• Altijd die vreemdeling

    Een vluchteling die asiel krijgt, is niet alleen ontkomen aan bedreigingen in het land van herkomst. In het nieuwe land volgt, als de eerste euforie is weggeëbd, vaak een culturele clash. Ik ken een Iraakse vrouw van bijna 30 jaar, die al een aantal jaren geleden haar land ontvluchtte. Het hele gezin waarvan ze deel uitmaakt, ouders en broers en zussen, woont ondertussen in Nederland. De eerste keren dat ik met haar sprak leek ze me het model van een geslaagde inburgering. Ze spreekt goed Nederlands en werkt er hard aan een baan te vinden. Ze leek me zelfs een beetje doorgeschoten in haar aanpassingen aan het westen: ze ging zich vaker uitdagend kleden in een doorkijkjurk en verzorgde haar uiterlijk op een manier die deed vermoeden dat haar tas een breed assortiment opmaakspullen bevatte. Met haar beperkte financiële middelen had het iets van een bijeengescharrelde schoonheid – meer Kruidvat dan Ici Paris –, maar dat viel te begrijpen. Haar blijmoedigheid vergoedde veel.

    Tot ze bij een nieuwe ontmoeting alle glans ineens kwijt leek te zijn. Ik wist dat ze een afspraak had gehad waar het nodige van af hing. Toen ik haar naar de uitkomst vroeg stond het huilen haar nader dan het lachen. Er kwam een cascade van ellende over haar lippen met als slotsom: ze zag het niet meer zitten in Nederland. Ze wilde terug naar Irak. In een gesprek een paar dagen later werd me meer duidelijk. Naast gemist succes op weg naar werk, vraten de ruzies met haar man, aan wie ze jaren daarvoor uitgehuwelijkt was, aan haar. Ze wilde nu echt scheiden.

    Dapper als ze is, had ze een tijd geleden al geregeld dat ze zelf het beheer voerde over haar geld. Maar voor de scheiding was ze afhankelijk van de toestemming van beide families; die van haar en van haar man. Want die traditie was in Nederland onaangetast gebleven. Ineens zag ik haar uitdagende manier van kleden niet meer zozeer als een positieve aanpassing aan haar nieuwe, Nederlandse, cultuur, maar als een daad van verzet tegen haar oude. Gelukkig is in de beide families wel de vrijzinnigheid toegenomen. De scheiding zal er wel komen.

    ‘Maar waarom wil je terug naar Irak?’, vroeg ik. Ze hield een kort verhaal over de natuur en de schoonheid van het gebied van haar herkomst. Misschien herinnerde ze zich echter vooral een – niet uitgesproken – gevoel van geworteld zijn die ze mist, juist nu zich in haar persoonlijke leven een cultuurclash voordoet die ook de nieuwe bodem onder haar voeten wegslaat.
    Misschien is het wel wat elke vluchteling met zich mee draagt. Het land waar je naar toe vlucht wil maar niet het jouwe worden en je oude land verdwijnt nooit uit je hart.

    Een Iraniër, die al 20 jaar in Nederland woont, beschreef me eens hoe hij sociaal gezien intussen Nederlander is, maar in zijn hart altijd Iraniër is gebleven. Hij heeft nog steeds veel contact met familie in zijn geboorteland, maar: ‘Ik word er gezien als westerling. En hier in Nederland ben ik altijd een vreemdeling gebleven’.

     

     

     

  • Gestapelde verwachtingen

    Soms voel ik me een doorgedraaide telefoniste achter een schakelpanel waarmee alle verbinding door een plotselinge blikseminslag verbroken is. Om de gekte te bezweren, gaat de een hardlopen en de ander een ingewikkelde stoofpot maken. Ik ga schappen leeghalen. Van de voorraadkast, de boekenkast, de hoedenplank, alles gaat eraf. Ik zet soepkommen, platte borden, porseleinen schalen, restschaaltjes en mueslikommen op het aanrecht, in de vensterbank of de gootsteen. Boeken worden gestapeld op de vloer waarna ook de bank en de stoel worden volgepakt. Ondertussen worden wroetende gedachten gedestilleerd tot een helder beeld.  En wentel ik me rond tussen opeen gestapelde verwachtingen en de leegte. Niets ligt vast, het kan nog alle kanten op.

    Waar ik dan zo over mijmer is hoe het zou zijn je relatie eens opnieuw te beginnen met de dingen die je na verloop van decennia van elkaar weet. Zou me dan de teleurstellende uitkomst, die Brad Schaeffer in In de hemel gesloten aan het einde van zijn veertigjarig huwelijk, niet te wachten staan? Ik was onder de indruk van dit verhaal van John Updike. En paste het in gedachten toe op mezelf en Mijn lief. Het is een verhaal met een waarschuwing. Ook een functie van literatuur, het toont je iets wat je nooit zelf ontdekt zou hebben.

    Het verhaal begint in de jaren dertig. Brad Schaeffer voelt zich tijdens een kerstborrel op kantoor aangetrokken tot een ‘keurige secretaresse’, die hij met ‘kristalheldere’ stem hoort zeggen: ‘ Het heil van  mijn ziel natuurlijk.’ Ze is methodist en Brad is onverwacht gecharmeerd van haar serene houding. Tijdens hun huwelijk kijkt zij vaak ‘vaag glimlachend’ van hem weg. Brad draagt haar op handen en is een trouwe kerkganger omwille van haar geworden. Ieder leeft zijn eigen stuk in de veronderstelling dat de ander gelukkig is. Als de kinderen uit huis zijn, wordt zij ziek. Op haar sterfbed blijkt dat ze niet meer gelooft. Hij vroeg geschokt: ‘Sinds wanneer?’

    Ze zei: ‘Ik weet het niet. Nee,’ zei ze, ‘dat is niet eerlijk. We moeten beginnen eerlijk te zijn. Ik weet het wél. Sinds je het van me hebt afgenomen. Je stortte je erin. Het leek niet nodig dat we het allebei aanhielden.’
    Brad is verbijsterd, zijn beeld van haar en hun huwelijk valt uit elkaar. Na haar dood bezoekt hij de kerk maar voelt er niets meer bij. Hij is niet bij machte zijn beeld bij te stellen omdat, schrijft Updike, ‘hij al die jaren in haar had geloofd en er nu niet meer mee  kon ophouden.’ Risico van de liefde is dat je dingen doet om de ander iets voor te toveren en er bovendien zelf in gaat geloven.

    Ik zat daar wat te dromen tussen al die gestapelde dingen en hoe ik het allemaal weer op moest bergen. En ik bedacht dat je soms  beter kon gaan hardlopen, of een doos chocola leeg eten als het allemaal even niet meezat.

     

     

     

  • Natuurtrompet

     

    Op een tijdelijke tentoonstelling, ‘Auf goldenen Grund’ in München hing het schilderij: Kroning van Maria met engelen en heiligen, van de Florentijn Puccio di Simone (ca. 1340-1345). Onderaan had hij  hij een rijtje musicerende engelen geschilderd, met links en rechts fel gekleurde exemplaren. De één bespeelt een doedelzak, de ander een in de hoogte gestoken koperen blaasinstrument. Dat trompetachtige instrument riep bij mij allerlei associaties op.

    Hetzelfde instrument als op die schildering van Di Simone zag ik eens in de open lucht, op een bruiloft in Assisi. Het waren er een paar, en ze werden op dezelfde wijze in de lucht gestoken op het moment dat het bruidspaar het stadhuis verliet. Om wat voor soort trompet het ging, wist een oud-collega, een van origine Italiaanse musicoloog, helaas niet te vertellen. Een trompettist wist me te vertellen dat het om een natuurtrompet gaat, een voorloper van de huidige trompet met ventielen.

    Direct na de Tweede Wereldoorlog weerklinkt deze trompet  in de roman Druiven in het gras van Wolfgang Koeppen. Het verhaal speelt in het hol van de leeuw: München en de klank komt uit de ‘muziekkoffer’ van Odysseus Cotton uit Memphis. Krakend en knarsend klinkt er Limehouse-blues. Ik stel het me voor: Dizzy Gillespie die zijn instrument hoog in de lucht steekt.
    Koeppen beschrijft de jazz als symbool van de bevrijding van zwarte musici uit Amerika. Zoals hij enkele pagina’s ervoor de ouverture Der Freischütz van Carl Maria von Weber symbolisch opvoert voor de opkomst van het romantisch-nationalisme. Die, schrijft Koeppen, ‘klonk pianissimo gedempt naar de kruinen van de bomen.’ In die ouverture zijn het hoorns die nadrukkelijk hun partijtje meeblazen. Ook daarvan wordt de klankbeker wel eens omhoog geheven. Het staat in de partituur wanneer dit door de componist wordt verlangd.

    Ik zag de natuurtrompet in München nog één keer, omhoog gestoken door één van de bewegende figuren op het uurwerk van het nieuwe raadhuis tijdens een riddertoernooi.
    En zo staat de trompet alles bij elkaar vanwege zijn originele signaalfunctie opeens symbool voor een omwenteling in het leven van verschillende mensen door de eeuwen heen: tussen leven en dood bij Maria, die na haar hemelvaart volgens de rooms-katholieke traditie gekroond heet te zijn, tussen ongehuwd en gehuwd bij het paar in Assisi, als oproep om ten strijde te trekken en voor de bevrijding van de zwarte Amerikaanse bevolking van het juk van de blanke overheerser.
    Wat een oud Florentijns schilderij en een roman in München al niet kunnen oproepen!

     

     

  • Date met een ware parel

    Nederland heeft er een nieuwe parel bij. Een museale parel, gelegen in de duinen bij Wassenaar: Museum Voorlinden. Kunstig ingebed in de prachtigste natuur die je je kunt voorstellen. Ik bezocht dit net geopende museum voor hedendaagse kunst een paar dagen terug, een beetje zenuwachtig, alsof ik een date had met een nieuwe geliefde.

    Ik dwaalde door de zalen en bekeek de kennismakingstentoonstelling Full Moon, een ahistorische dwarsdoorsnede van de collectie van het museum. Een heerlijke kennismaking, waarbij kunsthistorische tijden vervloeiden van Ai Weiwei’s verzaagde antieke Table with three legs (2009) en Jan Sluijters’ Maannacht IV (1912) tot Susan Collis’ intrigerende prop verguld papier (Retouch, 2013). Stuk voor stuk een genot voor het oog. Maar er vervloeit in Voorlinden meer dan kunsthistorische tijd alleen. Met een vaste collectie die soms deel van het gebouw wordt vervloeien ook grenzen tussen kunst en museum. Zoals bij het ruim 200 ton wegende Open Ended van Richard Serra (2007-2008) of The Swimmingpool van Leandro Ehrlich (2016).

    Bij twee andere kunstwerken vloeiden binnen en buiten in elkaar over. Twee kunstwerken die me het meest verrasten. Het eerste is de bloemborder van Piet Oudolf. Het heeft niet eens een bordje en ligt buiten het museum. Maar als je van binnen naar buiten kijkt, kan je niet anders dan verward zijn. Want kijk je nu naar de tuin of naar een kunstwerk dat zich toevallig buiten bevindt? Wat mij betreft het laatste, want Oudolfs borders met eenjarigen zijn performace art pur sang, en slechts eenmalig te zien omdat de borders volgend jaar met vaste planten zijn gevuld. Dus waar houdt het museum eigenlijk op? Bij het glas of ergens in de verte?

    Dat gevoel is nog sterker als je Skyspace (2016) betreedt, een kunstwerk van James Turrell, speciaal voor Museum Voorlinden gemaakt. Een kunstwerk dat je makkelijk voorbij loopt omdat het er helemaal niet als kunst uitziet. Maar schijn bedriegt. Na een donker gangetje stap je een vierkante, serene kamer in, waarin je blik onmiddellijk naar boven wordt getrokken, naar het licht. Ik was overdonderd. Het meest bijzondere kunstwerk van Voorlinden hangt niet aan de muur, maar toont zich door een gat in het plafond. Een ware ontdekking. De hemel.

    Naar boven starend leefde ik even in de wereld van Harry Mulisch, en voelde ik me Quinten: “Toen hij over de drempel stapte, benam de kolossale, lege ruimte hem de adem. Als in het ondoordringbare binnenste van een kristal hing het schaduwloze licht op de blonde marmeren vloer … In plaats van door een sluitsteen werd het hoogste punt van de koepel ingenomen door de blauwe lucht …” (De ontdekking van de hemel, 1992).
    Net als bij Turrell doordringt bij Mulisch de hemel zijn magnus opus en is de hemel de ware hoofd-act van zijn werk. Het is tenslotte de hemel die uiteindelijk door de lezer wordt ontdekt, zoals ook ik, in Voorlinden, tussen al die prachtige kunstwerken uiteindelijk de meest pure kunst ontdekte toen ik de hemel vond. Een paradijselijke ervaring. Een ware nieuwe parel.

     

     

  • Kloppen op deuren

    Het was vroeg in de ochtend, warm en veelbelovend. Een veelbelovendheid die plakkerig en teleurstellend door de stroperige hitte zou wegsijpelen, zoals altijd. Ik was op weg naar huis. Vanuit de verte zag ik een vrouw staan die met onderzoekende blik de voorgevel van een huis afzocht. Een vrouw zoals je ze niet zo vaak meer ziet. Groot en bevallig, het kastanjebruine haar, met grijs doorschoten als een in één vloeiende beweging opgedraaide suikerspin om het hoofd gevormd en vastgezet met ivoren kammetjes. Dat laatste verzin ik, want ik kon niet echt zien of de kammetjes van ivoor waren. De donker houten voordeur van het huis zag er niet uit alsof die plotseling geopend zou worden. Het onkruid stond hoog opgeschoten. Verraad van een desolaat leven.

    De onderzoekende vrouw stapte naar achteren de straat op, legde haar hoofd in haar nek en keek naar de bovenverdieping. Hopende op dat, wat bij de voordeur niet verscheen, daarboven kon worden verwacht. Dat ze iets verwachtte was duidelijk. Een gordijn dat licht bewoog, een schim die zich terugtrok, een raam op een kier. Ik fietste de onderzoekende vrouw voorbij en keek opzij naar de woekerende heg, de smalle doorgang naar de voordeur, een groencontainer half op, half naast het pad. De onderzoekende vrouw moet iets met het leven in dat gesloten huis te maken hebben gehad, begreep ik. Want dat zie je tegenwoordig niet meer. Mensen die voor een dichte deur staan. Of het moet de pakketbezorger zijn. We weten tegenwoordig altijd waar iedereen die tot ons leven behoort, zich bevindt. We gaan elkaar niet zomaar meer bezoeken. Daar gaan dagen van planning aan vooraf.

    De onderzoekende vrouw had iets herkenbaars, iets traditioneels en strijdbaars, als een suffragette van voor de oorlog. Of als van een moeder die zich door niets laat tegenhouden als het om het welbevinden van haar kind gaat. Of als de vrouw die er van overtuigd is dat haar man, die haar verlaten heeft, nog van haar houdt. Zoals de vrouwen uit de verhalen van Lydia Davis. Vrouwen die kloppen op deuren van appartementen, argwanend rond het huis sluipen op zoek naar een spoor van hun vroegere bestaan. Die achteruit lopend het huis waar ze dachten welkom te zijn, onderzoekend en verwachtingsvol afspeuren op een aanwezigheid die hen verwelkomt. Vrouwen die steeds opnieuw hun eigen handelen en dat van hun (ex)-man analyseren om daarmee de uitkomst naar hun hand te kunnen zetten. En terwijl ze  beter weet, komt ze er al analyserend op uit dat hij, die ze zoekt, een goede reden heeft om er niet te zijn.

     

     

     

  • De vrouw van mijn dromen

    Aan de muur van mijn werkkamer hangen landkaarten. De wereldkaart omdat hij zo mooi is, de kaart van Duitsland omdat ik de deelstaten maar niet kan onthouden en de kaart van Canada omdat mijn zoon er woont.

    Vroeger waren het popsterren die het behang bedekten, de middenpagina’s van de Muziek Expres met daarop de tronies van Beatles, Motions, Kinks en andere idolen van de jaren zestig.
    Nu heb ik geen idolen meer. Volwassen worden, of proberen te zijn, houdt nu eenmaal in dat je je afgoden afzweert, en dat is per slot van rekening wat ‘idolen’ betekent.
    Toch hangt er nog één portretje. Het is een ingelijste Finse postzegel met daarop de vrouw van mijn dromen. Niet om haar uiterlijk, niet om haar prestaties. Ze draagt slechts een keukenschortje en heeft een handtas vast, en zo hoort het, want het is Mamma Moem. Ze is een trol, schepping van Tove Jansson, de Finse schrijfster en tekenares.

    Tussen 1945 en 1970 schiep Tove Jansson in strips, prentenboeken en geïllustreerde kinderboeken – ‘voor kinderen van 8 tot 88’ – de wereld van de Moemvallei en zijn bewoners. Ook schilderde ze en schreef ze autobiografische boeken. Daarvan zijn Zomerboek en De dochter van de beeldhouwer in het Nederlands verkrijgbaar. Ze schreef in het Zweeds, de tweede taal van Finland, waar ze een nationale figuur van de eerste orde is. Postzegels, pretparken, musea, serviesgoed. Ze stierf in 2001.

    Toen ik op de lagere school zat, zo rond 1960, las ik de Moem-strip in Het Vaderland, een krant die allang niet meer bestaat. Ik wist niet dat de Moems trollen waren, ze zien er nogal vormeloos uit.
    Toen ik later de Moem-boeken ontdekte, in de Zwarte Beertjes serie van Bruna, bleken sommige figuurtjes andere namen te hebben gekregen. Wiesje heette opeens Snorkmeisje. De boeken waren buitengewoon goed vertaald door Cora Polet. Ik heb ze nog. De enige fanbrief die ik in mijn leven heb geschreven was aan haar gericht, om te vertellen hoezeer ik genoot van haar vertalingen. Die uitgaven zijn niet meer in de handel, maar gelukkig geeft Uitgeverij Clavis de boeken nu uit, in een nieuwe vertaling. Weer zijn de namen veranderd. De trollen heten nu Moemins, zoals ze in de Engelse vertaling Moomins heten en in het origineel Mumintroll. Laat de vertalers maar begaan, voor mij zal Moem nooit Moemin heten.

    Mamma Moem. Als ik haar zie, besef ik dat de wereld soms goed is. Zij is zowel kind met de kinderen als wijze toeverlaat en rots in de branding. Nooit vindt ze iets gek en nooit is ze braaf. Ze is volstrekt onburgerlijk. Zij vertegenwoordigt, om met Jacques Bloem te spreken, ‘een liefde als kamermuren, als lamplicht om het hart’. Dank zij haar is de Moemvallei een beschutte wereld, waarin je wel kunt griezelen en verdwalen maar waar je er nooit aan hoeft te twijfelen of je veilig thuis komt.

    Wat heeft er voor gezorgd dat ze na een halve eeuw nog mijn wand siert? Natuurlijk, de verhalen zijn origineel en hartveroverend. De illustraties zijn subliem. Maar er is meer: indertijd, toen de jongenskiel, om op Beets te variëren, niet zo heel zalig om mijn schouders gleed, las ik die strips niet in mijn eentje. Mijn grootmoeder las ze ook. Zij genoot er net zo van als ik en samen hadden we plezier in het fantaseren over de afloop. Ik herinner me dat ze enthousiast was over Mamma Moems oplossing voor de afwas: opsparen tot het regent en dan buiten zetten. Dat Wiesje, het Snorkmeisje, slechts gekleed ging in een enkelband vond ze bijzonder gewaagd. Wanneer ik op zomerkamp moest, knipte oma de stripjes voor me uit en kreeg ik ze toegestuurd.

    Ze schoten wortel, de verhalen en de figuurtjes, de tekeningen en de sfeer en, jawel, de ‘wereldbeschouwing’ van de Moems. Dat is namelijk de grote winst die je als lezer meekrijgt: een besef dat het leven niet per se uit stress, loonslavernij en statusangst hoeft te bestaan en dat de wereld op orde is. ‘Ik wil alleen maar in vrede leven, aardappels planten en dromen’, zegt Moem.
    Daar komt natuurlijk vaak wat tussen, u weet wel: wetten en praktische bezwaren en de slijtage van het bestaan. Wat de familie Moem belichaamt is een realistisch ideaal en geen wensdromerij.Dat ene postzegeltje valt in het niet bij m’n landkaarten. En zo hoort het misschien ook. Een mens moet zich niet afsluiten van de reële wereld. Maar de droom van een wereld die een veilige woning is, wil ik niet kwijt. Daarom hangt Mamma Moem boven mijn bureau.

    Soms, als ik opkijk van mijn werk, zie ik haar daar en dan denk ik aan mijn oma, die deze maand 124 zou zijn geworden:

    Maar het gelukkigst is misschien wel Moem die met zijn mamma door de tuin naar huis loopt, juist op het moment dat de maan in de morgenschemering verbleekt en de bomen zachtjes wiegelen op de ochtendwind die uit zee komt. Nu daalt de koele herfst in de Moemvallei. Want anders kan het immers geen voorjaar worden.

    (Uit: De hoed van de tovenaar, 1948)

     

     

     

  • Gehalveerde mensen

    Met andere vrijwilligers zit ik in de ontmoetingsruimte waar statushouders binnen lopen om elkaar te ontmoeten. Ze kunnen er hulp vragen of ideeën uit te wisselen. Het is een leerzame omgeving. Ook voor ons, Nederlanders. Zo vroeg ik me vorig week af wat ons aandeel was in de zweethanden van Abdullah.

    Hij kwam binnen om iets op te halen. Gastvrij als we zijn boden we hem een kop koffie aan, waarop hij aan tafel ging zitten. We hadden direct een druk gesprek over zijn vorderingen met de inburgeringscursus. Terloops liet hij zich ontvallen dat hij om half drie een afspraak had in een dorp in de buurt, maar hij maakte geen aanstalten om op te staan. Tot ik vroeg: ‘Maar hoe laat gaat je bus dan?’ Hij noemde de tijd en pas toen realiseerde ik me dat hij al een paar keer op zijn horloge had gekeken. Door ons gemaand om haast te maken, stond hij op en reikte ten afscheid zijn klamme hand. Toen hij dacht uit zicht te zijn, zagen we hem op volle snelheid het gebouw uit rennen.

    Het was niet de eerste keer dat een vluchteling die ons bezocht zo vriendelijk en beleefd was dat hij zijn eigen belang ‘vergat’ om ons niet teleur te stellen. Ik moest denken aan wat Hermann von der Dunk, zelf in 1937 uit Duitsland naar Nederland gevlucht, schreef in zijn boek Vluchten voor de Groote Oorlog:

    Vluchtelingen worden gehalveerde mensen. De vluchteling verliest de basis voor zijn gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen, de zekerheid die voortvloeit uit de natuurlijke vertrouwdheid met zijn omgeving, de zelfstandigheid en vrijheid die berusten op dat vertrouwen namelijk dat wat men geleerd heeft, dat de eigen waarden en normen geldige pasmunt zijn. Vluchtelingen worden geduld. En het is altijd de verborgen verwachting dat zij zich dankbaar zullen betonen voor die dulding, hetzij bij hun gastheren, hetzij bij henzelf omdat ze denken dat hun gastheren dat verwachten. Wie is aangewezen op medelijden leeft met een hypotheek.

    Hoezo: vluchtelingen worden geduld? We zitten hen in ons café juist een warme ontvangst te bereiden:
    – Kopje koffie, Abdullah?
    – Ja, lekker
    – Gezellig, Abdullah. Hoe gaat het met je?

    Natuurlijk gaat het goed. Abdullah is blij met zijn kopje koffie. Hij is er dankbaar voor. Die dankbaarheid is een verborgen verwachting. Bij hemzelf. Of, vermoedt hij, bij ons. Als hij zijn volgende afspraak mist zal hem dat met een schuldgevoel opzadelen omdat hij, hoe ondankbaar!, te laat kwam. En waarom kwam hij te laat? Omdat hij zijn hypotheek bij ons zat af te lossen.

    Natuurlijk. Von der Dunk had het over de grote wereld. Maar ik moet niet voor niets aan zijn tekst denken. Ik was net daarvoor met de beste bedoelingen toeschouwer geweest van een microversie van die wereld.
    Foto: RTL Nieuws van een mars in Amsterdam op 13 september 2015.

     

     

  • Nooduitgang

    Ik kan eindeloos de dingen doen die het dagelijkse leven van me vraagt maar er moet wel een soort van nooduitgang zijn waardoor ik af en toe ongemerkt verdwijnen kan. Deze week was ik in Londen waar er non-stop papjes, groentehapjes en tussendoortjes uit mijn handen kwamen die ook nog luiers verwisselden, in slaap susten, wasjes draaiden en de vloer veegden voor een enthousiaste tweeling, die al kruipende ook hun afstanden moesten maken. Voor ik erop bedacht was, was de dag voorbij en stortte ik me op de slaapbank om in alle vroegte fit weer op te staan.

    Op de vierde dag ontsnapte ik onder het mom van ‘even eieren halen’ naar Broadway Market, drie straten verderop. Ik had ook eieren nodig. Ik bedoel, het was geen smoes. Maar het leek alsof mijn blik zich vernauwde. Ik kon me niet meer focussen op de dagelijkse dingen en mijn automatische piloot was defect. En voor ik het wist was ik welgemoed op weg naar The Broadway Bookshop. Een boekwinkeltje zo klein, dat het niet eens een toonbank met kassa heeft. Bij binnenkomst stuit je direct op een boekentafel met nieuwe publicaties, fotoboeken en biografieën waarachter de eigenaar, een jongeman met rossige baard zit te lezen. Een boekhandelaar hoort te lezen, liefst tussen zijn nering. Tot zover was mijn redding nabij. Dan is er een trap naar een verdieping lager waar reisboeken, romans en klassiekers staan. Nog weer een trapje naar beneden en je bent omringt door poëzie.

    Ik was het eerste trapje afgedaald en na wat freewheelen langs de boekenkasten stond ik stil voor een een tafeltje met Pinguin Modern Classics en las de titel As I walked out one midsummer morning van Laurie Lee (1914-1997). ‘Walked out’, hmm, wat een heerlijk gevoel brachten deze woorden teweeg. Ik kende Laurie Lee niet. Hoe beperkt zijn wij lezers toch zonder vertalers. Lee was dichter, scenario- en romanschrijver. I walked out is het tweede deel van een autobiografische trilogie waarin hij beschrijft hoe hij in 1934, op negentienjarige leeftijd, zijn dorp en moeder verliet en te voet naar Londen ging. Waar hij een jaar werkte en vervolgens naar Spanje liep. Wat me nog meer aansprak was wat Lee, in een terugblik over het interbellum zei: ‘I was a young man whose time coincided with the last years of peace, and so was perhaps luckier than any generation since. Europe at last was wide open, a place of casual frontiers, few questions and almost no travellers.’
    Alles scheen me opeens zo overzichtelijk toe, een tijd waarin haast niemand zich verplaatste. Waarna ik doorging naar de eerste regels van As I walked out:

    The stooping figure of my mother, waist-deep in de grass and caught there like a piece of sheep’s wool, was the last I saw of my country home as I left to discover the world. She stood old en bent at the top of the of the bank, silently watching me go, one gnarled red hand raised in farewell and blessing, not questioning why I went.’

    Dat tragische beeld van die bukkende moeder die in een allesomvattend zwijgen haar zoon vaarwel zegt door haar ruwe werkhand op te steken, was genoeg om me weer te doen terugkeren naar mijn eigen alledaagsheid.

    As I walked out one midsummer morning  werd in 2004 door Helen Knopper vertaald als Die zomerochtend waarop ik van huis wegwandelde.

     

     

  • De ziel van het lezen

    Jarenlang heb ik op de Muziekschool in Amsterdam hoboles gehad. De langste tijd van Leo van der Lek, die althoboïst was van het – toen nog niet Koninklijk – Concertgebouworkest. Op een gegeven moment vond hij de tijd rijp om mij rieten te leren snijden. Gewapend met een glas water om het hout in nat te maken, een mes om het te snijden, een vijl om het dunner te maken en ga zo maar door. En tot slot met een stel stevige lippen om het eindproduct dicht te knijpen. Het was best leuk om zo bezig te zijn, en het leverde ook geestige momenten op wanneer Van der Lek op het eind van een les bijvoorbeeld met een zwierig gebaar het glas water uit het open raam leegde en er toevallig net een andere docent zat te genieten in de zon …

    Maar wat je al rieten makend vooral nodig had, was een dosis gevoel om, zoals Van der Lek het noemde, een ziel in het riet te leggen. Hij wist zelfs de plaats ervan aan te wijzen. De magie is er alleen een beetje af, nu ik in de roman Morgenvroeg in New York van Adrien Bosc las dat ook een viool een âme, een ziel heeft. Dat vurenhouten stukje binnen in de klankkast kan ook gewoon worden aangewezen: ‘Een paar millimeter rechts van de kam en het staartstuk zorgt de stapel, de “ziel”, vanbinnen (…) voor weerklank.’

    En toeval bestaat niet. Al struinend tussen boeken in de uitverkoop tref ik voor in het essay Wat alleen de roman kan zeggen van Oek de Jong een motto aan van Stendhal: ‘Een roman is als een strijkstok, de klankkast van de viool – dat is de ziel van het lezen.’
    Het wordt wel erg veel allemaal, een ziel die je overal opeens, soms aanwijsbaar, schijnt terug te kunnen vinden. Bosc concludeert met enig gevoel voor drama iets soortgelijks als Stendhal, namelijk dat de ziel een soort galmkamer is, ja zelfs ‘de zwaarte van het bestaan.’ En dat vindt hij wel een mooie gedachte.

    In dat citaat vibreert uiteraard een boektitel mee. Van een roman natuurlijk. Die romans, en de ziel van het lezen zelf, hebben een beetje de plaats van de hobo ingenomen. Het viel me zwaar hem aan de wilgen te hangen, maar met de vervanging kon het minder.

     

    Foto Henk Hilterman

     

  • Steenhouwers en Leeglopers

    De geschiedenis van de schilderkunst is grotendeels een geschiedenis van rijke mensen. Wat logisch is, want als je moet buffelen om je kostje te winnen heb je weinig tijd om te schilderen. Laat staan geld om een schilderij te kopen, een luxeproduct. Met als gevolg dat, wat schilders uitbeelden lange tijd net zo luxueus was als de klanten waarvoor ze schilderden, zelfs als ze bittere ellende schilderden.

    Maar er kwam een moment dat het gewone leven zijn intrede deed in de schilderkunst. Toen Vlaamse schilders zoals Jan van Eyck hun religieuze voorstellingen in gewone, huiselijke omgevingen plaatsten. Al bleef er ook toen wel wat verheerlijking in de uitbeelding van het gewone leven over. Maar dat veranderde bij Gustave Courbet. Hij gaf arme mensen in zijn schilderijen een hoofdrol op een wijze die daarvoor nog niet was getoond. Een prachtig voorbeeld hiervan is de Steenhouwers uit 1849, geschilderd één jaar na de publicatie van het Communistisch Manifest van Marx en Engels. Hier is de armoede verre van verheerlijkt en Courbet schilderde het leven van arbeiders meedogenloos realistisch. Wat misschien voor hedendaagse ogen niets bijzonders lijkt, maar in zijn tijd vernieuwend was. Courbet toont het harde leven van twee steenhouwers zonder opsmuk, waarbij de ene steenhouwer toch echt te jong en de andere te oud lijkt voor het zware werk. Het schilderij is zo ruw geschilderd dat het in alles een aanklacht lijkt te zijn tegen de barre omstandigheden van arbeiders (en van de gepolijste academische schilderkunst van die tijd). Alsof Courbet tot in zijn penseelstreek de ruwheid van het leven wilde laten zien.

    In de literatuur zie je volgens mij een vergelijkbare ontwikkeling. Ook daar kom je in de vroege literatuur niet echt veel arme sloebers in een ongepolijst setting tegen. Zo zijn de meeste hoofdpersonen uit Shakespeare’s verhalen misschien wel ongelukkig, maar niet onbemiddeld. Ook hier kwam een omslag, geïnspireerd op de ellende van de industriële revolutie. Charles Dickens wijdde er vrijwel zijn gehele oeuvre aan.

    Ook bij Giovanni Verga staat in De Leeglopers (1881) de onderkant van de samenleving centraal. Deze roman is de literaire tegenhanger van Courbet’s Steenhouwers. Net als Courbet is Verga meedogenloos en realistisch in zijn uitbeelding van het harde lot van de vissersfamilie, Leegloper. Ook hier zijn de hoofdpersonen veelal te oud of te jong voor de vele ongelukken die hen treft. En net als bij Courbet is het taalgebruik van Verga, zijn ‘penseelstreek’, direct en zonder opsmuk: “Hebben jullie het dan soms beter, met al dat gewerk en dat zinvolle gesloof? Het is ons ellendige lot!”

    Een lot dat dan misschien ellendig is, maar wel weergaloze literatuur oplevert. Want het leed van de Leeglopers mag dan verschrikkelijk zijn, het levert net als bij de Courbet’s Steenhouwers een prachtig kunstwerk op.

     

     

  • De wereld gaat aan vlijt ten onder

    In mijn tuin staat een eik. Ik vond hem bij het uittrekken van onkruid. Vier blaadjes heeft hij, gedeeltelijk roodachtig, en hij is amper tien centimeter hoog en toch onmiskenbaar een eik. Hij zal wel geplant zijn door een Vlaamse gaai, die bewaren eikels voor de winter en vinden niet altijd hun voorraad terug. Ik moest denken aan een gedicht van Ida Gerhardt, ‘Naar u’:

    ‘Dit is de eerste schuchtere groei,
    een zich ontplooien naar het licht.
    Eéns is van liefde en geduld
    de tijd vervuld, –
    dan staat mijn stille tuin in bloei.
    En elk aandachtig bloemgezicht
    is toegericht
    naar u.’
     
    Hier wordt beschreven hoe een onherkenbaar groen puntje, waarvan de kiemblaadjes nog maar amper begonnen zijn zich te ontvouwen, zich zal ontwikkelen tot iets ongehoord fraais dat zich richt naar iets ongehoord groots.
    Een bescheiden hovenier is aan het woord, want de ‘ik’ die spreekt komt slechts indirect, in het woordje ‘mijn’, in beeld. Een dienstbare man of vrouw, dienstbaar aan de tuin die nog moet ontstaan en aan de grondslagen waarop de tuin tot stand komt: ‘liefde en geduld’.
    Behalve een tuinman met grootse verwachtingen horen we de stem van een gelovige. De religieuze betekenis is evident, ook al staat ‘u’ zonder hoofdletter geschreven. Zo gelezen is het gedicht een gebed. De tuin die gecultiveerd gaat worden, is de eigen ziel.
    Deze oude beeldspraak geeft uitdrukking aan een besef dat in het bijbelboek Prediker al is te vinden: ‘Voor alles is er een uur’.
    Een plant volgt zijn eigen, ingeschapen ‘programma’. In de opeenvolgende seizoenen vindt de ontwikkeling plaats die resulteert in groei, bloei en de vorming van vruchten. Dat proces laat zich wel beïnvloeden maar niet veranderen. Vandaar dat geduld nodig is, en dienstbaarheid. De zorg voegt zich naar de aanleg, met ‘liefde en geduld’. Diezelfde begrippen vinden we ook bij onderwijshervormer Jan Ligthart, die in 1916 stierf en wiens pedagogische credo op zijn graf staat: ‘De heele opvoeding is een kwestie van liefde, geduld en wijsheid en de laatste twee groeien waar de eerste heerst.’
     Ligthart wist waar hij het over had. Hij heeft veel voor het Nederlandse onderwijs betekend. Delegaties uit het buitenland bezochten zijn school. Toen prinses Juliana leerplichtig werd, won koningin Wilhelmina bij hem advies in.
    Liefde en wijsheid zijn begrippen die iedereen op zijn eigen manier invult, maar ‘geduld’ is duidelijk: dat gaat over tijd en over vertrouwen. Gun dat wat zich ontwikkelt z’n eigen tempo, besef dat jouw inmenging niet altijd nodig of zelfs ongewenst is, heb vertrouwen in de afloop. Er wordt over opvoeding en onderwijs nogal eens gesproken in termen die zijn ontleend aan economie en sport. ‘Alles eruit halen wat erin zit’, ‘excelleren’, ‘uitdagingen aangaan’. Het heeft iets hijgerigs.
    De analogie tussen de plantaardige en de menselijke groei levert een veel aantrekkelijker ontwikkelingsmodel op. ‘Groeien’ is het sleutelbegrip, met de nadruk op de organische ontwikkeling, inclusief ogenschijnlijke stilstand.
    Een plant, een tuin, je ziel, een kind – we moeten ze voeden en behoeden en zo nodig snoeien. En in de eerste plaats moeten we ze tijd geven, hun eigen tijd, anders gaat het mis. Zoals John Lennon zingt in ‘Working Class Hero’: ‘As soon as you’re born they / make you feel small / By giving you no time instead of it all.
  • Het effect van de Spelen

    Voor de Olympische Spelen in Rio begonnen, had ik het in een van mijn vorige columns over het Refugee Olympic Team (ROT), dat aan de Spelen zou deelnemen. Ik was benieuwd naar de prestaties van het team en de aandacht die het in de media zou krijgen.

    Zowel op tv als in de papieren media werd plaats gemaakt voor de deelname van het ROT.  In die berichtgeving kwam de motivering van de atleten ruim aan bod: Ook al heb je de grootst mogelijke ellende meegemaakt, je hebt een toekomst. De prestaties waren daar ondergeschikt aan. Die kregen dan ook nauwelijks aandacht. Achteraf zijn die ook niet mijn belangrijkste punt, maar voor de volledigheid:

    De Syrische zwemmers Rami Anis en Yusra Mardini (het  verhaal van Mardini, over de redding van een rubberboot met vluchtelingen op weg naar Lesbos, verscheen in verschillende bladen) strandden in de eerste ronde op hun onderdelen. Dat lot was ook de Zuid-Soedanese lopers James Nyang Chiengjiek, Yich Pur Biel en Paolo Lokoro en hun landgenoten Angelina Lohalith en Rose Lokonyen beschoren. De Ethiopiër Yonas Kinde werd 90ste op de marathon. Bij het judo kwam de Congolese Yolande Mabika niet door de eerste ronde, maar haar landgenoot Popole Misenga bereikte de laatste 16. Ze konden alle tien dus ook geen potje breken, maar daarom waren ze er ook niet. Bereikten ze dan wel hun andere doel: publiciteit voor de aanpak van hun leven na de vlucht? De pers pikte het in elk geval op. Maar kwam het ook aan bij de lezers en luisteraars?

    Om daar achter te komen hield ik een klein , volstrekt niet representatief, onderzoekje onder mijn Nederlandse kennissen. De meesten die weet hadden van het ROT , hadden  die kennis  opgedaan omdat ik er zelf over  begonnen was. Een enkeling had erover gelezen of  op tv gezien. Waaróm het team meedeed bleek nog minder bekend. Om een idee te geven: ik heb het over Nederlanders in de leeftijd  van pakweg 40 tot 70 jaar die geïnteresseerd zijn in de actualiteit van de dag. Belangrijker is natuurlijk de vraag of de deelnemers  er zelf  moed uit hebben geput .

    Net zo min representatief, waren de antwoorden op mijn vraag onder statushouders (vluchtelingen met verblijfsvergunning) in mijn kennissenkring. Ik vroeg het aan zo’n vijftien personen, bijna allemaal tussen de 20 en 40 jaar. Onder hen Syriërs, Eritreeërs, Palestijnen en Afghanen. De meesten hadden er van gehoord, maar hadden er niet veel aandacht aan besteed. Met  uitzondering voor alle Syriërs (vier) en één Palestijn. Ze kenden de prestaties van Anis en Mardini en waren er bijzonder trots op.

    ‘En de andere Olympiërs uit het team?’, vroeg ik. Ze wisten dat er meer vluchtelingen hadden meegedaan, maar die riepen niet de glimmende ogen op die Anis en Mardini bewerkstelligd hadden. Ik begreep meteen dat ik de klassieke fout had gemaakt om alle vluchtelingen op één hoop te vegen. Dé vluchteling bestaat gewoonweg niet. Om enthousiast achter een sporter te staan en trots op hem te zijn, moet je je met hem verbonden voelen. De Syrische vluchteling is dat met de Syrische sporter, zoals de Nederlander dat is met de Nederlandse.

    Door vluchtelingen als één groep te beschouwen dichten we die groep een homogeniteit toe die er niet is. Natuurlijk, het zijn lotgenoten, maar óók individuen met eigen wortels. Door alle vluchtelingen als categorie aan te spreken, ontnemen we ieder van hen de nationale identiteit waarvan ze het laatste restje willen behouden nu ze van hun grondgebied zijn verstoten. Het schoot me plotseling weer te binnen dat een Iraniër me daar een jaar geleden in een gesprek  ook al eens op wees: “Waarom zeg jij ‘jullie’’ tegen mij als je het over asielzoekers hebt?” Hij en ik konden er toen gelukkig om lachen.

    Aan het begin van deze column vroeg ik mij af, of het doel van het ROT bereikt is. Wat denkt u?