel Where Water Comes Together with Other Water in Waar water samenvloeit met ander water (2015).

     

    Jullie weten niet wat liefde is
    Auteur: Raymond Carver
    Uitgeverij: P

    Vuurbloem

    Roan Kasanmonadi (1995) is schrijver, moderne danser en psychiater in opleiding uit Rotterdam. Hij studeerde Geneeskunde en Filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en Moderne Dans aan de Fontys Dansacademie. Hiernaast is hij arts in opleiding tot psychiater en tot moderne danser. 

    Hij was in 2021 en 2022 onderdeel van Poetry Circle 010 en treedt geregeld op als spokenwordartiest. Roan Kasanmonadi debuteerde in september met de dichtbundel Vuurbloem en stond een maand later meteen op de 41ste Nacht van de Poëzie. 

    In zijn werk combineert hij abstracte associaties met alledaagse taal en verwijzingen naar popcultuur. In deze bundel schrijft hij over zijn zoektocht naar een plaats in de wereld en over het verlangen te ontsnappen, over hoe het leven je kan neerslaan en hoe je weer overeind moet krabbelen.

    ‘Driemaal kraait de haan als ik
     opnieuw een ongelezen boek in de kast zie staan
     het is ochtend in mijn jeugd
     ik vermoed dat het ochtend is
     een frisse decembermorgen
     sneeuw op ons beeldscherm
     nu er nog stroom bestaat
     laat het ijzer zich het beste smeden

     er is een haan bevroren
     op een ochtend in december’



    Vuurbloem
    Auteur: Roan Kasanmonadi
    Uitgeverij: Lebowski
  • Alles is vindbaar zolang je maar graaft

    Wie bij een dichtbundel van tweeënzestig pagina’s denkt ‘grote stappen, snel thuis’, komt geheid bedrogen uit. Bij Sterkteleer van Lans Stroeve al helemaal. Is er voor het lezen van poëzie toch al een zekere gesteldheid nodig – rust, geduld, openheid -, voor deze bundel geldt dat des te meer. Stroeve’s gedichten voelen alsof men voor een rotspartij staat en een code, een wachtwoord, een soort van ‘Sesam open u!’ nodig heeft voordat de spaarzame openingen zichtbaar worden. Er lijkt aanvankelijk weinig lucht te zitten in deze poëzie. Het is allemaal te vast en te hard, hermetisch bijna. Moest deze bundel een baksel zijn, dan was het een Christmas pudding. Of een zuurdesembrood, met inhoud die vult, hoezeer ook vorm- en woordschoonheid in acht worden genomen.

    De taal van deze gedichten is stevig en gesloten. Als lezer ben je voortdurend in verwarring, weet je niet wat binnen of buiten is, bolster of pit. Denk je zacht te beginnen, dan breek je de tanden op een harde binnenkant. Of omgekeerd. Erger nog, wat binnen of buiten is, is vaak niet duidelijk. Maar je moet erdoorheen, hoe dan ook. Soms blijf je berooid achter, geschokt, onbarmhartig van je sokken geblazen. Andere keren word je beloond met een schat; een gedachte, een beeld, een kostbaarheid waarbij je huilend scheefzakt. En is die ervaring je eenmaal ten deel gevallen, dan wíl je er ook doorheen. ‘Dat je dat leert in de loop van je leven, om het ongedierte / uit je dekentje te kloppen voordat je het omslaat en je warm / te stappen en op tijd te zwijgen, te fluiten, de vogels te spotten / met hun ragfijne pootjes balancerend op de uiteindes van goud- / gebladerte en daarbij de route te snappen, de tomtom ontwijkend.’
    Beelden zijn er ook. Tussen de drie blokken waarin deze bundel is opgedeeld – ‘Breekspanning’, ‘Imker van de engelen’ en ‘Kracht’ – zijn afbeeldingen van schilderijen opgenomen. Enkele zijn van Stroeve zelf, die behalve dichter ook kunstenaar is, en enkele van haar grootvader Egbert Johannes de Maar.

    Dansende ritmiek

    Net als de omhulde, verborgen zachtheid, zit er ook dansende ritmiek in de gedichten zelf. Niet in de opmaak, niet in de visuele vorm. Ongeacht de vorm – soms met herkenbare strofen en witregels, maar even zo vaak niet – loopt elk gedicht door als proza, wordt bijna een kort verhaal. Proza dat om de beeldigheid van de taal gedicht mag heten. Omdat er in die dichtgedrukte zinnen een cadans zit, sterk als een harteklop. en daarover gaan de meeste gedichten, over een lichaam waar iets mee is. Het hoe en waarom van dat alles wordt gespiegeld in operatiekamerscènes, met die heldere kleuren ook, en in dat licht.

    ‘Wist je dat iedere, ook de fijnste materie / zoals huid in meerdere gehaltes bestaat / zodat de breekspanning wisselt. Sterker / materiaal geeft andere waarden, waar // het lichaam via de huid bij tl-licht / geopend, gepijnigd en gezuiverd werd, / de ziel zich verborg maar bij kaarslicht / verscheen, schemert er iets voor de geest’

    Een lichaam en een hoofd dat enerzijds zichzelf moet verstaan in die nieuwe rol van patiënt. Anderzijds zichzelf verder droomt als levend tussen al het andere leven van de vogels, de struiken, een hond, de kleur van de lucht.

    En juist als je de vraag stelt: wat is hier droom, en wat werkelijkheid, valt het kwartje. Alles is de werkelijkheid in lagen. De ene werkelijkheid, de oude vertrouwde, waar de voelende, kijkende verteller zich verbergt. De andere, die nieuw is en ongemakkelijk, en met dat tl-licht dus. Maar alles mag, met ogen dicht of ogen open, want in alle lagen wordt de autonomie hoe dan ook bewaard. In alle lagen huist een diepste zelf dat al dat schijnbaar ongerijmde met elkaar verbindt. Een zelf dat zegt: dit ben ik, dit ben ik allemaal, dit alles is mijn leven.

    Krachteloze lichaam

    Niet de hogere kunst van het loslaten, maar de hogere kunst van het besef dat er niet zoiets bestaat als loslaten, dat het enkel aankomt op hoe er wordt vastgehouden, en waar het wordt gestald. En als er toch wordt losgelaten – omdat het niet anders kan – dan is het eerder een toevertrouwen. Je krachteloze lichaam leggen in de handen van onbekenden die met geen ander doel om je heen staan dan je te dragen. ‘Bij vele koppelingen ontstaat een oppervlakte / en kan je als een schaatsenrijdertje over donker // water snellen. Zigzaggen. Hoeken slaan. Je gaat / niet zinken, je wordt gedragen. Ogen open: // ze vliegen af en aan, het flinke ziekenhuis in / en uit, de grootste zwerm goede zielen van de stad.’

    Uiteindelijk is de grens tussen hard en zacht en tussen sterk en kwetsbaar niet te vinden. En misschien is het ook niet relevant. Stroeve is erin geslaagd tussen al dat onbekende en schijnbaar onvindbare de nodige woorden te vinden om het onbenoembare van een persoonlijke situatie – een mens balancerend op de levensgrens – te benoemen. En anders worden er woorden gemaakt, met speels gemak, plezier en bravoure: ‘Zielekastje, pimpelmeespetjeblauwehemelkoepel, bezwijkmechanisme, zwartenachtblauwe, paniekregister’.

    Voor deze poëzie moet je moeite doen. En is dat verkeerd? Integendeel. Misschien is het wel goed dat in deze lelijke tijden – van oorlogen tot fatbikes – we ergens moeite voor moeten doen om schatten en kostbaarheden terug te vinden die het leven mooi maken. Niet dat het weg was, maar omdat we waren afgeleid, tot stilstand gekomen in een poel van oppervlakkigheid. Omdat we om wat voor reden ook geen moeite meer deden, niet zochten, niet vochten terwijl we zo verlangden.

    Niks krijg je cadeau

    Alles is er nog, het goede, het ware en het schone, maar we krijgen het niet cadeau. Wellicht is dat de essentie van deze bundel. Alles is vindbaar, zolang je maar graaft, en nog dieper graaft. Durf te blijven gaan, van de ene stapsteen naar de andere, van de ene gedachte naar de andere. Meegaan in de ‘stream of consciousness’. Want naast gedichten met strofen en witregels en leestekens, zijn er ook die in de meest letterlijke zin van het woord vooraan beginnen en achteraan eindigen. Die lezen als één lange flow van beelden zoals in het gedicht:

     ‘Meander

     In deze meander kan men aan de leuning lopen
     in mateloze passages. Men neemt de laatste zin
    en start vanuit die woorden naar een volgende
    verbeelding in klare, laag gezongen klinkers
    en loost in de bochten leestekens voor oude
    ogen. Denkt de houding te herkennen aan de
    herinnering van die ene.

     Men heeft een zacht hart en warme handen.
    Ongenaakbaar werd langzaam onbeholpen
    en opende daarmee een luikje in mijn zielekastje.’

    Helemaal zichtbaar wordt deze ‘stream of consciousness’ in ‘De glimwormen van het geheugen’. en met welk een impact!

    ‘er is me verteld dat je bijna verdwenen bent
    uit het nu en alleen nog uit verleden op te roepen
    herinner ik me dat ik gewekt ben op een zomeravond
    in het warme donker of ik lig toch nog te luisteren
    de schuifgeluiden van de stoelen en een ingehouden
    fluistersfeer schoenen aan we gaan de berg op lopen
    in colonne er is iets wat je moet gaan zien krekels
    breken met hun kleine ratels de geurende duisternis
    tot aan de sterren open, er staat iets te gebeuren’

    Lees dit hardop, proef het ritme, gaande gehouden door subliem gedoseerde assonantie.



  • Twee dichters en het wezen van hun dichterschap

    In zijn tweede bundel Mulhacén, bezingt Jonas Bruyneel, voormalig stadsdichter van Kortrijk, een voettocht in Spanje van Granada naar Mulhacén in de Sierra Nevada. Dit doet hij in de vorm van copla’s, een syllabische dichtvorm die populair was onder het gewone volk in Spanje. Een copla bestaat meestal uit vier versregels van elk acht lettergrepen en de inhoud gaat vaak over dood, verlangen, of de liefde, met soms een scabreuze connotatie. In Nederland zijn het vooral Werumeus Buning en Hendrik de Vries geweest die vertalingen hebben gemaakt of zelf copla’s hebben geschreven, waarbij de regel van acht lettergrepen niet altijd gehandhaafd werd. Bruyneel doet dat wel, maar gebruikt geen eindrijm zoals in de traditionele copla gebruikelijk is. Maar door de vele alliteraties en assonanties is zijn poëzie muzikaal en klankrijk. Het ritme van de verzen doet door de consequent volgehouden acht lettergrepen per strofe denken aan de regelmatige stap van de geoefende wandelaar. 

    Maar opvallender dan het gebruik van de copla is de introductie van zijn reisgenoot, de in 1936 gestorven Spaanse dichter Federico Garcia Lorca, die door velen als de grootste dichter van Spanje wordt beschouwd. Hij werd geboren in Granada en het is van daaruit dat hij de dichter vergezelt. Samen beginnen ze aan hun reis, die in zes af te leggen etappes is verdeeld, die tevens de afdeling van deze bundel aangeven. Die afdelingen worden van elkaar gescheiden door zwart-wit tekeningen die de eenzaamheid van het landschap onderstrepen.

    Voorbije en huidige tijd in poëzie

    Beide dichters zoeken tijdens de tocht naar het wezen van hun dichterschap: wat is er nodig om van een mens een dichter te maken? Wat is de betekenis van poëzie in zowel de voorbije wereld van Lorca als de huidige van het lyrisch ik?

    ‘Op de vlucht voor een bar broedland
     en ongastvrije poëzie
     die geen hechting met het hart vindt
     Of uit veelkleurig verlangen.’

    Lorca vertelt over zijn jeugdjaren en beschrijft een Spanje dat niet meer bestaat, een land dat gebukt ging onder het repressieve regime van Franco. De dichter luistert en geniet van het landschap dat hetzelfde is gebleven en dat hij in beeldende bewoordingen beschrijft voor de lezer. Bruyneel doet dat zo goed, dat je de indruk krijgt dat hij Spanje wel heel goed moet kennen.

    ‘We kijken naar de trillende
     omlijning van de bergtoppen.
     In de avondzon dobberen
     de melkachtige eilanden. 

     De schaduw etst zwarte bressen.
     In de vormloze schemering
     lezen kloven als zinsneden
     uit vergeten Moorse verzen.’

    De stem van Lorca

    Bruyneel vervlecht de huidige tijd met de tijd waarin Lorca leefde. Ze zien een meisje dat een ‘tiktokdansjes’ maakt, iemand zit met een IPad zit op schoot, maar evengoed komen ze soldaten tegen die een jonge arrestant met een zweep martelen. Tijd en ruimte vervloeien in elkaar en zorgen ervoor dat er ook tijdens de tocht van de dichter met Lorca nog overal gevaar dreigt van de rechtse milities uit de tijd van Franco.

    Het was algemeen bekend dat Lorca uitgesproken socialistische denkbeelden verkondigde. In juli 1936 brak de Spaanse burgeroorlog uit, in augustus van dat jaar zou Lorca vermoord zijn door nationalistische milities. Andere bronnen vermelden dat Lorca vermoord zou zijn vanwege zijn homoseksuele geaardheid die hij niet wilde verbergen. De ware toedracht is tot op heden nog niet gevonden. Hij werd een symbool van het antifascisme. Tot 1953 werd zijn werk voor het publiek verborgen gehouden. Pas daarna ontstond de waardering. Bruyneel laat Lorca hierover het volgende zeggen.

    ‘Op een manier waren Franco
     en ik met elkaar verbonden.
     Toen hij stierf, hervatte de tijd
     en durfden ze mijn naam te noemen.’

    Het leven van Lorca wordt besproken in herinneringen: zijn liefde voor Salvador Dali,  zijn reizen, de rol die muziek voor hem speelde. Maar overal volgt de dood hem als een schaduw. Bruyneel laat Lorca overal waar hij gaat een revolver meenemen. Dit wapen wordt het symbool van de ontsnapping, van een zelf te kiezen dood als de nood aan de man komt. 

    Naarmate de reis vordert, wordt het landschap grimmiger. Kou en warmte wisselen elkaar af, harde wind en onweer teisteren het land, een grote dreiging is voelbaar in de woorden die Bruyneel zorgvuldig gekozen heeft. 

    Bestemming bereikt

    Bovenop de top van de berg, als uiteindelijke bestemming, voltrekt zich het drama waar gedurende de gehele reis op gezinspeeld is: Lorca sterft door een kogel uit de revolver, of het door eigen hand is of niet wordt niet duidelijk. Zoals na zijn dood zijn poëzie werd vrijgegeven, zo is nu ook de dichter vrij om te kiezen waar hij voor wil staan in zijn poëzie. De dood van Federico heeft de dichter bewust gemaakt van de maatschappij waarin hij leeft en welke rol poëzie daarin kan spelen.

    Op de terugweg van de top van Mulhacén naar Juviles waar het landschap zich groen voor hem ontvouwt, ontdekt hij een grot waar hij wil wachten.

    ‘Ik wacht in de grot tot kleuren,
     namen en liefde niet doden.
     Accenten en omhelzingen
     niet als dreiging worden gezien.

     Ik wacht tot krachtige leiders
     niet langer meer vol nostalgie
     gewenst worden voor de toekomst
     van Federica’s en mijn land.’ 

    Deze bundel neemt je mee door Spanje, alsof je aan de zijde van de twee dichters loopt. De landschappen en de mensen die er wonen worden zo beeldend beschreven dat je ze voor ogen ziet alsof je erbij bent geweest. Een reisverhaal in dichtvorm, een zwerftocht die in feite een zoektocht naar de ziel is. Bruyneel heeft door de geest van Lorca als metgezel te kiezen een verbinding gemaakt met de tijd waarin deze grote dichter leefde. Ook in onze tijd zal de poëzie zich opnieuw moeten definiëren om gericht te worden als een wapen in de strijd tegen onderdrukking en machtsvertoon.



  • Het toevallige en achteloze van een bestaan

    Kees van Domselaar (1954) publiceerde onlangs zijn vierde bundel, Fabrieksinstellingen. Eerder verschenen van hem Postfris (2005), Een vrouw op het Zuiden (2009) en De stille fanfare (2019). Domselaar groeide op in Zeist en woont er nog steeds. Het deftige dorp en de omgeving vormen het landschap van zijn ziel. Het motto van Fabrieksinstellingen is een citaat uit het werk van J.C. Bloem: ‘Ten einde is dit wellicht nog ’t meest: / te kunnen zeggen: het is even / tussen twee stilten luid geweest.’ Waarbij de afbeelding op de voorkant van de bundel – van een geluidsfrequentie, door Steven van der Gaauw – beginnend en eindigend met nul, mooi aansluit.

    Van Domselaar staat als dichter in de klassieke traditie van Bloem en Nijhoff en zijn werk doet denken aan dat van Herzberg en Kopland. Hij schrijft geen ingewikkelde, abstracte gedichten, maar neemt concrete gebeurtenissen en herinneringen, voorwerpen en plaatsen en mensen als uitgangspunt. Zijn werk wordt gekenmerkt door een besef dat alles vergankelijk en niets blijvend is. IJdelheid der ijdelheden, zou de Prediker zeggen. En de dood blijkt nooit ver weg, zoals in een gedicht uit zijn eerste bundel Postfris. Als het gebeurt, dat de kouwe kraai neerstrijkt / die de dag breekt en de hoop een slappe hand is / en het luistert niet meer nauw’.

    Spel en werkelijkheid

    Wat in zijn leven tot voor enkele jaren terug een spel was, over alles wat een mens kon overkomen of werd waargenomen bij familieleden of vrienden, is in de nieuwe bundel Fabrieksinstellingen realiteit voor de dichter geworden. En is ‘Luistert niet meer nauw’ – ‘niets luistert meer’ geworden. In het voorjaar van 2023 werd Van Domselaar ernstig ziek en dicht hierover. ‘Hoe het geheel / buiten je om gebeurt / wat je lichaam bekokstooft’. In deze situatie maakte de dichter haast met het schrijven van de bundel die hij onder handen had. Deze gedichten zijn, om het zo maar eens te zeggen – positieve bijwerkingen, een zegen – van de ziekte. Vandaar de titel ‘Bijwerkingen’ van de eerste sectie gedichten in deze bundel. In zijn gedichten kan de dichter overleven. ‘voortvluchtig als we zijn waren we vergeten / waar we woonden / behalve dan / in het gedicht’.

    In het eerste gedicht maakt de dichter meteen duidelijk waar de bundel over gaat en staat de titel al genoemd. Een man ‘van top tot teen met tijd besmet’ die de ‘voortgang van zijn dagen uitziekt’ staat voor het raam. Hij ziet zichzelf weerkaatst en maakt de balans op van zijn bestaan. De laatste strofe: ‘Verlaat mij niet, zei hij, staande / voor zijn spiegel en keek zijn profiel / voor altijd aan, terug, zei hij, zie hier dan / de fabrieksinstellingen van mijn bestaan.’

    Fabrieksinstellingen is een woord uit een gebruiksaanwijzing. Als een apparaat het niet meer doet, bestaat de optie om het via die instellingen te resetten. De zieke man in Van Domselaars gedichten probeert uit noodzaak zijn leven in fabrieksinstellingen te plaatsen, een romantisch terug naar het begin. Wat voor een apparaat mogelijk is, is dat voor een mens niet, maar wel voor een dichter. Ieder gedicht is een nieuw begin waarin het leven een nieuwe vorm krijgt. Ieder gedicht is een terugkeer naar hoe het begon en wat van betekenis was, naar de kern. Wat voor de dichter de kern is, blijkt uit zijn gedichten. Die gaan over zijn geliefden, zijn ouders, zijn (kinds)kinderen, zijn vrienden, de muziek die hij luisterde, de poëzie die hij las, de omgeving van het dorp Zeist waar hij opgroeide en de taaltraditie waarin hij werd opgevoed. Die van de Statenvertaling, van Johannes de Heer en van de psalmen, die hem beelden verstrekte voor wat hij dacht, voelde en beleefde. Hij kan en wil die taal niet verloochenen in zijn gedichten al spot hij er anderzijds ook volop mee. Die christelijke taaltraditie is voor hem een rijk bezit zoals blijkt in ‘Hoog Beek en Royen’, dat sterke herinnert aan het werk van Rutger Kopland.

    ‘Al wandelend onder de oude bomen
    van het landgoed Hoog Beek en Royen
    bespraken we de eeuwige gang van zaken
    terwijl er iets ruischte langs de wolken

    we droegen rugzakjes met oude verhalen
    verzamelden restjes van een bezield verband
    hoorden in de verte een orgel vol hele noten
    en zongen balorig een lied van genade’
    (…)

    Relativering van een dichter

    De bundel bevat enkele gedichten over zijn familie, zijn ouders, zijn vrouw en (kinds)kinderen. Het gedicht ‘Bij toeval verwekt in het eenmalige spreekt over het toevallige en achteloze van het bestaan van een mens. ‘Bij toeval verwekt in het eenmalige / en volop deelgenomen aan de tijd / angst, plezier, verdriet, geluk en woede / en lang geleden liefde, die hem spijt’. Van Domselaar spot ook met zijn familie. Zijn moeder waarschuwde hem ooit dat hij zichzelf nog wel eens tegen zou komen als hij zo door zou gaan. Hij schrijft hierover, ‘Je komt jezelf / nog weleens tegen / zei mijn moeder / lang geleden / in een boze bui // vandaag was het zover.’ De vader komt in de bundel voor als de man die aan tafel bidt in een gedicht waarin de leraar in Van Domselaar om de hoek komt kijken en hij de verleden tijd ‘geschiedde’ en de aanvoegende wijs ‘geschiede’ naast elkaar gebruikt.

    ‘Uw wil geschiede
    gelijk in de hemel
    alzoo ook op de aarde

    ik was een kind
    aan tafel en wist niet
    wat het betekende

    maar zo mooi klonk het
    uit de mond van mijn vader
    dag in, dag uit, na het eten

    voorbij en leeg geworden
    die oude woorden
    Uw wil geschiedde.

    Hoe urgent zijn levenssituatie tijdens het schrijven van deze gedichten ook was, Van Domselaar kan ook dan nog relativeren. ‘Nooit is er zekerheid / wat er precies gebeurt / zelden sterft een mens / tijdens zijn diagnose’.

    Ontroering en vertedering

    In de tweede sectie gedichten, ‘Twaalf intieme gesprekken uit de nalatenschap van Jeroen Dageraath’, is Van Domselaar ronduit geestig. Jeroen Dageraath is een pseudoniem van de dichter uit vroeger tijden. De gedichten gaan over een merel-echtpaartje dat op een tak zit. De vrouwtjesmerel is nuchter en praktisch, het mannetje doet allerlei quasifilosofische uitspraken die door het vrouwtje gerelativeerd worden. De lol die de dichter bij het schrijven ervan moet hebben gehad, spat ervan af. Ontroering en vertedering vechten om voorrang. ‘Heb je wel gehoord / vroeg de merel aan zijn vrouw / hoe mooi ik gisteravond floot? // ach lieverd, zei zijn vrouw / het geeft niet / maar juist als je fluit / hoor ik / dat je ouder wordt.’

    De bundel sluit af met een serie luchthartige gedichten met grote levensthema’s geformuleerd in een heldere en directe taal. Zijn vakmanschap bewaart de gedichten voor al te oppervlakkige sentimentaliteit. In zijn werk breekt ook af en toe een glimp van hoop door, naast het ‘basso continuo’ van de dood.

    ‘We moesten maar niet denken
    aan de dood
    dat kon altijd nog

    we moesten maar denken
    aan groeien en bloeien
    en aan de kleinkinderen
    en aan al het leven
    dat nog kwam

    aan al die foto’s
    en filmpjes
    die nog moesten.’

    In Fabrieksinstellingen toont Domselaar zich, in de woorden van de dichter K. Michel, ‘Naakt als de stenen’.

  • De hersenschimmen van een dichter

    Willem Jan Otten gebruikt in zijn nieuwe bundel Septemberzee een citaat uit het essay To Poetry van de Amerikaanse dichter en essayist Edward Hirsch. ‘Ik heb je een leven lang bemind / zonder te weten wat je bent / of hoe ik – help me alsjeblieft – je vind.’ Daarmee raakt hij aan een belangrijk thema uit Septemberzee, de ambiguïteit van onze ‘zwevende’ identiteit. Otten zoekt in zijn poëzie als een fenomenoloog naar de betekenis van zijn liefde voor beminden en vrienden, maar ook naar wie hij daarin zelf is.
    In ‘Nagekomen gericht gedicht’, over de poppenspeler en kluizenaar Jozef van den Berg formuleert hij die thematiek nog wat preciezer, ‘Er is in hem / en door hem heen gespeeld, / of moet je zeggen / dat hij met zich spelen liet’.
    Otten beseft hoezeer de taal hem beweegt, bespeelt en overmeestert. In deze versregels is hij tegelijk de dichter die blijk geeft van het ‘beyond’. Van het boven, onder, langs en voorbij aan wat wij werkelijkheid noemen. 

    Septemberzee is een verzameling van overwegend korte gedichten, alleenstaand of samengesteld en in diverse dichtvormen. Waarbij de haiku’s  verwondering oproepen. ‘Geloof je het heus – / dat ook maar één adem door / je zelf is gehaald?’ De eigentijdse ‘Rei van pas bevallen moeders’. ‘O Kerstnacht, / het is nu / het uur van / bevallen’, valt op door haar trapsgewijze notatie, op weg naar de dood en opstanding van het ‘kind’.

    Creatieve proces

    Als opmaat begint Otten met het vers ‘Tot een gestorven toneelregisseur’, opgedragen aan de overleden toneelregisseur Ger Thijs. Dit eerbetoon gaat zowel over de gestorvene als over de dichter die zich herkent in alles wat hij in de ander als waardevol ervaart. ‘Zeg precies wat er staat / en zoek de gaten in de zin.’ Pas dan kan wat er staat ontstaan, en kan er bij de lezer een eeuwigheidservaring worden gewekt. In het gedicht ‘Oevertekst’ komt de zee ons al tegemoet. En in ‘Vlinder van zee’ dwarrelt de vlinder, ‘vlak boven mij van ver voorbij’ als de geest over de wateren. Over het zeewater bereikt hij het droge.

    ‘Zelfs in de septemberzee, in dit
     onmerkbaar deinend ochtenduur,
     kon ik het niet laten, en vroeg ik
     waarom – alsof zij richting google
     dwarrelde, naar Darwins daarom,
     alsof zij niet net als geroepen kwam.’

    Het toeval van de langs dwarrelende vlinder als inspiratiemoment laat zich niet verklaren. In ‘Struik’ wentelt zich de gekromde struik met zijn aan de keerzijde krijtwitte bladeren zodanig dat de ik ‘het zwijgen, / in de wemeling van twijgen’ hoorde. Binnen ‘naast haar ademend lichaam’ hoorde de ik ‘met bonzend hart ik ben / te horen en ik word.’ In de stilte van de morgen ondervindt hij deze existentiële ervaring aan de ander van het ‘er zijn’. Dit moment van beminnen roept ‘in […] [haar] schoonheid’ zinnen in hem op. 

    Zijn adem een eeuwigheid

    Het gedicht ‘Alt’ is het begin van een fraaie en intense reeks, gewijd aan het overlijden van de vader van de dichter, de blokfluitist Kees Otten. In de herinnering leek zijn adem een eeuwigheid te duren, alsof ‘er geen adem meer in kwam’, te vergelijken met het zwijgen waartoe de man op zijn sterfbed vervalt. De herinnering aan de klanken omarmen de ik in zijn doorleving van diens sterven. De luitenbouwer krijgt nergens het ‘niets’ te zien, alleen ‘achter de snaren, onder het rozet.’ Zo weet de dichter zwijgend zich geroepen door de stem die hem roept. Op het moment dat de vader zich niet meer kon herinneren, bemerkte hij dat ‘zijn oude dag stond aan te breken’. Het ‘zelf’ had hem tot dan toe door menig dal getrokken. 

    ‘Dat zijn oude dag stond aan te breken
     bemerkte hij toen hij, ontwakende,
     zich niet meer lijfelijk herinneren kon
     wie hij gehoopt had eens te zullen zijn. 

     Waar was hij heen, de beraamde wijze
     die, bij alle graflegging en krakkemik,
     gedichten richtende, door geen opwarming
     opgejaagd, nader tot u zou zijn geraakt?

     Waar was de zelf die hem vooruit zou zijn gegaan?
     Die had hem toch door menig dal gewenkt,
     pientere gelatene, met zijn volgepeinsde brein?

     Ik ben niet mijn eigen werk, weer moest hij er aan,
     Als een jongste dag brak zo de oude aan –

    Ingevlochten religieuze betrokkenheid

    Otten vlecht in de daaropvolgende gedichten zijn religieuze betrokkenheid steeds meer in. Nu componist en dirigent Reinbert de Leeuw er niet meer is, staat hij voor een ‘muisstil / orkest van levenslang vermisten / alle maten van de leeggeschreven partituur.’ Een voltooide missie in hoorbare stilte. Op ‘Beloken Pasen’ is de jij bedroefd na de begrafenis van een beminde, als ware het Christus zelve, ‘gissend op huis / en Galilea aan gegaan.’  Ondanks de dood van Hans Holbein blijft het meesterstuk Maria Magdalena vitaal in zijn zeggingskracht: ‘buiten bereik / de poëzie van / in het graf geen lijk.’ In ‘Overgave’ spreekt de ik zijn twijfel uit over de overgave aan ‘uw wil’: ‘Van twijfel is mijn hoop verstekeling’. 

    De ik spreekt in ‘Echo van het hart’ de ‘U’, God, erop aan. Wie maakt er nu ‘zijn schepsel / tot een ontdane holte waarin niets weergalmt’. De schrik slaat hem om het hart. Nooit eerder besefte hij dat er ‘een laatste slag’ kan zijn. Het ‘faalhart’ is vastgesteld. Nu je aambeeld, je lichaam, ‘veertje onder hamer wordt, – nooit / heb jij meer de tijd gehad dan nu.’ Het euvel geeft de ik innerlijk ruimte, ‘Geef je dus mee, ga op’, nu de situatie is zoals ze is. 

    De omvangrijke cyclus ‘Met zonder mij’ vormt het kloppend hart van de bundelen en bestaat uit korte, vrije verzen. Otten zet van meet af aan in met vertrouwen. Nu een ‘stent’ in de bloedbaan moet worden geplaatst, op een proces dat voor hem overeenstemt met Christus’ verlatenheid, kruisdood en verrijzenis. ‘Wij zetten in op uw verrijzen, maar boeken eerst uw dood.’ De ik weet, zonder artsen ben je nergens. Voor even zal hij ‘in het donker fluiten’, woord voor woord en ‘met zonder mij van boord’ gaan. Wat nog te doen in de toegemeten tijd? Misschien de Rozenkapel van Matisse in Vence bezoeken, gebouwd aan het eind van zijn leven toen de schilder aan kanker leed.

    Tocht der verlatenheid

    De operatie roept bij de ik de vraag op naar de dood van God. ‘Of kan een mens / dat pas als hij van God / (die dan bestaat) aanvaardt / dat Hij hem tot en met zijn dood in leven laat?’ Dan schiet hem Psalm 46 te binnen: ‘God is ons een toevlucht en sterkte.’  Met een beetje geluk zing je ‘te Zijner tijd’ dat God met me is, ‘vrees niet’ voor het einde. De ik die altijd ‘proestende van taal’ was, ervaart onder deze omstandigheid de moeite van het vinden van dichterlijke woorden om zijn einde, zijn oorsprong te achterhalen.

    De beproeving van deze operatie herinnert aan Jezus’ verlatenheid in Getsemane. Maar waarom dit alles? God, ‘U schenkt de mensen de remedie eerst, / en daarna pas de kwaal. /[…] / Vertel mij, / Rabboeni, over de ziekte / die volgt op uw geschenk de poëzie – / is zij de pijn van niet te durven geloven in genezen?’

    Dan begint de tocht der verlatenheid: ‘Morgen wordt vanuit mijn lies de beloofde reis / aanvaard dwars door het lauwe / labyrint dat door mij stroomt’. De ik vraagt zich af of God daarbij, daarin aanwezig zal zijn. ‘Daar binnen, waar naar u de bloedlijn / afgesloten wordt, ballend speenvarkenhart, / daar in de wee met zonder mij, zult u daar bestaan.’  Daags voor de ingreep hoorde de ik nog in de Nicolaaskerk de engelen ‘hemelwaarts’ zingen. Daags na de ingreep in tranen, omringd door tongen van vuur, ervoer de ik Gods bestaan. De opkijkende vrouw in de stiltecoupé die hem niet aankijkt, vertegenwoordigt ten slotte de lezer die deze verrijzenis tot zich neemt.

    Otten kent in een postchristelijke samenleving een richtinggevende waarde toe aan spiritualiteit en religie. De omvangrijke cyclus ‘Met zonder mij’ getuigt daar op een intense en lofwaardige manier van. Zijn hersenschimmen rondom en gedurende zijn operatie tonen aan dat voor hem God niet dood is. Hij aanvaardt in Hem degene die in Christus de autoriteit is die aan het begin en einde van ons leven staat. Hij is de horizon waarop deze dichter zich in al zijn tegenstrijdige ervaringen subtiel maar onontkoombaar oriënteert.



  • Poëzie-oogst week 41 – 2024

    Gezwommen worden

    De debuutbundel van Anke Senden gaat over water, zee, meeuwen en westenwind en over de manier waarop je daarnaar kunt kijken. Senden doet dat vanuit het perspectief van wat bekeken wordt. Hiermee zorgt ze voor een andere invalshoek voor de lezer. 

    ‘ik heb nog voor meeuw gestudeerd
     toen ik dacht de standvastigheid
     te kunnen volhouden als een rots
     die dient om de zee te breken
     –
     het water brak geen enkele meeuw,
     behalve mij, ik ben niet onderlegd
     in breedgevleugeld op alles neerkijken,
     ik kan niet hoog in de wind hangen
     terwijl onder mij in de vloed het strand
     het leven laat, ik beheer hoogstens
     het bloedrode krijsen dat iets
     over vliegen verraadt’

    De titel Gezwommen worden, geeft in deze passieve vorm aan dat het water de zwemmer draagt, zoals ook de omslagillustratie laat zien. Deze gedichten gaan dan over ervaringen, iets wat je gegeven wordt, wat je mag ondergaan. Zoals het water dat altijd verder stroomt, zo laat de dichter haar gedachten gaan in associaties over alles wat met de zee te maken heeft. Zoals de zee de zwemmer draagt, zo draagt haar taal de lezer.
    Anke Senden publiceerde eerder in Het Liegend Konijn en presenteert haar poëzie samen met muzikanten tijdens kleinschalige programma’s. 



    Gezwommen worden
    Auteur: Anke Senden
    Uitgeverij: Poëzie Centrum

    Tijdelijke helden. Verzamelde gedichten

    Dit voorjaar verscheen een tweetalige uitgave van de verzamelde gedichten van W.H. Auden, samengesteld en vertaald door Han van der Vegt. In dit vuistdikke boek zijn niet alle gedichten van Auden vrzameld, maar een groot gedeelte ervan. Auden (1907-1973) is een van de bekendste Engelstalige dichters, die in zijn poëzie persoonlijke zaken met politiek wist te verenigen. Door de film Four Weddings and a Funeral uit 1994 werd een versregel uit zijn gedicht ‘Funeral Blues’ wereldberoemd: ‘Stop all the clocks, cut off the telephone,/ Prevent the dog from barking with a juicy bone’. Willem Wilmink zorgde al eerder voor een vertaling van de bloemlezing Tell Me the Truth About Love in Vertel me de waarheid over de liefde. Ook Marko Fondse, Peter Verstegen en W. Hoogendoorn vertaalden enkele gedichten van Auden in tijdschrift De Tweede Ronde

    Deze nieuwe vertaling ontbeert af en toe het ritme en de klank van Auden. Zo maakte Van de Vegt van de beroemde versregel ‘We must love one another or die’ uit het gedicht ‘1 september 1939’: ‘waar geen liefde heerst, rest dood.’ Maar de vertaaltechnische hoogstandjes liggen in het vinden van variaties op Audens soms archaische en vaak allitererende taalgebruik, dat een uitdaging vormt voor iedereen die zich aan een vertaling ervan waagt.

     

    Tijdelijke helden. Verzamelde gedichten
    Auteur: W.H. Auden
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Het boek der beelden

    Rainer Maria Rilke (1875-1926) was een van de belangrijkste lyrische dichters in de Duitse taal. De bundel Das Buch der Bilder is ontstaan in de jaren van 1898 tot 1906. Een periode die gekenmerkt wordt door een belangrijke scheidslijn in Rilkes ontwikkeling als dichter en die een doorbraak naar een nieuwe manier van dichten betekende: van impressionisme naar modernisme, van lyricus naar observator.
    Er staan een groot aantal van Rilkes mooiste en bekendste gedichten in deze uitgave: ‘Herbsttag’, ‘Pont du Carrousel’ en ‘Schluszstück’, evenals de cyclus ‘Die Stimmen’, waarin Rilke geen waarde oordeel toekent aan de mensen die hij beschrijft, maar hen enkel optekent zoals hij hen ziet. De bundel is niet eerder integraal in het Nederlands vertaald. Gerard Kessels heeft dat op zich genomen, met als resultaat deze mooie, tweetalige uitgave. Hij vertaalde eerder van Rilke
    Het getijdenboek (Das Stunden-Buch) en Nieuwe gedichten & Nieuwe gedichten het andere deel (Neue Gedichte & Der neuen Gedichte anderer Teil).

    ‘Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.  
     Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
     wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben.’

    wordt in de vertaling van Kessels:

    ‘Wie nu geen huis heeft, bouwt er heus geen meer.
     Wie nu alleen is, zal het langtijds blijven,
     zal waken, lezen, lange brieven schrijven.’

     

     

    (Uit: ‘Herbsttag’)



    Het boek der beelden
    Auteur: Rainer Maria Rilke
    Uitgeverij: IJzer