• Verhalen vertellen

    Je zou het bijna vergeten als je in een goed boek bent ondergedompeld, maar het geschreven woord is niet altijd de ultieme verhalenverteller geweest. Lange tijd was het stenen beeld veel belangrijker. En dat was echt niet minder krachtig. Je hoeft maar voor een kathedraal te gaan staan om je dat te realiseren.

    Neem nou de Notre-Dame in Parijs. Die betreed je door de meest prachtige, gebeeldhouwde portalen die verhalen vertellen waarbij menig boek verbleekt. Bijvoorbeeld over hoe de eerste vrouw werd gemaakt uit een rib, een appel at, haar man ook een hapje aanbood en zo de mensheid in zonde dompelde.  Natuurlijk weet ik dat dit verhaal al eeuwen op schrift stond, maar in de Middeleeuwen, toen vrijwel niemand kon lezen , bleek de Notre-Dame een waardige vervangster. Het Mariaportaal was  dan ook voor veel Parijzenaars hun eerste kennismaking met dit verhaal.

    LN20160424 Adam_Eve_NDParis (Pinterest)Voor Victor Hugo (1802-1885) was dat niet meer dan logisch. Want, zo schreef hij in de Klokkenluider van de Notre-Dame, “wie in die tijd als dichter geboren werd, wijdde zich aan de bouwkunst”. In de middeleeuwen was architectuur immers de kunst der kunsten en producent van grote ‘stenen boeken’, die de grotendeels ongeletterde mensheid van een basale levensbehoefte voorzag, namelijk goede verhalen. Totdat de boekdrukkunst zich aandiende, volgens Hugo de “moeder aller revoluties”. Het boek onttroonde de architectuur met zijn rijke sculpturale traditie en nam de rol van meesterverhalenverteller over.

    Vandaag de dag lijkt het soms dat de rolverdeling opnieuw schuift. De ‘rijke’ hedendaagse beeldcultuur eist een steeds grotere hoofdrol op, ten koste van het geschreven woord. Waar het boek tegenwoordig wegkwijnt in stoffige, steeds minder betreden bibliotheken is het beeld overal en doorlopend aanwezig. Ditmaal niet gehakt uit kalkzandsteen, maar opgebouwd uit bits & bytes. Betekent dit dat Hugo opnieuw gelijk krijgt? Zal opnieuw “de ene kunst de andere onttronen”? Het heeft er soms alle schijn van. Maar dat is geen reden tot droeftoeterij. Want kwaliteit verloochent zich nooit. Goede verhalen kun je in vele media vertellen. Wie daaraan twijfelt hoeft alleen maar voor de Notre-Dame te gaan staan.

    Citaten uit: De klokkenluider van de Notre-Dame – Victor Hugo
    Foto is sculptuur van Adam, Eva en de Appel, detail van het Mariaportaal van de Notre-Dame in Parijs.

     

  • Voetstappen

    Ik zat in België op een bruiloft naast een man die les gaf aan de Universiteit van Liverpool en onderzoek deed naar de voetstappen van de mens.

    Het was zo’n bruiloft met mannen die kostuums droegen die niet anders uit de kast kwamen dan voor speciale gelegenheden als bruiloften en begrafenissen. De mannen waren gekomen met vrouwen in jurkjes met vestjes en gelegenheids-tasjes. Ook was er een mooiste meisje. Op een bruiloft is er altijd een mooiste meisje, ook als ze niet echt mooi is maar voor die avond wel, omdat er geen andere mooie meisjes zijn. Maar dit meisje was een natuurschoonheid. Van nature bruin, met lange donkere haren en een neus die je Grieks zou kunnen noemen. Alle mannen, van het zevenjarige neefje tot de oudoom – die speciaal voor deze gelegenheid uit zijn kot was gehaald door een jongere oom van de bruid – konden hun ogen niet van haar afhouden. Ook de vrouwen niet maar om een andere reden.

    De man naast me vertelde wat hij met zijn onderzoek wilde bereiken. Ik verstond hem niet maar omdat hij zo enthousiast vertelde en ik hem niet wilde onderbreken voor iets als: “Ik versta je niet!”, knikte en humde ik maar wat. Op een bruiloft waar de muziek uit de boxen dendert is een gesprek goed gaande te houden met hummen en knikken.

    “Waar kom je vandaan?’
    “Uit Nederland”
    “Wahh?”
    “Uit Nederland”
    “Ah.”
    “En moe gij vanavond ook nog weer terug?” Maar het kon ook zijn: ” Dat was dan wel een heel eind zeker?” Een knik of een humm voldoet. Het doet er ook eigenlijk niet toe op een bruiloftsfeest.

    De oudoom zat met trillende benen in een slobberige pantalon aan de tafel naast ons en had enkel oog voor het glas bier dat steeds opnieuw voor hem werd neergezet. Hij keek strak naar dat glas, of het nu leeg of vol was en dronk alsof het een opgelegde taakstraf betrof die hij coûte que coûte moest volbrengen.

    De man naast me had het over over diabetes… voetstappen en… gebied in Engeland… waar hij voetstappen… van… onderzoeken… Ondertussen zag ik het mooiste meisje van de bruiloft slow dansen met de ober. Een ober met een vriendelijk gezicht en een buik die ver over zijn broekband hing waardoor het mooiste meisje goed op afstand bleef in zijn armen. Opeens knalde Les Lacs Du Connemara van Michel Sardou uit de speakers. De bruiloftsgasten begonnen te springen en met witte servetten, die nog niet waren afgeruimd, boven hun hoofden te zwaaien op het zwepende tempo van de muziek. Iedereen deed mee, alsof de plicht riep en niemand mocht verzaken. De man naast me stond op en ik met hem en we pakten onze witte servetten van tafel en zwaaiden ermee, als moesten we er een kudde dolle koeien mee afleiden, boven onze hoofden.

    Het was plezierig als gekken los te gaan, iedereen deed mee. Zelfs de oudoom met gekromde benen en het mooiste meisje met haar lange haren en natuurlijk mijn twee vriendinnen, de bruiden van het feest. We sprongen en zwaaiden met de witte servetten  en keken elkander opgetogen aan terwijl Sardou maar zong en zong. En ik dacht, ik treedt in de voetsporen van de Belgen die dit gewoon zijn te doen op bruiloften. Ik dacht, waarom zijn Belgen zo verzot op een lied dat gaat over de ruwheid van het Ierse land? En ik dacht dat de man naast mij hier misschien onderzoek naar zou kunnen doen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Allesweter

    ‘Jij weet dus veel, toch?’

    Ik was blij dat de Turkse tabakshandelaar die tegenwoordig door PostNL wordt gebruikt om mijn boekenpakketten in te nemen, ‘toch’ eraan toevoegde, want daardoor kon ik hem meteen uit  de droom helpen.

    ‘Nee joh, ik weet niet alles, gelukkig maar.’

    ‘Maar je doet dus in boeken! Ben je een schrijver? Maak je zelf ook boeken?’

    Ook hierop moest ik nee zeggen.

    ‘Ik verkoop boeken. Ik koop boeken in en verkoop ze weer door naar mijn klanten. In Nederland, maar ook wel eens, zoals nu, naar Canada en Indonesië.’

    ‘O, maar heb je gelezen over die zelfmoordterroristen? Op Facebook. Moet je doen, want het is echt niet zoals je denkt, man. Ik lees ook. Die gasten worden ingespoten met een spulletje ofzo, en ze zijn echt geen moslim. Dat ben ik ook, maar dood maken, dat mag niet, dat staat toch in de Bijbel, of eh, in de Koran.’

    Volgens hem, en dat stond ook ergens op Facebook, ´want niet alles is waar,´ dat die familie, van ´al die banken op die wereld´, de Rothschilds, de aanstichters zijn van alle invasies in niet-westerse landen. Om daar vervolgens iedereen van hun geld door middel van leningen afhankelijk te maken, zodat zij uiteindelijk de wereldmacht hebben. Ik zeg de familie te kennen van naam en van de twee Rembrandts die onlangs door hen zijn verkocht aan Nederland en Frankrijk. Daar kijkt ie me glazig bij aan. Ik lever mijn andere pakjes in en zeg ‘tot morgen’ en loop naar buiten, nog natutend van het college complottheoriën.

    Grappig is ook, bedacht ik me later, dat als ik zeg dat ik iets met boeken doe, ik dan volgens anderen ook automatisch alles gelezen heb en weet. Of dat als je gestudeerd hebt, je alle kennis bezit van het universum en ver daar voorbij. Dat betekent dus ook dat er nog ontzag is voor de wereld van boeken en de wetenschap. In Nederland lijkt dat vaak afwezig, merk ik, in dit laagland van nu, van nut en technologie. En het is ook vooral zo dat Nederlanders met een niet-Nederlandse achtergrond mij als een allesweter bestempelen. Moeras-Nederlanders zijn juist meesters in het afbreken en klein houden van alles wat maar riekt naar kennis, geschiedenis of traditie, behalve als het om folklore gaat of om voetbal, de monarchie en eigen huis en haard. Dat is dan weer mijn eigen gebrouwen complottheorie.

     

    JOOT.NL

     

  • Hond dood en de winter voorbij

    Begripvolle en tedere woordkunstenaar gezocht. Ik had er behoefte aan. Het werd Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt. Verbogt is een schrijver die met de schikking van woorden naar de betekenis van de dingen en de aard van de mensen zoekt. Hij speelt met woorden, hij herplaatst of herhaalt ze waardoor ze hem op een of andere manier bij de dingen brengen waarvan hij niet wist dat hij het zocht, en jij, de lezer had ook geen idee. Hij schrijft ergens: ‘Je weet dat ik altijd geschreven heb om ergens bij te komen, meer dan om iets weer te geven.’ Bij Verbogt weet je nooit waar hij met je heen wil. Het punt van aankomst kan daarom schokkend zijn.

    Over zijn pleegzus gaat het, gevonden in 1944 als tweejarige peuter langs het spoor in Duitsland en opgevangen door zijn ouders. Voor Verbogt, die acht jaar later geboren is, was zij een grote zus. Hij beschrijft hoe rustig en afstandelijk ze is. Er is iets met zich niet kunnen hechten. Ze kiest haar eigen weg en in 1962 vertrekt ze naar New York. Dit afscheid is van grote invloed op het leven van de negenjarige Thomas, dat traumatisch uitpakt als je op pagina 32 totaal niet voorbereid leest dat Becky in de trein naar Rotterdam zat die even na negenen in de ochtend in botsing kwam met een andere trein bij Harmelen. En dat 93 mensen het niet overleefden, waaronder Becky.

    Toen ik dat las, zat ik op de wc en sprak geschokt: ‘Verdorie Verbogt, kon dat niet anders,’. Het was iets met vals sentiment en dat wat echt gebeurd al verzonnen genoeg is, maar dan anders. Dit kon ik er niet bij hebben nu Hond net dood was.

    De impact van de dood van Hond was onverwacht. Ze kon niet meer lopen maar scheen het niet echt een probleem te vinden. We zeiden: ‘Dat is geen hondenleven meer.’ We zeiden: ‘Het is goed zo.’ In even zoveel bewoordingen zeiden we: ‘We gaan niet sentimenteel doen. Want Hond was een echte hond. Maar jee, wat moesten we met onze tranen, toen Hond stil in haar mand lag en het leek of ze zo haar ogen zou opslaan om te zien of het al tijd was voor het een of ander.

    Hond was een levende herinnering aan onze jaren in Noord-Portugal. We vonden haar op een dag langs de kant van de weg tussen Seia en Viseu. We namen haar mee naar huis aan de voet van de Serra da Estrela. Ze sliep er in een hondenhok zoals echte honden doen. Bij gebrek aan vriendjes, werd Hond de speelkameraad van Dochter en Zoon, zoals je dat wel in Disneyfilms. Zeven jaar later namen we naast een paar liter olijfolie, Hond als enige Portugese aandenken mee naar Nederland. De olijfolie was snel op. Hond bracht het tot deze week, waarin ik Als de winter voorbij is las en het acht jaar geleden was dat we haar mee naar Nederland namen.

     

     

  • Het beslissende moment

     

    In de inleiding op een keuze uit zijn gedichten (Alles onecht, 1984) schreef Gerrit Komrij over het moment dat hij wandelend, negentien jaar oud, een dichter werd op de Jachthuisweg. ‘In een handomdraai was het gebeurd. (…) Ik kreeg er niets bij, ik werd er niet rijker of vollediger door – het licht ging aan in een kamer, meer niet. De kamer zelf was er al.’ Nu ga ik niet beweren dat ik op een bepaald moment een schrijver of dichter ben geworden, maar bij het lezen van Komrij’s woorden dacht ik wel gelijk terug aan twee momenten die voor mij – achteraf – van beslissende invloed bleken.

    Op mijn zestiende, anno 1988, treinde ik met een vriendje door Nederland. We waren op Tienertour.  Vier bestemmingen in 10 dagen, geloof ik. Voor het eerst in mijn leven alleen op pad. Ik kan me onder andere een camping in Limburg herinneren waar we een paar dagen verbleven. Tukkers hadden een metershoge muur van bierkratten gebouwd die voor mijn gevoel het zinderende zonlicht weg hield van ons tentje. Het was een van mijn eerste alcoholische en delirische ervaringen. Maar ik werd geen alcoholist. Een andere bestemming van de Nedertrip was Rotterdam, en wel het museum Boijmans Van Beuningen. Vraag me niet waarom we daarheen gingen, misschien stond het gewoon in een begeleidend boekje van de NS. Maar de treinreis naar deze havenstad pakte uit als een beslissend moment in mijn leven. We liepen het museum in, het was mogelijk zelfs de eerste keer dat ik een museum betrad, en ‘Páng’ (Komrij): voor mij zag ik een levensgroot triptiek van de Spaanse verfalchimist Salvador Dalí. Een leeg, groots, panoramisch woestijnlandschap met een touwspringend meisje. De leegte van het doek knalde me tegemoet. Ik was verkocht aan de schilderkunst en de wereld die erdoor werd opgeroepen.

    Met boeken had ik zo’n moment toen ik, net student aan de Universiteit van Amsterdam, antiquariaat Book Traffic aan de Leliegracht binnenliep, er langs de boekenkasten struinde en mijn eerste boeken kocht. Daarna kwam ik er meerdere keren per maand. De Amerikaanse eigenaar Herb, legde steeds een paar boeken van net verschenen Nederlandse romans voor me klaar. Het was in de jaren negentig, de tijd van Ronald Giphart, Herman Brusselmans, Serge van Duijnhoven, het tijdschrift Zoetermeer en de Generatie Nix. Een neo-post-punk-gevoel dat een leven buiten de conformistische kaders voorstond. M’n kritische blik op de wereld werd geboren.

    Misschien heb jij ook wel eens zo’n ervaring gehad waardoor je leven een bepaalde richting is opgegaan? Ben benieuwd naar jouw beslissende ervaring. Laat het me weten via redactie@literairnederland.nl.  Ik kom er vast nog eens op terug.

    JOOT.NL

     

  • Over tederheid

    In mijn hoofd klinkt sinds een week het melancholieke deuntje van ‘Verdomme Kees’, van Frans Halsema. Het zit in mijn hoofd, wil er niet meer weg. Ik leg mijn bestek neer als ik uitgegeten ben, schuif een stoel achteruit, haal broden uit de oven, zie hoe ze daar goudbruin liggen te dampen, alles gewoon. Dan als ik me omdraai, mijn jas op hang, de krant dichtvouw, mijn fiets op slot zet, zingt er een plotseling ‘Verdomme Kees’ door mijn hoofd. Op de nagalm van deze tune ga ik verder met de dingen tot weer dat deuntje door mijn hoofd gaat, ik stilsta, weet dat het door ‘Wim’ is dat ‘Verdomme Kees’ in mijn hoofd zit.

    Wat helpt is lezen in De duimsprong van Miek Zwamborn. Het is een van de mooiste en zachtmoedigste boeken die ik in jaren heb gelezen. Een roman rijk aan verhalen over personen die de aarde in  kaart willen brengen. Haar manier van schrijven is onderzoekend maar vooral helder en maakt van elk persoon, hoe moeizaam de levensloop ook, een oprecht geaard mens. Ze beschrijft mensen die een doel hebben, ook al is dat doel het einde van het leven. De rode draad in De duimsprong is een jonge vrouw die, nadat ze hoort dat haar klimvriend Jens is verdwenen, wil achterhalen wat er gebeurd is. In de hoop hem te vinden gaat ze opnieuw de klimtochten maken die ze eerder met hem maakte, ze zoekt op alle plekken waar ze samen zijn geweest. De ontroering ontspringt uit de poging de tijd stil te zitten, te geloven dat hij daar is waar ze hem gezien heeft, waar ze samen waren.

    ‘Op de een of andere manier geloofde ik door naar de plekken te gaan waarover hij me had verteld dichter bij zijn verdwijnpunt te komen. Ik vertrok naar Engeland. Toen ik net als Jens langs de stronken van het Fossil Forrest liep en me op de terugweg over het strand van de Hoefijzerbaai liet blazen ontdekte ik in een van de straten dwars op de baai een boom met daarin buitensporig veel plastic emmertjes en schepjes, aangespoeld waarschijnlijk, verzameld door de zee zelf of achtergebleven op het strand. Daar onder die boom heb ik voor het eerst om Jens gehuild. Al die vermiste voorwerpen bijeen in de boom deden me beseffen dat ik hem wellicht nooit meer terug zou zien.’

    Miek Zwamborn werd door Wim Brands geïnterviewd in 2013. Brands geniet zichtbaar hoe ze vertelt over de uitgangspunten en ontdekkingen die haar tot het schrijven van dit boek hebben aangezet. Genieten is een vorm van tederheid. En dan zingt het weer in mijn hoofd ‘Verdomme Kees’, bij wie moeten nu al die jonge schrijvers, voor wie het het toppunt van waardering is ooit in Boeken met Brands te mogen zitten, waar moeten die nu heen? Nog liever dan met een DWDD-sticker te worden opgescheept werden ze, zeker weten, liever door Wim Brands uitgenodigd om over hun boek te komen praten. ‘Dat zegt iets, naar ik vrees…’

     

    Kijk hier de uitzending met Miek Zwamborn: vpro.nl


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Alomvattend schrijverschap

    Ongeveer een maand geleden kocht ik de boeken van Joost Zwagerman. Op een zaterdag heb ik van elf uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds een busje volgeladen met zijn boeken. Kast voor kast, plank voor plank zag ik waarmee Zwagerman zijn schrijversleven stutte – Amerika, kunst, popmuziek, cultuurgeschiedenis, literatuur – om een paar van zijn thema’s te noemen. Psychiater Bram Bakker schreef in een van zijn boeken een opdracht aan Zwagerman: ‘Voor de man die alles al weet.’ De schrijvende en sprekende alweter die op enthousiaste en soms zelfs evangeliserende toon sprak over zijn passies.

    Wat me opviel tijdens de vele uren sjouwen met zijn boeken, was een wat meer frikkerig thema dat we minder goed van hem kennen: de hoeveelheid boeken over ‘het vreemde vermaak dat lezen heet’ (S. Dresden). De schrijver was natuurlijk ook een lezer. Een lezer van romans, van essays, van studies, van kunstcatalogi, over filosofie, spiritualiteit, psychische stoornisssen  en ga zo maar door. Zwagerman was ook een lezer over het fenomeen dat lezen zelf is. En dat, wat hij las, uiteraard ook weer gebruikte in zijn eigen werk. Zo lijkt de titel, de inhoud en het omslag van zijn essaybundel Pornotheek Arcadië (2000) best veel op Pornocopia van Laurence O’Toole (1998) dat in zijn boekenkast stond. Veelzeggend is de opening van Zwagermans essaybundel waarin hij het heeft over het writer’s block van Otto Vallei. Vallei was het hoofdpersonage in zijn daarvoor gepubliceerde roman Chaos en rumoer. Ik denk dat het een mechanisme van Zwagerman was om te schrijven over dat wat hem flink bezig hield of zelfs angstig bekroop. Van porno tot zelfmoord, het fascineerde en domineerde hem.

    Het is een unieke en veelomvattende boekencollectie waarin ik al een maand bijna dagelijks verdwaal. Het is echt heel veel. Zijn roman Zes sterren heb ik voorlopig maar van mijn nachtkastje gehaald en in de boekenkast gezet. De nadrukkelijke afwezigheid en de indirecte aanwezigheid van Zwagerman is overdag al zo’n overweldigende en krachtige invulling van mijn werkzame uren, dat ik hem in de avonduren even laat liggen. Ik voelde me wel schuldig want in Zes sterren schreef hij dat zelfmoord betekent dat de mensen er van wegvluchten, ook al zal dat voor zijn naasten, helaas, onmogelijk zijn. Maar ja, het lezen gaat door en ik pakte op weg naar bed een boek van Gerrit Komrij en las over en lachte om zijn bespiegelingen over stront: ‘We zeulen, al kijken we op de eenzaamste kaap naar de indrukwekkendste zonsondergang, onze drol met ons mee.’ Blijkt de volgende dag, dat als ik toch weer in een Zwagerman blader (Het vijfde seizoen), hij het ook heeft gelezen en er, natuurlijk, over schreef. Alomvattend schrijverschap.

     

    Joot.nl

     

  • Als het lukt gaat het goed

    Ik ben goed in taarten bakken en wilde een regenboogtaart maken. Tientallen keren gebakken, altijd succes. Het is een behoorlijk indrukwekkende taart. `als het even niet meezit helpt alleen het denken aan een Regenboogtaart al. Weldra ontstaat er in mijn hoofd een weldadige inspiratie kick. Alles komt uit het hoofd. Ik pakte beslagkom, brak eieren, woog bloem af  (waarbij ik opeens twijfelde aan de juiste hoeveelheid), bereidde kleurstoffen, een behoorlijk ingewikkeld procedé, van rode biet, wortel, citroen en kurkuma, blauwe bessen, braam, spinazie en framboos, die ik niet meer in huis had, maar dat moest geen probleem zijn. Het vereist vaardigheid en een nauwgezetheid van samenstellen van de ingrediënten om de juiste kleuren te krijgen. Die bleek ik opeens niet meer te bezitten. De taart werd te hard gebakken en behoorlijk kleurloos. Alles kon de vuilnisbak in. Ik was mislukt.

    De Portugese schrijver António Lobo Antunes (1942) overkwam het ook, al denk ik niet dat hij ooit een taart gebakken heeft. Zijn ding is verhalen vertellen, levens beschrijven en daar een boek van maken. Hij schreef zo’n veertig boeken. De laatste keer dat hij zich aan een verhaal zette dat verteld moest worden, gebeurde er niets. Hij zat aan tafel, schrijfblok voor zich, pen in de hand en er gebeurde niets. Hij, die dacht te weten hoe je een boek moet schrijven, kreeg geen letter op papier. Hij beschrijft het nauwgezet in een column, gepubliceerd in het Portugese tijdschrift Visão.

    “Het waren geen gemakkelijke maanden van begin augustus tot half december 2011: […] mijn wanhoop en het gevoel dat de zin van mijn leven weg was namen bijna van uur tot uur toe. 

    Hij dacht dat zijn bron was opgedroogd en dat hij zich daar maar bij neer te leggen had. Het maakte hem gek te weten dat hij nooit meer zou schrijven dus ging hij elke ochtend achter zijn bureau zitten zoals hij dat gewend was te doen. Dat hij elke dag eindigde met een blanco vel weerhield hem er niet van de volgende ochtend weer te gaan zitten. Soms kwamen er een paar zinnen en dacht  hij: ‘Misschien is dit het’, maar het was het niet en het ene na het andere probeersel verdween in de prullenbak. Toen begon hij te schetsen, hij tekende een huis met een dak en een schoorsteen en zag er het begin van een boek in. Hij tekende nog een paar huizen, als ware het de verschillende versies van een verhaal. Het werd een huis met vier verdiepingen en een zolder. In elk appartement, op elke verdieping kwamen bewoners. Toen verscheen er een zin: Ik loop als een brandend huis (Caminho como uma casa em chamas).

    “Vervolgens begon ik vol angst en twijfels aan de eerste kladversie van het eerste hoofdstuk: in de prullenmand. Een tweede versie: in de prullenmand. Een derde: in de prullenmand. Vervolgens haalde ik het derde kladje weer uit de prullenmand en begon dat te herschrijven, één, twee, drie keer: terwijl ik me afvroeg ‘Zou dit het zijn?’
    en mezelf antwoordde ‘Waarschijnlijk niet maar ik ga maar door”

    Na drie jaar was het boek, Als een brandend huis af. Waarin bewoners van acht appartementen, die aangeduid worden als ‘Tweehoog rechts’ en ‘Begane grond links’ in Lissabon een stem krijgen. De epiloog vindt plaats op zolder, waar voormalig dictator Salazar een rol speelt als ‘de doffe echo van een dood gezag’. Een prachtig boek dat een stuk van de geschiedenis van Portugal en hoe Portugezen denken en leven, (maar vooral over de denkwijze van Lobo Antunes zelf), weergeeft.

    Ik had dit nooit geweten als Harrie Lemmens, vertaler van Lobo Antunes, niet ook zijn columns vertaalde en publiceerde op de website voor Portugeestalige literatuur, Zucamagazine.nl. En dat doorgaan maar het best is wat je in alle gevallen kunt doen.

     

     

  • Naar Berlijn

     

    ‘Ja! Boekenreizen? Ken je dat niet? Toen mijn man nog leefde, deden we dat regelmatig hoor. Naar Berlijn zijn we ook, ik meen, twee keer geweest.’

    Ik vertelde de mevrouw die ik aan de telefoon had dat ik de afgelopen week een paar dagen in Berlijn was geweest. Ik zoek vaker boeken voor haar, omdat ze zelf geen internet heeft en ik ooit, jaren geleden, bij haar thuis ben geweest en toen een flink aantal dozen met boeken van haar kocht. ‘Via de NRC ging dat geloof ik. Ik ben een beetje vergeetachtig, dus dat weet ik niet precies meer.’ Als ik na het telefoongesprek op ‘boekenreizen’ google, zijn er geen verwijzingen naar een dergelijk tijdverdrijf. Vooral ‘goedkope vakantie boeken’ en ‘boeken over reizen’ verschijnen op het scherm. ‘Dan gingen we dus met gelijkgestemden op reis. Allemaal geïnteresseerd in boeken. En dan was er iemand van de reisorganisatie die ons dan naar antiquariaten en ook wel verzamelaars bracht. Leuk hoor.’

    Blijkbaar zijn er nu minder mensen die dat leuk vinden, of zou dat niet zo zijn? In gedachten ga ik terug naar de – in mijn geheugen – kleurige jaren zeventig of tachtig, de jaren van mijn jeugd. Toen Duitsland nog twee namen had: de BRD en de DDR. Ik hoorde wel eens van oudere antiquaren dat ze heel veel wetenschappelijke collecties uit Oost-Duitsland kochten en er in het Westen een flinke duit aan verdienden, dat laatste vertelden ze er niet bij, maar anders reis je daar niet heen. De cowboy-jaren van het antiquariaat, zonder internet, gedeelde databases en snelle verbindingen en een clientèle die niet keek op een dollar meer of minder. De bestellingen kwamen met bootladingen uit de Verenigde Staten en Canada en de boeken gingen met containers weer terug de oceaan over. Universiteiten en bibliotheken en musea verrijkten zich in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog met boekengoed uit de Oude Wereld.

    Mijn oude werkgever, een Amsterdams antiquariaat, kocht eind jaren negentig nog grote delen van Zuid-Afrikaanse universiteitsbibliotheken op om ze maanden later in containers aan de Nederlandse wal te begroeten. Vervolgens gingen die boeken weer richting andere delen van de wereld, want in Nederland is er meestal weinig animo voor echt antiquarisch goed. We handelen meer dan dat we zelf verzamelen. Uit mijn collectie gaan ook de meeste en mooiste en duurste items, boeken, kunst, foto’s, naar bij voorbeeld London of München, Rome of New York. Zelfs een originele foto van Ed van der Elsken heb ik niet kunnen verkopen aan een Nederlander. Nee hoor, die ging naar de oosterburen. Hun Wilkommenskultur geldt niet alleen de vluchtelingen op deze aardbol, maar ook de kunst uit andere landen. Daar kunnen wij, zuinige en bekrompen Nederlanders nog wat van leren. Nu al weer zin in Berlijn, op boekenreis.

     

    Joot.nl

     

  • Woeste krullen

     

    Op het perron van een klein station in het Oosten van het land stond ik op een vroege ochtend te wachten op de trein die me naar het Noorden zou brengen. Het stationnetje had twee perrons en was op mij na geheel verlaten. Ik voelde mij prima afgestemd op dit tijdstip, de stilte en mijn voornemen voor deze dag. Toen de trein binnenreed kwam een jongeman gehaast het perron op. Al lopende, tastte hij in de binnenzak van zijn lange jas. Stopte abrupt, liet zijn bruin leren tas tussen zijn voeten vallen en doorzocht alle zakken van elk kledingstuk dat hij droeg. De conducteur keek vanuit de openstaande treindeur naar de jongeman die nu steeds verwoeder, zijn tas doorzocht en begreep dat dit op niets zou uitlopen. Hij draaide aan de binnenkant van de deur een sleutel om waarna een schrille fluit klonk en de deuren van het treinstel zich sloten en vertrok.

    De jongeman, die een aantrekkelijke bos woeste krullen had, keerde zich met een ruk om en liep richting fietsenstalling. Onderweg mepte hij een prop papier in een prullenbak waarmee het leek alsof hij de stop uit een volgelopen waterbak had getrokken. Hij gaf de prullenbak er van langs: ‘Tjeesus (knal!). Die kuttekop (ram!). Heeft ze weer (knal!) mijn portemonnee (knal!) bij zich (ram!) gehouden. Ik had het nog zo gezegd (knal!).’ Omdat ik het zelf wel eens bij de hand had gehad, meende ik te begrijpen dat zijn vriendin zijn portemonnee voor de boodschappen had gebruikt en die niet terug in zijn jas had gestopt. En dat het niet de eerste keer was. De jongeman sloeg nog één keer met zijn tas (ram!) tegen de prullenbak en liep verder, zijn krullen nog woester dan daarvoor.

    Toen hij mij passeerde vroeg ik: ‘Gaat het?’
    ‘Ik hoop dat ik u niet geschokt heb’, verontschuldigde de woeste krullenbol zich en keek me daarbij aan alsof ik hem nu pas was opgevallen.
    ‘Oh nee hoor’, glimlachte ik. ‘Ik ben wel wat gewend, haha.’
    Maar dat was ik  helemaal niet. Mijn lief probeert wel eens woedend te zijn maar dat lijkt nergens op. We zijn daar niet zo goed in. ‘Maar in de loop der jaren heb ik toch wel wat oefeningen gedaan,’ vertelde ik hem, terwijl ik mijn ogen niet van zijn krullen kon afhouden.

    ‘Daar lijkt u me veel te aardig voor om in woede uit te barsten,’ zei de jongeman.
    Ik zei: ‘Ojee, dan heb je me nog nooit gezien bij het openen van een pakje Toscaanse vegaburgers die ik niet open krijg. Dan ontsteek ik van het ene op het andere moment in felle woede en voordat ik het weet trek ik een keukenmes uit de la. Die ik zonder pardon dwars door het  gesealde plastic van het onvermurwbare pakje steek en doorklief met één opwaartse beweging het strakgespannen plastic, als staat er een leven op het spel en met een woede, die stijgt als het water in de rivier na een lange winter, ruk ik de verpakking verder open met mijn handen om eindelijk die Toscaanse burgers te kunnen pakken.’
    Mijn trein reed het station binnen.  De woeste jongeman lachte waardoor hij nog aantrekkelijker werd en zei: ‘Waar zouden we zijn zonder woede.’
    ‘Ja, zei ik, ‘Je hebt gelijk, wat woede op zijn tijd houdt het vuur brandende,’ en stapte in terwijl de zon over het perron scheen. Op naar het Noorden, naar de schoonste lucht van het land.

     

     

     

  • Onverwachte poëzie

    Hoe ik mij op een avond met heel veel plezier verloor, ergens in een verkavelde Noord-Hollandse polder, in een oneigentijdse collectie van dichtbundels van een gestorven hoorspelregisseur.

    Op een regenachtige maandagavond reed ik terug vanuit West-Friesland naar Amsterdam met een fijne buit aan honderden dichtbundels van voornamelijk Nederlandse poëzie. Een hoorspelregisseur was overleden en liet een flinke boekencollectie na. In een jaren vijftig ruitjeshuis van een van de nabestaanden stond ik de bundeltjes te tellen: 328 in totaal. Ik nam ook nog een aantal kunstboeken mee en aan de wand zag ik een mooi schilderijtje hangen van een stadsgezicht in de avondmist dat me deed denken aan de Londense schilderijen van de Tachtiger Willem Witsen (1860-1923). Zo gek bleek mijn associatie niet te zijn. De opa van de dame die zich had ontfermd over de boekenerfenis bleek de schilder van dit werkje en hij verbleef in dezelfde periode als Witsen in Londen, zo rond 1890.

    Ik zakte weg in de tijd en vertoefde met de vaak prachtig grafisch vormgegeven poëzie in een dichterlijke dimensie die nog eens versterkt werd door het schaarse licht in huis en de waaiende duisternis buiten. Namen en titels van vergeten, bijna vergeten, tijdelijk bekende en beroemde dichters gingen door mijn handen. Ik lees van Paul Rodenko (1920-1976) in zijn verzamelde gedichten het gedicht Vreemdeling, dat begint zoals ook zijn biografie heet:

    Ik ben een vreemdeling,/ ik sta apart./ Elk ding/ zwelt tot een klam gezicht./ Ik tors het licht./ Het is stijf als een drenkeling./ Ik ben alleen./ Mijn moegerekte hart/ staat steil gericht:/ een meterhoge klarinet./ Maar geen geluid haalt grond in het/ star zwijgen om mij heen.

    Maurice Gilliams (1900-1982), Guillaume van der Graft (1920-2010), Catharina van der Linden (1909-2002), wie kent ze nog? Wie leest ze nog? Alsof hun poëzie eigenlijk al te verstoft is, te stoffig, te oneigentijds . Misschien is dat de reden dat ik van deze gedichten houd. Zoals ik graag naar een foto kijk, van een straat uit de jaren vijftig, waar zoveel nog niet is, de volheid van nu afwezig is, pas later wordt ingekleurd. Ida Gerhardt (1905-1997), ook zo’n type dichter, die bij wijze van spreken al ouderwets of te klassiek was toen mijn opa en oma de nieuwe tijd omarmden van auto, televisie en vakantie. Maar haar kosmisch-religieuze gedichten mogen soms wel reactionair klinken, tegen mijn hedendaagse ik in, ik kan niet ophouden ze te lezen. Zoals ook Marsman mij boeit en zelfs, aiai, Adriaan Roland Holst met zijn gezwollen taal. Stiekem, ik doe er een, van Van der Graft (ps. van Willem Barnard):

    De wind zo langademig in de bomen/ als liefde die nachtenlang niet inslaapt/ maar aldoor dezelfde naam herhaalt,/ onachtzaam voor anderen, onverstaanbaar,/ zodat men kan zitten in de kamer/ van één eigen leven mensvormigheid/ maar buiten dit lichaam verlopen er tijden/ en worden er levens gedrenkt in de regen/ en zoeken er doden een naam als een klok.

     

     

  • Secundair leven

    Vanochtend reed ik door een uitgebreidere variant van de nieuwbouwwijk dan waar ik, in de jaren tachtig, in opgroeide. Onder de rook van Schiphol bleek een opgeblazen ‘groeikernhel’ (Don Duyns) te liggen met de naam Hoofddorp. En een waterhoofd is het. Wie waren die fantasieloze ambtenaar-architecten die in de jaren 80 en 90 dit soort wijken uit de grond stampten? Met gelige baksteen in plaats van de rode uit vroeger jaren wordt het straatbeeld nog monotoner dan het al is door de gevels en huizenblokken, ontworpen door nuts-denkende bouwers.

    Ik reed door een wijk met (al lang vergeten) vrouwelijke schrijvers: Anna Blamanstraat, Ina Boudier-Bakkerlaan, om te stoppen voor een huis in de Annie Mankes-Zernikestraat. Via email had ik een lijst met boeken ontvangen waarop ik terugmailde: ‘Dank voor uw aanbod, maar er zit te weinig interessants tussen. Succes ermee.’ Ik kreeg een mail terug dat hij met de interessante boeken best wel langs wilde komen. Ik keek nog eens goed naar de lijst en besloot toch langs te gaan.

    Eenmaal binnen keek ik naar een paar stapels boeken op de eettafel en begon te selecteren, onderwijl pratend met de, zo bleek, leraar op een middelbare school in Nieuw-Vennep. ‘En daar heb ik ook nog wat staan,’ zei hij, ‘gekocht voor mijn studie filosofie en vanwege mijn interesse in de literatuur.’ Het drong tot me door dat het zeer de moeite waard was dit ritje te hebben gemaakt. Radical Enlightenment van Jonathan Israel zat er tussen. Maar ook boeken van filosofen als Richard Rorty, Kant en Nietzsche, van klassieke schrijvers als Herodotus en Augustinus en verschillende cultuur-historische studies.

    Hurkend op mijn knieën keek ik de stapels door die op de grond stonden. Lekker grasduinen en eruit pikken wat verkoopbaar, interessant of beide is. Voor mezelf pakte ik Het boek van de schoonheid en de troost van Wim Kayzer, naar de prachtige tv-serie die hij in de jaren negentig maakte met meerdere schrijvers, filosofen, wetenschappers en kunstenaars over de vraag naar de zin van het leven en de herinneringen gekoppeld aan schoonheid en troost. Door die serie werd er in mij een gevoel van reflectie geboren, een filosofische houding die tot dan toe, begin twintiger die ik was, nog niet aan de oppervlakte was gekomen. Het secundair kijken naar de wereld, niet impulsief maar juist reflectief, beschouwend.

    Thuis legde ik nog wat boeken voor mezelf terzijde. Van de geoloog Salomon Kroonenberg, over spraakverwarring, De binnenplaats van Babel (Atlas Contact, 2014), en ook zijn Waarom de hel naar zwavel ruikt (Atlas, 2011), waarin geologie, geschiedenis, kunst en cultuur met elkaar worden verweven. Over de werkplek van de geologie, letterlijk: de onderwereld. Reden waarom ik ook een boek voor mezelf hield over de magnifieke etsen van de Italiaanse architect Piranesi (1720-1778) van het oude Rome, maar ook van imaginaire onderaardse gewelven en catacomben. Harry Mulisch maakte mij attent op Piranesi in 1997. In dat jaar maakte de schrijver een tentoonstelling, een keuze uit de collectie van het Stedelijk Museum. Net als in 1996 Komrij dat al eens deed voor het Stedelijk. Om de drieslag compleet te maken van dode, Nederlandse, schrijvende mannen: plukte ik voor mezelf ook Johnny van Doorn uit de stapels. Zijn autobiografische verhalen waren van een stilistische souplesse, die maar weinig Nederlandse schrijvers met hem delen. Voor mijn doctoraalscriptie waarin ik zo’n beetje verzoop in de onmatige en ondeskundige wens wetenschap te bedrijven, gebruikte ik een paar zinnen van Van Doorn uit De geest moet waaien (1977): ‘Mijn hoofd was tot barstens toe gevuld met gedachten die alle kanten uitgingen. Ik wilde er iets mee doen, maar hoe kon ik ooit meester worden van die chaos?’ (Red)Middel: schrijven.