• Een tijdsbeeld en hoe dat gaat

    Een tijdsbeeld en hoe dat gaat

    Het eerste wat ik doe is bladeren, op zoek naar herkenbare portretten. Dean Bowen springt eruit als realistisch en goed gelukt zelfportret. En degenen die een foto maakten van henzelf, zoals K. Michel, en van Jente Posthuma, een naakt met koptelefoon op. Ik zie de moeilijkheid van sommige auteurs om een zelfportret te creëren. Adriaan van Dis legde een schakelketting in de vorm van een gezicht, tekende daar neus, mond en ogen in. Thomas Verbogt is niet te herkennen in het gekrabbelde postzegelformaat zelfportret, ook niet als je weet dat hij het is. Bij nader inzien herken ik Nadia de Vries wel in die in uit twaalf potloodlijnen opgetrokken Kubus. En ja, Joost Oomen zie ik ook wel in dat karikaturale tekeningetje.

    Literair tijdschrift De Revisor presenteert meer dan tachtig zelfportretten van schrijvers. Ik blader er zogezegd doorheen. Er zijn schrijvers waarvan ik wel hoorde, maar nooit iets las. Er zijn er waar ik nog nooit van gehoord heb. Deze portretten zijn een (her)kennismakingstocht.

    Daar,  een op de rug getekend persoon, lange haren, kat op rechterschouder. Ha, Rob van Essen. En Ingmar Heytze, nadat ik beeld en de daaronder geplaatste naam bij elkaar heb gebracht, zie ik het ook. En Sasja Janssen met dubbel s, haar kenmerkende bos haren in een paar potloodstrepen verbeeld, herkenbaar. En natuurlijk Lize Spit, een portret zonder gezicht, maar dan, dat opgestoken haar. Herkend worden aan de haardracht is een ding. Laatst kwam ik iemand van lang geleden tegen die zei me te herkennen aan mijn haren, onmiskenbaar herkenbaar.

    Lang geleden, in 1977 plaatste de toenmalige redactie van De Revisor auteurs, verdeeld over twee nummers 79 zelfportretten van schrijvers. Veel schrijvers die toen meededen, zijn overleden. De nog te traceren schrijvers werden in de afgelopen drie jaar geïnterviewd over de voortgang van hun schrijversleven, het literaire veld waarin ze verkeerden. Sommigen publiceren nog steeds (Jan Siebelink,  Mensje van Keulen), de meesten werden uit de vergetelheid losgepeuterd. Soms met enige terughoudendheid, of uit vrees voor een hoestbui een ontmoeting niet zagen zitten. Tot ze, na vasthoudendheid van de interviewer toegaven, de interviewer binnen lieten en eenmaal de kelen geschraapt, niet meer van hun praatstoel loskwamen.

    In een terugblikkend perspectief kwamen vergeten en ondergesneeuwde schrijvers weer boven. Het ontroerde me, al raak ik de laatste tijd wel vaker ontroerd.

    Laatst keek ik op NPO gemist de film ‘Mijn moeder wil niet meer leven’ van Lev Avitan. Op een bepaald moment, in akte III, raakte ik ontroerd, kwamen er tranen. Gisteren keek ik de film opnieuw met mijn jongste dochter die ziek op de bank lag.  Weer raakte ik op hetzelfde punt ontroerd, die tranen. Als Avitan tot zijn moeder spreekt, haar terug wil halen uit de dood. En wat dat zegt, ontroering tot tranen toe.

    Van Avitan is naast een zelfportret een gedicht opgenomen. De kern van zijn teksten treft me in deze strofe,  ‘vriendschap maakt het bestaan van de staat overbodig / omdat het de toename van de capaciteit van een lichaam / om te raken en geraakt te worden exceptioneel cultiveert’.

    Ik herken Nikki Dekker en Jan Glas, samen op dezelfde pagina. Vrouwkje Tuinman heeft enkel aan het brilmontuur in dik aangezette zwarte lijnen, en de sterk gevormde mond genoeg om haar te zien verschijnen. Op de cover het zelfportret van Yentl van Stokkum, linksboven die van Leonieke Baerwaldt. Er is een goede gelijkenis. En Maartje Wortels getekende zelfportret doet denken aan de grillige tekening van Lidy van Marissing uit 1977.

    Cees Nooteboom over zijn zelfportret van toen: ‘Gewoon, zoiets wat je dan een keer doet. En dan op een dag komt er iemand naar je toegereisd om te vragen hoe en wat.’

    Deze nog. Het zelfportret van Obe Alkema is gemaakt via het ‘verbind de punten met elkaar’ tekenen. Wat er dan ontstaat. In elkaar verwarrende lijnen een onherkenbaar portret. Of zie ik  in die ‘verwarde lijnen’ toch iets dat de schrijver kenmerkt? Graag gelezen verhalen van twee schrijvers die ik niet kende, Corinne Heyrman en Eline van Wieren. Zij werden gezien.

    De tijd stilgezet met een zelfportret. Hoe alles nu gaat. En dat er over veertig jaar opnieuw iemand zich gedreven voelt deze schrijvers op te zoeken. Wie er dan nog schrijft, wie er nog een uitgever heeft. En wie van deze schrijvers heeft een onuitwisbare voetafdruk in de literatuur achtergelaten. Schrijven is een zaak van het hart, van overtuiging.

     

     

    De Revisor #45 HET ZELFPORTRET
    De prullenmand heeft veel plezier aan mij, Schrijversportretten toen en nu / Thomas Heerma van Voss / Das Mag (2025)


    Inge Meijer schrijft over de dingen die ze leest en het dagelijkse leven.

     

     

     

     

  • Ademloos luisterend en enthousiast applaudisserend publiek

     

    Na twee weken dagelijke literaire festiviteiten in Utrecht sloot ILFU op 5 oktober traditiegetrouw af met de Nacht van de Poëzie.



    Onder het motto van M. Vasalis, ‘Er is geen nacht oneindig en geen stilte stil’, traden 
    tijdens de 41ste Nacht van de Poëzie twintig Nederlandse en Vlaamse dichters op in Tivoli Vredenburg in Utrecht. Voordat de de Nacht begon dwaalden bezoekers vol verwachting door de immer onoverzichtelijke rondgangen. Eenmaal in de zaal aanbeland trekken grote schermen de aandacht, waarop geprojecteerde foto’s van dichters die tijdens eerdere Nachten hebben opgetreden. Het vervult de bezoeker met een zekere nostalgie en droefenis. Want oh, oh, oh, wat zijn er al veel van die gasten niet meer onder ons! Gerrit Komrij, Leo Vroman, F. Harmsen van Beek, Menno Wigman en ga zo maar door: allemaal dood.

    Het woord oorlog

    De brute actualiteit van de boze buitenwereld gaat aan de grote rode zaal vol poëzie in Utrecht niet voorbij. Zelden viel op een avond als deze zo vaak het woord ‘oorlog’. Terloops misschien – maar toch. Mahat Arab, Spoken Word Artist, geboren in Ethiopië en opgegroeid in Arnhem die vorig jaar de Nacht afsloot en traditiegetrouw de Nacht mag openen, brengt zijn taal en professie meteen in stelling met de zinsnede: ‘ik dacht dat poëzie verzet was’. Anna Enquist, grand old lady van de Nederlandse poëzie, wil volgens de aankondiging iets belangrijks zeggen met ‘gevonden voorwerpen’. De zaal luistert ademloos, applaudisseert enthousiast, en ook bij Enquist valt het woord: ‘Vrijheid heeft steeds nieuwe oorlog nodig’. Peter Verhelst (’een prijsbeest’) leest eveneens een oorlogsgedicht voor. Met Daan Doesborgh staat er een dichter op het podium die net zo goed performer is. Ook hij refereert aan oorlog (met water als inzet) en raakt het publiek met een ontroerend gedicht over een jong gestorven vriend: 

    ‘Spijt dat je niet het onmogelijke hebt gedaan
     Bestaan in het volle licht van het bestaan’

    Bibi Dumon Tak was vereerd dat ze voor deelname aan de Nacht werd gevraagd. Ze had echter naar eigen zeggen zo weinig poëzie geschreven dat ze vreesde de toegemeten zeven minuten niet vol te krijgen – maar dat lukte prima. Haar voordracht liep over van aandacht en liefde voor dieren. Tamelijk onpoëtisch en zeer indringend nam de dichteres de zaal mee op sleeptouw in het kielzog van een transport per vrachtwagen van pasgeboren kalfjes. Honderden kilometers lang, kriskras door Europa. En een non-fictie prozafragment over evenhoevigen (wel de koe, niet de tapir) liet zich perfect poëtisch vertolken. 

    De lach, die toch kwam

    Ted van Lieshout spreekt het publiek direct aan als hij de denkbeeldige vraag verwoordt: ‘Ga je ons laten lachen? Nee.’ Waarna een aangrijpend gedicht volgt over zijn overleden jongere broer. De toehoorders krijgen geen tijd om het effect op zich te laten inwerken, want hoe pregnant Van Lieshout het publiek met dit gedicht ook benadert, hij doorbreekt de opgeroepen stemming door de voordracht direct te vervolgen met de verzuchting, ‘Erg hè?’. Waarna er alsnog genoeg is om hard om te lachen.

     

     

    Als immer tijdens de Nacht worden voordrachten van dichters afgewisseld met entr’acts. Deze zijn doorgaans van zeer hoog niveau. Zo kreeg theatermaker Steef de Jong het publiek op de banken met zijn hartveroverende presentaties: vernuftige kartonnen constructies, De Jongs performance en de verbeelding van de toeschouwers leidden tot een uitzinnig geheel. Hilarische slapstick, origineel en onweerstaanbaar: van een negentiende-eeuws operettefragment van Jacques Offenbach tot een optreden van Queen en een uitstapje naar de Oostenrijkse Alpen, waar Maria von Trapp de vreugde van muziek bezingt. Schijnbaar moeiteloos en opgewekt brengt Steef de Jong het in een dik kwartier allemaal voor het voetlicht.

     

     

    Heel anders van aard was de muziek van het Cello Octet Amsterdam. Deels ritmisch ‘monotoon’ en modernistisch, deels toegankelijk met een schitterende uitvoering van ‘Within you without you’ van The Beatles. Waarbij ‘When I’m 64’ de zaal zachtjes meezong.

    Geëngageerde poëzie  

    Ramsey Nasr dichtte en acteerde geëngageerd over Wilders en Rutte. En hoe een gedicht uit 2010 tegen de achtergrond van de actualiteit aan schrilheid heeft gewonnen. Met zijn opzwepende voordracht oogste Nasr een enorm applaus. En wat je voelde aankomen gebeurde inderdaad: Nasr citeerde de regels van Vasalis die het motto zijn van deze Nacht en vervolgde geëmotioneerd: ‘Lang leve Palestina’. Maarten Inghels probeert naar eigen zeggen al twintig jaar te stoppen met schrijven. Gelukkig slaagde hij daar niet in – en blijkens zijn website doet hij bovendien nog veel meer. Zijn voorstel voor een voetbalwedstijd tussen tweemaal elf bomen (een team inheemse, een team uitheemse bomen), die in de loop van honderd jaar ‘naar elkaar toe groeien’ was een verbluffend staaltje van de grenzeloos rekbare mogelijkheden van de poëzie. Roan Kasanmonadi – schrijver, danser, psychiater in opleiding – demonstreerde aanstekelijk en overtuigend dat de wijze waarop games zijn gestructureerd, ook een prima kapstok kunnen zijn voor gedichten.    

    Soms ongemakkelijk, immer poëtisch

    De  entr’acte van Brilhang, rapper uit Knokke-Heist, paste met zijn prachtige teksten, uitgevoerd in het West-Vlaams en indringend begeleid op een synthesizer naadloos tussen de andere poëtische voordrachten. Veel dichters vertolkten gedragen lange teksten, bezwerend, verhalend, soms sprookjesachtig, soms ongemakkelijk, immer poëtisch. De finale entr’acte van de Nacht behelsde een muzikaal spektakel opgevoerd door een ensemble bestaande uit negen vrouwen dan wel non binaire bandleden. Veel bezoekers waren al vertrokken maar de blijvers hadden gelijk en dansten de vermoeidheid uit hun ledematen. En konden zo om kwart voor drie nog aandachtig luisteren naar de laatste dichter, Yentl van Stokkum, die traditiegetrouw volgend jaar de 42e Nacht mag openen.

    Buiten de zaal was er gedurende de hele Nacht de roezige dynamiek van boekverkoop, stands van poëzie-uitgevers, tijdschriften als Vooys en Awater, signeersessies. Wie wilde kon terecht in een literaire tattooshop of naar een poëzie apotheek.
    ‘Wat goed dat dit bestaat!’, begon dichter Bernard Wesseling zijn voordracht. Daaraan hoeft niets meer te worden toegevoegd.

     

     

    Foto’s: Reinder Storm

     

  • De geliefde die wel of niet blijft

    De geliefde die wel of niet blijft

    Wat is een allesverzengende liefde waard in een wereld die ten onder dreigt te gaan aan onverschilligheid ten aanzien van de natuur. Voor Yentl van Stokkum lijkt het een samengaan van twee grootheden, de liefde en onze natuurlijke omgeving. Ze vertaalt deze in dichtvorm zodat de verbinding goed voelbaar is, alsof het een niet zonder het ander kan bestaan. Liefde betekent vooruit voelen, de verwachting aanwakkeren van een toekomst vol passie en romantiek. Natuur staat in de achteruitversnelling, een aankondiging van afbraak die ons te wachten staat als er niets gebeurt om het tij te keren. Van Stokkum weet beiden te verwoorden als een onlosmakelijke twee-eenheid, de tegengestelde richting draagt juist bij aan de boodschap die ze hiermee afgeeft. In het eerste gedicht wordt op luchtige wijze een introductie gegeven:

    ‘alles wat volgt is een leugen
     til niet te zwaar

     (taal is niet gemaakt om te dragen haha)

     maar liefste dit is waar wij zijn begonnen
     midden in de pit van een zonsondergang

     (vermoeide zucht)

     warm en koel tegelijk
     daar gaan we
     terwijl het verdwijnend licht de vingers
     over jouw ruggengraat laat lopen’

    Het is de aankondiging van een naderend einde. De dichter praat onafgebroken tegen en over een geliefde, waarbij ze langzaam lijkt toe te werken naar een onvermijdelijke scheiding. Er worden oorzaken gezocht, verontschuldigingen gemaakt en twijfels geuit, maar het afscheid hangt al vanaf het begin in de lucht. Een afscheid dat verdrietig maakt en tegelijkertijd als een rationele transactie ondergaan lijkt te worden.

    Complex bouwwerk

    En ook de natuur moet eraan geloven. Van Stokkum stapelt het liefdesdrama laag voor laag op, afgewisseld met het natuurlijke verval. Er ontstaat een complex bouwwerk dat gestut door een zoekende toon overeind blijft. De stijgende zeespiegel, afbrokkelende ijskappen, weersextremen, alle vormen van kwetsbaarheid in de natuur worden aangehaald en in verband gebracht met de breuk in een liefdesrelatie.

    ‘maar even hè heb je de bomen zien buigen
     heb je gezien hoe een heel bos kan buigen
     we zijn nog niet in het stormseizoen beland
     voor het gemak vergeet ik wat moet komen
     druk een gebed op jouw schouder
     het weer slaat om

     niet ik die al het morgenrood de hemel in spuwt
     asdeeltjes maken zich los uit mijn longen
     schillen van granaatappelpitjes en de stelen van kersen
     die ik opknoopte met mijn tong
     ik laat alles los’

    De gedichten slingeren zich schijnbaar onafgebroken over de pagina’s. Een relaas op zoek naar een uitlaatklep. Er is geen interpunctie, er zijn geen beginkapitalen en de lange titels houden het midden tussen een aankondiging en een eerste regel. Het is de voortstuwende gedachtegang die de worsteling van het moment goed weergeeft. De dichter gebruikt deze vorm doeltreffend, een onheilsboodschap om het einde in te luiden.

     Tuurlijk had ik hem graag gehouden 

     al was het maar voor de fluorescerende nachten
     waarin hij me vastpinde in bed
     de zon ging maar niet onder
     ik had het amper in de gaten
     ik lette niet op die giftige gloed
     zelfs de vogels waren stil

     hij pelde mijn benen uit elkaar twee sinaasappelpartjes
     en al dat vocht hij likte het op en ik had hem graag gehouden
     ook al kende ik onze houdbaarheidsdatum alleen ik
     hield die in de gaten ik telde
     onze dagen
     het zou kunnen dat ik liever niets aan toeval overlaat

     Natuur en mensheid

    De onstuimige intimiteit valt samen met de benoeming van alles wat er fout gaat in onze natuurlijke omgeving. Van Stokkum weet die grootheden prachtig te combineren en tot één boodschap te vervlechten. Het is indringend door de doorlopende urgentie, het ritme in de taal en de genuanceerde wisselwerking tussen het strikt persoonlijke en de algemene deler, de natuur. 

    Dat samenvloeien zorgt tegelijkertijd voor het allergrootste contrast die deze bundel zo sterk maakt. De grootsheid van de natuurlijke omgeving versus de nietige positie van de mens daarin. Het levert een spanningsveld op waarin de liefde balanceert tussen aantrekking en afstoting, terwijl de dichter woorden probeert te vinden om dit liefdesdrama een plek te geven. Dat die plek in de eeuwigheid van de ons omringende elementen is te vinden is een prachtig gegeven. Liefde is allesomvattend, juist in haar bizarre kronkelingen, en is in deze gedichten op een prachtige wijze verbeeld.

    ‘de vissen die uitsterven maken mij minder verdrietig
     dan de dieren tegen wie ik aan wil kruipen
     en ik houd me meer bezig met mijn geliefde
     die wel of niet blijft (want iedereen weet dat geliefden net zo onvoorspelbaar zijn
     als het weer) dan met het watertekort dat op ons wacht’



  • Niet mijn Emily

    Niet mijn Emily

    Ik had mijn eigen stelregel overtreden: ga nooit naar de film als je het boek gelezen hebt, want dat valt altijd tegen. Goed, er waren uitzonderingen: ik was vroeger smoorverliefd op de sardonische grijns van Clark Gable als Rhett Butler in Gone with the wind, en Gregory Peck speelde Atticus zoals ik die me tijdens het lezen van To kill a mockingbird had voorgesteld.  Maar de film Emily van Frances O’Connor had maar weinig te maken met Emily Brontë die Wuthering Heights geschreven had. De eeuwige vraag waar een geïsoleerd levende jonge vrouw haar inspiratie had opgedaan voor het schrijven van zo’n wrede, krankzinnige en gruwelijk mooie roman werd beantwoord door haar een relatie te laten aangaan met de dorpspredikant. Er was weer een man voor nodig en een stormachtige, gepassioneerde liefde om Emily Brontë op het idee te laten komen een roman te schrijven. Want hoe zou een streng opgevoed meisje, ver van de mondaine wereld opgegroeid in een klein dorpje in het ruige Yorkshire anders weten waar mensen toe in staat zijn? Alsof ze nooit een boek gelezen had, alsof ze geen dromen had!

    De dorpspredikant, die zo kwezelachtig was om hun relatie te verbreken omdat het een doodzonde zou zijn, kon in ieder geval nooit model hebben gestaan voor Heathcliff, dat was duidelijk. De nadruk werd gelegd op het anders-zijn van Emily, dat haar tot een zonderling maakte in de ogen van anderen. Charlotte Brontë werd neergezet als een preutse, bigotte juffer en jongste zus Anne als een giechelend leeghoofd. Terwijl de roman Jane Eyre van Charlotte toch ruim drie maanden voor Wuthering Heights gepubliceerd werd en de drie zusters altijd gezamenlijk schreven. Maar het schrijverschap van zowel Charlotte als Anne kwam in de film nergens ter sprake, alleen broer Branwell kreeg aandacht als het zwarte schaap van de familie. De film was ook niet echt als biografie bedoeld, maar onwillekeurig wil je er toch iets in terugzien van wat je liefhebt. Maar het was mijn Emily niet. Ook niet die van Yentl van Stokkum, denk ik, die het volgende fragment schreef in haar gedicht:

    ‘Ben je geobsedeerd door een dode dichter’

     de natuur houdt geen rekening met geesten en wie houdt er niet van wie jong gestorven is?

     al dat potentieel dat we in de grond stoppen wat een drama hoe erger de dood hoe groter de
     aanwezigheid van de dode

     hier heb je dode geniale familie een grote ontbonden belofte wat vind je ervan?
     stuk voor stuk hun tijd vooruit wie weet wat ze nog hadden gedaan en geschreven

     hier ligt Ellis Bell en we noemen hem ook wel
     Emily Jane Brontë

     En de recensies waren waardeloos de dagboeken zijn vernietigd en er was nog een
     manuscript en wie weet’

    Ik nam me heilig voor nooit meer naar een film te gaan die op een boek of het leven van een auteur gebaseerd is, alleen  de serie Lampje naar het boek van Annet Schaap, daar maak ik  graag nog een uitzondering voor. 

     

     

    Uit: Ik zeg Emily / Yentl van Stokkum2021.


    Hettie MarzakPoëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Oogst week 11 – 2021

    Ik zeg Emily

    De poëziebundel Ik zeg Emily is het debuut van Yentl van Stokkum, waarin een jonge dichter een bezoek brengt aan het graf van Emily Brönte (1818-1848, de middelste van de gezusters Brönte, die onder andere Wuthering Heights schreef). De verteller raakt bezeten door de vroeg gestorven Emily, haar leven en werk, en lijkt een verbond aan te willen gaan met de ziel van de dode dichter.

    ‘het verlangen naar Emily is simpel
    en ik wil de associatie vermijden met woorden als
    kwetsbaar ode oprecht liefdevol romantisch romantiek (…)’

    Daartoe reist de verteller naar het graf van Emily Brönte in Scarborough (‘mag ik zeggen dat het graf tegenvalt’). Het ‘hier en nu’ klinkt door in hoe de reis wordt beschreven: de verteller raakt niet alleen aan Emily en haar historische belang, maar ook aan hoe het is om nu vrouw te zijn, bijvoorbeeld in ‘advies voor een jonge alleen reizende vrouw’.

    Yentl van Stokkum (1991) is toneelschrijver en dichter. Ze schreef al voor Hard//hoofd, er is werk van haar opgenomen in de bundel NYX van de feministische uitgeverij Chaos en ze begon tijdens het Slow Writing Lab waaraan ze deelnam met het schrijven van poëzie over Emily Brönte.

     

    Ik zeg Emily
    Auteur: Yentl van Stokkum
    Uitgeverij: Hollands Diep

    Een Alpenroman

    Goed nieuws voor degenen die verzuchten dat er tegenwoordig nog maar zo weinig Vestdijk wordt gelezen: Een Alpenroman is heruitgegeven. De roman deed bij verschijning in 1961 nogal wat stof opwaaien: Vestdijk beschrijft in zijn roman de lesbische liefde tussen de Nederlandse Lucie Ebbinge en Duitse Anna Brandner, die serveerster is in het hotel, in feite kuuroord, waar Lucie verblijft te Oberstdorf. Vestdijk beschrijft hun liefde zeer gedetailleerd, wat hem op onbegrip bij recensenten kwam te staan. Er werd geschokt gereageerd op de lesbische liefde van Lucie en Anna: ‘Dit boek is ziek, zo ziek.’ (Algemeen Handelsblad);  ‘verboden vorm van geslachtelijke liefde’ (Trouw). Maar niet enkel die liefde analyseert Vestdijk: maatschappelijke tegenstellingen en religieuze waarden en belangen spelen eveneens een belangrijke rol.

    Een Alpenroman verscheen voor het eerst bij De Bezige Bij, en is nu door Uitgeverij kleine Uil opgenomen in de zogenoemde Regenboogreeks, met daarin ‘klassiekers uit de lhbt-literatuur’.

    Een Alpenroman
    Auteur: Simon Vestdijk
    Uitgeverij: Kleine Uil, Uitgeverij

    Klara en de Zon

    In Klara en de Zon van Kazuo Ishiguro is het titelpersonage een ‘Kunstmatige Vriendin’, ofwel: een robot, nauwelijks van een echt mens te onderscheiden, met dezelfde zachtheid en toewijding. Dat Klara de wereld anders waarneemt – technisch gesproken – maakt niet dat ze niet naar menselijk contact smacht en wacht tot iemand haar meeneemt om deel te laten uitmaken van het eigen gezin. Dat laatste gebeurt: ze komt terecht bij de ziekelijke tiener Josie. Wanneer Josie zelf niet in staat is om haar rol binnen het gezin te vervullen, wordt Klara zo geprogrammeerd dat zij dat voor haar kan doen. Daarmee worden thema’s als genetische manipulatie, A.I. en big data aangesneden. Over de verhouding van Klara en de Zon tot de tijd waarin we leven, stelde Ishiguro in een recent interview met The Guardian het volgende:

    ‘“What happens to things like love in an age when we are changing our views about the human individual and the individual’s uniqueness?” he asks. “There was this question – it always sounds very pompous – about the human soul: do we actually have one or not?”’

    Ishiguro won in 2017 de Nobelprijs voor de Literatuur. Zijn The Remains of The Day werd bekroond met de Booker Prize en verfilmd met Anthony Hopkins in de hoofdrol.

    Klara en de Zon
    Auteur: Kazuo Ishiguro
    Uitgeverij: Atlas Contact