• Een boek om te koesteren

    Een boek om te koesteren

    ‘Wat moet ik dan doen met die mooie topazen oorbellen? Een belachelijke eerste gedachte. Die ik toch heb, ’s nachts in bed, als ik mezelf toesta vlak voor het slapen gaan even te denken aan “als ik nu zou horen dat ik niet zo lang meer te leven zou hebben.’’’

    Het is voorjaar als dichter en schrijver Marjoleine de Vos een bultje ontdekt bij haar kaak, onder haar rechteroor. Ruim een half jaar later is het bultje uitgegroeid tot een speekselkliertumor en de oncoloog besluit tot een operatie. Het zal wel meevallen, zegt hij. Waarop De Vos noteert: ‘Precies wat ik dacht, behalve op de momenten dat ik het niet dacht.’ En deze momenten kwamen vaker voor dan ze zou willen. Ze doet er verslag van in het kleine, fraai uitgegeven boekje Zo hevig in leven, een overpeinzing over sterfelijkheid. De titel is een dichtregel uit een van haar gedichten, ‘Mevrouw Despina leest een psalm’ uit haar bundel Zeehond graag uit 2000. Het gedicht staat ook vooraan in dit boekje, als een motto, en het vat de inhoud ervan prachtig samen: angst en onzekerheid over het leven en het einde daarvan wisselen in haar gedachten van plaats met de betekenis en de vreugde van het hier en nu. De

    Houvast zoeken in de natuur 

    Vos zet haar gedachten om in prachtig proza, onnadrukkelijk, alsof ze in zichzelf praat. Ze vertelt over haar angsten, haar herinneringen, alles wat ze liefheeft en vreest te moeten achterlaten. Ze denkt na over haar eigen afwezigheid, de vergankelijkheid van de mens. Hoe moet je je voorstellen dat je er niet meer bent. Het feit dat de artsen geen definitieve diagnose hebben kunnen stellen, maakt het voor haar nog moeilijker: hoe moet ze zich verhouden ten opzichte van het leven. Houdt het op of gaat het verder. En als het verder gaat, hoe dan. Gedachten over wat er kan gebeuren met haar gezicht: ‘Niet het mijne! – en hou hierover op.’ Houvast vindt ze in relativeringen die ze zoekt in de natuur, haar liefde zonder voorbehoud voor dieren, waaronder haar vogeltjes – die keren steeds terug in de tekst – en voor de literatuur. Om troost en bevestiging en om te weten dat ze niet alleen staat, citeert ze Vestdijk, Vasalis, Szymborska, Proust en Nijhoff (‘die verlichten mijn dagen’), maar vooral Mary Oliver, die net als zijzelf inspiratie vond in de natuur en dichtte over de ‘overgave aan de natuurlijke wereld’: natuur, stilte, dieren. 

    Nadenken over het leven voert haar onvermijdelijk terug naar het verleden: ‘Een heerlijke tijd natuurlijk, oorlog lang voorbij, iedereen werd almaar rijker, we geloofden eindeloos lang in zoiets als vooruitgang’. Ze kan niet anders dan concluderen: ‘Ja, ik heb in allerlei opzichten geboft met mijn tijd van leven. Bof nog steeds.’

    Als ik er niet meer ben

    Van september tot en met februari schrijft De Vos niet alleen over haar gedachten maar vertelt ze ook over het hele medische circuit waarin ze beland is: onderzoeken, uitslagen, uitzichtloosheid en strijdend met hoop, verwijten maken dat de tumor veel te laat ontdekt is en dat het veel te lang heeft geduurd voordat er iets aan gedaan werd. ‘Als ze in september dat bobbeltje hadden weggehaald. Dan was er geen avond geweest waarop ik wanhopig had gedacht: Zelfs een jaar is genoeg, echt waar, laten de goden mij nog een jaar toestaan. Maar niet nu al.’

    Ze denkt na over haar begrafenis en welke muziek er dan gedraaid moet worden. Herkenbaar voor iedereen die hetzelfde meemaakt. Maar het ergste vindt ze het verdriet van anderen, als ze moet vertellen wat er met haar aan de hand is. En de angst dat je degenen van wie je houdt niet goed achterlaat. ‘Dus dan fantaseer is hoe ik hem veel geld kan nalaten, waarmee hij dan iets kan gaan doen. Welk geld. Wat doen. Ik wil hem gewoon vast blijven houden als ik er niet meer ben.’

    Tijdens de operatie, de dag na nieuwjaarsdag, zijn er geen uitzaaiingen gevonden. ‘Zucht van opluchting, alsof die arts zei: gij zult leven, zonder dat er ooit gezegd is dat dat niet het geval zou zijn […]’ Zekerheid wordt niet geboden, als er niets gevonden is betekent dat nog niet dat er ook niets is. Maar: ‘Ik heb geen klachten. Ik leef.’ 

    Overgave aan het leven

    En dat is wat blijft als je haar boek hebt gelezen, haar overgave aan het leven, haar verwachtingen, haar levenslust. Het heeft te maken met, zoals ze schrijft, ‘het loslaten van jezelf.’ Alsof  ‘jezelf’ er niet meer zo veel toe doet, zegt De Vos, ‘kijken naar wat er aan leven is buiten je, en niet denken: wat betekent dat voor mij, niet zoeken naar wat er in je omgaat.’ In de woorden van Elisabeth Eybers, die zij citeert, heet het: ‘Zelfafstotend groeien.’ De Vos voelt dat als zij haar geliefde vogels observeert, mussen, wulpen, sternen, groenlingen en koolmezen. Die spreken tot haar, net als de woorden van Eybers, ‘zomaar wat woorden om mee te nemen in het ijverige alledaagse dwalen, zoeken, leven.’

    Zo hevig in leven is een intiem boek dat de lezer rechtstreeks in het hoofd en hart van de dichter laat meekijken hoe zij deze moeilijke periode beleefd heeft. De Vos doet niet aan zelfbeklag. Ook maakt ze geen grote gebaren of verheft haar stem. Het is een open en eerlijk relaas dat niemand onverschillig zal laten. Wie in dezelfde situatie verkeert of verkeerde als zij, zou dit onsentimentele maar ontroerende boek moeten lezen. En zo troost te vinden in de woorden die zij heeft gegeven aan wat veel mensen moeten doorstaan. Dit is een boek om te koesteren.

     

     

  • Oogst week 13 – 2025

    Het zilveren bot

    Het lot van Oekraïne gaat in het westen velen aan het hart. De populariteit van de schrijver Andrej Koerkov (1961), geboren in Rusland, opgegroeid en woonachtig in Oekraïne, is sinds de oorlog toegenomen. Hij is internationaal een veelgevraagd commentator. Vorig jaar verscheen zijn oorlogsdagboek Onze dagelijkse oorlog (2024), over zaken als wassen als de stroom is uitgevallen, loopgraafkaarsen, het geluid van rijdende tanks op een snelweg, vallende bommen, en de plaats voor kunst, literatuur en muziek in de maar doorgaande oorlog. Eerder verschenen onder meer Grijze bijen (2018) en Dagboek van een invasie (2022).

    Het zilveren bot is deel 1 van The Kyiv Mysteries, drie misdaadromans met een historische achtergrond. In dit eerste deel wordt op klaarlichte dag Samson Kolechko’s vader in zijn bijzijn vermoord. Samson ontsnapt aan de sabel, het kost hem alleen een oor. Het is 1919. In Kiev is het Rode Leger van de Sovjets de baas, het Witte Leger probeert vanuit het westen op te rukken. Overal heerst wantrouwen. Samson is nu als wees alleen in het huis van zijn vader en op een dag wordt dat huis gevorderd door twee soldaten van het Rode Leger. Samson luistert hun plannen af en besluit hen te dwarsbomen, waardoor hij in moorddadige complotten terecht komt. Zijn leven staat geregeld op het spel, maar misschien zal hij een held worden.

    Zoals altijd schrijft Koerkov op een licht ironische toon met oog voor absurditeit. Voor het spannende boek raadpleegde hij de archieven van de misdaadbestrijdingsdienst in Kiev.

     

    Het zilveren bot
    Auteur: Andrej Koerkov
    Uitgeverij: Borgerhoff & Lamberigts 2024

    De bodem van het bestaan – Dagboeken 1976-1980 deel 5

    In deel 5 van de Dagboeken van J.J. Voskuil wordt door de schrijver weer veel geworsteld, met zijn werk op het Meertensinstituut, met andere medewerkers, vrienden, met zijn vrouw L.. Voskuil schildert zichzelf daarbij negatief af, is meestal ontevreden over zijn gedrag en opmerkingen. Tegelijkertijd is hij vaak overtuigd van zijn eigen gelijk en doorziet hij behalve zichzelf ook de mensen om zich heen.

    In 1976 is hij verliefd op de jonge medewerkster Mirjam Lucassen, die wordt gearresteerd in verband met een explosief. Zij verdwijnt uit het Bureau en uit Voskuils leven. Hij raakt gedeprimeerd en schrijft eind 1977: ‘En nog altijd het nu al maanden durende gevoel van zinloosheid dat het onmogelijk maakt indrukken op te doen en neer te schrijven. Om iets waar te nemen heb je een vast punt nodig. Er is geen vast punt.’ Ondanks de ruzies en oeverloze discussies met L. schrijft Voskuil herhaaldelijk: ‘Ik ben niets zonder L.’

    In 1978 noteert hij, naast wat plaatsnamen van wandeltochten, slechts: ‘Marietje [hun kat] is vanmiddag doodgegaan. Ze was al een paar maanden ziek. De laatste weken had ze niet meer gegeten. Een klein, lief, mager scharminkeltje. Toen L. uit Den Haag thuiskwam, om kwart voor drie, leefde ze nog. Een minuut later was ze dood.’
    Begin 1980 gaat hij verder met zijn dagboek. Over het werk: ‘Het komt erop neer dat ze niet geloven dat het een voorstel is. Ze zien het als een overval. Ik wil hen op die manier met een hoop nieuw werk opzadelen. Dat had ik pas mogen doen als er eerst een principebeslissing was genomen. Enzovoort. Ik ben verbijsterd.’
    Voskuil chargeert en relativeert. Met humor, dat wel.

     

    De bodem van het bestaan - Dagboeken 1976-1980 deel 5
    Auteur: J.J. Voskuil
    Uitgeverij: Van Oorschot 2025

    Namiddagen

    De Duitse schrijver Ferdinand von Schirach (1964) is strafrechtadvocaat. Hij heeft vele bekende, beroemde en beruchte cliënten. Op zijn 45e publiceerde hij zijn eerste boek, Misdaden (2009), een bundel met verhalen uit zijn advocatenpraktijk die meteen een bestseller werd. Daarna volgden meerdere verhalenbundels, essays, toneelteksten en romans waarna hij al snel tot de beroemdste Duitse schrijvers ging behoren. Zijn boeken worden in meer dan 40 landen verkocht en er worden films en tv-series van gemaakt.

    In de bundel Namiddagen (2025) spelen Von Schirachs verhalen zich af in velerlei steden, zoals Taipei, Berlijn, Oslo, New York, Marrakech, Tokio, om er een paar te noemen. In Japan is Von Schirach erg populair, hij won daar de Honya Taishō boekhandelsprijs in de categorie internationale literatuur. In een van de Namiddagen-verhalen ontmoet de schrijver in een hotelkamer in Tokio een Amerikaanse advocate. Zij is er voor werk, hij ook – voor interviews en lezingen. Door de vliegreis en het tijdsverschil kunnen ze geen van beiden slapen en zij vertelt hem haar verhaal als advocaat van een beroemde muzikant met wie ze, getrouwd en wel, een paar jaar een relatie had. Bij het einde van de relatie krijgt ze van de muzikant een bijzonder horloge, dat ze later op verrassende wijze tegenover haar echtgenoot weet te ‘legaliseren’.

    In een prettig lezende, onopgesierde maar treffende ‘telling’ stijl laat Von Schirach levens van mensen passeren, met verkeerde beslissingen, toevalligheden, de liefde en de vluchtige aard van geluk en niet te vergeten eenzaamheid. Hij haalt daarbij literatuur, film en kunst aan.

     

    Namiddagen
    Auteur: Ferdinand von Schirach
    Uitgeverij: Arbeiderspers 2025
  • Vloeibaar goud en vloeibaar zilver

    Vloeibaar goud en vloeibaar zilver

    Het romanfragment Aardbeien door Joseph Roth (1894 – 1939) uit 1929 werd pas een halve eeuw later (in 1982) voor het eerst gepubliceerd met een toelichting door Roth’s biograaf David Bronsen. Het manuscript was in de jaren zeventig in een bruine enveloppe tevoorschijn gekomen uit de in 1933 door de Gestapo in beslag genomen documenten van Roth bij uitgeverij Kiepenheuer in Berlijn. Volgens het nawoord van vertaalster Els Snick is de tekst weliswaar niet af, maar wel ‘beeldrijk en ontroerend mooi’.

    Deze door Koen Broucke kleurrijk geïllustreerde uitgave is de derde editie van Aardbeien in het Nederlands. Eerder verscheen het verhaal in het themanummer over Joseph Roth van tijdschrift Het Oog in het Zeil (1989), vertaald door Nicolien van Doorn. Ruim een kwart eeuw later als zelfstandige uitgave bij de kleine uitgeverij Het huis met de drie gedichten (2016), vertaald door Els Snick, die voor deze nieuwe uitgave haar vertaling heeft herzien. 

    Volgens Snick (in het nawoord) staan de zinnen in de tekst ‘losjes achter elkaar (…), zonder doordachte alina-indeling’. De verschillende figuren in Aardbeien zullen de ervaren Roth-lezers bekend voorkomen uit zijn romans Hiob, Hotel Savoy en Radetzkymars. Aan zijn vriend en geldschieter Stefan Zweig schreef Roth in mei 1936 vanuit Amsterdam dat hij het materiaal voor zijn grote roman Die Erdbeeren in een andere roman wilde gooien (‘da werfe ich schnell alles hinein’). Mogelijk in de roman Das Falsche Gewicht uit 1937. 

    Ongeschoold alter ego van Roth

    Aardbeien is een nagelaten fragment van zo’n veertig pagina’s. Het begint als volgt: ‘De stad waarin ik geboren ben lag in het oosten van Europa, in een grote, dunbevolkte vlakte.’  Met de stad verwijst Roth duidelijk naar zijn geboorteplaats Brody, zo’n honderd kilometer ten oosten van het huidige Lviv. De prachtige illustraties beslaan zo’n derde van het boekje, ze zijn roodachtig getinte in tegenstelling tot de omgeving van de geboorteplaats van Roth die vooral groen is. De aardbeien hebben Koen Broucke duidelijk geinspireerd. De verteller van het verhaal is Naphtali Kroj, hij noemt zich zelf ‘een soort oplichter’, met een vals paspoort, geen doopakte, geen stamboom.  

    Perlefter, een ander nagelaten romanfragment van Joseph Roth, heeft een vergelijkbaar begin. ‘Ik heet Naphtali Kroj. De stad waar ik geboren ben, was naar Westeuropese begrippen geen stad.’ Roth deed verschillende pogingen een roman over zijn jeugd schrijven, maar het kwam er uiteindelijk niet van, mede door de opkomst van de nazi’s in 1933. Hij vluchtte in dat jaar uit Berlijn, zijn boeken werden verboden en gingen in vlammen op tijdens de vele boekverbrandingen.  Aardbeien werd door de Gestapo in beslag genomen samen met andere documenten. Het fragment laat wel een mogelijke glimp zien van wat Roth van plan was. Naphtali Kroj is een ongeschoold alter ego van Roth, tegenover de gymnasiast en student die Roth was. Eerst werkt Naphtali Kroj als krullenjongen bij de barbier en daarna als koetsier. Hij zeept de burgemeester in bij de barbier en maakt later op zondag tochtjes met de burgemeester.  

    Verhaal leest als een plattegrond

    Roth geeft een ironisch sfeerbeeld van het stadje, met corrupte gendarmes en grenswachters, ernstige en kleine misdaden die niet werden ontdekt, inbrekers en struikrovers die niet werden vervolgd. Over de kleine pogroms, die ‘in de maalstroom van de gebeurtenissen werden vergeten’. Ook over de gevolgen van de jaargetijden – de sneeuw, de ijspegels en de regen. ‘De wegen werden zacht. Het moeras drong het bos binnen, de kikkers zwommen tussen de bomen.’ En over de natuur waarvan zijn langenoten hielden, ‘niet omwille van de natuur zelf, maar omwille van de vruchten die ze voortbracht’. Zoals de aardappels en de aardbeien.  

    Het taalgebruik in Aardbeien is eenvoudig met korte zinnen en af en toe een poëtische uitweiding. ‘De herfst bestond bij ons uit vloeibaar goud en vloeibaar zilver, uit wind, zwermen raven en lichte vorst.’ Het verhaal leest ook als een plattegrond van het stadje waarin Roth’s geboorteplaats Brody is te herkennen. ‘Onze stad was zeer regelmatig en eenvoudig van opzet. De twee hoofdwegen kruisten elkaar in het centrum. In dat centrum ontstond een rond plein, waar twee keer per week de markt werd gehouden. De ene straat leidde van het station naar de begraafplaats. De andere van de gevangenis naar het bos.’ 

    Het gezin van Naphtali Kroj in Aardbeien is het tegenovergestelde van het gezin waarin Roth opgroeide, opgevoed door een alleenstaande moeder. Dat van Naphtali was een moederloos gezin met acht zonen en een alcoholische vader, die bij 35 graden vorst doodgevroren op een weg werd gevonden: ‘Hij was in dronken toestand van zijn slee gevallen’. 

    Ongecorrigeerd en onvolledig verhaal

    Het verhaal bevat ook tegenstrijdigheden, waaruit blijkt dat Roth het niet meer heeft gecorrigeerd en afgemaakt. In het vervolg gaat Naphtali Kroj na de barbier niet als koetsier werken, maar bij een kleermaker in de leer. Ook hier weer een ironisch verhaal over een kleermaker en een glazenmaker, die Naphtali in navolging van zijn leermeester verachtte. Ondanks dat de glazenmaker hem later beschuldigde van diefstal van een diamant en hem een roofmoordenaar noemde, bewonderde hij ineens de glazenmaker en vond hij de kleermaker een lafaard. Het werk liep niet goed af en hij werd door de glazenmaker de werkplaats uitgezet terwijl de kleermaker niets deed: ‘Hij ving een vlieg, een uitgeputte grijze wintervlieg, hield hem bij de vleugels en telde zijn ziek trappelende pootjes’.

    Na zijn vertrek bij de kleermaker loopt Naphtali bij de begraafplaats een dodenkamer binnen waar doodgraver Pantalejmon ligt te slapen. Dan volgt een hilarisch verhaal over de dief Pantalejmon, die niet stal maar het wel probeerde, en een graaf die in een kasteel vlak bij de stad woonde.  Het eindigt ermee dat de graaf de magistraat van het stadje geld leent om een standbeeld te laten maken van een schrijver en geleerde uit de zeventiende eeuw die in een naburig dorp was geboren. ‘De beeldhouwer vervaardigde een lange man met bril. Een wapperende mantel, een boek in zijn hand en een pen achter zijn oor. Dat was ons monument. Het stond op een sokkel van nepmarmer.’ In de winter werd ter bescherming een houten behuizing gemaakt, die in de lente weer werd verwijderd. ‘Het standbeeld is al bevrijd! Het is lente! zeiden de mensen in april.’

    Laatste tien pagina’s en een abrupt einde

    Hierna volgt een scène waarin Naphtali en Pantalejmon een opgehangen man op de begraafplaats vinden.  Het leidt bij Naphtali tot vragen over het waarom van de zelfgekozen dood en ‘op dat moment nam ik het besluit nooit zelfmoord te plegen. Het was onmogelijk om hangend aan een tak te sterven en door Pantalejmon gevonden te worden.’ Pantalejmon  bedacht intussen dat ze de strop konden verkopen en Naphtali dat ze zelfs meer konden verdienen door hem in stukken te snijden. ‘De mensen bleven komen, we verkochten  kleine stukjes die we sneden van steeds nieuwe touwen’. 

    In de laatste  tien pagina’s van Aardbeien volgen anekdotes over drie rijke familieleden die naar het stadje kwamen. De eerste liet een hotel bouwen en verdween weer omdat er geen gasten kwamen. De tweede was een rijke theehandelaar. Hij bezocht het graf van zijn vader, en hij huurde kamers in het leegstaande hotel. De derde was twintig jaar eerder naar Londen vertrokken. Hij keerde terug als ‘pionier van de Engelse cultuur’ en liet een huis zonder ramen bouwen. De mensen dachten dat hij gek was geworden, maar hij was minder gek dan ze dachten. ‘Het was een warenhuis zoals hij er in Londen vast een had gezien!’

    Hier eindigt het fragment abrupt. Het laat in rudimentaire  vorm zien, samen met de roman Das Falsche Gewicht en een fictieve brief van Naphtali Kroj uit Bueneos Aires die Joseph Roth in dezelfde tijd schreef, wat hij mogelijk voor ogen had met de groots opgezette roman over zijn jeugd.    

     

     

  • Kracht van deze roman zit in de verhoudingen binnen het gezin

    Kracht van deze roman zit in de verhoudingen binnen het gezin

    Midden in de crisisjaren in Amerika vertrekt vader Arnold met zijn vrouw Willa en drie dochters naar het platteland om boer te worden. Verteld vanuit het perspectief van de middelste dochter Margret, ontvouwt zich in Nu in november een pijnlijk portret van aftakeling, extreme droogte, armoede en dood. Vertaler Lette Vos is verantwoordelijk voor de goed leesbare en stijlvolle vertaling, waarin de lyrische stijl en natuurbeschrijvingen goed tot zijn recht komen. 

    Al vanaf het begin is het duidelijk dat de relaties binnen het gezin op springen staan. Het gezin staat op allerlei manieren onder druk. Door de hypotheek op het land, die ze maar niet kunnen afbetalen, de droogte, maar ook door onderlinge conflicten. De jaren en seizoenen laten ze stil voorbijgaan, terwijl de aanhoudende droogte hun armer en armer maakt. De komst van de knecht Grant, waar Merle en Margret stiekem verliefd op zijn, kan ook het tij niet keren voor de noodlijdende boerderij van de familie Haldmarne. 

    Sterke beelden van het uitblijven ven regen

    Nu in november verscheen oorspronkelijk in 1934, middenin de zogenaamde ‘Dust Bowl’. Door slechte landbouwtechnieken en extreme droogte mislukte in de jaren dertig veel oogsten in het binnenland van Amerika. Het fijnstof van het akkerland bracht grote schade toe aan natuur en milieu en vele boeren raakten alles kwijt. Een aantal bekende Amerikaanse kunstwerken reflecteren hierop, denk aan boeken van John Steinbeck (The Grapes of Wrath), de muziek van Woody Guthrie (Dust Bowl Ballads), maar bijvoorbeeld ook scenes uit Interstellar van regisseur Christopher Nolan, die het Amerika uit de film modelleerde naar beelden uit die jaren dertig. Ook Josephine Johnson (1910-1990) liet zich inspireren door The Dust Bowl voor haar debuut Nu in november. In 1935, een jaar na publicatie, won ze op 24-jarige leeftijd met de roman de prestigieuze Pulitzer Prize. Tot op de dag van vandaag is ze de jongste schrijver die ooit de Pulitzer Prize won, een uitzonderlijke prestatie. Ze zou nog enkele romans en kortverhalen bundels publiceren, alsook poëzie. 

    Nu in november wordt om meerdere redenen  een moderne klassieker genoemd. Dat heeft te maken met de tijdloze observaties die uit het boek blijken. Allereerst is er de natuur die sterk naar voren komt in Johnsons beschrijvingen van het droge akkerland, de magere beesten en vooral het eindeloze uitblijven van de regen. Aangrijpend is de beschrijving van de storm die de boerderij net mist, waardoor maar een paar druppeltjes het noodlijdende akkerland bereiken: ‘De wolken dreven verder en verwaaiden. Grote vlakken hemel werden vlekkeloos als glas. Het onweer klink heel ver weg bijna hoorbaar… Alles was nog precies zoals daarvoor.’ Zinnen die voor de hedendaagse lezer in tijden van schijnbaar onomkeerbare klimaatverandering, door merg en been gaan. 

    De rol van mannen 

    Hoewel de aanhoudende droogte een grote rol speelt, lijkt de kracht van deze roman juist in de verhoudingen binnen het gezin te zitten. In de afgebakende ruimte van de boerderij gaan de gezinsleden behoedzaam met elkaar om. Kerrin, de eigenwijze dochter, wordt zo veel mogelijk vermeden, net als vader Arnold die onredelijke woede-uitbarstingen heeft als hij vermoed dat er bij het koken eten verspild wordt. Grant, de knecht die bij het gezin komt inwonen, lijkt wat rust te brengen, maar ook hij kan het uit elkaar vallende gezin niet bij elkaar houden. Een brand en het ontslag van Kerrin als onderwijzeres, brengt het gezin definitief ten val. 

    Het boek bevat scherpe observaties over ras, klasse en gender. Bijvoorbeeld de familie Ramsey, een zwarte familie die het net als de andere boeren niet redt en de huur niet meer kan betalen. Ze worden uitgezet, de eigenaar van de boerderij, Turner, zegt daarover: ‘Zwarten zijn geen goede huurders,’ (…) Een witte man had het wel gered.’ Naast het overduidelijke racisme, raakt dit ook aan de rol die de man in dit boek heeft. Mannen zoals vader Arnold zijn de baas en in zijn hoofd is een onoverbrugbare scheiding tussen man en vrouw. Mannen werken op het land, vrouwen in het huis. Kerrin mag onderwijzeres worden, maar de andere zussen zijn voornamelijk thuis. Het idee dat de moeder en zussen zouden kunnen helpen om de boerderij bij elkaar te houden, komt simpelweg niet in hem op. In een woede-uitbarsting, gelijkend op die van haar vader, zegt Kerrin tegen Margret: ‘Jij hebt toch nog nooit iets anders gekend dan eindeloos taarten bakken en boeken lezen? Met je snoezige bloemblaadjes en je onkruid.’

    Meer dan een klassieker

    Het is schrijnend om te zien dat hoe verder het gezin (ook door de dood) uit elkaar valt, hoe meer verantwoordelijkheid er noodgedwongen bij Margret komt te liggen. Maar dan is het al te laat om het gezin nog te kunnen redden; Kerrin heeft zelfmoord gepleegd en moeder Willa sterft aan haar verwondingen van een brand. 

    Nu in november wordt door het aansnijden van hedendaagse thema’s vaak getypeerd als een klassieker die nog steeds actueel is. Dat doet het boek te kort, want hetzelfde valt te zeggen over legio andere boeken. Het is ook niet verwonderlijk dat goede schrijvers thema’s aansnijden (leven & dood, liefde, racisme, klimaatverandering), die decennia later nog steeds op een of andere manier actueel zijn. Wat dit boek zo bijzonder maakt is dat iemand op jonge leeftijd een bijzonder krachtig portret van een noodlijdende familie heeft geschreven. De meanderende natuurbeschrijvingen en de scherpe dialogen aan de eettafel maken dit boek meer dan de moeite waard. Nu in november is vooral een kundig geschreven tijdsdocument dat niets aan kracht heeft verloren.

     

     

  • Oogst week 9 – 2025

    Oogst week 9 – 2025

    Vier de teugels

    Vier de teugels van de Amerikaanse schrijfster Kathryn Scanlan (1980) toont indringend hoe het er achter de schermen van paardenraces aan toe gaat. De zestigjarige paardentrainster Sonia die het verhaal vertelt, houdt onvoorwaardelijk van paarden, en die liefde gaat ver. De elitaire races zijn vooral evenementen met een schone schijn. Daarachter heerst de wereld van het geld. Paardeneigenaren in dure kleding met dure drankjes en hapjes zien in paarden alleen economische waarde. Liefde of zorg voor het dier zijn afwezig. Paarden bezwijken op de baan, ze bloeden uit hun longen tijdens de races en stikken soms in hun bloed. Ze worden gebruikt om geld mee te verdienen.

    Sonia’s leven staat in het teken van alledaagse situaties naast de buitengewone belevenissen op het werk. Twaalf uur werken is geen uitzondering, eerder zijn het er zestien. De paardentrainster weet alles van voeding, verzorging, de fokkerij en het paardenlijf. Aan de uitwerpselen kan ze zien hoe het met het paard gaat. Haar liefde voor deze dieren gaat ver. Ze heeft bewust gekozen voor dit leven en offert het op voor de paarden.
    In korte zinnen en hoofdstukken laat Scanlan Sonia haar verhaal vertellen. Zij hield daarvoor interviews met haar en bewerkte deze tot dit boek.

    Vier de teugels
    Auteur: Kathryn Scanlan
    Uitgeverij: Van Oorschot 2024

    Het persoonlijke is politiek

    Het persoonlijke is politiek van Hedy d’Ancona (1937) is een heruitgave van 2003, met een nieuw voorwoord. D’Ancona staat vooral bekend als oud-PvdA-politicus en feministe. Ze is ook socioloog en sociaal geografe. Ze deed universitair- en beleidsonderzoek, werkte bij de Vara, richtte de feministische organisatie Man-Vrouw-Maatschappij op en was medeoprichter en hoofdredactrice van Opzij. Ze zat in de Eerste Kamer, was staatssecretaris emancipatie en minister van Volksgezondheid, Welzijn en Cultuur, en bracht enkele jaren door in het Europees Parlement. De onderwerpen van deze scherpzinnige vrouw zijn vrouwenrechten, seksisme, strijd tegen seksueel geweld, het recht op zelfbeschikking en op een waardig levenseinde.

    In het boek vertelt ze over haar eigen ontwikkeling en die van de vrouwenbeweging, richting politiek. Iemands geschiedenis kan doorslaggevend zijn voor diens politieke ideeën, zegt D’Ancona. Haar ouders maakten een dramatische geschiedenis mee in de Tweede Wereldoorlog waardoor ook hun dochter getekend werd. Het tastte D’Ancona’s gevoel voor humor niet aan en ook haar haast stoïcijnse levenshouding is terug te vinden in Het persoonlijke is politiek. In 2022 is een documentaire over D’Ancona gemaakt met dezelfde titel.

     

    Het persoonlijke is politiek
    Auteur: Hedy d'Ancona
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar 2025

    Damian

    De hoofdpersoon Damian in Damian van Edzard Mik is jongerenwerker bij het jeugdhonk Viooltjesplein. Als hulpverlener gewend te helpen laat hij zijn moeder binnen die door zijn zus Tess na een app van haar wordt afgeleverd. Zelf moet ze voor haar werk weer eens naar het buitenland en moeder zou dementerend zijn en een gevaar voor zichzelf. Damian had nog teruggebeld om nee te zeggen, maar Tess nam niet meer op, stond korte tijd later al met moeder voor de deur.

    Zijn moeder bekritiseert hem aan een stuk door, vindt Damians werk ver beneden zijn niveau. ‘Ze zag aan hem hoe hij erdoor was veranderd, er was iets onbehouwens in zijn manier van bewegen geslopen, iets vulgairs, alsof het hem niet meer uitmaakte wat hij deed en hoe hij zich aan anderen presenteerde,’. Ze ziet zijn werk en gedrag ook nog als verzet tegen haar, het slachtoffer van haar kinderen die ‘blij zullen zijn’ als ze in haar kist ligt. Van zijn broer Tom, ploeterend kunstenaar, hoeft Damian ook niets te verwachten.

    Hij zit klem tussen zijn dominante en manipulatieve moeder, zijn broer en zus en zijn half criminele cliënten. Zijn relatie met vriendin Bianca, die ook tegen moeders komst was, wordt er niet beter op. Damian vraagt zich af waarom hij zo meegaand is, hoe altruïstisch iemand kan zijn. Wat betekent dat goeddoen eigenlijk?

    Damian
    Auteur: Edzard Mik
    Uitgeverij: Querido 2025
  • Julien Ignacio wint met ‘funky’ Goudjakhals de J.M.A. Biesheuvelprijs 2025

    Julien Ignacio wint met ‘funky’ Goudjakhals de J.M.A. Biesheuvelprijs 2025

    Op donderdag 20 februari werd in SPUI2 te Amsterdam voor de negende maal de J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt. Een tweejaarlijkse literaire prijs voor de beste Nederlandstalige korteverhalenbundel. De prijs is vernoemd naar J.M.A. Biesheuvel (1939-2020), een van de grootmeesters van het genre. Het bedrag voor de prijs wordt geheel door middel van crowdfunding bijeengebracht, uniek voor een literaire prijs. Dit jaar werd een bedrag van € 6049,45 bij elkaar gebracht. Het bedrag was hoger dan voorgaande jaren, wat een zeker verheugen over de populariteit van het korte verhaal teweeg bracht.

    De jury was overweldigd door het grote aantal kwalitatief sterke verhalenbundels dat zij onder ogen kreeg. ‘Zozeer dat we bijna wel twee shortlisten hadden kunnen samenstellen van bundels die de prijs die we te vergeven hebben in principe verdienen’.

    Over het winnende boek, Goudjakhals zegt de jury: ‘Een boek dat je binnenleidt in even vertrouwde als ongekende levens, die zich in je vastzetten als weerhaakjes, die je verleiden tot een grotere betrokkenheid met de wereld. Een boek dat moeiteloos andere perspectieven, andere plekken, andere tijden oproept, en daarmee tegelijk diep snijdt in de onze, in de ziel van het Nederland zoals we dat vandaag meemaken. Een vernieuwend boek bovendien, dat de grenzen van het genre opzoekt.’

    De jury noemt het boek ‘een overval’. ‘Wie de eerste pagina’s in Julien Ignacio’s tweede boek Goudjakhals leest, verbaast zich over de ongewone verteller – een algoritme, een programmaatje, een GPS-signaal? – die vertelt over een vernederde, strijdbare vluchteling in een kamp, een open detentiecentrum op een voormalige militaire basis. Dat alleen al is een indringend, urgent verhaal.’

    En: ‘Julien Ignacio bedient zich in het funky Goudjakhals van vele registers, allemaal even overtuigend, en ontvouwt in afzonderlijke verhalen een Groot Idee over ontworteling, vrijheid, uitbuiting en verzet dat niet alleen op talloze wijzen actueel is, maar zindert van de levenslust en creativiteit.’ Het gehele juryrapport is te vinden op jmabiesheuvelprijs.nl.

    De organisatie van de prijs is in handen van Arjen Fortuin, Vera van Geldern, Sven Schlijper-Karssenberg, Pieter van Scherpenberg en Edith Vroon. De feestelijke prijsuitreiking werd georganiseerd door de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. Die maakte ook vier podcasts met verhalen van de genomineerde auteurs: slaacast/luister-biesheuvelprijs-2025.

    De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs 2025 bestond uit Joost Baars, Yra van Dijk, Janita Monna en Daan Stoffelsen. Zij toonden zich bij de uitreiking zeer tevreden over het niveau van de veertig inzendingen:

    Eerdere winnaars waren onder anderen Rob van Essen, Maarten ’t Hart en Mensje van Keulen en Hedda Martens.

     

     

    Lees ook: Recensie Goudjakhals
    En ook nog: Interview Julien Ignacio

  • Oogst week 8 – 2025

    Uittocht uit Gaza

    Oktober 2023: na vijftien jaar lukt het de Belgisch-Palestijnse schrijver Fatena Al Ghorra eindelijk om haar familie in Gaza te bezoeken. Drie dagen na haar aankomst barst de hel los. Omdat ze haar ouders niet alleen wil laten besluit Al Ghorra in Gaza te blijven. Te midden van Israëlische bombardementen vlucht ze met haar familie naar het Al-Qudsziekenhuis, waar ze, samen met 12.000 anderen, een maand lang probeert te schuilen. Ondertussen wordt Gaza in puin geschoten, met duizenden doden tot gevolg, waaronder talloze kinderen. In Uittocht uit Gaza documenteert Al Ghorra deze vernietiging en de hoop die de vluchtelingen hardnekkig blijven koesteren, in brieven aan haar nichtje. 

    Fatena Al Ghorra (1974) is dichter en journalist, geboren in Gaza. Sinds 2009 woont ze in België, waar ze asiel aanvroeg, en sinds 2016 heeft ze de Belgische nationaliteit. In 2000 debuteerde Al Ghorra in het Arabisch met de dichtbundel Er is een zee tussen ons. Inmiddels staan er, naast haar laatste boek, Uittocht uit Gaza, vijf dichtbundels op haar naam. Haar werk is vertaald in het Spaans, Italiaans en Nederlands en in 2012 won ze de El Hizjra-Literatuurprijs. De eerste Nederlandse vertaling verscheen in 2014: Gods bedrog. Diverse scenario’s. Ook de dichtbundel erna, Neem dit lichaam, werd in het Nederlands vertaald.

    Uittocht uit Gaza
    Auteur: Fatena Al Ghorra
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas en Uitgeverij EPO

    Beladen huis

    In haar memoire, Beladen huis, kijkt Christien Brinkgreve na het overlijden van haar man terug op haar vastgelopen huwelijk. Niet wrokkig, met het doel een schuldige aan te wijzen, maar met verwondering en oprechte nieuwsgierigheid. Ze wil weten wat er met haar en haar man is gebeurd en wat dat te maken heeft met de traditionele rolpatronen die zij, net als veel vrouwen van haar generatie en de generaties erna, ontstegen dacht te zijn. Wat mooi begon, een verbintenis tussen twee mensen, eindigde in een dichtgeslibd huis vol kranten, boeken en zwaarmoedigheid. Brinkgreve maakt niet alleen de balans op van haar huwelijk, ze probeert ook haar man en zichzelf terug te winnen.

    Christien Brinkgreve (1949) is emeritus hoogleraar Sociale Wetenschappen. Naast haar werk aan de universiteit schrijft ze met het doel complexe problemen toegankelijk te maken voor een breed publiek, waaronder in 1992 De vrouw en het badwater: over de lusten en lasten van het moderne (vrouwen)leven, in 1999 Huismensen: essays en columns over vrouwen, mannen en kinderen en in 2006 Wie wil er nog moeder worden? Gedurende haar lange en diverse carrière is ze onder andere lid geweest van de wetenschappelijke begeleidingscie van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en zat ze in de redactie van het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift. Brinkgreve woont in Amsterdam. 

    Beladen huis
    Auteur: Christien Brinkgreve
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De archeologie van het verlies

    Ook in Sarah Tarlows memoire, De archeologie van het verlies, gaat het over het verlies van een dierbare. In 2012, kort nadat ze als archeologe aangesteld wordt aan de universiteit, wordt haar partner Mark ziek. Een neurologische aandoening die ervoor zorgt dat hij snel steeds minder kan: niet meer autorijden, lopen, proeven, tot hij voor vrijwel alles afhankelijk is van de hulp van anderen, vaak van die van Tarlow. In haar werk aan de universiteit onderzoekt Tarlow hoe mensen in het verleden omgingen met verlies en het verdriet dat daarbij hoort. Toch is ze niet voorbereid op wat de ziekte en het overlijden van haar man met haar doen. Gewapend met wetenschappelijke kennis neemt ze haar ervaringen onder de loep. 

    Sarah Tarlow (1967) is een Britse archeoloog en academicus, die als hoogleraar Historische Archeologie verbonden is aan de Universiteit van Leicester. Tarlow geniet bekendheid met haar archeologische onderzoek naar dood en begrafenis. Haar onderzoek heeft betrekking op Groot-Brittanië en Noord-Europa. In 2012 werd haar de leerstoel Archeologie toegekend. Ze heeft meerdere wetenschappelijke werken gepubliceerd, waaronder Handbook of the Archaeology of Death and Burial (Oxford Handbooks) en van 2011 tot 2016 leidde ze Harnessing the Power of the Criminal Corpse, een onderzoek naar het beheer, de behandeling en het gebruik van lijken van criminelen in Groot-Britannië tussen de zestiende en de twintigste eeuw.

    De archeologie van het verlies
    Auteur: Sarah Tarlow
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Oogst week 7 – 2025

    Oogst week 7 – 2025

    Postkamer

    Ingmar Heytze (1970) schrijft brieven in zijn nieuwe bundel Postkamer. De dichter richt zich tot alle mogelijke wezens, dingen en begrippen. Het resultaat is een verzameling brieven in dichtvorm aan de mist, presentatoren, het stotteren, halfvergeten feestdagen, dasspeldmicrofoons en zo verder. Zelden kroop een dichter in één bundel in zoveel verschillende huiden, want wie je een brief schrijft ben je zelf. Het resultaat is een even breed als bont brievenboek in gedichten; Postkamer is de meesterproef van een van de vitaalste dichters van Nederland. Echtgenote en dochters spelen een prominente rol in zijn gedichten, evenals het dagelijkse leven, de dood en het kleine geluk.

    Heytze begon met dichten toen hij vijftien was. Zijn debuut De allesvrezer dateert van 1997 en sindsdien heeft hij een groot aantal dichtbundels gepubliceerd en enkele prozawerken. Bovendien was hij sportcolumnist, is medewerker van de Eenzame Uitvaart en trad op een een band. In 2009 werd hij de eerste officiële stadsdichter van Utrecht. Hij kreeg in 2008 de C.C.S. Croneprijs toegekend, de literatuurprijs van de stad Utrecht voor zijn gehele oeuvre, en in 2016 de Maartenspenning.

    ‘Ik denk wel dat ik van je hou, regen,
     omdat je nu al zolang valt en niemand
     raapt je op. Het stormt vandaag. Zojuist
     veranderde je mijn geschminkte dochters

     in verlopen clowns. Ze huilden, ze begrepen niet
     wat voor geschenk je bent geweest, de avond
     dat hun moeder maar bleef slapen
     toen jij viel en viel en viel

     tot na de laatste trein.

    Uit: Liefdesbrief

     

     

    Postkamer
    Auteur: Ingmar Heytze
    Uitgeverij: Van Oorschot

    De weg naar huis

    Juliën Holtrigter (1946), pseudoniem van Henk van Loenen) is dichter en schilder. Tot 2007 was hij leraar Beeldende Vorming in het middelbaar onderwijs. Hij publiceerde gedichten in Maatstaf, Tirade, Liter, Awater en de Poëziekrant en debuteerde in 2001 met de bundel Omwegen bij Mozaïek. Daarna volgden zes dichtbundels die in toenemende mate getuigen van zijn melancholie, zijn hang naar mystiek en zijn gevoel voor humor en ironie, samengebracht in lucide, beeldrijke taal die bij het lezen meteen beelden oproept. Gedichten van hem werden in meerdere bloemlezingen opgenomen.

    In De weg naar huis schrijft Juliën Holtrigter met humor en zelfspot over zijn dagelijks leven. Met verwondering maar ook met steeds meer verbijstering kijkt hij naar de wereld. Daarbij refereert hij aan Bijbelse figuren: ‘We hebben de dromer verkocht, onze zakken gevuld, wat smerig is noemen we schoon, we stelen, verhullen, misbruiken.’ Jeugdherinneringen moeten de dolende dichter thuisbrengen, maar de weg daarnaartoe zit vol gaten.

    ‘Van alles wat je onthoudt weet je dat het voorbij is,
     vergeeld, achterhaald. Wat je vergeet kom je
     onverwacht tegen: de donkere kant van jezelf.

     Schrijf het allemaal op voordat het verdwijnt.
     Wat al staat geschreven, heeft plaatsgevonden:
     in een stad, in een straat, in je hoofd.’

    Uit: Wat geschreven staat

     

    De weg naar huis
    Auteur: Juliën Holtrigter
    Uitgeverij: De Harmonie

    René Huigen

    In Noem mij David biedt René Huigen aan de meest uiteenlopende personen een podium, waaronder de Chinese dichter Yu Jian en John Milton. Ook klinken het lied van de o’O, de uitgestorven honingvogel, en de stem van David, niet de Bijbelse koning met zijn lier, maar het standbeeld dat Michelangelo van hem maakte. Verlangen naar onsterfelijkheid als opstap naar het tegendeel, zo worden we aangeraakt door het paradoxale bewustzijn dat in de bundel tussen de regels waart. De toon van de gedichten van Huigen zijn wisselend: soms grappig, soms anekdotisch, af en toe filosofisch, bespiegelend of ernstig.

    René Huigen (1962) is naast dichter ook romancier en in de jaren negentig doceerde hij aan de Schrijversvakschool ’t Colofon Amsterdam poëzie en proza. In 1999 doceerde hij poëzie aan de universiteit van Michigan. Hij maakte oorspronkelijk deel uit van de groep De Maximalen, maar verliet deze al snel. Hij concentreerde zich steeds meer op de vraag wat poëzie eigenlijk is en waarom poëzie betekenis heeft.

    Tussen 2013 en 2019 verscheen het poëtisch drieluik Steven!, in 2021 gevolgd door de roman De man die alles zag. De bundel Geen muziek & geen mysterie (2003) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.



    René Huigen
    Auteur: Noem mij David
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Angst, vlucht, noodlot

    Angst, vlucht, noodlot

    De schrijver van Native son — in het Nederlands Een van ons — is Richard Wright, een Afro-Amerikaanse schrijver en essayist die leefde van 1908 tot 1960. Zijn hoofdpersoon is Bigger Thomas, een zwarte jongen uit het Chicago van 1939, middenin de tijd van de Amerikaanse rassensegratie. Zwart en wit leefden strikt gescheiden. Afro-Amerikanen mochten alleen in voor hen bestemde treinen en bussen reizen, mochten enkel naar Zwarte scholen. Er waren gescheiden openbare toiletten, drinkwatervoorzieningen, restaurants en bedrijven. Witten beheersten de woningmarkt. Zwarten (de auteur schrijft Zwarten met een hoofdletter), mochten alleen wonen in door witten vastgestelde en afgezette woonwijken en betaalden voor dezelfde eenkamerwoning twee keer zoveel huur als witte mensen. Zwarten mochten niet stemmen, leefden onder het juk van witte wetten, werden niet geacht zelfstandig te denken en te voelen. 

    Een van ons is ingedeeld in drie boeken. Boek een heet Angst. Bigger Thomas woont met zijn moeder, zusje en broertje in zo’n wijk waar mensen nauwelijks werk en geld hebben en voelt zich totaal onmachtig om iets aan zijn situatie te veranderen. Zijn gevoelens bestaan uit — veelal overschreeuwde — angst, schaamte en haat, ‘een haat die hij niet wilde maar er desondanks was’. Om de wanhoop niet te voelen gedraagt hij zich grof en harteloos tegen zijn moeder, zusje, broertje en vrienden. 

    Biggers leven is al in de knop gebroken. Zijn ‘smeulende’ gevoelens kan hij niet plaatsen, het is Wright die vertelt dat zijn angst, onmacht, minderwaardigheidsgevoel en schuldgevoel zich vertalen in woede en haat. Bigger voelt pas dat iets in zijn binnenste de gelegenheid krijgt naar buiten te komen als hij geweld pleegt. Hij wordt heen en weer geslingerd tussen zich onderwerpen en eigen initiatief, weet niet waarom hij ‘iets wil bereiken wat er toch niet is’, begrijpt de aandrang niet waarmee hij zich op iets wil richten, weet niet waarop of waarom. Als een blinde tast hij rond in zijn leven. 

    De moord

    Bigger krijgt een baantje als chauffeur en een kamer bij de rijke witte familie Dalton. Meneer en mevrouw Dalton zijn ‘erg begaan met Zwarte mensen’, net als hun dochter Mary. Op de eerste avond moet Bigger Mary naar college brengen, maar Mary heeft andere plannen. Ze laat zich afzetten bij een gebouw waar ‘de rooien’ huizen. Bigger weet niet wat communisme inhoudt, alleen dat het een door de witten verafschuwd gevaar vormt. Mary komt weer buiten met haar vriend Jan die Bigger een hand wil geven. ‘Bigger verkrampte van spanning en angst (…) vroeg zich af of hij die witte man een hand moest geven.’ 

    Schrijnend is dat Mary en Jan niets maar dan ook niets begrijpen van Biggers geestesgesteldheid. Zij beseffen niet hoe groot de kloof  is tussen hoe Bigger voelt en denkt en wat voor hen normaal is. Ze zeggen de verkeerde dingen; Mary wil ‘al heel lang eens kijken hoe jouw soort mensen woont’. Ze dringen zich op. Ze maken een ritje met Jan achter het stuur, Bigger ernaast en Mary komt ook voorin zitten. ‘Hij zat ingeklemd tussen twee witte mensen, tussen twee enorme wit opdoemende wanden.’ Ze dwingen hem — althans ze dringen zo aan dat Bigger niet durft te weigeren — in een restaurant met hen aan tafel te eten. Provocerend en triomfantelijk. Hij wordt voortdurend heen en weer geslingerd tussen verbazing, onbegrip en haat. ‘Hij werd witheet. Laat ze naar de hel lopen! (…) Wat wilden die lui? Waarom lieten ze hem niet met rust? Hij was ze toch niet tot last?’ 

    De avond draait erop uit dat ze door toedoen van Mary en Jan alle drie te veel drinken. Vooral Mary is erg dronken als Bigger haar thuis voor de deur wil afzetten, ze kan niet op haar benen staan. Uit verantwoordelijkheidsgevoel helpt hij haar naar haar bed. Daar gaat het, met mevrouw Dalton onverwacht in de buurt, faliekant mis. Bigger wordt ‘overmand door een hysterische angst’, want Zwarten worden, ook als er geen sprake van is, gepakt of gelyncht voor verkrachting. Hij doodt Mary en bedenkt in paniek hoe hij van het lichaam af kan komen. We zijn dan nog niet op een kwart van het boek. 

    Wright jaagt de lezer voort

    Pagina’s lang beschrijft de auteur Biggers paniekerige beslissingen, handelingen en gedachten als hij Mary’s lichaam laat verdwijnen. Hij bedenkt een plan waardoor hij met geld weg kan komen en een ander de schuld zal krijgen en betrekt zijn vriendin erin. Deze Bessie stribbelt tegen, maar legt het lot van haar armzalige leven toch in handen van Bigger. Inmiddels zitten we in boek twee: Vlucht. 

    Zintuiglijk verhaalt Wright wat Bigger doet, denkt en voelt, en wat hij niet voelt en niet begrijpt. Er is hitte en rode gloed van de kolen in de verwarmingsketel in het huis van de Daltons, wind beukt tegen ramen, sneeuw jaagt in het licht van de zaklantaarn, er is de geur van rottend hout, gehuil van de nachtwind en een krakend, leegstaand oud huis. Als Bigger een steen opheft met de bedoeling zijn vriendin te doden probeert ‘zijn hart zich uit zijn borst te wurmen’. Hij raakt in paniek, zijn armen zijn verlamd. Wright jaagt de lezer met het ene detail na het andere door het boek, hij neemt hem mee op Biggers vlucht, laat hem voelen wat Bigger voelt en laat hem begrijpen waarom Bigger handelt zoals hij handelt.

    De politie drijft Bigger op met felle lichten over besneeuwde daken. Als ze hem hebben wordt hij aan zijn voeten over de grond gesleept. In de gevangenis overkomt een andere Zwarte hetzelfde. Na Biggers arrestatie begint boek drie: Noodlot. Een van de kranten schrijft: ‘in woord en gebaar ontbeert hij de charme van het gemiddelde, ongevaarlijke, vriendelijk glimlachende zuidelijke Zwartje dat zo geliefd is bij het Amerikaanse volk.’ Enig cynisme is Wright niet vreemd. De journalist ziet Bigger als ‘rimboebeest’, ‘Zwarte beul’, als ‘een ontbrekende schakel in de evolutie van aap tot mens’. Hij pleit voor rassenscheiding en voor het beperken van ‘kennisoverdracht aan negers’. ‘Wij hier in het zuiden zijn van mening dat het Noorden negers aanmoedigt om meer kennis te vergaren dan ze biologisch aankunnen.’

    Basale onveiligheid

    Een witte advocaat — die we nu een mensenrechtenadvocaat zouden noemen — werpt zich op als Biggers verdediger. Bigger zelf begrijpt niet dat hij door de witte bewaker, zijn advocaat en door Jan die hem niets kwalijk neemt, ‘netjes en normaal’ wordt behandeld. In de vragen van zijn advocaat voelt hij een erkenning van zíjn persoon en bestaan, ‘een erkenning die hij nooit eerder had ervaren’. Hoofdaanklager Buckley hitst de haat van de witten tegenover de zwarte bevolking via de kranten op en eist de doodstraf voor Bigger. Zijn advocaat probeert dat te voorkomen. 

    Bigger probeerde voor zichzelf ‘een wereld te scheppen om in te leven’, wat steeds mislukt maar wat hij in de gevangenis nog steeds wil. Hij vraagt zich af: ‘Had die stem van de haat al niet lang voor zijn geboorte geklonken, en zou die na zijn dood niet nog steeds klinken?’ Tijdens het proces voelt hij de ‘weerloze schaamte’ van zijn familie ‘in het bijzijn van witte mensen’. Hoe groot de tragiek en onrechtvaardigheid is van de maatschappij waarin Bigger leeft toont Richard Wright als hij zijn hoofdpersoon laat denken: ‘Witte mensen vervolgden geen Zwarte die een andere Zwarte had vermoord.’

    De auteur legt achterin het boek de totstandkoming ervan uit, zijn twijfel over een boek met een Zwarte als misdadiger. Hij laat zien hoe de benauwde visie die bij zowel wit als Zwart heerste, de beperkingen die Zwarten werden opgelegd, hun basale onveiligheid, de uitsluiting, hoe dat alles wel moest leiden tot psychische problemen die geregeld een uitweg vonden in ‘een wereld die bestond op het niveau van dierlijke driften’. Wright ‘kende vele Bigger Thomassen’, in verschillende gradaties. Niet alleen in eigen land zag hij een ‘modderpoel van menselijk leven’, hij signaleerde die ook in Nazi-Duitsland en Rusland. In Amerika voorzag hij de revolte die niet kon uitblijven. Zelf verruilde hij, het racisme zat, in 1947 Amerika voor Parijs, waar hij zich aansloot bij existentialistische kringen. 

    De aanklacht tegen Bigger is terecht, maar nog meer terecht is Wrights aanklacht tegen het onvermijdelijke resultaat van de racistische omstandigheden. Een van ons zou door iedereen, wit en gekleurd, moeten worden gelezen.

     

     

  • Oogst week 49 – 2024

    Oogst week 49 – 2024

    Hout

    Erik Lindner (1968) heeft inmiddels twee romans en zes dichtbundels geschreven. Lindner is tevens oprichter van het tijdschrift Terras. Daarnaast schrijft hij recensies voor onder meer Ons Erfdeel, is adviseur en coördinator van het literaire programma van de Jan van Eyck Academie en docent poëzie van de Schrijversvakschool Amsterdam. Dit jaar verscheen zijn zevende bundel Hout. Het losse gedicht Hout verscheen al in 2021 bij Uitgeverij Druksel. 

    Lindners poëzie is bedachtzaam en schenkt aandacht aan wat zich aan hem voordoet. Zijn observaties worden in woorden vastgelegd zoals verf wordt aangebracht op een schilderij, ogenschijnlijk neutraal en afstandelijk, maar met verborgen emoties.

    ‘Klei fluit
     als je er water op gooit
     Ignace, de schep boven zijn hoofd
     staand in de put die hij voor zich groef
     met zijn spade een skelet doorklievend, het uitgravend
     het zwarte polshorlogebandje rond de tattoo op zijn arm
     materiaal dat geen vorm krijgt maar geluid maakt
     de regen valt op zijn rug als hij stuit op de klei
     die diep in de grond naar hem fluit

     een trein die bijna is aangekomen waarvan
     de slag over de bielzen vertraagt

     vuur laait manhoog op uit de put
     vlammen slaan om elkaar naar de lucht’



    Hout
    Auteur: Erik Lindner
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Jullie weten niet wat liefde is

    Raymond Carver (1938-1988) is vooral bekend als schrijver van bondige en schijnbaar laconieke short stories, maar zijn poëzie doet daarvoor niet onder. Zelf zei hij dat hij als dichter begonnen was. Zijn gedichten kennen dezelfde minimalistische stijl als de verhalen en worden gekenmerkt door het fundamentele verlangen naar liefde en acceptatie. Jullie weten niet wat liefde is werd vertaald door Joris Iven.

    Opgegroeid in armoede was Carver tot zijn veertigste verslaafd aan alcohol, maar na een ommekeer in zijn leven schreef hij in tien jaar de verhalen en gedichten die hem tot een van de grootste Amerikaanse auteurs maakten. Zijn werk gaat meestal over mensen aan de onderkant van de maatschappij, relaties die stuklopen, de uitzichtloosheid van het leven en de troost van de drank. Carver was een van hen en hij vergat nooit waar hij vandaan kwam.

    Ook toen hij zijn leven veranderd had, bleef hij zich betrokken voelen bij deze mensen, over wie hij schreef zoals nooit iemand eerder had gedaan. Joris Iven is dichter en vertaler van poëzie. Hij vertaalde van Carver al eerder de bundel Where Water Comes Together with Other Water in Waar water samenvloeit met ander water (2015).

     

    Jullie weten niet wat liefde is
    Auteur: Raymond Carver
    Uitgeverij: P

    Vuurbloem

    Roan Kasanmonadi (1995) is schrijver, moderne danser en psychiater in opleiding uit Rotterdam. Hij studeerde Geneeskunde en Filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en Moderne Dans aan de Fontys Dansacademie. Hiernaast is hij arts in opleiding tot psychiater en tot moderne danser. 

    Hij was in 2021 en 2022 onderdeel van Poetry Circle 010 en treedt geregeld op als spokenwordartiest. Roan Kasanmonadi debuteerde in september met de dichtbundel Vuurbloem en stond een maand later meteen op de 41ste Nacht van de Poëzie. 

    In zijn werk combineert hij abstracte associaties met alledaagse taal en verwijzingen naar popcultuur. In deze bundel schrijft hij over zijn zoektocht naar een plaats in de wereld en over het verlangen te ontsnappen, over hoe het leven je kan neerslaan en hoe je weer overeind moet krabbelen.

    ‘Driemaal kraait de haan als ik
     opnieuw een ongelezen boek in de kast zie staan
     het is ochtend in mijn jeugd
     ik vermoed dat het ochtend is
     een frisse decembermorgen
     sneeuw op ons beeldscherm
     nu er nog stroom bestaat
     laat het ijzer zich het beste smeden

     er is een haan bevroren
     op een ochtend in december’



    Vuurbloem
    Auteur: Roan Kasanmonadi
    Uitgeverij: Lebowski
  • Wat je niet weet

    Wat je niet weet

    De angst uit elkaars verhaal te verdwijnen, dat is waarom je keuzes maakt die als compromis dienen. Lang was ik bang uit elkaars verhaal te verdwijnen. Vroeger dus, waarmee ik gelijk maar aangeef dat ik al langer mee ga. Toen ik begin deze eeuw met de man naar Portugal verhuisde, was er een diepere gedachte dat alles daar beter zou gaan. Elkaar beter begrijpen, konden volgen enzo. Idee van liefde (alsof er een voorbeeld was waarbinnen wij pasten). In een ander land opnieuw beginnen, is een beetje als naar een eiland gaan. Afhankelijk zijn van de omgeving, dat de ander dingen doet die niet in jullie verhaal passen. Denk roken, dieren eten. Als je dit ontdekt, de ander daarop betrapt, ja dan. Het overkomt de vertelster in Dezelfde maan ook. Al gaat het hier om gebitsreiniging. Dat ze op een ochtend de badkamer binnenkomt waar hij zijn tanden flost, wat ze hem nooit eerder zag doen.

    ‘Ik kijk naar je terwijl je de draad tussen je tanden duwt en weer lostrekt. Het is alsof ik naar een onbekende kijk.’ Dan vraagt ze zich af, als om de boel te vergoelijken, ‘Misschien is het de eerste keer in je leven dat je flosdraad gebruikt. Dat zou iets verklaren. Maar nee, je doet het iedere dag, zeg je.’ En ‘Waarom weet ik daar niks van, van dat flossen, vraag ik.’ Zegt hij, ‘Omdat je ooit gezegd hebt dat het een smerig gezicht is. (…) daarom doe ik het wanneer jij het niet ziet.’ Wat gezien kan worden als een daad van liefde, is waar zij hem stiekem gedrag verwijt. Wat hij gelukkig met humor opvat, maar er is een toon gezet.

    Er zijn dingen die je liever niet weet. Dijkhuis schrijft ze op, ‘…van de meeste dingen die in de toekomst zullen plaatsvinden weten we niet dat ze al begonnen zijn te gebeuren. (…) Je zit er al middenin.’ Een gedachte die iets openbreekt, globalisering ten top. Hier krijg ik de neiging mijn gebied af te bakenen, kop in het zand enzo. Waarover zij weet te vertellen (‘Vertel me eens iets wat ik nog niet weet’) dat struisvogels hun kop niet in het zand steken. Dat ze er gewoon vandoor gaan als er iets aan de hand is. ‘En hard ook: een rennende struisvogel haalt zeventig kilometer per uur.’ Dus, is het bij problemen beter er vandoor te gaan (wil je je eigenheid behouden). Waar dit je ook zal  brengen. Naar een eiland bijvoorbeeld, zoals de schrijfster nadat haar relatie geëindigd is. Omdat ze dacht dat ze iemand was die geen kinderen wilde. ‘Ik had me voorgenomen nooit kinderen te willen. Ik zou schrijver worden. Schrijver en moeder tegelijk zijn, dat ging niet, was mijn overtuiging.’

    Dat je dingen denkt te weten, de ander denkt te kennen, jezelf te kennen. Daarover gaat Dezelfde maan. De onzekerheid als de keuze die je gemaakt hebt, begint te wankelen. Dat toch die andere weg begaan moet worden. ‘…als ik, jaren eerder al, besloten had toch kinderen te willen. Het moederschap. Een gezin. Wat was er dan van ons geworden? Van jou?’ De creatie van een andere verhaallijn. Wat als je het over kon doen, dat vraag ik me wel eens af. Welke keuze je dan zou maken. Zelfs als je iets buitensluit, blijft het bestaan. De mogelijkheid het toe te laten blijft. De eenzaamheid die dat tot gevolg heeft, die Dijkhuis ervaart op het eiland waar ze zich heeft teruggetrokken. Ze citeert Carl Jung (zo’n boek is het, auteurs en wetenschappers krijgen een plek in haar verhaal).

    Maar luister, dit dus: ‘…eenzaamheid wordt niet veroorzaakt door de afwezigheid van anderen, maar doordat je de dingen die echt belangrijk voor je zijn verzwijgt omdat ze ontoelaatbaar voor een ander zouden zijn.’ Hoe we onszelf niet laten kennen, en dat er nog zoveel is om te vertellen wat je nog niet weet. En weet, dit is een prachtig boek!

     

     

    Dezelfde maan / Dorien Dijkhuis / 123 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Vrouw met woordhonger

    Vrouw met woordhonger

    Je moest ergens heen, er was een afspraak , dan toch treuzel je. Hoezo? De man wachtte al in de auto. Je was uitgehongerd (ontbijt was erbij ingeschoten). Maar je hebt het over woordhonger, dat bestaat, net als huidhonger. Je was dus begonnen aan De Parelduiker, die je stukje bij beetje verorberde en de man wachtte. Je begon aan ‘Een schielijke oplichter? – Over de betekenis van Bertus Swaanswijks oorlogsbrieven, (de latere Lucebert) door Graa Boomsma. Lucebert die eens zulke mooie brieven wisselde met Frieda Koch, de vrouw van Bert Schierbeek. Maar in zijn jonge jaren geloofde (en liet dat weten in zijn brieven) in de Duitse bezetters. Boomsma vraagt zich af of het bijvoorbeeld werkelijk zo was dat de latere kunstenaar en dichter in de zomer van 1942 met vrienden een bijeenkomst van het Nationaalsocialistisch Studentenfront bezocht. En waarom schreef hij in een bief aan een vriendin zo neerbuigend over Joden, omdat de vriendin pro Duits was?  Er is sprake van ‘knielzuchtige momenten’, als zijnde onderdanig, met alle winden meewaaiend. Er is sprake van een labiel karakter. Boomsma onderzoekt de omgeving waarin Swaanswijk opgroeide, de vrienden, alles wat invloed heeft op een labiele jongeman. Hoe de beweegredenen van een 16/17-jarige jongeman te begrijpen? Lees het, en je ontdekt dat het niet zo eenduidig is, of toch weer wel.

    Toen moest je echt gaan, de man in de auto enzo. Snel bladerde je nog door, naar de rubriek ‘In gesprek met de vorigen’ waarin jonge schrijvers vertellen over welke schrijvers hen zijn voorgegaan, wie zij bewonderden, door wie zij het lezen lief kregen. Je leest als een hongerige veelvraat. Weten hoe schrijvers aan het schrijven raakten, wie ze op een spoor zette. Deze keer is het Luuk Imhann (Thomas Heerma van Voss, Julie Ignacio – hè, het is toch Julien? – Alma Mathijssen en Merijn de Boer gingen hem voor in deze rubriek) die over zijn voorgangers schrijft. ‘De wereld was al oud toen ik geboren werd, in de herfst van 1986, in het bed van mijn ouders in een klein dorp in het Westland. Ik wist natuurlijk niet hoe oud de wereld was en ik ontdekte alles voor het eerst.’, begint Imhann.

    En daar ga je, het tijdschrift mee de auto in. Er is haast (kans op te laat komen door vrouw met onbedwingbare woordhonger). Maar dat interesseert je niet. Imhanns leren aan literatuur wel. Hoe Vestdijk, Haasse, de grote drie, De avonden van Reve hem niet konden bekoren (gewoon toegeven), en dan eindelijk via Campert en Slauerhoff het te pakken krijgt. ‘Campert was mijn startschot.’ En later Slauerhoff, die hem verder hielp de vaderlandse literatuur te ontdekken. Hoe hij zich een weg zocht door de Nederlandse literatuur, die lijn van voorgaande schrijvers  ontdekte. Hij schrijft, ‘Zie je, je kunt schrijvers in twee categorieën opdelen: zij die zich bewust zijn van de schrijvers die hen voorgingen of zij die denken uniek te zijn, alsof de (literaire) geschiedenis begon met hun geboorte. En daar maakt hij een prachtige vergelijking met de zalm, die al millennia met duizenden de rivier opzwemmen. ‘Ze volgen hun blinde intuïtie om terecht te komen op een plek waar hun ouders al waren. Een reis naar de plek waar ze vandaan kwamen.’

    En lees dan ook ‘Stichter Luc Coorevits blikt terug op veertig jaar literair ondernemen’, een interview met Coorevits door Martine Cuyt. Samen met zijn vrouw Marianne Janssen stichtte Coorevits in 1984 ‘Behoud de Begeerte’, kunstencentrum voor literatuur. Vraag: ‘Waar en wanneer viel u voor literatuur op het podium?”
    Antwoord: ‘De coup de foudre was in 1983, Nacht van de Poëzie, Utrecht. Hugo Claus las zijn “Jan de Lichte” zo majestueus en bezwerend dat ik voorgoed in de ban kwam van schrijvers die uit eigen werk lezen.’ Prachtige verhalen uit veertig jaar aan schrijvers een podium bieden.
    Neem het in memoriam ‘Nergens bang voor geweest’ aan Lisette Lewin (1939-2024) door Vic van de Reijt nog even mee. Hoe Lewin ooit bij uitgeverij Nijgh en Van Ditmar kwam. Over haar oeuvre en haar overlijden in het Sarphatihuis, waar ze op een ‘verborgen’ kamertje lag, ‘met de stukgelezen exemplaren van Tsjechov en Carmiggelt naast haar bed’.
    En er is meer. De Parelduiker heeft altijd meer te bieden dan je denkt aan te kunnen. Voor een woordhongerige zijn dat beslist geen parels  voor de zwijnen. Lees De Parelduiker!

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft wekelijks over haar lezende leven.