• Ik zou willen dat mijn boeken worden gezien als een Japanse tuin

    Onlangs verscheen van Jannie Regnerus haar vierde roman Het wolkenpaviljoen bij Van Oorschot. Voor Literair Nederland sprak Just Houben onder meer met haar over het ontstaan van een boek en waarom ze geen dikke boeken zal schrijven.

    Tijdens een verblijf van twee jaar in Mongolië begon beeldend kunstenaar Jannie Regnerus (1971) met schrijven om de dingen die haar verwonderden vast te leggen. Het mondde uit in het verslag De volle maan als beste vriend. Over haar jaar in een gastatelier  in Japan schreef ze Het geluid van vallende sneeuw. Daarvoor ontving ze in 2007 de Bob den Uyl Prijs voor het beste reisboek. Vanaf dat moment begon ze ook romans te schrijven en inmiddels is ze meer schrijver dan beeldend kunstenaar. De verhouding is 80-20, schat ze, of misschien zelfs 90-10. Onlangs verscheen haar vierde roman Het wolkenpaviljoen, waarin een architect zijn leven opnieuw moet vormgeven na een scheiding. ‘Ik wil begrijpen waarom de mens zo veerkrachtig is. Dat is het thema van al mijn boeken.’

    Het interview vindt plaats in een park in Haarlem, de woonplaats van Regnerus. Daar, in de buitenlucht, is genoeg ruimte om gepast afstand te kunnen houden tijdens het gesprek. We lopen langs het water op zoek naar een geschikte plek. Het is er rustig en we hebben de keus uit een bank in de zon of een in de schaduw. ‘Ik heb een voorkeur voor de schaduw. Ik houd van indirect licht,’ zegt Jannie Regnerus. ‘Je hebt mijn boeken gelezen, dus dat zal je niet verbazen.’

     

    Ontstaan van Het wolkenpaviljoen 

    Een paar jaar geleden zag Regnerus een foto in de krant. In een verlaten fabriekshal hadden twee ingesloten duiven een nest gemaakt van materiaal dat ze daar konden vinden. Bij gebrek aan mos en takjes hadden ze gaas en ijzerdraad omgebogen om daar zo goed mogelijk een nest van te maken. Tevergeefs bleek: toen het nest werd gevonden, lagen er twee niet-uitgekomen eieren in. Deze foto zette Jannie Regnerus aan het denken over wat er nodig is om van een huis een thuis te maken. Het vormde het begin van Het wolkenpaviljoen.

    De veertigjarige Luut, hoofdpersoon in Regnerus’ nieuwe roman, ontwerpt huizen, hij is architect. Maar hij is er niet in geslaagd een thuis te maken. Het huwelijk met zijn vrouw Kris is stukgelopen. ‘Er is een verhaal over een gesneuvelde theepot,’ schrijft Regnerus in haar roman, ‘en een verhaal over een groot huis waarin een man en een vrouw zich net zolang voor elkaar verstoppen tot geen van beiden de ander nog zoekt.’ Luut overdenkt hoe zijn huwelijk heeft kunnen mislukken maar vooral denkt hij na over hoe hij nu, alleen, een plek voor zijn dochter Tessel kan maken waar zij kan wortelen en groeien.’ 

    Regnerus vergelijkt het geweten van Luuts jeugd met een groene weide. ‘In de eerste twintig jaar van zijn leven heeft Luut geen noemenswaardige schade toegebracht aan de levens van anderen. Maar niemand kan leven zonder ooit brokken te maken of een ander pijn te doen, ook al is dat niet je intentie. Nu Luut veertig is, is zijn geweten bebouwd. Op de groene velden zijn bouwwerken verrezen en er is ook al verval. In die scherp gehoekte panden en schimmige stegen heeft hij zijn falen ondergebracht. Bijvoorbeeld zijn aandeel in de scheiding die zijn dochter, uitgerekend het wezen dat hem het meest dierbaar is, pijn en ongemak berokkent, zoals het pendelen tussen twee huizen. Luut moet daarmee in het reine zien te komen. Tijdens zijn pelgrimage naar Japan ziet hij in dat hij met de brokstukken van zijn verleden iets nieuws kan bouwen, iets wat ook goed en hoopvol is. Daar gaat Het wolkenpaviljoen over.’


    Je vertelde dat Het wolkenpaviljoen begon met dat beeld van het duivennest. Had dat beeld een medium bij zich? Wist je dat dit een verhaal zou worden, of had het ook een beeldend werk kunnen worden?


    ‘Ik had er inderdaad ook iets heel anders mee kunnen doen. Maar ik houd ervan om nadenkend, beschouwend proza te schrijven. Waarin je als het ware met het facetoog van een libelle, steeds vanuit een andere hoek naar je thema kijkt. Daar leent schrijven zich heel goed voor. Het geeft me het idee dat ik wetenschap van het menselijk leven beoefen.’ 

    Wie wetenschap bedrijft moet goed observeren. Een ‘hartstochtelijk observator’ wordt ze in recensies genoemd. Haar romans staan vol mooie waarnemingen die veel zeggen over de personages waarover ze schrijft. Is dat hoe ze zelf ook observeert?
    ‘De dingen om mij heen nemen eenzelfde temperatuur aan als die van mijn gemoed. In de observaties probeer ik de binnenwereld van de personages op te roepen. Ik zal nooit schrijven “Luut is verdrietig”. Dat hij verdriet voelt zal zich uiten in wat hij observeert en hoe dat onder woorden wordt gebracht. Dus heel erg indirect. Ik houd ervan om literair langs de band te biljarten.’


    Je romans zijn vrij kort, zo’n 100 tot 120 pagina’s. Alleen De ent is langer…

    (lacht) ‘Dat is mijn debuutroman. Toen moest ik het nog leren.’


    Waarom kies je voor deze lengte?

    ‘Het past me, ik weeg mijn woorden heel zorgvuldig. Ik kom uit de kunstwereld en verbaas me er altijd over dat in de literaire wereld zoveel belang lijkt te worden gehecht aan omvang. Neem nu Het melkmeisje van Vermeer of De nachtwacht van Rembrandt, dat zijn toch allebei meesterwerken? Alleen bij de één is veel minder verf gebruikt en minder canvas. Maar inhoudelijk is het evenveel waard. Mijn romans bestaan uit 120 pagina’s samengebalde intensiteit. Ik vergeleek het laatst eens met een maggiblokje. Ik dien geen soep op, maar geef de lezer smaak en specerijen waar hij of zij zelf soep van kan maken.
    De eerste versie is altijd twee keer zo lang. Dan begint het snoeien tot de kern. Daar zit het meeste werk in. De compositie is ook heel belangrijk. Meer dan verhalende chronologie      rijmt mijn werk op beeld en gedachten. Er zitten hoofdstukken in die een soort mini-essays zijn. Bijvoorbeeld dat stuk over het planetarium van Eise Eisinga, waarmee hij wilde aantonen dat de aarde niet in botsing zou komen met andere planeten. Dat gaat dan weer echoën met een andere scène in het boek waarin Luut in het bed van zijn dochter ligt en kijkt naar de plastic sterren op het plafond. Dan realiseert hij zich dat hij en de moeder net als planeten rond hun dochter cirkelen, op veilige afstand zodat ze niet zullen botsen.’


    Ben je lang aan het schuiven met hoofdstukken?

    ‘Ja, aan het eind leg ik alles door de kamer heen en raap dan een volgorde. Mijn redacteur zei laatst: “Oh, dat doe ik ook bij een poëziebundel.” Het is een proces dat lijkt te worden gestuurd door associatie en intuïtie.’ 


    Zentuin

    Jannie Regnerus groeide op in Oudebildtzijl, een Fries dorpje aan de Waddenzee. Niet bepaald een plek voor een kunstenaar. ‘Het is een volkomen cultuurarme plek,’ vertelt ze. ‘De enige cultuur waar ik vroeger toegang toe had waren de verhalen in de Bijbel en de orgelmuziek in de kerk. Ik was daar enorm ontvankelijk voor, maar ik dacht dat iedereen dat was. Pas later realiseerde ik me dat ik op een onhandige plek geboren was met mijn honger naar cultuur en kunst.’


    Jouw beeldende werk is vaak ‘Japans’ genoemd. Wanneer kwam je voor het eerst in aanraking met Japanse kunst?

    ‘Vroeger gingen wij in de zomervakantie naar de Veluwe. Dan stonden we drie weken lang op een Christelijke camping met een vouwcaravan. Eén van de jaarlijkse rituelen was dat we op de witte fietsen naar het Kröller-Müller Museum gingen. Daar zag ik als jong meisje Japanse prenten hangen. Dat maakte diepe indruk op me. Die prenten hebben een bepaalde helderheid, sfeer en verfijning. Ik vond dat zoiets moois!’ 


    Zit er ook iets Japans in je schrijven?

    ‘Je kunt naar mijn boeken kijken als naar een zentuin. Op het eerste gezicht heel minimalistisch, maar als je er langer naar kijkt kun je er steeds andere dingen in ontwaren en nieuwe betekenissen aan toedichten. Ik krijg van lezers terug dat ze mijn romans na eerste lezing meteen weer herlezen. Misschien zou ik willen dat mijn boeken zo worden gezien, als een Japanse tuin. En ook houd ik heel erg van Japanse literatuur. Van Tanizaki en Kawabata bijvoorbeeld. Zij schrijven ook ab-so-luut niet frontaal, maar heel indirect. De hele Japanse cultuur is natuurlijk van indirectheid doordrenkt. Deze schrijvers beheersen een  proza waarin tussen de regels heel veel te lezen valt, zonder bombast roepen zij met verfijning een tragiek op. Zoals in de novelle De schone slaapsters van Kawabata, dat hele verhaal voltrekt zich in de zintuigen van de hoofdpersoon. In essentie is dat hoe ik wil schrijven.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto auteur: Tessa Posthuma de Boer

     

  • Sander Kollaard onverwachte winnaar van de Libris Literatuurprijs 2020

    Niemand had het verwacht, ook de schrijver niet die maandagavond vanuit zijn thuisland Zweden, kort voor de winnaar bekend werd gemaakt, op ludieke wijze met zijn hond zat te tafelen. Waarbij ze hapjes uitwisselden, de hond een hapje van baasjes bord kreeg, en baasje een brokje uit de hondenbak nam, er smakelijk op kauwde. Hond en baas genoten zichtbaar, een papieren feestmutsje op het hoofd. Via een onlineverbinding was dit maandagavond te zien bij NPO Nieuwsuur.

     

    Toen bekend werd gemaakt dat de prijs naar hem ging, was de verbijstering, de schrik van zijn gezicht af te lezen. Het leek maar met moeite bij hem aan te komen dat de juryleden voor zijn boek Uit het leven van een hond, hadden gekozen. De jury koos, zoals gezegd, voor de uitzondering in de literatuur die volgens hen vooral bemand wordt door ‘moedeloze figuren in hopeloze situaties’, ze kozen voor een mensbeeld dat anderen steun kan bieden.

    Ieder jaar blijkt het een martelgang te zijn voor de genomineerden voor deze grote prijs. Elk jaar is er een gedoodverfde winnaar, dit jaar Manon Uphoff, iedereen had het verwacht bleek uit teleurgesteld reacties op social media. En er was een schrijver die het nu wel eens verdiende deze prijs te winnen, Oek de Jong. En die andere vier, die hadden evengoed een betekenisvol boek geschreven.

     

    De ochtend na de prijsuitreiking twitterde Sander Kollaard, ‘Wakker geworden. Dacht: er was iets. Vervolgens iemand met een megafoon, van zeer nabij, recht in mijn gezicht: LIBRISPRIJS! Schrok me een hoedje.’

     

    De overige genomineerden waren:

    Saskia De Coster met Nachtouders
    Marijke Schermer met Liefde, als dat het is
    Oek de Jong met Zwarte schuur
    Manon Uphoff met Vallen is als vliegen
    Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar

     

  • Wandelen bevrijdt de mens van zichzelf

    Wandelen bevrijdt de mens van zichzelf

    Uitgeverij Van Oorschot brengt een nieuwe reeks uit, getiteld Terloops, die bestaat uit kleine wandelboekjes waarin schrijvers hun favoriete wandeling optekenen. De eerste twee zijn Bergje van Bregje Hofstede en Je keek te ver van Marjoleine de Vos. De serienaam Terloops is wellicht ontleend aan het eerste van de drie wandeldagboeken van J.J. Voskuil, eveneens auteur bij Van Oorschot. Hofstede en De Vos gebruiken beiden het woord terloops ergens in hun tekst. Dat kan geen toeval zijn. Zij verbinden de buitenruimte met particuliere ervaringen en gebeurtenissen uit verleden, heden en de toekomst die beide auteurs voor de natuur donker inzien.

    De wandelingen vormen de basis voor een vertelling over persoonlijke belevenissen en gevoelens, al zijn de bespiegelingen van De Vos filosofischer van aard. Hofstede’s titel Bergje spruit voort uit de fantasie in haar kindertijd, toen ze met haar ouders en zus jaarlijks in de Dolomieten ging skiën en ze geobsedeerd raakte door de berg Sass Songher. Ze verbond haar voornaam met het woord berg. Bergje begint met haar treinreis in juli naar de vroegere vakantieplek, waar ze zes weken eerder met haar relatie, consequent aangeduid als ‘de jongen’ ook een week doorbracht. Ze wil ‘per se dat hij de plek waar mijn kindertijd woont in zijn hart zal sluiten.’

    Symboliek

    Van de vermelde jeugdvakanties maakt Hofstede gebruik om de geschiedenis van onder meer Zuid-Tirol en de Ladijnen uit de doeken te doen en de bergen in de omgeving te benoemen. Als de volwassene van nu ziet ze de monumentale berg elke dag ‘uit net een andere hoek […] Maar altijd heeft hij dezelfde kenmerkende, afgeplatte kop, daaronder de schuin aflopende kraag en de wijd uiteenvallende mantel, die onderaan is afgezet met een bies van witte steengruis.’

    De wandelvakantie met de jongen lijkt een test. De ik suggereert subtiel dat de relatie niet blijvend is, dat de jongen zich misschien van haar zal afkeren. Ze vreest dat zij niet tot hem kan doordringen. ‘Alles wat ik zeg moet zich een weg door zijn gehoorgang vechten, tegengewerkt door inwendig rumoer.’ schrijft ze poëtisch. De wandelingen lijken symbool te staan voor de relatie. Samen lukte het niet de top van de Sass Songher te bereiken, in juli slaagt de ik er in haar eentje wel in. De woorden depressie en somberte zijn dan al gevallen. Over hoe dat allemaal zit en hoe het afloopt met de jongen doet Hofstede er het zwijgen toe.

    Wereldproblemen als hinderlijke last

    Marjoleine de Vos is dromeriger, geeft zich over aan beschouwingen over de wereld en de plaats van de worstelende mens daarin. Ze woont in Noord-Groningen en wandelt vanuit Zeerijp langs Eenum, Wirdum, Loppersum. De Vos beseft dat de mens historisch wil leven, het verleden wil kennen en vasthouden, het heden vastleggen. Maar ‘… de sfeer van het moment, die wil je behouden, alles van het buitenzijn op een mooie morgen, in je eentje lopen, even niet verlangen naar iets van vroeger of van straks, hier in de stilte, het licht, de weidsheid.’ Wandelen in de natuur maakt een mens los van zichzelf en van de wereldproblemen, ervaart ze. En inderdaad, als De Vos die wereldproblemen in een paar zinnen bij name noemt ervaart ook de lezer een hinderlijke last en wil hij direct terug naar de stille leegte van het platteland, weg van alles.

    Zinloosheid

    Vaak is er ‘het bange hoofd’ en de drukke gedachten daarin die de wandelaar afleiden van de omgeving. ‘Je keek te ver. Dat wat je zoekt is hier,’ constateert De Vos. Ze peinst over de betekenis van het leven op aarde, het tijdbesef. Ze haalt Proust aan, Coetzee, Oidipous, het Gilgamesj-epos, een operette en nog veel meer, wat soms een beetje te veel is maar wat er ook niet toe doet omdat al die menselijke opschudding toch ondergeschikt is aan het wandelen. Maandenlang is De Vos ‘naar’ geweest van de film Melancholia van Lars von Trier, waarin de aarde ‘opgeslokt wordt door een veel grotere planeet […] niet uit angst voor de verwerkelijking van zo’n gebeurtenis, maar uit angst, paniek bijna, voor de zinloosheid van alles.’ Ondertussen loopt ze. ‘En toch dat verlangen om te gaan wandelen.’

    Geluk groeit aan de bomen

    Beide auteurs zijn pleitbezorger van de natuur, vrezen voor haar toekomst, Hofstede via de overweldigende bergen, De Vos via de tere schoonheid van grassprieten, een omgeploegd veld en vergezichten. Wandelen is in het nu zijn. ‘Kijken moet je leren’, meldt De Vos als kennissen uit Amsterdam de omgeving prijzen en dan snel terug willen naar de stedelijke dynamiek. Nederland als één grote stad is haar een gruwel, mensen die ‘rekenen’ zien de waarde van de ruimte niet, zeggen de natuurliefhebbers, ‘die denken zeker dat het geld aan de bomen groeit. Nee.’ schrijft De Vos ‘Maar het geluk wel. […] witte bloesems tegen een knalblauwe lucht, narcissen onder fruitbomen […] ver kunnen kijken.’

     Wandelen is mens-zijn

    Voskuil in Terloops is neutraler. Dagelijks noteert hij droog wat hij waarneemt. ‘Er zijn veel vogels. Dichtbij slaat een kwartel. Er komt een grijze slang langs. Het rommelt. Drukkend weer.’ Uiteraard afgewisseld met langere zinnen laat hij de lezer meewandelen op de ‘voettochten’ die hij en zijn vrouw van dorp tot dorp maken in het Frankrijk van de jaren 1957-1973 waar toeristen nog niet en masse het land overstromen. Nauwgezet beschrijft hij de contreien, het weer, de route, de tegenslagen en strubbelingen, de dorpshotels waar ze verblijven. De weinige mensen die ze zien, veelal in de hotels, kunnen eveneens rekenen op Voskuils scherpe blik.

    Eén ding leren deze drie wandelboeken ons: wandelen is mens-zijn, in het nu zijn, de menselijke nietigheid beseffen, de natuur inademen, erkennen en waarderen. ‘Omdat wandelen je, uiteindelijk, bevrijdt van jezelf,’ stelt De Vos. Wat een rijkdom.

     

     

  • Intrigerende bundel die aanzet tot overdenkingen

    Intrigerende bundel die aanzet tot overdenkingen

    De debuutbundel van Laurine Verweijen verscheen in februari en werd gelijk genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2020. Gasthuis is een persoonlijke bundel waarvan vrijwel elk gedicht geschreven is vanuit het perspectief van een lyrisch ik of wij. Vanaf het eerste gedicht is het duidelijk dat het hier vrouwen betreft die aan het woord, of het onderwerp zijn: ‘O alle vrouwen die ik nooit zal kunnen zijn’. De verbondenheid met alle vrouwen, ook die uit het verleden, wordt beschreven aan de hand van een beeld van wassende vrouwen in een rivier. Eén vrouw staat symbool voor alle anderen. Het doet denken aan het lied van Bram Vermeulen, Moeder, waarin hij zingt over zijn gestorven moeder: ‘Daar rust het overleven / De kracht van alle vrouwen / De wil op haar gezicht.’

    Cyclische beschijvingen

    De bundel kreeg twee motto’s mee, een citaat van Nadine Gordimer over de seizoenen en hoe je vergeet dat regen bestaat als het een half jaar niet geregend heeft. En van Helene Cixous: ‘I, too, overflow’. Stromen, vloeien, overlopen, vruchtbaar zijn: het zal geen toeval zijn dat de daaropvolgende zeven gedichten de menstruatiecyclus beschrijven en wat die aanricht in het lichaam van een vrouw vanaf de dag dat die zich aankondigt met hoofdpijn en ‘weke benen’ tot aan de dag waarop het daadwerkelijke bloeden begint. Ook hierin speelt de verbondenheid met alle vrouwen een rol. Verweijen schroomt niet om in details te treden en zo een taboe te doorbreken dat nog steeds in stand gehouden wordt. 

    Het vrouwelijke lichaam is vaak onderwerp in de gedichten. De titel, Gasthuis verwijst naar het lichaam, dat een gasthuis is voor bijvoorbeeld een embryo, maar kan biedt ook tijdelijk onderdak aan een man en is een permanente behuizing voor de eigen geest. Gasthuis heeft vanouds ook de betekenis van ziekenhuis: het lichaam kan ziek zijn, een moeilijke zwangerschap herbergen, er kan een abortus overwogen worden of juist een kinderwens;  al deze mogelijkheden komen aan de orde: ‘[…] een groot aantal kamers / heeft lange tijd leeg gestaan.’ Het beeld van de lege kamers keert vaker terug als metafoor voor het vrouwenlichaam.

    De keuze om wel of geen kind te krijgen verwoordt Verweijen het duidelijkst in haar gedicht Kingsize, waarin ze het ‘geenkind’ naast het ‘welkind’ introduceert:

    ‘Je zou keer op keer het nietkind
     naar voren kunnen schuiven, als je keuze
     die je hebt gemaakt, en hoe je die
     met lege handen draagt.’

    Geheel in overeenstemming met De Beauvoirs stelling uit De tweede sekse: ‘Je wordt niet als vrouw geboren, je wordt tot vrouw gemaakt’ is het mooie gedicht: 

    Meisje

    ‘Een meisje komt erachter dat haar bewegingen bestaan
     dat als zij haar knie buigt, er een buigende knie in de wereld is

     dat haar uitgestoken hand wordt gesignaleerd, aanvaard

     Hiermee wordt het meisje vrouw. Ze haalt een extra lapje
     vlees in huis en begint te koken. Iemand schuift aan

     iemand schuift op wanneer de vrouw erachter komt
     dat ook haar woorden worden gesignaleerd, aanvaard

     Als iemand weigert te aanvaarden, buigt ze haar knie

     Soms bekijkt ze haar knie, die steeds stijver wordt
     soms bedenkt ze wie haar uitgestoken
     hand signaleert, aanvaardt’

    Relaties als een leeg huis

    Maar niet alle gedichten gaan over vrouwen of lichamelijkheid, ook relaties worden beschreven en dan vooral het moeizame proces waarmee ze tot stand komen en in stand gehouden worden. Want de protagonisten in een relatie staan tot elkaar als dag tot nacht, zoals in de beginstrofe van Fabel

    ‘de dag en nacht kunnen elkaar
     nooit leren kennen
     hoe dichter de een naar de ander kruipt
     hoe meer ze zelf verdwijnt’

    In ‘Tafels en stoelen’ wordt het beeld geschetst van een verbroken relatie als een leeg huis, dat opnieuw moet worden ingericht. Alle keuzes liggen open, want: ‘je hebt het zelf voor het zeggen / Het huis is helemaal van jou en leeg’. Gevoelens van onbehagen worden afgezwakt door de positieve kanten van de situatie te benadrukken.
    De liefde waarvan sprake is, richt zich overigens in deze gedichten niet uitsluitend op een geliefde in de erotische betekenis, ook tussen moeder en dochter is die voelbaar in een van de gedichten.

    Verloren in vertalen van taal

    Een derde thema dat opvalt in Gasthuis, is die van taal en communicatie. In het lange prozagedicht Weeftechniek wijst de titel al op de vaardigheid om van woorden en zinnen een verhaal te maken dat uitgroeien kan tot een gesprek, tot communicatie met een ander. De taal wordt vernieuwd, vermengd met andere talen, woorden daaruit worden overgenomen. Eén van de strofen bestaat uit alfabetisch gerangschikte Engelse woorden voor alles wat te maken heeft met de beweging van water. Daaronder staat een strofe waarin getracht is al deze synoniemen in het Nederlands over te brengen. Hoewel het Nederlands toch ook een groot aantal woorden over water kent, zijn deze niet echt synoniemen of vertalingen van de bovenstaande Engelse woorden; er moet in de laatste regels van het gedicht een tolk aan te pas komen. Ondanks een grote woordenstroom en het zoeken naar de juiste uitdrukking in relatie tot de ander komen we niet tot een samensmelting of symbiose en blijven we ‘lost in translation’. 

    Wederzijds onbegrip speelt een grote rol in deze bundel. Taal is ontoereikend om nader tot elkaar te komen. Het gedicht Moetingen is een spel met taal: het voorvoegsel –ont staat meestal voor iets negatiefs; hier is dat weggelaten om tot het woord ‘Moetingen’ te komen en de voorvallen in het gedicht positief te maken. Maar ‘moetingen’ kan ook staan voor dingen die echt ‘moeten’. 

    Niet alle gedichten zijn van eenzelfde kwaliteit. Verweijen is in haar debuutbundel duidelijk op zoek naar wat het beste bij haar past en wat haar eigen is. Sommige gedichten zijn heel subtiel, ander weer expliciet. Het gedicht, ‘Het lege grijpen / De mug in je vuist’ dat enkel uit twee regels bestaat, had achterwege moge blijven, het doet afbreuk aan de rest. Maar het merendeel van deze bundel is zo goed, dat je deze kleine onvolkomenheden graag over het hoofd ziet. Het is een intrigerende bundel met doordachte en doorvoelde gedichten, waarin de dichter haar beschouwingen zodanig heeft verwoord dat die aanzetten tot overdenkingen. 

     

     

  • Mooie complexe vertelling met een lange afdronk

    Mooie complexe vertelling met een lange afdronk

    Het nieuwste boek van Martha Heesen, De lus, springt vanwege het schitterende omslag direct in het oog; de ernstig ogende roodharige vrouw, fragment van een schilderij van Modigliani verwijst naar het hoofdpersonage dat toen ze jong was opvallend rood haar had. Het vorige boek dat Heesen voor volwassenen schreef, Zeiseman, viel eveneens op vanwege het omslag en werd terecht geprezen in de recensies. Heesen begon aanvankelijk met het schrijven voor jongeren en was daarmee zeer succesvol; ze ontving in 2015 de Theo Thijssen prijs voor haar oeuvre, zilveren griffels en de Gouden Uil voor jeugdliteratuur.

    Het lezen van de boeken van Heesen is als het drinken van een mooi glas wijn. Vanwege goede ervaringen met een vorig oogstjaar (Zeiseman) zijn de verwachtingen al hooggespannen. Wanneer er als eerste stap bij het proeven afgegaan wordt op de kleur en de geur is de eerste indruk van De lus dus zeer veelbelovend vanwege het omslag en valt het daarnaast op dat het boek met ruim honderd bladzijden en zesendertig korte hoofdstukken niet al te dik is. Er wordt niet verwacht dat het als een glas water achterover geslagen wordt. Wanneer er vervolgens gesnuffeld wordt boven het glas, blijkt de jonge vrouw van het omslag niet alleen een jonge vrouw maar ook een dame op leeftijd te zijn, die terugblikt op haar jeugd, hetgeen al een bepaalde complexiteit doet vermoeden. 

    Eerste slok

    Tijd voor een eerste slok dus. Om elf uur dertien heeft ze haar huis verlaten, langzaam, in alles langzaam. Ze wordt trager, maar dat weet ze niet, de klokken en horloges heeft ze weggedaan, net als de spiegels trouwens. Ze heeft een stok, en ze denkt nog steeds dat ze die niet echt nodig heeft. […] ze is naar de tramhalte gewandeld, heeft daar lang moeten wachten op alle fietsers, binnensmonds foeterend en scheldend, heeft alle kwade blikken ontweken, met moeite, ze moet dat nog leren. Twee trams heeft ze voorbij laten gaan, toen is ze opgestapt, is drie keer van plaats veranderd, en zit nu schuin achter de bestuurder.’

    Ze laat de trams niet voor niets passeren, ze is dagelijks op zoek naar één specifieke bestuurder, die ze de wattman noemt en die ze kent van vroeger, toen ze beiden in De Diepte woonden. Ze rijdt mee met de tram tot het eindpunt, bij de keerlus, maar spreekt de chauffeur niet aan, alhoewel ze er wel steeds voor zorgt om in zijn blikveld te gaan zitten. Wanneer hij een keer iets omroept schrikt ze zo van zijn stemgeluid dat ze zo snel haar oude benen haar kunnen dragen de tram ijlings verlaat. De lus staat symbool voor de terugkerende herinneringen aan zaken uit het verleden waar het hoofdpersonage met spijt op terugkijkt.

    Geschrokken ballerina’s

    Voortdurend wordt er in het boek heen en weer gesprongen tussen het heden en het verleden. De ‘ranke berkjes, als geschrokken ballerina’s’ veranderen in vijfenvijftig jaar in ‘oud en knoestig en zuchtend in hun bladeren’. Ze lijken daarin op de mensen die beschreven worden. Het taalgebruik is bijzonder beeldend in De lus. De schaduwen die regelmatig vallen vormen contrasten die in vele vormen door het hele boek terugkomen. De wattman ziet eruit als iemand die als kind al ‘grauw, grof en ouwelijk’ was. Op latere leeftijd lijkt zijn pet te klein voor zijn ‘stenen kop’ en zijn zijn schouders hoekig. De vrouw die als kind zo knap was met haar prachtige rode haar is onder invloed van de last die ze al die jaren met zich heeft meegezeuld verworden tot een ‘aftandse kraai’ met een scheef dichtgeknoopte jas. Wanneer de vrouw zich na jaren weer eens in haar vroegere wijk De Diepte waagt, heeft ze moeite om er fysiek weer uit te komen en wordt ook duidelijk dat zich daar heel wat moet hebben afgespeeld: ‘… de Diepte, loodzwaar zul je er worden, niet van je wandaden maar van alles wat je nalaat. De daad die men naliet heeft meer kwaad dan de daad gedaan.’

    De laatste regel komt uit het gedicht Het uur U van Martinus Nijhoff, het gedicht dat het hoofdpersonage uit haar hoofd kent en geregeld reciteert om zichzelf te kalmeren wanneer haar gedachten weer eens met haar op de loop gaan. Het is een voorbeeld van de prachtige gelaagdheid die Heesen in haar roman weet te bereiken. In wijnterminologie zou je het hebben over vol, rijk en complex. 

    Naarmate het boek vordert, wordt duidelijk waarom de wonderlijk geklede vrouw de wattman dag in dag uit van een afstand observeert zonder hem aan te spreken. Het grootste deel van het boek is vanuit haar perspectief geschreven, maar een aantal hoofdstukken werpt ook vanuit het perspectief van een getuige licht op wat zich zoveel jaar geleden heeft afgespeeld.  

    Langzaam genieten

    Het taalgebruik in De lus is lyrisch en schetst op poëtische wijze een hele wereld. De hypnotiserende vertelling over spijt en een innerlijke tweestrijd houdt de lezer volledig in zijn greep. In hoeverre is het terecht dat het hoofdpersonage zichzelf zo kwelt met haar over elkaar buitelende gedachten over hetgeen ze zoveel jaar geleden heeft nagelaten te doen en in hoeverre is het haar nu nog aan te rekenen? Het is zaak om naar analogie van het wijnproeven met kleine slokken en langzaam te genieten van deze gelaagde roman, waar zoveel in te ontdekken valt en waarvan de afdronk wanneer je het boek tenslotte dichtslaat nog lang merkbaar is. 

     

  • De V van Voskuil

    De V van Voskuil

    De dagen zetten zich steeds meer naar mijn hand. Voor mij mag het nog wel even zo blijven, dat thuisblijven. Dit weekend nam ik me voor de boeken op alfabet te zetten. De eerste boekenkast begint bij de P, van Marja Pruis, de tweede kast met de A van Pearl Abraham, Afstand van Amerika, op de voet gevolgd door Frits Abrahams, in de kasten daarna rommelt het wat aan. Hoe dat zo gekomen is, is niet meer terug te halen. Elk boek heeft iets te zeggen, moet gelezen worden, die komen op een aparte stapel. Die stapel wordt hoger en hoger, ik vrees dat ik ze later niet meer tussen de andere boeken krijg. Ruimte vrijlaten in een boekenkast is lastig. Ik schrijf de titels, bedoeld voor de stapel, op een papiertje. Dat werkt lekker door, van A t/m E hup, in de eerste kast en verder. Tot ik bij de V, Voskuil tegenkom. Vorige week kwamen de hoorspelen van Het bureau op podcasts al voorbij.

    J.J. Voskuil is veruit een van de meest fascinerende schrijvers. Zijn boeken zijn een minutieus verslag van het leven van een fijngevoelig man die al schrijvende greep op het leven probeert te krijgen. Elke voetstap geteld, elke opmerking beoordeeld, elk voorbijkomend geluid opgetekend. Lezen van Bij nader inzien is gewoon een 3D beleving op literair niveau. Maar Voskuil schreef niet voor ‘de litteratuur’, liet hij uitgever Geert van Oorschot in een gesprek weten. ‘Je schrijft zo’n boek om orde op zaken te stellen. Niet om een bijdrage te leveren aan de litteratuur.’ Nu was Van Oorschot al een tijdje erg happig op een vervolg van het 1200 pagina’s tellende Bij nader inzien dat hij had uitgegeven. Hij had een geweldige schrijver in huis gehaald, er moest meer komen. Maar Voskuil liet zich niet dwingen. Hij zou schrijven aan Binnen de huid, daarna zou hij wel zien of hij het wilde uitgeven.

    Waarop Van Oorschot de verzamelde gedichten van Van Nijlen uit de kast pakte en daar, naar ik aanneem lichtelijk geïrriteerd, met rode viltstift op het schutblad schreef, ‘Goed, dan maar geèn roman, geèn proza, maar een màn, compleet, oprecht, zonder zelfbedrog, zonder zelfbeklag, een man die geen litteratuur bedrijft. 28-11-1964.’ Waarmee hij de spijker op zijn kop sloeg.
    D
    it las ik in het boek Onder andere, Portretten en herinneringen van Voskuil, over het contact met Geert van Oorschot, begin en afloop van een vriendschap.

    Ach, en dat veelvuldig gebruikte borreltje in Voskuils boeken. ‘Wil je een borrel’, direct als er iemand binnenkomt. Of, ‘We zaten net aan de borrel’. En inzake Geert van Oorschot, ‘Schenk nog eens bij.’ Of ‘Schenk Geert eens een borrel in’. En voor er verder verteld werd, ‘Eerst nog een borrel.’ Daarvan krijg je verdomde trek in een borrel. Nu zitten we elke middag klokslag vijf aan de wijn, luisteren naar de podcast Het bureau. Er zijn honderden afleveringen, we hebben de tijd.

     

    Vrijdag 1 mei was de twaalfde sterfdag van J.J. Voskuil. Programmamaker Maarten Slagboom zette een uitzending uit 1999 van De Plantage online. Schrijver J.J. Voskuil was er te gast, wat een bijzonderheid was, de schrijver kwam niet graag in beeld, maar wat een mooie aflevering.


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Oogst week 15 – 2020

    De kunst van het nietsdoen

    Volgende week verschijnt De kunst van het nietsdoen, de eerste Nederlandse vertaling van Tsurezuregusa van de Japanse boeddhistische monnik Yoshida Kenkō. Hij leefde van ongeveer 1283 tot circa 1352 en was dichter, essayist en kalligraaf. Hij doorliep een strenge kloosteropleiding, maar bleef midden in het wereldse leven staan. De kunst van het nietsdoen bestaat uit 243 veelzijdige schetsen, anekdotes en essays waarin hij zijn gedachten over leven en dood, schoonheid en natuur, omgangsvormen en de geneugten van het leven uiteenzet. Langere en kortere gedachten, soms maar eenregelig, wisselen elkaar af. De dertiende begint zo: ‘Geen groter soelaas dan in je eentje bij een lamp te zitten met een opengespreid boek en bevriend te raken met iemand uit lang vervlogen tijden die je nooit hebt ontmoet’. Dat lijkt wel een aanbeveling om in coronatijd Kenkō ter hand te nemen.

    De kunst van het nietsdoen
    Auteur: Kenko
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Duizend manen

    De nieuwste roman van Sebastian Barry, Duizend manen, begint met de simpele zin: ‘Ik ben Winona’. Zij is een indiaans meisje dat oorspronkelijk Ojinjintka (roos) heette, een naam die haar adoptievader echter niet kon uitspreken. Al snel na deze openingszin zet ze de toon voor haar verhaal: ‘Zelfs als je voortkomt uit bloedvergieten en rampspoed moet je uiteindelijk leren leven. Je moet om je heen kijken, zien hoe het ervoor staat, dingen verbouwen of dingen kopen, afhankelijk van het geval’. Het bloedvergieten en de rampspoed verwijzen naar de Amerikaanse Burgeroorlog die Winona als wees heeft overleefd. Ze figureerde al in Dagen zonder eind dat in 2016 verscheen. In Duizend manen heeft de auteur haar, zoals hij zelf in een interview zei, een stem willen geven.

    Duizend manen
    Auteur: Sebastian Barry
    Uitgeverij: Querido

    De aanslag in Serajevo

    In Nederland komt steeds meer werk van Perec in vertaling beschikbaar. Na De Condottiere in 2014 is er nu opnieuw een vroeg werk De aanslag in Serajevo. Het verscheen in Frankrijk pas in 2016, ver na Perecs dood. De aanleiding voor de roman was een ervaring van Perec zelf. Hij verbleef in 1957 in Joegoslavië en raakte daar verzeild in een driehoeksverhouding. Zijn daarop geïnspireerde verhaal verweefde hij met de moord op aartshertog Frans Ferdinand en zijn vrouw in 1914, die de aanleiding zou vormen voor de Eerste Wereldoorlog. In de roman zijn stukken uit het proces tegen de schutter Gavrilo Princip opgenomen. Door het verhaal van de geliefden te verbinden met de gebeurtenissen in 1914 legde hij daarin al vroeg (De aanslag in Serajevo is Perecs eerste roman) een verband tussen de wereldhistorie en zijn persoonlijke joodse geschiedenis.

    De aanslag in Serajevo
    Auteur: Georges Perec
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Schrijver en columnist Carl Friedman overleden (1952 -2020)

    Van haar uitgever ontvingen we het bericht dat schrijver en columnist Carl Friedman vrijdag 27 maart in haar woonplaats te Amsterdam na een kort ziekbed is overleden, haar zoon heeft dit wereldkundig gemaakt.

    Carl Friedman werd op 29 april 1952 in Eindhoven als Carolina Klop geboren. In 1991 debuteerde zij met de novelle Tralievader. Samen met de in 1993 verschenen roman Twee koffers vol werden dat haar beroemdste boeken. Beide boeken werden verfilmd, het laatste door Jeroen Krabbé‚ onder de titel Left Luggage (1998).
    In 1996 verscheen Friedmans derde boek,
    De grauwe minnaar. Onno Blom schreef destijds in een recensie in Trouw dat Friedmans ’transparante taal en haar scherpe oog voor treffende details’ ook in De grauwe minnaar opvallen.

    Friedman schreef wekelijks een column, eerst voor Trouw en vanaf 2002 voor Vrij Nederland. Haar columns verschenen gebundeld onder de titels, Dostojevki’s paraplu (2001) en Wie heeft de meeste joden (2004).
    Voor haar werk ontving de schrijfster in januari 2004 de E. du Perronprijs 2003, van de gemeente Tilburg en de letterenfaculteit van de Universiteit van Tilburg. 

    Doordat haar twee eerste boeken zich afspelen tegen de achtergrond van de jodenvervolging met vermenging van autobiografische gegevens, werd aangenomen dat Carl Friedman joods was. Dat zij de achternaam van haar ex-man (van joodse komaf) David Friedman, altijd heeft aangehouden, versterkte deze veronderstelling. In 2005 werd haar publiekelijk verweten dat zij deze aanname nooit heef ontkracht. Zelf heeft zij nooit op de aantijgingen gereageerd. Wel lieten haar familie en uitgever weten dat haar debuut Tralievader wel degelijk op feiten is gebaseerd en een sterk autobiografisch karakter heeft.

    Haar vader, Egbert Klop werd in de Tweede Wereldoorlog als verzetsman opgepakt en kwam in concentratiekamp Sachsenhausen terecht. Na de Dodenmars werd hij bevrijd door het Rode Kruis en kwam zwaar getraumatiseerd thuis. de impact die zijn trauma’s hadden op zijn kinderen, verwerkte Friedman in Tralievader.
    Het boek, geschreven vanuit het perspectief van een klein meisje, heeft internationaal een grote reikwijdte gehad. Friedmans boeken kenden een groot succes en worden nog steeds veel gelezen. In sommige delen van Duitsland is Friedmans debuut verplicht leesvoer geworden op middelbare scholen.

     

    In Filter, tijdschrift voor vertalen schreef vertaler Christiane Kuby, die Tralievader naar het Duits vertaalde, hoe zij Carl Friedman zich herinnert.

     


    Publicaties

    Tralievader. Amsterdam, Van Oorschot, 1991. (vert. in het Duits, Engels, Frans, Hebreeuws, Italiaans, Spaans)
    Twee koffers vol. Amsterdam, Van Oorschot, 1993. (vert. in het Duits, Engels, Frans, Hongaars, Russisch)
    De grauwe minnaar. Amsterdam, Van Oorschot, 1996. (vert. in het Duits, Engels, Italiaans)
    Dostojevski’s paraplu. Amsterdam, Van Oorschot, 2001.
    Wie heeft de meeste joden. Amsterdam, Van Oorschot, 2004.

     

  • Een ode aan de taal

    Een ode aan de taal

    Het boek Tractatus Logico-Philosphicus van filosoof Ludwig Wittgenstein uit 1921 staat bekend als onbegrijpelijk. Hetzelfde kan worden gezegd over de roman Wittgensteins minnares, geschreven door de Amerikaanse auteur David Markson (1927-2010), in 1988 verschenen en nu pas vertaald naar het Nederlands door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Lieke Marsman schreef een nawoord waarin ze de inhoud van de roman met de filosofie van Wittgenstein vergelijkt. 

    In Wittgensteins minnares is hoofdpersoon Kate de enige overgebleven mens in de wereld, of althans, dat gelooft ze zelf. Ze woont op een strand en bij gebrek aan anderen om mee te spreken tikt ze alles waar ze aan denkt op een typmachine. Ze is kunstenares en in haar gedachten komen verschillende prominente denkers, schrijvers en schilders langs. Kate weet echter niet zeker of de feiten die ze opschrijft kloppen en verbetert zichzelf regelmatig, soms pagina’s later nog. Deze onzekerheid komt de hele roman lang terug:
    ‘Het is moeilijk voor te stellen dat de bewoners van twee zulke naburige huizen allebei daadwerkelijk geld zouden uitgeven voor hetzelfde boek over honkbal.
    Aan de andere kant, als er een exemplaar van Wuthering Heights in beide huizen had gestaan, is het misschien twijfelachtig of ik zou hebben gespeculeerd dat er in beide huizen mensen woonden die Emily Brontë kenden.’

    Plotloos verhaal

    Wittgensteins minnares heeft geen plot, al is dat geen gemis. De gedachten van Kate zijn de eerste pagina’s namelijk al boeiend, maar daarna nestelen ze zich in je hoofd en kun je niet anders dan je eraan overgeven. Bij een ik-perspectief plaatst een schrijver een lezer heel dicht bij de hoofdpersoon, Markson trekt dit zo ver door dat de lezer Kate wórdt. Wanneer zij een reeks namen van filosofen of kunstenaars noemt, verdwijnt dit effect even en maakt het plaats voor de vraag wie die mensen zijn, waarvan je die namen ook alweer kent, maar Kate zorgt ervoor dat je nooit te lang afgeleid blijft. De misschien werkelijke, misschien verzonnen bespiegelingen worden afgewisseld met humor, bijvoorbeeld wanneer Kate vertelt dat ze met haar auto in het water belandde:  

    ‘Toch begreep ik dat het in deze omstandigheden verstandig zou zijn om het portier te openen en de auto te verlaten.
    Ik kon mijn deur niet open krijgen.
    Ik zat trouwens de hele tijd op het dak van de auto.
    Ik bedoel op de binnenkant van het dak natuurlijk. Met de rubberen automat die boven op me was gevallen.
    Ik weet niet meer in wat voor auto ik reed.
    Nou ja, je kon het hoe dan ook op dat moment amper nog rijden noemen.’

    Ode aan de taal

    Juist in de meer eenvoudige zinnen in het boek, zonder intertekstualiteit of dubbele laag, is deze schrijfstijl het sterkst:
    ‘Toch maakte het hele voorval me doodsbang.
    Ik besef dat ik net heb gezegd dat ik helemaal niet bang was.
    Feitelijk ging het zo dat ik pas bang werd toen het voorbij was.’

    Hier rijst geen vraag op over waarheid of leugens of over de mentale gesteldheid van Kate, haar kwetsbaarheid is oprecht. Aan de andere kant illustreert dit citaat Kates obsessie om wat ze vertelt, góéd te vertellen. Ze zoekt secuur naar de juiste woorden, typt die en bedenkt daarna dat het beter kan, en zichzelf weer verbetert. Juist dat precieze zorgt ervoor dat Wittgensteins minnares geen gimmick wordt, integendeel, het zegt meer over het personage Kate dan alles wat ze zelf vertelt. Dat maakt dat dit boek een ode aan de (on)mogelijkheden van taal is.

    Namen als reddingsboeien

    Kate vergelijkt zichzelf regelmatig met Helena van Troje. Ze benoemt onjuistheden in de Griekse mythologie en legt aspecten bloot die volgens haar vooral zijn toegevoegd om er een beter verhaal van te maken. Het gevaar dreigt dat Wittgensteins minnares te erudiet wordt voor de gemiddelde lezer, zeker doordat er veel namen van filosofen, kunstenaars en schrijvers langskomen. Kate noemt de namen echter niet omdat ze met haar kennis wil pronken, de namen functioneren namelijk als reddingsboeien. Dat past prima bij het personage dat op de universiteit vooral aandacht besteedde aan de niet-verplichte academische literatuur.

    Door de vele intertekstualiteit, de niet-betrouwbare hoofdpersoon en het ontbreken van een klassieke vertelstructuur is het lezen van deze roman een uitdaging. Doorzetten wordt gelukkig beloond: Wittgensteins minnares is hypnotiserend geschreven. Het ik-perspectief wordt hier maximaal benut. Lieke Marsman geeft in het interessante en enthousiaste nawoord handvatten om het verhaal op waarde te schatten. Het is een wereldprestatie dat Markson ruim tweehonderd pagina’s aan feiten zo betoverend heeft kunnen beschrijven, het is even knap dat de vertalers erin zijn geslaagd om Wittgensteins minnares zo vloeiend naar het Nederlands te vertalen.

     

  • Fijne boekenweek

    Fijne boekenweek

    De avond van het boekenbal zat ik op de bank met De verhalen van Andrej Platonov. De ochtend na het Boekenbal douchte ik de resten van een kleurspoeling uit mijn haar. Dacht aan de rode loper die ik op foto’s voorbij had zien komen, de toespraken, het dansen. Welke schrijvers er waren, en of Jeroen Brouwers daar eigenlijk wel eens komt, en A.L. Snijders, Vonne van der Meer, H.C. ten Berghe. Of raakt het boekenbal eens passé onder  schrijvers? Toen stelde ik me voor dat ik erbij was geweest. Het had gekund, elk jaar ontvangt Literair Nederland van de CPNB een persuitnodiging. Waarop steevast een week voor het bal begint een afwijzing volgt, vanwege teveel aanmeldingen. Gek genoeg nodigt de CPNB zijn persrelaties uit en geeft vervolgens een ‘non-accreditatie’. Maar dit jaar was anders. De uitnodiging was persoonlijker, (we zouden het fijn vinden), dat streelde de veren, deed denken aan nieuwe schoenen, een goede pen. Toch kwam daarna de mail: ‘Helaas moet ik je een teleurstellende mail sturen’, met een vonkje hoop, ‘Omdat we je er eigenlijk wel bij willen hebben sta je nog wel op de reservelijst…’

    Op de dag van het Boekenbal mailde ik nog of er misschien iemand van de perslijst was afgevallen. Maar ‘helaas’, geen afmeldingen, afgesloten met: ‘Heb een mooie boekenweek!’ Daar lichtte ik van op. Nooit wenste iemand mij een fijne boekenweek, alsof kerstmis aanstaande was. Ik mailde per omgaande, ‘Dank! Jullie ook!’
    Enigszins verlicht keerde ik terug tot de realiteit van de dag, ging verder met het lezen van Andrej Platonov. In een van de langere verhalen, ‘De verborgen mens’ heeft Foma Jegorytsj Poechov net zijn vrouw Glasja begraven. Poechov is een man zonder conventies, geen dweper. Alles geschiedt volgens hem volgens de wetten van de natuur, het is zo fijn beschreven: ‘Hij sneed op de grafkist van zijn vrouw een gekookte worst in stukjes, daar hij wegens afwezigheid van de vrouw des huizes uitgehongerd was.’ Als hij de volgende dag ontwaakt roept hij: ‘Glasja!’ Maar niemand reageert, zegt, ‘Wat is er, Fomoesjka?’

    ‘Daar had je ze dan, de wetten van de natuur’, dacht Poechov berouwvol: ‘Ik had groot onderhoud aan mijn oudje moeten plegen, dan had ze nog geleefd, maar er zijn geen middelen en de kost is niet best!’ Poechov werkt op een sneeuwschuiver die de rails op de Steppe van Rusland moet vrijhouden van sneeuw. Het is de tijd van de Russische revolutie en het is onmenselijk werk, er is honger, wodka, ongelukken. Aan de stationsmuren hangt de propagandatekst: ‘Wij arbeiders nemen boeken ter hand, / Leer, proletariër, vergroot je verstand!’. Nogal onbeholpen geschreven volgens Poechov, die er een vrolijke eigen mening op na houdt. ‘Je moet zo schrijven dat alle sukkels van de weeromstuit verstandig worden!’ Ja, dat was me nog eens een tijd.

    Oja, nog onder de douche kreeg ik na de ‘stel je voor’ gedachte een schok van realiteitszin. Hoe had ik het in mijn hoofd gehaald, ik, naar het Boekenbal! Met die uitgroei in mijn haar, geen geschikt tasje of jasje, en hoe had ik in godsnaam weer thuis moeten komen?

     

     

    Verhalen / Andrej Platonov / vertaling en nawoord door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot, 2019


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en ging niet naar het Boekenbal. 

  • Great Dutch Novel

    Great Dutch Novel

    ‘Op het puntje van haar tong ligt een theepot’, is titel en openingsregel van een gedicht van Martijn den Ouden in Tirade. Als je een woord even niet paraat hebt, ligt het vaak op het puntje van je tong. Op dat puntje balanceert een theepot. Drukt de tong zich tegen het gehemelte, vlak achter de voortanden voor de ’th’, en komen de lippen bij elkaar voor de ‘p’, dan rolt de theepot eruit. De geest van een dichter is een wonderlijk iets. Die van Delphine Lecompte het wonderlijkst van al. ‘We verorberen taart en uiteraard drinken we er jenever bij / Algauw liggen onze kleren onder de tafel en roken we een onzichtbare vredespijp.’ Ik zou wel eens in Lecompte’s hoofd willen zitten, om te weten hoe ze haar woorden tot zinnen smeedt. Geïsoleerde zinnen, elkaar uitsluitend. Toch ontstaat uit die ogenschijnlijk willekeurige zinnen een beeld, wordt een – absurdistische – geschiedenis vertelt. Er opent zich iets, alsof ik lang van huis ben geweest, ongewone dingen heb beleeft. 

    In het essay Pantha Rei – Alles stroomt over Stephan Enters werk schrijft Sander Kollaard dat literatuur moet uitnodigen tot het verlaten van de eigen ‘vesting’. Een waarachtig en enthousiasmerend essay. Beginnend met de eerste drie zinnen uit een verhaal uit de verhalenbundel Winterhanden, waarin een pannetje water aan de kook wordt gebracht. Kollaard duidt die eerste zinnen als een ‘handreiking’ naar de lezer, een stijlvorm. ‘Stijl, zo begrijpen we, is een vorm van empathie. Het is een middel voor de schrijver om zijn verhaal zo te vertellen dat de lezer het tot bloei kan brengen. Daarom is stijl – niet plot, niet thema of motief, niet inhoud of onderwerp – het kerningrediënt van grote literatuur.’ Drie heldere zinnen die, zo schrijft Kollaard ‘ons door Enter overhandigd [worden] als het doekje waarmee we de beslagen bril van ons solipsisme kunnen wissen, zodat we helder kunnen zien,’.

    Ik las nog nooit een zo oprecht ophemelend stuk van een schrijver over het werk van een literaire tijdgenoot: ‘Pastorale kan denk ik – naar analogie van de The Great American Novel – het beste worden gelezen als een Grote Hollandse Roman: een panoramisch beeld van een hele samenleving.’ En ik weet, Kollaard heeft gelijk! Zelfs als ik het boek niet had gelezen, zou ik hem geloven: Pastorale is The Great Dutch Novel! Wat een vreugde, alsof er een rivier is overgestoken, een andere kant is bereikt.
    Er staan meer overtuigende als even verontrustende stukken in deze Tirade. De loterij van Shirley Jackson (1916-1963), vertaald door Caspar Wijers, een gedwee verhaal over een traditionele loterij in een dorp met driehonderd inwoners, de uitkomst is schrikbaren, het ‘waarom’ houdt je bezig. Twan Zegers’ verhaal Vaderland over een aanslag in Parijs, is geladen met een schuldvraag dat aan het eind afgaat als een geweerschot. Julien Ignacio legt het gedachtegoed van een FvDer vast in Dagboek van een boreaal. Het leest alsof je je ergens aan brandt. En dan het besef dat heel de wereld brandt. Waar halen we het bluswater vandaan?

     

    Overige bijdragen in Tirade Nr. 477 van Hans van Pinxteren, Lizette van Geene, Ineke Riem, Marita Mathijsen, Elfie Tromp, Daan Doesborgh en Sasja Janssen, de (evenwichtig treffende) illustraties zijn van Jeska Verstegen  / Van Oorschot (2019).


     Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar belevenissen onderweg en aan de rand van de literatuur.