• De huisschilder

    Er stond een man op een ladder voor het raam van mijn werkkamer op de eerste verdieping. Het was de huisschilder. Door de gordijnen heen, die ik gesloten hield om de warmte te weren, zag ik het silhouet van de man op de ladder heen en weer bewegen. Alsof hij zacht zwiepend een orkest aanmoedigde. Hij doopte de kwast in de verfpot die aan de ladder hing. Door de kier, daar waar de twee gordijnen net iets te smal van stof waren om elkaar te raken, en waar ik van een afstandje gegeneerd doorheen keek, zag ik zo nu en dan een donkerblauw petje verschijnen. Ik had het geluid van een aluminium ladder die tegen de gevel werd geslingerd wel gehoord maar er geen aandacht aan geschonken. Mijn werkkamer is mijn vesting waar niemand ongevraagd kan binnenkomen, of het moet Mijn lief zijn die me een gekoeld glas wijn komt brengen.

    Vanuit een gettoblaster , zoals alleen de echte werkmannen van de straat die nog hebben, walste Boudewijn de Groot met ‘Onder de purp’ren hemel in de bruine zon / Speelt nog steeds het harmonieorkest’ door het op een kier staande raam mijn kamer binnen. Alsof ik ontelbare zomers werd teruggeworpen in de tijd. Door de kier zag ik een soepele hand het kozijn strelen, en dan weer kleine tipjes met de top van de kwast aanbrengend. Er klonk een zucht. Een zware zucht, die als een kreun aan de huisschilder ontsnapte. Ik wilde het raam dicht doen maar dan zou de man weten dat er zich iemand achter het gordijn bevond.

    De onrust besprong me van alle kanten. ‘Het komt door de warmte’, dacht ik. Buiten was het 30 graden. Bij elke, door de gordijnstof gefilterde beweging van de huisschilder, hield ik mijn adem in en schoof met mijn stoel steeds verder onder de tafel om te voorkomen dat hij een glimp van mijn aanwezigheid zou kunnen opvangen. Het begluren van mensen is een onhoudbare eigenschap van de mens. En een huisschilder houdt vast niet alleen om de geur van verf van zijn werk.

    Ik zou, wanneer ik huisschilder was, me ijverig van mijn taak kwijten, maar ondertussen zou ik alles wat zich in de kamer achter het te bewerken object bevond aan een onderzoekende blik onderwerpen. Ik zou het vertrek onopvallend doch intensief afspeuren op sporen waaraan je enigszins het type of karakter van de bewoner zou kunnen aflezen. Een handdoek over de rugleuning van een houten stoel, of achteloos op de grond achtergelaten. Een slipje, sloffen onder het bed, een boek, (ergens zal er een boek zijn), een half leeg theeglas op een tafeltje. Daar kun je iets mee, de suggestie van een leven.

    Van een werkkamer als deze zou ik me de voorstelling maken van wat iemand daar zoal doet, buiten gekoelde wijntjes drinken en zich verbergen voor de buitenwacht. Ik zou geloven dat iemand daar, gezien de stapels schrijfboeken, kladblokken, pennen en losse beschreven blaadjes, de volle boekenplanken langs de muren, belangrijk werk zat te maken. Dat daar een schrijver zou huizen, waar nog niemand van gehoord had en die niemand ooit te zien kreeg maar waar we nog van zouden horen. Dat is het voorrecht van een huisschilder, zich de levens van de bewoners toe eigenen. En al zou het niet waar zijn, het is de suggestie die de dingen levendig houdt.

    Ondertussen was ik met mijn laptop naar de badkamer gevlucht waar ik zittend op het deksel van de wc-pot verder typte en nog steeds de zware zuchten van de huisschilder kon horen en wachtte op Mijn lief en koele wijn.

     

     

  • Service van de zaak

    ‘Een ander gaat naar een concert, wij hebben dit’, zei kortgeleden een vliegtuigspotter toen de Joint Strike Fighter (F-35)  vliegbasis Leeuwarden aandeed. Er was een tijd dat ik concerten recenseerde voor een regionaal Fries dagblad en beide deed: een optreden van de Kapel van de Koninklijke Luchtmacht op de vliegbasis verslaan én eersterangs zicht hebben op een F-16. Om beide had ik niet direct gevraagd.

    Bij de poort van de vliegbasis moest ik mij legitimeren. Anders dan Tonio Kröger, die in de gelijknamige novelle van Thomas Mann op een gegeven moment niets bij zich had om zich te legitimeren, had ik erop gerekend. En anders dan in het verhaal van Mann, volstond hier geen typoscript met mijn naam erop. Want uiteindelijk zijn en blijven ook muziekjournalisten journalisten, en daar moet je mee oppassen!

    Mijn auto, en even later die van een wat oudere collega-recensent van een andere krant, werd naar een platform achter de hangar van een F-16 gedirigeerd. Er stond er maar een. In de pauze zagen we dat er bewaking bij onze auto’s stond. Of was dat verbeelding, en was het voor die F-16? In ieder geval werden we tijdens de pauze geschaduwd, daar was geen verbeelding voor nodig. Dit maakte mijn collega en diens vrouw hoe langer hoe zenuwachtiger, en ze meenden dat het beter was om in elkaars buurt te blijven.

    Aan het eind van het concert werden we weer onder escorte naar buiten geleid. Ik stapte in en zag achter me de koplampen van een ‘volgauto’ oplichten. Toen ik bij de slagbomen was aangekomen, stroomde inmiddels de volle parkeerplaats leeg. Deze auto’s hadden allemaal voorrang op mij en ik bezat mijn ziel in lijdzaamheid, hoewel er thuis een schrijfklus op me wachtte. Mijn collega-recensent en zijn vrouw was ik inmiddels uit het oog verloren.

    Op een gegeven moment schoot de auto die mij op gepaste afstand volgde mij links voorbij. Een politieman stapte uit, hield alle langzaam, in colonne rijdende auto’s tegen, en gebaarde mij op te trekken en in te voegen. Wat bij Mann aan het begin van zijn ontmoeting met een politieman gebeurde (hij beschreef zijn vriendelijke, eerlijke gezicht), gebeurde bij mij aan het eind van een avond vol vooroordelen en oordelen: voor even was de politie mijn dikste vriend.

    Ik moest er weer aan denken toen ik onlangs las wat de woordvoerder van een groot congres van Jehova’s getuigen in Utrecht antwoordde op de vraag van een journalist, waarom hij niet onbegeleid rond had mogen lopen: ‘Dat is service.’

     

     

  • Escapades

    Nu de hedendaagse goden zijn teruggekeerd van de Olympus is de tijd rijp voor een klassiek literaire terugblik op één van de meest memorabele momenten van de Spelen: de escapades van godenzoon Yuri.

    Hoe kunnen we zijn avonturen beter herbeleven dan door ze terug te lezen in Ovidius’ Metamorphosen? Wat leent zich daar beter voor dan die prachtige aaneenschakeling van verhalen over levens van klassieke goden, stervelingen en andere mythische figuren? Zoals de in een laurierboom veranderende Daphne, de altijd napratende Echo en de op zichzelf verliefde Narcissus. Nee, niets is leuker dan deze klassieke verhalen te gebruiken als spiegel voor de beproevingen van de hedendaagse mens. Zoals die van Yuri.

    Zijn escapades brengen die van Bacchus in herinnering, uit het achtste boek van de Metamorphosen. Een verhaal dat door Titiaan in opdracht van Alfonso d’Este onvergetelijk is uitgebeeld. Voor wie het wil zien; het hangt in de National Gallery van London. We zien een overblije jeugdige Bacchus die met zijn gevolg van feestvierders op een wat verdrietige Ariadne stuit, de dochter van koning Minos. Zij is net verlaten door Theseus, die haar had meegenomen naar Naxos, maar daar alleen achterliet. Terwijl ze nog in tranen is dient de wijngod zich bij haar aan. Ze schrikt maar wordt snel door Bacchus getroost. Hij pakt haar diadeem af, slingert het de hemel in en schenkt haar zo haar eigen sterrenbeeld, de Corona Borealis. Waarna ze trouwen en geloof ik, nog lang en gelukkig leefden.

    Dit doek van Titiaan lijkt Yuri op het lijf geschilderd. Al zijn er dan wel meerdere interpretaties mogelijk, maar dat is bij een klassiek mythologisch schilderij wel vaker het geval. Volgens de eerste interpretatie is Ariadne net met de boot in Brazilië aangekomen en stuit ze op het strand op Yuri met zijn gezelschap van schaarsgeklede en dronken Braziliaanse feestbeesten. Yuri is zo blij haar te zien dat hij uit jolijt haar diadeem de hemel in slingert, waarmee hij zijn kansen op Olympische goud vergooit.
    Een tweede interpretatie is dat Yuri’s gezelschap bestaat uit dronken collega-Olympiërs, waaronder de door slangen gevangen god Mauritshendrikos. Hij stuit dan niet op Ariadne maar op de godin Olympia, die op zijn zachts gezegd not amused is als ze ziet hoe haar gedroomde winnaar hier door de in bier gedrenkte Olympiadengroep wordt opgejut. Ze wendt zich van hem af en ontneemt hem zijn podiumkansen. Al lijkt ze door met haar rechterhand naar de sterren aan de hemel te wijzen te suggereren dat het goud voor Yuri in de toekomst misschien nog wel bereikbaar is.

    U ziet, Ovidius en Titiaan zijn van alle tijden, al zullen we nooit weten welke interpretatie de juiste is. Maar ik hoop dat ooit één van de lezers van deze column in de National Gallery voor het schilderij van Titiaan staat en dan fluistert: ‘Hee, dat is Yuri, hoe zat dat ook al weer?’

     

     

  • Akoestiek van het geheugen

    Met Dochter aan het stuur  (die onlangs opeens haar rijbewijs had gehaald waar ik niets van wist), maakte ik een ritje in onze lichtblauwe 2CV door de omgeving. Na het behalen van een rijbewijs komt het er op aan kilometers te maken en ik kon daar wel iets in betekenen als gezelschapsdame.

    Met autorijden is het als met schrijven, je moet het elke dag doen. Vandaag gingen we langs smalle landweggetjes, over dijken en pakten tussendoor een stukje snelweg mee. De dijken waren om behendigheid in het nemen van slingerende bochten te leren, de landweggetjes om tegemoetkomend verkeer zonder claustrofobische gevoelens te passeren en de snelweg om het in- en uitvoegen te oefenen. En ondertussen probeerden we een gelegenheid aan te doen voor koffie. Maar dat was nog niet zo eenvoudig.

    Soms stelde ik voor ergens af te slaan en dat deed ze dan. Zo kon het gebeuren dat we een doodlopende weg inreden waarbij we aan het einde van die weg nog net linksaf konden, recht het parkeerterrein van een Kringloopwinkel op mét een café. Na het inparkeren van de 2CV, bezochten we eerst de boekenafdeling. Dochter vond daar een bijzondere fietstas (wat geen fietstas bleek te zijn maar wat het wel was wisten ze ook niet). We kwamen armen te kort om de stapels boeken, waaronder gedichten van Garcia Lorca, Vasalis en Szymborska waarvan ik dacht er niet zonder te kunnen maar later, door gebrek aan voldoende liquide middelen, de meeste weer terugzette en er drie overhield.

    De keuze viel uit sentimentele overwegingen op Cirkel in het gras van Oek de Jong. Het bracht me terug naar de zomer van 1986 toen ik, verlangend naar romantische verliefdheden, me verloor in het personage Hanna Piccard en haar gepassioneerde liefdesleven in Rome. Wat een boek! De tweede was Vertrouw op mij van John Updike. Een meesterlijke schrijver waarvan ik de Rabbit boeken kende en hoopte dat deze verhalenbundel eenzelfde effect op me zou hebben. Al bladerend bleven mijn ogen al gauw haken achter:

    ‘(…) misschien was dat een kwestie van de akoestiek van het geheugen.’

    ‘De akoestiek van het geheugen’. Stel je voor: het geheugen een ruimte waarin sprake is van een akoestiek. In de akoestiek van het geheugen kaatst het geabsorbeerde verleden zich opeens in een volheid terug die zijn weerga niet kent, die de werkelijkheid vergroot en overtreft. Prachtig!

    De derde keus viel op De Nederlandse maagd van Marente de Moor, van wie ik altijd dacht iets te willen lezen maar het nooit deed. Het was een mooi exemplaar, niemand had de bladzijden nog beroerd. Het was vast een verjaarscadeau geweest voor iemand die niet van dat soort boeken hield en het in de kast zette en alleen als de gever van het boek op bezoek kwam, het er even tussenuit nam en weer recht tussen de andere boeken zette die hij, om redenen die hij zelf ook niet kende, allemaal niet gelezen had. Deze man was onlangs geëmigreerd en had, tot zijn verbazende spijt, al zijn boeken moeten achterlaten en had de Kringloop  gevraagd, de boeken, toch algauw zo’n 600 in getal, tezamen met een verzameling ovenschotels, mee te nemen. En zo kwam ik aan een vrijwel nieuw exemplaar van een boek van Marente de Moor. Ik ben benieuwd hoe de akoestiek van mijn geheugen dit later zal gaan afspelen.

     

     

     

     

  • Welkom in de eenentwintigste eeuw

    Een collega, docent maatschappijleer, liet leerlingen een opdracht over Anne Frank maken. Groot was zijn schrik toen hij ontdekte dat sommige werkstukken doorspekt waren met neo-nazistische narigheid. Wat bleek? De zoekterm ‘Anne Frank’ had de kinderen op Google een reeks treffers opgeleverd waarin betrouwbare en leugenachtige websites als ogenschijnlijk gelijkwaardige alternatieven werden aangeboden. Het Verzetsmuseum of ‘White Power’-malloten, het was één pot nat.

    Zelf zocht ik ooit op YouTube het filmpje van cantor Azi Schwartz, voorzanger van een New Yorkse synagoge, waarop hij zingt bij een 9/11 herdenking op Ground Zero. Hartverscheurend mooi, u zou eens moeten luisteren. Wat zag ik toen de YouTube-pagina verscheen, op dat tableau van fotootjes met titel en tijdsduur? Ik zag een filmpje van een holocaust-ontkenner. Een filmpje over de waarheid omtrent 9/11, dat de Mossad en de Amerikaanse overheid als daders noemde. Ik kon filmpjes aanklikken van ultra-orthodoxe rabbi’s. Ik zag Israëlische soldaten het volkslied zingen. Allemaal vanwege mijn zoekopdracht ‘Kaddish’.

    Het hoeft niet te verbazen dat scholieren kopje-onder gaan in de informatie-overdaad van het internet. Het ís ook moeilijk daarin je weg te vinden, er zijn vast en zeker veel volwassenen die het evenmin kunnen. Voor hen staat het feit dat iets op internet te vinden is al gauw gelijk aan het bewijs van de waarheid ervan. Zoals ouderwetse gelovigen zeggen: ‘Het staat geschreven’, zo vermeldt menig leerling ‘Google’ als hem of haar wordt gevraagd in zijn werkstuk een bron te vermelden.
    Zo goed als het internet een formidabel hulpmiddel is voor communicatie en informatievoorziening, is het internet een ongekend krachtig middel tot massa-manipulatie en grootschalige verdomming.

    In verband met de uitslag van de referenda over Oekraïne en het Britse lidmaatschap van de EU is wel gewezen op de oogkleppen die gebruikers van de sociale media en de zoekmachines zichzelf opzetten. Niet alleen vertrouwt menigeen voor zijn informatievoorziening op onkundige of tendentieuze bronnen. Maar bedrijven als Google en Facebook selecteren uw nieuwsaanbod mede op grond van eerdere zoekopdrachten en eerder bezochte websites. Daar dienen de befaamde algoritmes voor. De gebruiker krijgt daardoor allengs een steeds uniformer en vooroordeel-bevestigend aanbod.
    Het resultaat? Torenhoge misvattingen. Oogkleppen. Oplaaiend wantrouwen. De ‘Illuminati’ beheersen de wereld, weetjewel. Israël zit achter I.S. Onze voorouders joegen op dino’s. Vaccinatie tegen baarmoederhalskanker is een gevaar voor de volksgezondheid, snap dat nou toch.

    De vertrouwde mantra ‘Hier ligt een taak voor het onderwijs’ is in dit geval volkomen terecht. De grootste uitdaging voor scholen in onze tijd ligt, paradoxaal genoeg, in het bijbrengen van een bij uitstek traditionele vaardigheid: kritisch omgaan met ‘informatie’. De internetvaardigheid bij uitstek!
    Dat is een bijna onmogelijke opgave. Het gezag van het onderwijs is niet groot genoeg. Het aanzien van degelijke kennis is klein. De concurrentiepositie tegenover het internet als bron van kennis is zwak. En het besef van de urgentie van deze onderwijstaak is niet groot. Maar o wee, lukt het de scholen niet, dan zullen we nog wat beleven.

    Helaas luidt een veelgehoorde opvatting over het schoolcurriculum: parate kennis is van weinig belang. ‘We zoeken het wel op’. Uitgerekend Paul Schnabel, voorzitter van de ‘Onderwijs 2032’-club, heeft het onlangs nog gezegd. Alle aandacht gaat uit naar twenty-first century skills, een begrip dat vooral tot uitdrukking moet brengen dat de gebruiker helemaal van deze tijd is. Zowel staatssecretaris Dekker als Paul Rosenmöller, voorzitter van de VO-raad, lijken me buitengewoon eenentwintigste-eeuws. Ze dwalen.

    ‘Skills’. Vaardigheden dus. Maar nodig zijn kritische vaardigheden én kennis. Het ene is waardeloos zonder het ander, en je kunt niet leren het kaf van het koren te onderscheiden zonder een fundament van degelijke kennis.
    Mijn grootouders zeiden: ‘je moet je geen knollen voor citroenen laten verkopen’. Niets moderns aan dus, maar moeilijker dan ooit, vanwege dat onafgebroken bombardement van nieuws en quasi-nieuws, meningen en verzinsels. En daar stel ik me dan ook nog eens vrijwillig en onmatig aan bloot. Junkiegedrag.
    Misschien toch maar censuur van het internet? O, geef ons minder ‘informatie’ en meer kennis, parate kennis!

    Docenten van Nederland, het nieuwe schooljaar staat voor de deur. We hebben niets te verliezen dan de last van ondoordachte modepraatjes. Ontwaak!

     

     

  • Vorm en vent

    Ik ben een verzameling aan het aanleggen van secundaire literatuur. Geen romans, verhalen of poëzie komen op een steeds hoger wordende stapel terecht, maar voornamelijk essaybundels of verzamelde stukken over literatuur, over kunst, over schrijven, over  kijken naar kunst, over de stand van de cultuur, enzovoort. Mij heeft dat altijd gefascineerd: vorm en vent tegelijk. Een secundaire bibliotheek dus. Ik broedde er al een tijdje op, al jaren eigenlijk zonder echt de daad bij de gedachte te voegen. Ik weet ook nog niet of het commercieel interessant zou moeten zijn. Ik vind het vooral prettig om labyrintisch bezig te zijn. Ooit toen ik samen met mijn voormalig zakenpartner JOOT begon, dachten we eerst aan de naam Labyrinth voor ons antiquariaat. We hadden zelfs een kleine verzameling boeken aangelegd die onder de noemer ‘labyrinth’ vielen. Die dus op de een of andere wijze – iconografisch, historisch, literair – met het onderwerp labyrinth te maken had.

    Het is een genre dat vooral ook de aandacht had van Joost Zwagerman, die een bloemlezing samenstelde van essays in de Nederlandse literatuur, naast verhalen een ondergeschoven genre in Nederland. Doordat ik begin dit jaar een groot deel van zijn boekenverzameling kocht, gingen er de afgelopen maanden veel essaybundels en secundaire literatuur door mijn handen. In zijn veelzijdige oeuvre heeft hij ook geregeld geschreven over voornamelijk Engelstalige essayisten, columnisten of journalisten zoals Cyril Connolly, Susan Sontag, John Updike en Gore Vidal. In het Nederlandse taalgebied zie je zijn grote interesse voor een schrijver als Gerrit Komrij in het aantal boeken dat Zwagerman van hem bezat en ook las. Bij sommige lezers zie je soms een streepje of aantekening in het eerste of tweede hoofdstuk. Maar Zwagerman las de boeken helemaal uit, gezien het aantal ezelsoortjes aan het einde van het boek.

    Fijn zijn de stukken van schrijvers die ook wetenschapper zijn, of kunstenaar, zoals bijvoorbeeld gedragsbioloog Tijs Goldschmidt. Ze schrijven niet als kenner alleen over hun eigen vakgebied, maar ze zijn juist panoramische kijkers die met verwonderende ogen kijken naar een wereld die vaak minder eenduidig is dan meestal gedacht wordt. Ze laten kruisbestuivingen l plaatsvinden tussen bijvoorbeeld biologie en filosofie, of poëzie en fotografie. Als ik enige consistentie in mijn denken en doen weet te betrachten, dan kom ik nog op mijn secundaire bieb terug.

    Tot slot wil ik nog even kwijt dat ik, ook weer zo’n uitgesteld en nu ingelost verlangen, ben begonnen aan de schrijver A. Alberts. Wat een prachtige stilist. Kraakhelder, maar met oog voor het mysterieuze in het leven. Lezen die man, bijvoorbeeld zijn verhalen in Eilanden (Van Oorschot).

     

     

  • Moraliserende wijsvinger

    Kunstenaars die maatschappelijk betrokken zijn zoeken naar verbeelding van het vluchtelingenprobleem. Ze kunnen niet anders. Het is hun manier om ongerustheid, verbazing, gekrenktheid en zorg te uiten. Werk dat die voedingsbodem heeft spreekt veel sterker aan dan wat wil moraliseren of overreden. Zo vergaat het mij althans. De afgelopen tijd stond ik op verschillende manieren tegenover uitingen van beeldend kunstenaars over vluchtelingen. En ik vroeg me af, waarom het ene werk me meer raakt dan het andere.

    Van Michiel Voet is een serie geënsceneerde foto’s onder de titel The invisible Man (er bestaan ook een boek en een toneelversie van). Hij is illegaal in Nederland. Op de foto zien we een man onder iets wat een dekbedovertrek lijkt. Hij draagt nette schoenen en een broek met een scherpe vouw. Het zou een kantoorman kunnen zijn. Ook het dekbedovertrek (het woorddeel ‘dek-‘ geeft hier wel toepasselijk de verhulling weer) ziet er schoongewassen uit. Het kleurenpatroon is mooi. De compositie van de foto is fraai. De figuur lijkt te staan tegen een achtergrond die me aan de muren in de gangen van de Tweede Kamer doet denken.

    De man houdt duidelijk met zijn handen de bovenhoeken van het dek omhoog. Er vallen plooien in het doek die het geheel verlevendigen. Maar ze zouden net zo goed sporen kunnen zijn van een worsteling zich te bevrijden. De kunstenaar heeft zijn werk voorzien van een uitvoerig verhaal, dat is te lezen op zijn site. Waar nog veel meer foto’s te zien zijn.

    De foto raakt me en brengt me in verwarring. Alles is er mooi aan. Er wordt ook niet geheimzinnig gedaan. Ik zie een goed geklede man. Ik weet dat hij een Algerijn is. Ik weet zelfs zijn naam: Karim Ramtani. Hij is 23 jaar en zit zonder land. Er wordt niet geheimzinnig gedaan. En toch klopt er iets niet.

    KUNSTrePUBLIC Een tweede kunstwerk zag ik op de manifestatie Sonsbeek 2016 in Arnhem, titel: VVest Life. Ook hier is het thema de vluchtelingenstroom. Het Berlijnse kunstenaarscollectief KUNSTrePUBLIK zette een stervormig parlementsgebouw neer dat geheel is opgebouwd uit zwemvesten die zijn verzameld op Lesbos. Op de top een EU-vlag en binnenin zitjes, eveneens van zwemvesten. Regelmatig klinkt vanuit speakers geschreeuw of worden liederen gezongen. Ik moet toegeven dat het werk me niet onberoerd liet; toch was er iets waardoor het me minder bleef bezighouden dan bijvoorbeeld de foto’s van Michiel Voet. Ik heb me afgevraagd hoe dat kwam. Het heeft te maken met het moraliserende vingertje dat hier wordt opgestoken: kijk eens wat de vluchtelingen moeten doorstaan en hoe de EU daarmee omgaat. Ik zie commentaar op een wereldprobleem dat met het vingertje wijst. Ik herken het falen van Europa, maar voel me nauwelijks aangesproken.

    De onzichtbare man onder het dekbedovertrek roept de vraag op wat zich hier afspeelt. Het beeld dwingt me echter ook na te denken over mijn manier van kijken: hoe snel ben ik tevreden met mijn eerste interpretatie?
    VVest Life zegt me dat de politiek faalt. Maar ik zelf blijf buiten schot.

     

    Michiel Voet: www.michielvoet.com/the-invisible-man/74-het-verhaal
    Sonsbeek/KunstrePUBLIK: www.sonsbeek.org/nl/sonsbeek-2016-transaction/kunstenaars/kunstrepublik  (tot 18 september).

     

     

  • Carmiggelt en vakantiedingen

    Deze vakantie waren er nogal wat eerste dingetjes. Zo dronk ik voor het eerst thee zoals Engelsen doen. Het was aan de kust van Dorset. Ik was dorstig en het was warm en dan blijkt thee met melk een goede dorstlesser. Eerder die dag had ik begrepen dat je niet zomaar uit Londen wegkomt. We deden er die warme zaterdag in juli ruim anderhalf uur over voor we in de file naar Dorset terechtkwamen. Waarna we in 5 uur een afstand aflegden die je, zonder verkeer op de weg, in twee uur rijdt. Toen begreep ik pas waarom Zoon, die al tien jaar in Londen woont, zo weinig naar ‘buiten’ ging. Deze vakantie heb ik ook  begrepen (een levenslang proces) dat je je nooit moet bemoeien met hen die je lief zijn. Je moet ze alle credits geven inzake wat dan ook. En dat  leverde wat op. Ik heb me nog nooit zo Zen gevoeld. Wat meteen weer een ‘eerste’ dingetje werd: Zen te zijn met jezelf en je omgeving.

    Maar toen moest Carmiggelt nog komen. Ik fietste door Gelderland. Kwam door De Steeg, wat het favoriete vakantieoord van Carmiggelt was. Hij is er vereeuwigd, zittend op een bankje met zijn vrouw Tiny. Ik was er vaak voorbij gekomen met de auto maar had hen nooit opgemerkt. Nu passeerde ik ze op een meter afstand en riep: ‘Kijk nou’. ‘Daar zit Carmiggelt!’ en zette mijn fiets aan de kant.

    Daar zaten ze dan. Hij stijf in zijn veel te ruime regenjas en Tiny met degelijke pumps die parmantig enkele centimeters boven de steentjes zweefden. Zo levensecht alsof ze tijdens het poseren versteend waren geraakt. Waardoor de aanblik wat lugubers kreeg. Er lag een schrijfblok op Carmiggelts knieën dat hij met een hand vasthield en met de andere licht beroerde. Je kon je opeens voorstellen dat hij daar helemaal niet had willen zitten, zo donker en stijf. Thuis pakte ik zijn boekjes erbij en voor ik het wist zat ik in de Carmiggeliaanse Way of seeing.

    Een paar dagen later bevond ik mij in de sanitaire ruimte van een camping in het Oosten des lands. Er stonden twee rondborstige vrouwen van meer dan gemiddelde lengte toilet te maken. De vrouw links poetste haar tanden elektrisch en bewoog de roterende borstel driftig in haar mond heen en weer waarbij ze veel schuim produceerde. De vrouw rechts werkte met een föhn haar kapsel bij onderwijl haar hoofd koket alle kanten opdraaiend. Ik voegde me tussen hen in, wat gezien de breedte van de wasruimte niet eenvoudig was. De vrouw met de föhn begon over ‘irritatie’ in haar liezen. Het was rood en ‘jeukte as de neten’. Ik herkende het accent dat Loes Luca in Het Schaep in Mokum bezigt. De poetsende vrouw murmelde dingen als, ‘Grumbllele en tjejjee seg’. Waarop de vrouw met de föhn zei dat haar man haar had meegenomen voor een fietstochtje. Ik begreep dat ‘meneer’  blij mocht zijn dat ze met hem mee naar ‘hier’ was gegaan. Ze begreep niet wat m bezielde. Veertig jaar op camping Bakkum gestaan en nu wilde meneer ineens iets anders.

    En nu meneer hier toch was wilde hij de omgeving leren kennen. Hij huurde twee fietsen en het ‘stukkie’ fietsen werd een tocht van ‘zestig kilometer!’ riep de vrouw met de steeds verhitter rakende föhn in haar hand. ‘Ik had m wel door hoor, de smiegt. Ging inenen voor me uit fietse zodat ik m nie bij kon houwen. Meneer was gewoon verdwaald. Maar toegeve, ho maar.’ De poetsende vrouw schuimde verontwaardigd: ‘E ou oe ijii oob e bhajen idde.’ ‘Precies’,’ zei de vrouw met de föhn en draaide haar hoofd nog eens koket in het rond. Ik pakte mijn toiletspullen en zei: ‘Goedemorgen,’ maar ze hoorden me niet. Dat was de eerste keer dat ik met twee Amsterdamse dames een wasruimte deelde. Carmiggelt had er wel raad mee geweten.

     

     

  • De koelte van een kerk

    Op een van de warme dagen deze zomer, zocht ik de koelte van een kerk en bezocht een orgelconcert. Met mij nog zo’n zestig, meest oudere mensen. Stuk voor stuk hadden we de vader of moeder van de organist kunnen zijn. Op het programma stonden werken van Schumann, Brahms, Bach en Rheinberger.

    Een ook al wat oudere heer in een frivool T-shirt heette ons opgewekt welkom en begon omstandig te vertellen over de twee zielen die in Schumanns borst huisden: Floris ( Florestan) en – hij moest even spieken – Eusebius. Toen kwam de al dan niet Platonische liefde tussen Clara Schumann en Brahms aan bod. Net toen ik het ergste begon te vrezen over het vervolg, Rheinberger, bijvoorbeeld over diens slechte gezondheid, stapte hij over op de heugelijke mededeling dat ons volgend concertseizoen iets nieuws staat te wachten: een projectiescherm in de kerk, waarop we de verrichtingen van de organist levensgroot zouden kunnen volgen! Of misschien zelfs méér dan levensgroot, dat weet ik niet meer.

    De organist, die voor iedereen duidelijk zichtbaar achter de klavieren zat, begon voortvarend met een Fuga van Schumann. Naast me nam nog snel een mevrouw op stevige wandelschoenen plaats. Haar Nordic walking stokken legde ze behoedzaam op de grond. Een knoflookwalm wasemde me gedurende de rest van het concert met regelmaat tegemoet.

    Nadat de laatste klanken van een Sonate van Rheinberger haddden geklonken, kwam de oudere heer die ons verwelkomd had,  naar voren en vroeg bezorgd of we het allemaal wel hadden kunnen volgen; de organist had veel zomaar achter elkaar door gespeeld, vond hij. Ik dacht het niet; er was ook zonder scherm duidelijk te zien geweest dat hij tussen de stukken eigenhandig, zonder hulp van een registrant, registers uittrok dan wel induwde.
    De organist werd naar beneden gewenkt. Niet om hem de les te lezen, gelukkig, maar om een bos bloemen te overhandigen.

    Ik hoopte vurig dat het hierbij zou blijven, de knoflookwalm was niet meer te verdragen. Ik raakte er van overtuigd dat het  de toch wel aangename lucht van sinaasappel, die bij elke uitademing uit de mond van een arts ontsnapte en door de ik-figuur in Philippe Claudels De boom in het land van de Toraja geassocieerd werd ‘met een zeker geluk. Een naseizoen’, in walging ver voorbij streeft.

    Nee, een volgende keer dat ik naar een concert in deze kerk ga, neem ik een neuskapje en een slaapmaskertje mee. Zo eentje als in de film L’échappée belle van Emilie Cherpitel: met kunstwimpers. Niemand zal nog naast me willen zitten.

     

     

  • Verhaallijn onbepaald

    Bij sprookjes is de volgorde van het verhaal simpel. Het begint altijd met “er was eens” en eindigt met “en ze leefden nog lang en gelukkig”. Met daartussen een vrij lineair verlopend meestal niet al te ingewikkeld verhaal. En hoewel begin- en eindzinnen in romans vaak gecompliceerder en creatiever zijn, het verhaal door flashbacks en verschuivingen van perspectief in complexiteit toenemen, blijven ook romans uiteindelijk lineair. Je begint op de eerste pagina en leest tot het einde. Niemand leest immers een boek door lukraak naar pagina 32 te gaan, vervolgens een paar regels van pagina 3 te lezen, door te stoten naar pagina 254 en dan te eindigen bij pagina 57. Het zou een uitermate verwarrende manier van lezen zijn. Maar wel een manier waarbij je het dictaat van de schrijver doorbreekt en gaat meebepalen in welke volgorde een verhaal tot je komt. Waarbij toeval en eigen keuzes een grotere rol gaan spelen, zodat iedereen al lezende zijn eigen verhaal creëert. Steeds weer een ander verhaal. Het democratiseren van literatuur ten top.

    Dit lijkt misschien literaire abracadabra, maar het is minder ondenkbaar dan je denkt. Althans, als schrijvers moderne technologie gaan inzetten. Zoals al gedaan wordt door moderne beeldende kunstenaars, zoals Floris Kaayk (Tiel, 1982). Hij creëerde bijvoorbeeld het online kunstwerk www.themodularbody.com. Op deze website introduceert Kaayk in tientallen youtube-filmpjes Oscar, het prototype van de nieuwe modulaire mens. Oscar is gemaakt uit lichaamscellen van de innovatieve bioloog Cornelis Vlasman en komt in vele filmpjes op de de website tot leven, waarbij een praatprogramma, LinkedIn profiel, en natuurlijk Oscar zelf langskomt, op vier benen rondscharrelend, met verder een kunstmatig hart, longen en lever.

    Oscar klinkt (en is) misschien wat griezelig, maar de verhalen die Kaayk over hem vertelt zijn fascinerend. En de wijze waarop hij zijn verhaal vertelt is dat al helemaal. Kaayk legt namelijk geen dwingende verhaallijn op maar stelt zijn publiek in staat om op zijn website zelf hun eigen verhaal over Oscar samen te stellen. Hij heeft daartoe een vernieuwende interface ontwikkeld, die iedereen individueel in staat stelt te kiezen waar het verhaal begint en hoe het verder gaat. Zo bepaalt iedereen zelf zijn ‘leesvolgorde’. Alsof je dus een boek leest door te beginnen op pagina 32, verder te lezen op pagina 3, gevolgd door 254 om te eindigen op pagina 57.

    Als schrijvers deze werkwijze zouden gaan hanteren zou literatuur nooit meer hetzelfde zijn. Gedrukte boeken verdwijnen (wat ik wel jammer zou vinden) en e-boeken krijgen een complete make-over. En de rol van de lezer zou veel belangrijker worden. Natuurlijk blijft de schrijver cruciaal, omdat hij de bouwblokken voor het verhaal aanreikt. Maar het zouden niet meer zijn dan de startblokken waarmee de lezer zelf aan de slag gaat. Om steeds opnieuw zijn eigen verhaal te creëren. “Er was eens” is niet langer het gedoodverfde begin en het is volstrekt onvoorspelbaar of er een “lang en gelukkig” einde zal zijn. Wat overigens misschien wel zo spannend is.

     

     

  • Uit de tijd vallen

    Terwijl ik de lijstjes, die nog voor de vakantie moeten worden afgewerkt, met kracht aan de wand prik, denk ik opeens aan een verhaal van Anton Koolhaas. Waarin een woedende vrouw een punaise in de buitenmuur van haar flat drukt waardoor de muur splijt en zij vervolgens naar beneden stort. Niet dat ik dood wil maar toen ik met een punaise die lijstjes in de muur prikte, stelde ik mij in een fractie van een seconde voor, dat die muur zou meegeven en ik, met al mijn kracht in mijn duim verzameld op die punaise drukkend, voorover viel. Het leek me wel heerlijk om in het oneindige te storten. Dat die lijstjes dan van generlei belang blijken te zijn. Ik dacht aan de zweefduik die de vrouw uit het verhaal maakte. Zo diep zou ik niet vallen. Ik zou struikelend en onder het stof van vallend gesteente in de voortuin tussen de hortensia’s terechtkomen.

    En terwijl ik Mijn lief en mijn kinderen de vakantiestress bezorgde waarvan ik zei die zelf niet te ervaren, wilde ik alleen nog maar vallen. Zoals Angelique in de roman Onheilig van Roos van Rijswijk, die steeds het gevoel van vallen ervaart wanneer ze eigenlijk even van de kaart zou willen verdwijnen. Het beste wat mij kan overkomen is een migraine aanval die minstens twee dagen duurt. Wanneer je hoofd totaal gecrasht is dat je zelfs het gefilterde zonlicht door de bladeren van de dichte lindeboom voor het raam niet kunt verdragen, is het tijd om alles te laten vallen.

    Toen de lijstje om me heen fladderden en de dagen wegvielen dacht ik: ‘Zo is het gebeurd, zo is het gebeurd’. Een van de mooiste titels van een verhaal van de Italiaanse schrijfster Natalia Ginzburg, geschreven in een taal zo sober dat je opeens begrijpt dat echt goede verhalen in stilte geschreven zijn. Hoe verzin je een vrouw die met een man trouwt om de simpele reden dat ze altijd wil weten waar hij is? Voor ze deze veel oudere man leerde kennen, fantaseerde ze over haar toekomstige leven. ‘Ik fantaseerde altijd van alles als ik languit op mijn bed lag in het pension. Ik dacht hoe prettig het zou zijn als ik getrouwd was en een eigen huis had. (…) en verbeeldde me dat ik lui achterover in een grote fauteuil zakdoekjes zat te borduren. De man met wie ik zou trouwen zag er nu eens zus en dan weer zo uit, maar zijn stem klonk altijd eender en in mijn hart luisterde ik naar die stem, die steeds weer dezelfde ironische en tedere dingen zei.’

    Ginzburg voert mensen op die hun huis nooit verlaten om de eenvoudige reden dat hun schoenen knellen. Haar verhalen zijn behoorlijk armzalig en tragisch. Als ik die eerste passage lees waarin het hoofdpersonage in een tiental onschuldige zinnen haar echtgenoot introduceert terwijl hij een trein tekent, wat rook uit de locomotief en een mannetje dat zwaait uit het raam van een coupé. Haar echtgenoot kan tekenen en dat is leuk om in een huwelijk te communiceren via tekeningen. Dat het zwaaiende mannetje haar echtgenoot verbeeldt die haar vaarwel zegt, is minder leuk. Na die tien onschuldige zinnen staat daar opeens: ‘Ik heb op zijn ogen geschoten’. Dan wil je pas goed door lezen. Over hoe deze kleurloze jongedame haar leven schwung gaf door haar echtgenoot neer te schieten. Langzaam kwam ik weer in de dag. Echt goede verhalen brengen de tijd weer op gang. Nu die lijstjes nog afwerken en de vakantie kan beginnen.

     

     


    Inge Meijer schrijft over boeken als steunpilaren en over haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

     

  • Bladlof

    Er was eens een tijd dat de nacht pikzwart was en de nachthemel een fonkelend schouwspel dat met stomheid sloeg. Vrees en verwondering hielden de mens in hun greep, een besef van volstrekte nietigheid en kosmische verbondenheid tegelijk:

    Als uw hemel ik zie – uwer vingeren werk,
    Maan en sterren die gij daar stelde,
    Wat is dán de mens dat gij acht op hem slaat.

    (Psalm 8, vertaling Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde)

    Die tijd ligt achter ons en komt nooit meer terug. De hemel boven Nederland zien wij ’s nachts als door een smerig venster. U kunt uw vakantiebestemming kiezen op grond van de afwezigheid van lichtvervuiling, en dan nog krijgt u slechts een flauwe afspiegeling te zien van de sterrenhemel die de psalmdichter voor ogen had.
    Alleen op volle zee bestaat het nog. Cees Nooteboom zei eens in een interview: ‘Als ik midden op de Stille Oceaan aan de reling sta en naar de sterren kijk, vraag ik me niet af of ik nog kauwgom heb’.
    Is er iets anders dat ons diezelfde ervaring van overweldigende grootheid kan bieden? Iets dat onze aandacht van kauwgom naar de kosmos leidt? Al het water in de zee, alle zandkorrels op het strand? Maar die zijn zo weinig ‘aanwezig’, zo gemakkelijk te negeren.

    Ik stel voor: boomblaadjes.
    Kijk even uit het raam. Geheid dat u blaadjes aan de bomen ziet. Vijf maanden geleden waren ze nergens te bekennen. Dat alleen al geeft reden tot verwondering. Hoezo ‘doodgewoon’. Hoeveel blaadjes zien wij op een dag? En hoeveel bomen zouden er eigenlijk in heel Nederland zijn? Daar zijn cijfers over. Vraag me niet hoe de geleerden het hebben klaargespeeld – een bron van verwondering op zichzelf – maar de teller stond een paar jaar geleden op 3.040.288.194.283 bomen ‘van meer dan tien centimeter dik op borsthoogte’ op onze hele planeet. Dat zijn er dus ruim 3040 miljard. Daarvan staan er 344 miljoen in ons land. Er zitten natuurlijk ook naaldbomen bij. (Deze cijfers komen uit ‘Nature’ en op YouTube vindt u er een filmpje over. Bedenk wel dat er jaarlijks wereldwijd 15 miljard bomen verdwijnen door menselijk toedoen.)

    Maar hoeveel blaadjes heeft nu een boom? In Het bomenboek van Koos van Zomeren lees ik: ‘Een beetje beuk heeft er 300.000’. De schrijver zegt dat in een passage waarin hij zijn licht opsteekt bij een bomenprofessor uit Wageningen. Natuurlijk is niet elke boom ‘een beetje beuk’ maar het geeft een indruk.
    Sta er even bij stil. Het rekenwerk laat ik graag aan u over. Begint het u te duizelen? Hier past slechts één woord: ‘ontzaglijk’. Want daar gaat het hier over: ‘ontzag’. Is het niet verbijsterend dat dit verschijnsel zich jaar in, jaar uit aan ons voordoet? Is het niet bizar dat het zich rondom ons afspeelt zonder dat we erbij stilstaan? In Japan is het bloeien van de kersenbomen aanleiding tot ingetogen feestelijkheden. Protestanten kennen een ‘Dankdag voor het gewas’. En het Jodendom heeft Toe Bisjvat, het ‘Nieuwjaar der bomen’.

    Er zou veel te vertellen zijn over de rol die boomblaadjes spelen in de Nederlandse poëzie, van het blad als vanitas-symbool bij Adriaan Roland Holst tot het ’doodgewone’ boomblad bij Chris van Geel.
    Het mooiste bladgedicht is echter van de grote Guido Gezelle. Bij hem is een blaadje op het water een beeld van de eenheid tussen ziel en godheid, uitdrukking van het zelfde kosmische besef als van de psalmist:

    Zoo rompelend en zoo rimpelend
    als water
    Zoo lag ’t gevallen bladjen op
    het water
    En m’ ha’ gezeid het bladjen ende
    ‘et water
    ’t En was niet ’t een een bladje en ’t an-
    der water
    Maer water was het bladje en ’t bla-
    dje water
    En ’t viel ‘ne keer een bladjen op
    het water